Ik kan geen Belg zijn, en geen mietje

‘Belgen zijn soms zo ontzéttend Belgisch!’ schreef ik op Twitter.
Men wilde weten wat ik bedoelde, en terecht, het klinkt op de een of andere manier niet heel aardig.
‘Ik zat te janken bij een arts en hij negeerde dat VOLKOMEN’, legde ik uit.
Er volgde wat instemmend geknik, ja, zo zijn de Belgen, ik kreeg wat adviezen over goede artsen en er klonk wat afkeurend gehum – veel Belgen die mij op Twitter volgen, zouden mijn gejank nooit negeren (waarvoor dank).

Ik voel me altijd een beetje schuldig als ik afgeef op de Belgen. Ik woon hier graag en ik word door een deel van de Belgen heel hartelijk ontvangen. Maar ik ben kritisch. Voor mijn gevoel net zo kritisch als voor de Nederlanders, maar door de nieuwe rituelen, gedragingen en conventies waarmee ik word geconfronteerd, ben ik verwonderd in plaats van het ingebakken alledaagse pessimisme dat je over je eigen volk hebt. Op de golven van verbazing komt mijn kritiek op de Belgen dus vaker naar buiten.

Wat de Belgen zo Belgisch maakt, is hun terughoudendheid als het moeilijk wordt. Wat dat betreft zijn Japanners eigenlijk de beste Belgen. De arts die negeert dat ik zit te huilen is een voorbeeld, maar ik kan tal van voorbeelden bedenken waarin de Belgen hun vingers liever niet branden aan echte emoties, echt contact en harde waarheden.

Sommige Nederlanders zijn ook heel Belgisch, dus ook in Nederland voelde ik me soms een buitenbeentje met mijn motto ‘laten we elkaar geen mietje noemen’. Maar ik woonde in Amsterdam (een van de meest on-Belgische steden van Nederland) en ik verzamel doorgaans on-Belgische vrienden, dus ik had niet zoveel last van de Belgische Nederlanders.

In België voel ik me een beetje eenzaam. Omdat moeilijke dingen niet ter sprake komen, heb ik heel vaak het gevoel dat ik de enige ben die het niet allemaal voor elkaar heeft. De enige met financieel gekut, medisch gedoe, wezensvragen en zo nu en dan zin om gewoon een potje te janken. Statistisch gezien is het onmogelijk dat ik de enige ben, en in mijn heel nabije omgeving (een enkele on-Belgische Belg) hoor ik wel eens van een probleempje hier of daar. Maar over het algemeen voel ik me hier dat meisje dat maar niet weet te verbergen dat haar leven soms veel wegheeft van een teringzooi.

Ik voel me kwetsbaar, omdat ik van alles vertel: taboe, knuppel, hoenderhok en dan nog een potje janken bij een arts. Ik gooi hete hangijzers in de groep en word daar zelden voor beloond. Terwijl ik met heel mijn hart geloof dat ik niemand, mezelf evenmin, een mietje moet noemen. Dat zorgt alleen maar voor veel tijdverlies en verwarring. In relaties, werk, alles: ik trek de pleister er in één ruk af. Je weet wat je aan mij hebt.

In de meeste dingen in België pas ik me aan. Ik verdiep me in de gewoontes, probeer ze te begrijpen en doe een poging om mee te doen. Maar hierin voel ik verzet. Ik kan geen Belg zijn, en geen mietje. En ik wil zo graag weten wat ik aan jullie heb.

