Stilstand

De zomer is een rollercoaster. Ik reis, werk, neem zo nu en dan een flitsvakantie en reis en werk weer.
Ook naar/in La Chartreuse de Valbonne (Saint-Paulet de Caisson, Vaucluse, Frankrijk) werkte en reisde ik. Maar daar was alles anders.

De rollercoaster kwam met piepende remmen tot stilstand.



Klik voor de hele foto.
Door het juk van mijn overvolle agenda keek ik pas een dag van tevoren echt goed op de website. Zodoende kreeg ik op het nippertje een flauw vermoeden van de schoonheid van de plek waar ik inderhaast naartoe zou gaan. Er was veel te zien op de website, maar geen haast. Een dag later stapte ik uit in 38 graden en stelde ik vast: het is goed hier.



Klik voor de hele foto.
Ook al was ik met twintig andere mensen op bezoek in het klooster en ook al waren er elke dag ook andere toeristen die ademloos door de gangen liepen, ik was alleen in Valbonne. Mijn man zat bijna duizend kilometer verderop, er was meestal niet of nauwelijks gsm-bereik, er was geen internetaansluiting en er was geen tv. Mijn collega’s kende ik nauwelijks voor ik vertrok, de meeste cursisten kende ik helemaal niet. En mezelf had ik de laatste weken alleen nog gezien als op zo’n foto die je bij de uitgang van een achtbaan van jezelf kunt kopen: armen en de lucht, heel hard AH! roepend.
In Valbonne was dat gevoel op slag weg. Ik kon mijn armen laten zakken. De paniek die om mijn mond bestorven lag, viel dood in de koelte van de kloostergangen.



Klik voor de hele foto.
Er waren weinig koele plekjes. De hele week was het ruim boven de dertig graden en ’s nachts koelde het nauwelijks af. De verschillende binnenpleinen hadden ons inspiratielevel tot grote hoogte kunnen stuwen, we waren er immers om te schrijven, maar alle grote pleinen en tuinen hadden hetzelfde euvel: het was er te heet.



Klik voor de hele foto.
Dus schreven we in de schaduw van de blauwe regen. Het was een week van schrijven (de cursisten) en bespreken (voor mij en mijn Wisper-collega). We doken in de verhalen, praatten erover, gaven opdrachten, kleine lesjes en coachten dat het een lieve lust was. Met als grote leidraad de schaduw. ‘Om zo laat is er daar schaduw, dus dan zijn we daar te vinden voor advies.’



Klik voor de hele foto.
En ’s avonds nog meer lezen en nog meer bespreken. Eerst op de terrassen en later in de rozentuin onder het genot van een stel hardnekkige muggen en een doos wijn uit de wijngaard naast het klooster. Als de plotlijnen waren opgelost en de hitte alleen nog in de muren zat, verdween de eenzaamheid samen met mijn peukjes in het grind.



Klik voor de hele foto.
Ik zal me voor eeuwig de verhalen herinneren waar ik in deze gangen over meedacht. Omdat sommige verhalen zo goed waren. Maar vooral omdat ze op een unieke manier tot stand kwamen. In de koelte van een kloostergang, uitklapstoeltje, laptop op schoot. De toeristen die om ons heen draalden en zich afvroegen hoe het kon dat zoveel schrijvers juist dit afgelegen monument kozen om te gaan zitten werken.



Klik voor de hele foto.
Hoewel ik als docent zelf nauwelijks geschreven heb, heb ik mogen meedenken op de golven van de inspiratie die de anderen kregen van de omgeving. Ik moest kritisch zijn, maar mocht ook regelmatig klinken op alweer een geslaagd verhaal. Het moet de wijn geweest zijn, rechtstreeks uit de vrome handen van de kloosterlingen. Het moet de stilte geweest zijn, alleen verbroken door een paar monstercicades. Het moet mijn geluk geweest zijn.

Ze willen godverdomme mijn boek uitgeven!

Het begon in november vorig jaar met een simpele, vermoedelijk uit opperste verveling geboren twittercampagne van @aliefka voor mij.
‘Volg @zezunja, volg @zezunja, volg @zezunja‘, schreef ze.
‘Schrijf jij ook een bestseller, net als Aliefka?’ vroeg ene @jeltenieuwhuis me, terwijl hij mij gedwee ging volgen.
‘Ik heb al meer dan 4000 tweets geschreven, dan is een bestseller een eitje’, bralde ik.
‘Maar serieus’, schreef hij en hij dm’de* me zijn e-mailadres.
Waarna ik toch maar even naar zijn bio ging kijken.

Redacteur uitgeverij L.J. Veen stond er in zijn bio. Amstel Uitgevers in zijn e-mailadres.
Okee, dacht ik, ik heb nu als een aap staan kraaien tegen iemand die mij deze vraag serieus stelde.
Schrijf jij ook een bestseller?
Mwah, ik schrijf 4000 tweets.
Juist.

Maar aangezien ik bij die miljoen Nederlanders hoor die graag ‘ooit’ een ‘boek’ zou willen ‘uitgeven’* leek het me stom om het erbij te laten. Edoch, ik durf het geluk zelden te geloven, dus vroeg ik – als een gewiekste vrouw die versierd wordt door de man van haar leven, maar zich niet in de luren wil laten leggen door een Casanova die in elke haven een ander liefje heeft: ‘Vraag je dat aan al je tweeps?’*
Uiteraard was een ferm ‘nee’ voldoende. Zo zijn wij, de gewiekste vrouw en ik.

Goed, dus ik was in de wolken: joepiejoepiejoepie, ik heb een ‘belangrijk’ contact en dat ik ga ik bij deze eventjes warm houden. Maar daar popte nog even een ieniemienie probleempje op: ik had nog nooit een letter proza geschreven. Gedichtjes: ja, journalistiek: in overvloed, columns: een paar handen vol, maar proza: echt – nog – nooit.
Ik schreef terug. Dat ik dolgraag een bestseller wilde schrijven, maar dat ik alleen maar soep in de aanbieding had. Soep in mijn hoofd, soep in mijn portfolio, soep in mijn plannen.
Gelukkig hield hij van soep.

Daar zit je dan met je koude soep en je warme contact. Nog geen letter op papier en er als rechtgeaarde gewiekste vrouw niet helemaal gerust op dat de man in kwestie zijn heil niet toch nog elders zou gaan zoeken. Er restte mij niets anders dan een bestseller te schrijven.
Gelukkig had ik wel een idee. Een idee dat Jelte ’spannend, slim en veelzeggend’ vond.
We spraken een deadline af. Voor een eerste aanzet.

Ik schoof de gordijnen dicht, dwong mezelf een waxinelichtje uit te schrijven. En nog een. En nog een.
En toen mailde ik een eerste deel. Zenuwachtig. Bang dat hij het ‘uit zou maken’.

Maar dat deed hij niet. Hij mailde.
‘Het komt niet vaak voor dat ik na lezing van zo’n eerste stuk tekst zo enthousiast ben als nu.’
Toen viel ik van mijn stoel.

Dat was het startschot om eindeloos veel waxinelichtjes ‘op’ te schrijven, vol te houden, alle onzekerheid in de ogen te kijken en door te zetten.
Het ging goed. Het ging beter. Alweer een kilometer.
De plot kwam niet rond, maar het verhaal werd ‘ronder’. Ik stuurde deel 2 en Jelte bleef blij. Het was goed, maar gewoon goed was niet goed genoeg, zei hij. En natuurlijk had hij gelijk.

Een fijne hypotheek op mijn schouders. Goed moest briljant worden.
Dat werd een leuke aprilmaand, waarin ik de raarste dingen deed, zoals van een stuk of honderd scènes opschrijven wie erin voor kwamen en waarom. En alle stront-, snot- en plasscènes tellen. Vraag me niet waarom (ik heb daar overigens wel een theorie over, maar dat is iets voor een ander stukje), het was vrijwel allemaal zinloos, maar ik had het nodig om van een goed boek een briljant boek te maken.

De deadline voor deel drie naderde met rasse schreden. Ik schreef door, maar vreesde met grote vrezen. Ik had nog niet de plotwending to end all plotwendingen en ik had het idee dat wat ik schreef wel weer behoorlijk goed was, maar ik herinnerde me vaagjes dat dat niet genoeg was.

Ik goot deel drie in pdf, schreef dat ik nog steeds niet wist hoe het moest aflopen, deed mijn ogen dicht en drukte op send.
Daarna dook ik een week onder op Utah Beach aan de Normandische kust.

Toen ik terugkwam lag er een mail.
‘Om dat geloof te onderstrepen, willen we je graag een uitgeefovereenkomst aanbieden. (…) Ik hoor graag van je of we je inderdaad een contractvoorstel kunnen doen.’