Vandaag verbrak ik een vriendschap

Ze had me al eens verlaten.
‘Ik ga weg’ zei ze. ‘Maar je mag niet weten waar naartoe.’
‘Waarom niet?’ vroeg ik. Ik hield van haar. Al jaren.
‘Dat is gevaarlijk.’
Ik kreeg buikpijn en knikte.
Een waaromvraag bleek moeilijk te vergeten.
‘Ik weet waar ze is, maar ik mag het niet zeggen’, zei iemand later.
Ik kreeg buikpijn, knikte en duwde de waaromvraag weg.
Het duurde en ik vergat.
Een beetje.
Tot ze terugkwam.
Ze gaf een feestje en ik ging. Waarom wist ik niet.
‘Ik wist waar ze was, maar ik mocht het niet zeggen’, zei iemand.
Ik knikte, kreeg buikpijn en vertrok.
Twintig jaar later klikte ik Add friend.
Ze leefde. Mooi en gevaarlijk.
Ze ‘likete’ me, ik ‘likete’ haar.
Tot ze weg was.
Ik vroeg me af waarom. Maar besloot te vergeten.
Tot ze terugkwam.
Ik klikte Add friend en hoorde niks.
We hadden zeven mutual friends.
Ik was de buikpijn beu en annuleerde het verzoek.

Waarom houden Vlamingen hun plas op?

Ik krijg wel eens Vlamingen over de vloer. Sommige zijn goede of minder goede vrienden, anderen zijn opdrachtgevers, en af en toe komt er een huisbaas, een wijkagent of een collega. De bezoekjes zijn heel verschillend: soms wordt er gewerkt, soms gebabbeld, vaak wordt er veel gegeten en gedronken.
Toch hebben al deze Vlaamse bezoekers één ding gemeen: ze gaan niet naar de plee! Nooit. Elke keer als er iemand komt, maak ik braaf de hele badkamer schoon: vloer, pot, kranen, bril, you name it, I schrob it. En elke keer overvalt me een lichte teleurstelling als blijkt dat er wéér niemand naar de wc is geweest. Al zes jaar lang.
Zelf ga ik ook niet graag bij een ander naar de wc, maar als ik ergens drie uur werk of een rijk besprenkeld diner verorber, dan is het vaak geen kwestie van willen. Dus nu vraag ik me af hoe, maar bovenal waarom houden Vlamingen hun plas op?

NB Mijn schoonfamilie gaat wel. Goddank.

De middelvinger tegen de heel erge shit

Meermaals dacht ik de afgelopen maanden: wat nou als dit zo blijft? Met die ogen. Wat als ik nooit meer uit het duister raak? Wat als ik alleen nog in donkere kamers naar stemmen kan luisteren? Wat als ik voor altijd de hand van Wannes moet vasthouden? Wat als ik niet meer echt kan schrijven, lezen en tekenen? Wat als ik de zon nooit meer zal zien?

Ik kon de vragen niet bevatten, laat staan ze beantwoorden. Voor mijn geestesoog doemde ik op met hond en stok. De hond zag ik nog wel zitten, de stok niet. De cliché’s in mijn hoofd waren verstikkend. Ik zag mezelf lotgenotencontact zoeken, braille leren en ‘dan maar’ van muziek genieten. Ik zag me met mijn hoofd tegen de muur bonken en de tafel door de kamer smijten, maar ik deed het niet.
Tweeënhalve maand duisternis zijn genoeg om argwanend te worden. Ik zie de cursor knipperen, ik kan naar het woord ‘knipperen’ kijken zonder te knipperen, ik hoef naar schatting pas over een half uurtje weer te druppelen, ik haal waarschijnlijk het einde van dit stukje en toch ben ik op mijn hoede.

Shit happens vaker wel dan niet, staat er in grote graffitiletters op mijn innerlijke muur gespoten. Twee weken beterschap blijken niet genoeg om de superslimme golden retriever in een tuigje uit mijn vooruitzicht te bannen. Mensen die zeggen dat ik mijn portie nu heus wel heb gehad, wil ik in het gezicht spugen. Ik wil uitschreeuwen dat ik mijn portie al lang en breed had gehad en dat het enige dat telt, is hoe je ermee omgaat, met die porties, ongeacht de hoeveelheid. En dan zie ik die golden retriever goedmoedig door mijn beeld sjokken en dan besef ik dat ik me aan hem ben gaan hechten en dat hij het toonbeeld is van hoe ik er niet mee om moet gaan. Ksjt, hond, ksjt.