Dus nu moet ik even een einde verzinnen.


* Dm is een privébericht op Twitter, dat alleen zender en ontvanger kunnen lezen.
*Zie hier item over die miljoen schrijvers op Nova van vrijdag.
*Tweeps zijn je volgers of de mensen die je volgt op Twitter.

Omdat ik geen kinderen heb

De poezen!
Klik op de plaatjes voor de hele foto.



Klik voor de hele foto.
Een oude rubriek: Zoek de Sjeik (3). Klik hier voor Zoek de Sjeik (1) en hier voor Zoek de Sjeik (2)



De meest vertederende beweging die een poes kan maken.



Groen.



De katten springen dus niet in één keer op die muur.



Licht



Je kunt hem niets weigeren.

Discretie is voor mij heel belangrijk en daarom mail ik wildvreemde mensen met impertinente vragen

Kreeg een vreemde mail en zag vlak daarna dat een vriend van Pietel een vergelijkbare mail had gekregen.

Hallo
Ik ben een tijdje niet meer online geweest vanwege een crash van mijn laptop maar vond op een backup
nog dit emailadres vandaar mijn zeer late reactie.

Ikzelf ben een hele leuke lieve af en toe gekke maar ruimdenkende gehuwde vrouw en zoek een discrete relatie.
Samen een clubje doen of iets anders…het kan echter niet bij mij thuis. Discretie is voor mij heel belangrijk.

Indien dit emailadres onterecht op mijn harde schijf zat dan gelieve dit mailtje als onbestaand te beschouwen, dan zal ik je mailadres ook wissen. en wens ik mij hiervoor reeds te excuseren.

Groetjes

Tania

Ze vroegen of ik mezelf ijdel vond

Drie weken geleden vroeg Fanny Maenhout: wil jij ‘Blogger van de week’ op nieuws.be zijn? Waarop ik dacht: hee airplay, leuk!
Maar airplay voor een halfdood weblog leek me wat te veel eer, dus schreef ik terug dat ik dan eerst weer even mijn weblog wilde aanzwengelen, maar dat mijn geliefde ook een heel mooi weblog heeft en dat ze eerst hem tot Blogger van de week kon bombarderen.
Fanny vond het goed. Ze interviewde eerst nog even mijn Twittermakker San F. Yezerskiy en daarna zoals voorgesteld: mijn geliefde (klik voor het interview).
In de tussentijd moest ik natuurlijk mijn belofte waarmaken: aanzwengelen die hap. En dat viel zwaar. Ik schreef me al hele dagen lamme vingers aan allerlei ander moois en die weblogstukjes vallen er dan dus niet zomaar uit ofzo.
Maar het lukte. Er kwam weer wat leven in de bouwerij.
En gisteren verscheen het interview.

Nu zou ik het natuurlijk weer rustig kunnen laten doodbloeden hier, maar dat ben ik niet van plan. Zeker niet omdat ik met het interview de beste kortestukjesschrijfster van de ondergang redde en zij blijkens haar laatste zin doorhad dat ook ik best eens de pijp aan Maarten zou kunnen geven.
Niet dus.
De frequentie zal wat minder hoog zijn dan vroeger, maar god jongens, wat gaan we hier een plezier hebben.

Wil je het hele interview lezen? klik dan door naar nieuws.be of lees hieronder verder.

Lees meer… »

Hoe ik langzaam waanzinnig werd, of: Immuun argumenteren voor dummies

Dit is een vervolg op Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik een dierenvriend ben en Hoe ik langzaam waanzinnig werd terwijl ik het zo goed bedoelde.

De jongen deed open zonder petje en capuchon.
En toen was alles anders.
Hij was niet langer de schappelijke jongen die we onderschat hadden. Hij was niet langer de beminnelijk glimlachende meedenker, hij was niet langer de jongen die zou helpen de schutting omhoog te houden. Hij was een jongen die ons geïrriteerd in de ogen blikte en begon te zuchten toen hij ons zag staan.

Omdat het gesprek zich nog het beste laat samenvatten als een lesje Immuun argumenteren voor Dummies, volgt hier een uittreksel dat binnenkort in boekvorm zal verschijnen.