Want ja, shit happens, en ja, heel erge shit happens ook, en nee, die wordt niet eerlijk verdeeld, dus ja, misschien gaat er morgen iemand dood, of zo, of misschien ben ik over een maand alsnog veroordeeld tot een superslimme hond in een tuigje.
Maar als ik ’s ochtends wakker word, zie ik dit:

Ik kan dat gewoon ZIEN. Ik kan er naar kijken, met open ogen, zonder te tranen, zonder mijn ogen direct weer dicht te doen. En dan laat ik de opluchting toe. Van die diepe, dikke opluchting, die zijn middelvinger opsteekt tegen de heel erge shit. Nu even niet.

Jaaroverzicht
Horen, Zien en Zwijgen: Zwijgen

In dezelfde serie: deel 1, Horen, en deel 2, Zien.

Om dit stukje te kunnen begrijpen, is dit stukje misschien nodig. (En eventueel dit en dit.)

*
‘Dat ik al mijn tanden kwijtraak, is mijn ergste nachtmerrie.’ Deze zin is in 2011 het meeste tegen mij uitgesproken. Door vreemden op internet, door mijn moeder aan de telefoon, door long lost friends op facebook, door opdrachtgevers en cursisten, en door mijn schoonfamilie.
Als ik het niet tot me liet doordringen, knikte ik glazig en mompelde ik iets van ‘Ja, vreselijk, die dromen.’ Als ik het wel tot me liet doordringen, sprongen de tranen me in de ogen. Mijn werkelijkheid was andermans doemscenario.

*
Kiespijn en oorpijn zijn erger. Dat was mijn mantra gedurende de eerste 37 jaar van mijn leven. Dan had ik een gescheurde knieband of een weggesneden blinde darm en dan was het een verzachtend idee. Het afgelopen jaar werkte het niet meer. Ik had kiespijn, voor het trekken, na het trekken, altijd maar kiespijn. Tegen jezelf zeggen: ‘Je hebt het ergste dat er is.’ Nee, dat is niet vol te houden.

*
Het afgelopen jaar at ik in kruimels en teugen. Elke hap legde ik langs mijn pijngrens. Maandenlang kon ik alleen met twee hoektanden eten, en vervolgens een periode alleen vloeibare dingen. Ik draaide de avocado grijs, putte de yoghurt uit en gooide kilo’s korstjes weg. Drie kledingmaten lager ging ik bevend door het leven van gebrek aan energie.

*
Je spiegelbeeld zonder tanden is afschrikwekkend. Intiem ook. En verbijsterend plat. Ik laat nog liever mijn tieten zien op het Ladeuzeplein dan dat ik ’s avonds zonder tanden in bed kruip naast de man die ik met heel mijn hart wil imponeren. Drie maanden lang heb ik elke avond gehuild. Nu zeg ik alleen nog sorry voordat ik ga slapen.

*
Ik ben van de snufjes. Een druppeltje gembersiroop hier, wat fijngesneden kapperappels daar, wat citroenschil, een paar walnootkruimels en een rozijn.
Ik had me mentaal op allerlei dingen voorbereid, maar niet op smaakverlies. Een kunstgebit is a whole lotta plastic going on. Eigenlijk zijn alleen je tong en de binnenkant van je lippen nog beschikbaar, en dan proef je dus maar bitter weinig.
De arts bevestigde dat: je tandvlees en je verhemelte hebben een belangrijke taak bij het proeven, en die delen zijn bij mij volledig ingepakt. Dus nu hou ik alleen nog van lobbige en luchtige dingen waar je je tong in kunt steken. En snufjes zijn snuffen geworden.

*
In je mond lijkt alles gigantisch. Neem ‘n afgebroken hoekje: met je tong voel je een enorm gat, maar in de spiegel is het nauwelijks zichtbaar. Ik denk ook bij elke verandering dat ik er nóóit aan zal wennen, zoals bij van die kiezen die iets te hoog gevuld zijn en waar je dagenlang met je tong langswrijft.
28 gaten in je mond is bijna niet te bevatten en een kunstgebit is een mega-gehaktbal die je in één keer moet opeten. Elke ochtend opnieuw. De rest van je leven.
Omdat afgebroken hoekjes uiteindelijk wennen, ga ik er vanuit dat dat met zo’n bonk plastic ook gebeurt, maar nu, na vier maanden, begin ik de dag nog altijd kokhalzend.