Immuun argumenteren voor Dummies, les 1

Stelling 1a. ‘Hee, joh, we kwamen nog eens melden dat het toch wel weer behoorlijk erg is met de honden.’
Immuun argument 1a: ‘Da kan nie.’
Stelling 1b: ‘Maar het is toch echt zo. Gisteren sloegen ze om de zeven minuten aan.’
Immuun argument 1b: ‘Ik vertrek om zes uur ’s morgens en ik kom om zes uur ’s avonds thuis. As ik thuis ben, blaffe ze nooit, zenne.’

Stelling 2a. ‘Dat is juist het punt, ze blaffen omdat jij er zo lang niet bent.’
Immuun argument 2a: ‘Ik moet toch werke om eten voor die beeste te kope?’
Stelling 2b: ‘Maar die honden zijn hartstikke ongelukkig als je twaalf uur per dag weg bent.’
Immuun argument 2b: ‘Oke, als gij da wilt, ga ik doppe, dan doe ik da hè. Dan ga ik niet werke zulle, is da wa ge wilt?’ (Voor NL’ers: doppen is uitkeringtrekken)

Stelling 3. ‘Maar jij had gezegd dat we het moesten zeggen als we ergens last van hadden. En nu blaffen ze weer zoveel dat we er zot van worden.’
Immuun argument 3: ‘Hee Peter, kom es!’ – vriend komt achter hem in de gang staan – ‘Blaffen die honden wel us?’ Peter: ‘Neuh.’ ‘Ziet ge: ze blaffen helemaal nie. Ge overdrijft.’

Stelling 4a: ‘Die honden zijn de hele dag alleen in een grote tuin. Juist als jij er niet bent, blaffen ze.’
Immuun argument 4a: ‘Wat wilt ge daarmee zeggen?’
Stelling 4b: ‘Dat we heel goed begrijpen dat jij denkt, dat ze niet blaffen, maar dat wij je nu komen vertellen dat ze wel blaffen. Veel. En hard.’
Immuun argument 4b: ‘Maar het zijn heel lieve honde, zulle.’

Stelling 5a: ‘Dat is juist het punt, ze zijn ook heel lief. Ze willen graag mensen om zich heen. Als ze contact met ons hebben, zijn ze inderdaad stil. Daarom willen ze die schutting weg hebben. Ze willen naar ons toe.’
Immuun argument 5a: ‘Ze trekke aan de schutting, omdat ulle katte daar de ganse dag staan te schuren. Die lopen ze gewoon te treiteren hè.’
Stelling 5b: ‘Onze katten zijn vrijwel nooit meer buiten, sinds die honden er zijn. Dat durven ze helemaal niet.’
Immuun argument 5b: ‘Dit is mijn huis, dat is uw huis. Ziet dat ge weg zijt of ik doe u iets aan.’

Goed, tot zover les 1.
Tijdens les 1 kwam ook nog het immune argument ‘Ge kunt m’n huisbaas bellen’ voorbij. Dat was een immuun argument, omdat zijn huisbaas zijn moeder is en we vermoedden dat die het voor haar zoon zou opnemen.

Dat bleek. De volgende ochtend kwam Mama Petjecapuchon langs en toen begon…

Immuun argumenteren voor Dummies, les 2

Stelling 1a. ‘Ja, we hebben inderdaad gisteren bij uw zoon geklaagd.’
Immuun argument 1a: ‘Maar ‘t is zo ne goeie jongen, hij bedoelt het niet slecht, ze. Hij woont hier maar tijdelijk. ‘t Is zo ne goeie jongen.’

Stelling 2a. ‘Dat snappen we wel. Maar wij werken thuis en we kunnen gewoon nauwelijks doorwerken met al dat geblaf.’
Immuun argument 2a: ‘Ja zeg, nie iedereen kan thuis werke.’

Stelling 3a. ‘Dat klopt, maar die honden zitten hier altijd alleen. Twaalf uur per dag, en soms is er dagenlang ook ’s avonds niemand.’
Immuun argument 3a: ‘Sommige honden zijn nog veel meer alleen.’
Stelling 3b. ‘Maar ze hebben niets te doen. Die beesten moeten hun energie kwijt. Die moeten rennen, uitgelaten worden, aandacht krijgen.’
Immuun argument 3b: ‘Sommige honden zitten altijd in ne kennel hè.’
Stelling 3c. ‘Maar deze honden moeten duidelijk hun energie kwijt.’
Immuun argument 3c: ‘Hij brengt ze wel es mee als ‘m bij mij komt ete, ze. Dat is tien minuten wandelen, ze.’

Stelling 4a: ‘Maar ze zijn duidelijk ongelukkig.’
Immuun argument 4a: ‘Zal ik u es iets zegge; ik was ook ongelukkig van ulle katten, ze. Ik ging hier mijn hele leven blijven wonen, maar door ulle katten zen ik verhuisd. En ik heb toch ook nie gereclameerd’
Stelling 4b: ‘U heeft daar nooit iets van gezegd. Was iets komen zeggen.’
Immuun argument 4b: ‘Jamaja, ge woont in een stad hè, dan moet ge daar nie over zagen.’
Stelling 4c: ‘Was het komen zeggen! Uw welzijn is belangrijker dan onze katten.’
Immuun argument 4c: ‘Jomme, ik zeg ‘t toch: ik kom toch ook nie klage.’

Stelling 5a: ‘Maar wij proberen er juist samen met de buren uit te komen. Daarom komen we ook met u praten.’
Stelling 5b: ‘Mor ik reclameer toch ook nooit. ‘t Is toch waar zeker.’

Uiteindelijk heeft de dame in kwestie de les Immuun argumenteren voor Dummies 2 vier keer voor ons herhaald, waarna wij de deur dicht deden.

Stand van zaken sindsdien:
Ik schreef een susbrief waarin ik de honden de hemel inprees – wat niet moeilijk was, want hee, ik ben een dierenvriend – maar waarin ik ook niet naliet erop te wijzen dat we echt veel last hadden van het geblaf en dat ze een oplossing moesten bedenken.
Sindsdien is er een wankel evenwicht. De buurvrouw zwaaide een keer naar me, in die zin had de susbrief geholpen. Maar de honden blaffen nog steeds. Edoch: omdat ze elke duif die langskomt inmiddels wel kennen, wordt het minder en dat geeft ons de kans om onze volgende strategische zet op de lange baan te schuiven. Want de kans op een gevalletje Rijdende Rechter is nog steeds levensgroot en als ik kan voorkomen dat ik Immuun argumenteren voor Dummies les 3 moet doorstaan, dan doe ik dat.

Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik het zo goed bedoelde

Vervolg op (klik) Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik een dierenvriend ben.

Als je wilt klagen bij de buren over geblaf, is het wel handig als je buren thuis zijn. En dat was het hele probleem: die honden blaften, omdát er nooit iemand thuis was. Zodra Wannes of ik ons hoofd over de schutting staken, begonnen de beesten te kwispelen als een lassozwaaier. En als we dan olijk ‘hallooo’ zeiden, dan waren ze ook een half uurtje stil. Kortom: als er ooit iemand naar ze zou omkijken, was er helemaal geen probleem geweest. Ik voorzag een vicieuze cirkel: geen mensen – geblaf – willen klagen – geen mensen – geblaf – willen klagen – geen mensen – geblaf – enzovoort – et cetera

Nadat we een paar keer voor de vorm hadden aangebeld, gingen we naar de andere buren van de honden, in de hoop dat we een front konden vormen van stapelgek wordende buren. En warempel, dat lukte. ‘Niet te doen hè?’, was het eerste dat buurvrouw 2 zei. Via haar kwamen we erachter dat de vroegere buurvrouw 1 inderdaad verhuisd was en dat haar zoon nu naast ons woonde, met die twee bullbeesten. We wisselden wat frustratie uit en deden wat aan buurtbonding toen er een auto voor onze neus stopte. ‘Daar heb je hem’, fluisterde de buurvrouw. Uit de auto kwam een jongen met een capuchon én een petje.

Of het de druk was van vier omringende buren op de stoep, of dat hij per ongeluk een goed humeur had: ik weet het niet, maar hij beloofde er iets aan te doen en drukte ons op het hart dat we altijd naar hem toe mochten komen als er nog eens iets was. Het was zoveel meer dan we hadden verwacht van een capuchon én een petje dat we opgetogen terugkeerden van onze missie.

Een week lang ging het fantastisch, we werkten grotendeels in stilte en de opluchting kwam in grote bulken naar buiten.
En ik met mijn goede gedrag en jarenlange didactische ervaring dacht dat ik er goed aan deed om te vertellen dat er resultaat was behaald. ‘Hee joh, ze zijn veel stiller. Fijn!’
‘Ja’, zei hij, ‘Ik heb ze zo’n blafband aangedaan, maar die heb ik er gisteren weer afgehaald, zijn ze nog steeds stil?’
Ik dacht na. Ik had ze niet gehoord. ‘Ja.’