*
Straffeloos in de aluminiumfolie rond de kebab kunnen bijten, enorme happen ijs kunnen nemen, ijskoude McDonalds-cola en iets te hete thee met gemak kunnen drinken: mijn verhemelte is afgesloten en ik heb geen vullingen meer, dus de wereld ligt voor me open.

*
Ik slis nog wel. Men zegt dat niet te horen, maar misschien wil men gewoon lief zijn.

*
Lesgeven, telefoneren, uit eten gaan en voorlezen voor publiek. Ik heb het allemaal al gedaan de afgelopen maanden en het ging goed, dank u. Maar of de angst dat het gebit gaat klapperen of -bewaar me- eruit valt ooit over gaat? Ik betwijfel het.

*
Als je geen tanden hebt, kan je mond niet meer dicht. Je lippen kunnen op elkaar, maar je kaken niet. Er zit een gewricht dat in principe die beweging kan maken, maar dat de afstand van twee rijen tanden niet kan overbruggen. De allereerste nacht dat ik zonder gebit sliep, had ik ’s ochtends het gevoel alsof ik de hele nacht in skistand boven een heel smerige wc had gestaan. Mijn kaak had spieren aangesproken, waarvan ik het bestaan niet kon bevroeden.

*
Valt het mee, vroegen mensen. Nee, zei ik. Ik kon werkelijk niets verzinnen dat meeviel. Vooral mentaal niet, zei ik. Om vervolgens niet onder woorden te kunnen brengen waarom niet. En nog steeds kan ik dat niet. Het is te groot.

*
‘Dat ik al mijn tanden kwijtraak, dat is mijn grootste nachtmerrie.’ Deze zin is in 2011 het meeste tegen mij gezegd. Mijn nachtmerries gaan tegenwoordig als volgt: ik ben ergens en ik heb mijn gebit niet in.
Laatst wilde ik ’s ochtends iemand bellen, maar gelukkig hing ik net op tijd weer op. Ik was iets vergeten die ochtend.

*
Andere jaaroverzichten gaan over boeken en cd’s, mijn jaaroverzicht ging over kwaaltjes. In 2011 had mijn lijf me zodanig bij mijn pietje dat er weinig anders overbleef. Maar omdat ik hoop peur uit het feit dat ik al voor de derde dag op rij een uurtje naar een wit schermpje kan turen (zie ook Horen, Zien en Zwijgen: Zien), en uit het feit dat ik de afgelopen maand al vol overtuiging een paar zwart-op-witballen kapotbeet, en omdat ik mezelf 2011 heb doorgemantraad met ‘alles went’, wens ik mezelf dat in 2012 daadwerkelijk álles went.

Jaaroverzicht
Horen, zien en zwijgen: Zien

Zie ook deel 1 van het jaaroverzicht: Horen.

Ik wilde een stukje schrijven over hoe het is om zo goed als blind te zijn maar ik was zo goed als blind, dus het ging niet.
Nog steeds tuur ik naar u door een vaselinelens, ik knipper op het ritme van de cursor en mijn neus raakt op een haar na mijn scherm in een kamer waarin een 500 watt-bouwlamp het licht zodanig egaliseert dat ik mijn ogen nét open kan houden.
Hoe wordt een mens halfblind? Welaan, ik weet het niet; als u feiten wilt, moet u niet bij mij zijn. Ik heb alleen ervaringen, in allerlei variaties. En emoties, heel veel emoties.

Hoewel ik het woord nog niet kende, werd ik in augustus lichtschuw. Ik bricoleerde een blauw lichtdempend papier om de lamp boven de tafel, omdat dat kan sinds de uitvinding van de spaarlamp, ik zette het scherm van mijn MacBook op de laatste stand voor het zwart wordt, schoof de gordijnen dicht en schreef al knipperend verder aan mijn boek.