Thuis ging ik googelen op blafband. En aiaiai, u wilt niet weten in welk dilemma ik toen verzeilde. Een blafband is zo’n halsband die stroomstoten geeft als de hond blaft. Wilt u zich er iets bij voor kunnen stellen: kijk hier. Kortom: de hond blaft niet meer, omdat dat pijn doet. Verteerd werd ik. Door schuldgevoel. Alsof ik die blafband persoonlijk had aangebracht. Als ik niet had geklaagd, had die hond niet een week lang stroomstoten gehad. Man, ga dan nog maar eens lekker slapen.

Natuurlijk ging de wet van Murphy in werking: de dag nadat ik had gezegd dat het zo lekker stil was geweest, begon het blafconcert opnieuw. En het gegraaf onder de schutting door. En het getrek aan de schutting (‘Hee Wannes, hij gaat óm hoor!’)
En ik kon het me zo goed voorstellen. Twee mensen die olijk hallo zeiden, die wel altijd thuis waren, die drie leuke poezen hadden om mee te spelen… Als je slechts één schuttinkje hoeft om te trekken voor een beter leven, zou ik het ook wel weten.

Dus we dubden. Klagen zou misschien weer de blafband betekenen, niet klagen zou betekenen dat we niet alleen waanzinnig werden van het geblaf, maar ook dat we binnenkort, als de schutting eindelijk tegen de vlakte lag, een iets grotere tuin zouden delen met twee honden. Maar we waren nog onder de indruk van de meevaller van de vorige keer: het petje met de capuchon stond altijd open voor onze klachten, dus we moesten niet talmen, maar we moesten klagen en vragen. En op slinkse wijze zorgen dat hij iets anders zou weten te bedenken dan die blafband. Kortom: we moesten weer even met onze nieuwe buurjongen in conclaaf.

Haha.
Hahahahaha.
Hahahahahahaha.
Dat hadden we gedacht.

(Wordt vervolgd)

Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik een dierenvriend ben



In het begin was het gewoon een vaststelling: hee, de buren hebben vrienden die hun pitbull hebben gedropt voor hun skivakantie. En die hond blaft nogal veel. Hee, het zijn er twee. O, nee, die ander is een bullterriër. En ze zitten de hele dag in de tuin. En ze worden nooit uitgelaten. Nou ja, hopen dat ze gauw weer weg zijn.

Maar toen de krokusvakantie was afgelopen, waren ze er nog steeds. Ik twitterde toen: ‘Zijn er ook mensen die twee weken krokusvakantie hebben?’ Dat was een soort wishful thinking. De honden blaften vrolijk voort.

Na drie weken blafconcert, opperde ik tegen Wannes: ‘Misschien hebben we nieuwe buren. Met honden.’ ‘Neuh’, zei Wannes, ‘dan hadden we heus wel iets gezien of gehoord.’ We bestudeerden de tuin van de buren. Binnen vier weken was het keurige gazonnetje veranderd in een modderig rally-terrein voor uit de kluiten gewassen honden. Ze hadden veel voor hun logeerhonden over, constateerden we.

De deels doorzichtige schutting was voor de honden een venster op de wereld. Een wereld die dag in dag uit luid becommentariëerd moest worden. Onze poezen durfden nauwelijks nog naar buiten, met als gevolg dat ik dagelijks de vloer afspiedde op zoek naar per ongeluk binnen gepleegde plasjes. Elke rikketik van het kattenluikje leidde tot een hels gegrom en geblaf en zelfs als de katten zich binnen voor het raam lieten zien, kregen ze er auditief van langs.

‘Ik denk toch dat er nieuwe buren zijn’, zei ik ergens in maart. Ik hapte inmiddels al naar adem als ik het over de honden had. Het scheelde niet veel of ik werd waanzinnig van het blafdieet van 120 x daags 3 minuten. ‘Zou het?’ zei Wannes en hij keek me nog steeds ongelovig aan. ‘Ja, want ik hoor haar nooit meer ruzie maken en ik hoor ook die zoon nooit meer. Ik hoor alleen nog maar geblaf.’

Omdat de hoop dat het slechts logeerhonden waren definitief vervlogen was, bedekten we de schutting met rieten matten om te voorkomen dat elke beweging die we binnen maakten ons op geluidsoverlast kwam te staan. Ons kantoor grenst aan de tuin en het was me een lieve duit waard als ik mijn kop koffie kon oppakken zonder uitgeblaft te worden.

Hoewel de honden inderdaad minder aansloegen door wat er bij ons gebeurde, sloegen ze nu aan van alles wat ze hoorden en wat ze in de lucht zagen: duiven, eksters, kraaien, mussen, merels, mezen, lijsters, borende buren, windvlagen, aanslaande geisers en vollopende spoelbakken, you name it. De beesten waren aan vier kanten ommuurd, met de blauwe lucht als spannendste uitzicht. Gekooid in de saaiste omgeving ever. Ik kon begrijpen dat elk teken van leven een reden was om hun stembanden nog eens te testen.

Maar mijn begrip kende grenzen. Denk aan de grens van een eindredactiedeadline. Kauwen op een zin. Blafblafblafgromblaf. Klopt die zin? Gromblafblaf. Shit. Nog een keer lezen. Blafblafblaf. Kut. Ik moet nu echt opschieten. Wat staat er nu eigenlijk? Blafblafblafgrom. Verdomme.
Of de grens van lepeltjelepeltje liggen en willen wegzakken in de koestering van de nacht. Kaikaigromblafblaf. Blafblafblaf. ‘Lief?’ ‘Ja?’ ‘Het is toch al half een of zo?’ ‘Ja.’
Of de grens van ‘Wacht even mam. Ik kan je niet verstaan. Zeg dat nog eens. Wacht ik neem je wel even mee naar boven, want hier kan ik je niet verstaan.’
Of de grens van: godverdomme we zijn toch niet acht maanden geleden verhuisd naar een huis waar acht maanden later de rust voorgoed verpest zou zijn?
Of de grens van ‘Fuck! Wannes, ze zijn de schutting omver aan het trekken.’

En toen die grenzen stuk voor stuk werden bereikt, togen we naar de buren.

Wordt vervolgd (klik), met in het volgende deel interessante kwesties als: hoezeer ik de haan mis, de argumentatieleer van de buren en de susbrief.

Waarom het me niet lukt om zomaar een stukje te schrijven




Hoewel ik ooit eens had beloofd geen meta-logjes meer te schrijven (schrijven over schrijven, bloggen over bloggen etc.), doe ik het toch weer. En ik stel maar weer eens de eeuwige waaromvraag. Waarom lukt het me steeds minder goed om zomaar een stukje te schrijven (behalve het feit dat ik na 4000 stukjes misschien alles al heb verteld)?

Hier schreef ik dat ik klaar was met reflecteren. Vandaag heb ik een ander deel van mezelf van de sofa geschraapt. Hou je vast: ik ben een controlfreak.

Ik ben van het type dat ongemakkelijk wordt van surpriseparty’s, het type dat als het niet verschrikkelijk inefficiënt zou zijn het liefst elke minuut van haar lessen uit zou schrijven en het type dat al bij de simpelste opdracht systematisch te werk gaat. Klinkt als een neuroot? Ik sluit niks uit.

Maar ik ben gezegend: ik ben niet alleen een controlfreak, ik kan ook heel goed overzicht kweken. Vrienden en familie komen van heinde en verre om bij mij een portie overzicht te halen. Opdrachten van mijn geliefde pluis ik uit als waren het de mijne: wat is je doel, je doelgroep, wat zijn je pijlers… Vrienden ondervraag ik tot ze glashelder kunnen verwoorden waarom hun relatie in hemelsnaam op de klippen is gelopen. En een bruiloft in het verschiet? Ik maak in een draaiboek.

En dat is precies de reden dat ik nooit freelancer wilde worden. Ik vreesde een enorme kluwen van klusjes, taakjes en dingen die ik niet zou moeten vergeten. En ik wist dat ik het nooit zou accepteren als die kluwen een kluwen zou blijven. Ik zou nooit meer vrij hebben, want ik zou eeuwig proberen om mijn freelancebestaan de kadans van een vaste job te geven. Ik zou eeuwig proberen overzicht te kweken, de kluwen te ontwarren.

Dus werd ik freelancer (daar zat nog wel iets tussen, want hee, ik draai heus niet zomaar als een blad aan de boom, maar dat is een ander verhaal). En jawel, ik ging als een gek agenda’s invullen, kladblokken reserveren voor overleg, mapjes maken en vaste dagen voor kutklusjes inplannen. En daar is dus inderdaad geen lol aan, want het is retehard werken.

Maar toen het eenmaal liep, toen Het Eiland Neus ging floreren, durfde ik de teugels wat te laten vieren. Mijn adrenalinepeil paste zich aan. Ik leerde dat er momenten zijn dat ik met mijn verstand en ervaring best met wat minder overzicht toe kan. Dat ik een cursus die ik al tien keer heb gegeven niet tot bloedens toe hoef voor te bereiden, dat ik ’s avonds soms best aan iets anders kan denken dan aan werk, dat ik niet altijd iedereen bij alles tekst en uitleg hoef te geven.

En dat was een huzarenstukje, want ik heb ook nog eens werk dat niet allemaal in dezelfde orde valt. Het ene moment ontwikkel ik een weblogcursus voor ontwikkelingssamenwerkers en diezelfde middag buig ik me dan over scenario’s van twee minuten voor tekenfilms voor peuters. Ik doe redactie en eindredactie voor allerhande blaadjes en krantjes en even later sta ik alweer voor mensen van de Persgroep uit te leggen hoe je het beste creatief kunt schrijven. Ik verzin het liefste columns, maar zit soms ineens te klooien met een stukje waarin His Master’s Voice door moet klinken. Allemaal zaken die agendatechnisch, qua energieniveau, dagritme en creativiteitslevel soms best moeilijk te combineren zijn. Het is ronduit knap dat ik niet dwangneurotisch ben geworden sinds ik Het Eiland Neus oprichtte.

Integendeel dus, ik lijk me steeds meer te kunnen verzoenen met een beperkt overzicht over de belangrijkste taken en een gezellige bende daaromheen.

Maar lieve Zezunja, wat heeft dat in godsnaam te maken met schrijven?
Wel, als schrijfdocent kan ik niet anders zeggen dan: schrijven zonder overzicht is stom. Het is een gemiste kans. Zelfs bij een poëtisch verhaal, waarin de raadselachtigheid glans geeft, is het goed om als auteur te kunnen overzien wat je doet of wat je gedaan hebt. Dat betekent niet dat je het proces altijd door moet hebben terwijl je er nog in zit, maar wel dat je achteraf moet kunnen zien of alles inderdaad op de juiste plaats staat – en waarom dat zo is.

‘Zomaar’ wat schrijven, kan alleen als je schijt hebt aan overzicht. En dat valt me als potentiële dwangneuroot zwaar. Bovendien botst het met alles wat ik als schrijfdocent dagelijks in het rond brul: weet wat je doet, zorg dat je overzicht krijgt.

Dus ga ik achter het Wordpress-dashboard als een gek proberen overzicht te kweken. Wat ga ik schrijven? In welke stijl? Voor wie? Waarom? Waarover? Hoe lang? Met beeld?

En dan is het dus niet meer ‘zomaar’ een stukje. En dan moet het dus een meesterwerk worden.

Nog vragen?

(Uiteraard wilde ik dit stukje niet plaatsen, omdat het geen meesterwerk is. Maar ik werd tureluurs van de vicieuze cirkel waar ik dan in beland, dus plaatste ik het toch maar.)

Gemiste kans



Eigenlijk zou ik blij moeten zijn. Dat denk ik vaak. Eigenlijk. Zou. Ik. Blij. Moeten zijn. Er zitten veel veronderstellingen in die zin. Voorwaarden. Eisen.
Eigenlijk. Een woord dat me bloedzenuwachtig maakt. Het geeft me het gevoel gefaald te hebben. Onherstelbaar. Er zit geen toekomst in eigenlijk. Geen verzachting. Alleen wanhoop. Immuniteit. Uitstel.
Zou is van hetzelfde laken een pak. En er zit ook nog externe druk in. Een hypotheek op je schouders. Zou herbergt de dreiging dat de buren er wat van zouden kunnen zeggen.
En blij, tsja, blij is niks. Blij is dronken, verliefd, ontspannen of onder de indruk. Blij is vrij of geil, tevreden of vereerd. Blij is voor als je aan small talk doet. Waarmee blij al niks meer is.
En moeten zijn. Daar gaat het definitief fout. Ik moet helemaal niks. Hoor je me? Niks.
En zo laat ik weer een kans om blij te zijn voorbij gaan.