Het was de natste augustusmaand in decennia, dus ik miste niks, maar het was dodelijk vermoeiend. Eén van de kenmerken van lichtschuwheid is namelijk dat je steeds bijna moet niezen. Zoals vrijwel iedereen zijn nies op gang kan helpen door in een felle lichtbron te kijken, zo is voor een lichtschuwe elke vorm van reflectie een felle lichtbron die een niesprikkel veroorzaakt. Je hebt dus de godganse dag de niet-ingeloste belofte van een ferme nies. Do-de-lijk vermoeiend.

Omdat de huisarts er niet uit kwam, werd ik doorverwezen naar een oogarts. Ze zag een verkoudheidsvirus. ‘Ja, daar zit het hoor’, zei ze opgetogen toen ik mijn kin in de houder legde. Ik had me een iets exotischer probleem voorgesteld bij drie weken kluizenaren in het duister, en ik dacht: nou, geef mij dan voortaan maar weer gewoon een snotneus. Maar tegelijkertijd was ik opgelucht, een verkoudheidsvirus klinkt alsof het overgaat. Ze schreef me wat middeltjes voor, en jawel, na twee dagen kon ik zonder enig probleem door de Velux naar de grijswitte luchten boven Leuven kijken. Ik ontspande mijn schouders en stelde vast: het duurde lang en het was tamelijk ondermijnend, al dat duister, maar mocht ik het ooit nog eens krijgen, dan is er een middeltje dat me in twee dagen op de been brengt. No worries.

Dus toen mijn ogen begin november automatisch dicht gingen als ik ’s ochtends een streep licht langs het rolgordijn ontwaarde, belde ik vol vertrouwen de huisarts: schrijf me even dat en dat spulletje voor, dan kan ik gewoon doorwerken. Little did I know.

Ik spoot het spulletje en werkte zo goed en zo kwaad als het ging door. Ik probeerde op onopvallende wijze mijn lokalen wat te verduisteren, gaf staand les, omdat vloeren voor lichtschuwen fijner zijn dan plafonds, ik reisde met gesloten ogen en hield bij elk gesprek mijn hand boven mijn wenkbrauwen, terwijl de tranen over mijn wangen biggelden. Soms ging het een dagje wat beter, soms wat slechter, maar nooit ging het over. Na twee weken eiste ik een spoedafspraak. ‘26 januari’, stelde de mevrouw aan de andere kant van de lijn voor. Het was half november. ‘Ik stel me iets anders voor bij spoed’, zei ik teleurgesteld. Twee dagen onderhandelen later had ik een afspraak over drie weken bij een oogarts op een half uur rijden van Leuven.

Toen begon het slikken, het doorzetten. Een paar columns nakijken, om vervolgens weer een paar uur met een theedoek over mijn ogen op de bank te liggen, starend naar de nareflectie.

De nareflectie is misschien wel het ergste. Iedereen kent de vlekken die felle lichtbronnen, zoals de zon, achterlaten op je netvlies. De vlek die nog even na blijft schitteren als je je ogen dichtdoet. Bij een lichtschuwe kunnen die vlekken uren duren, ze kunnen flitsen als een stroboscoop en werkelijk élk lichtgekleurd object is aanleiding voor zo’n vlek. Op de ergste momenten bleef een witte papiersnipper op de grond een half uur naflitsen aan de binnenkant van mijn oogleden. Zelfs geen rust hebben als je je ogen dichtdoet, is een van de ergste dingen die ik ooit heb meegemaakt.

Na vijf weken afzien (hm) stapte ik in een auto (van vier kanten licht!), zodat ik een half uur verderop mijn kin in de houder kon leggen. ‘Wondjes’, zei ze. ‘Een heleboel wondjes. Zoals bij lasogen. En droge ogen. Maar geen virus.’
Ze schreef een berg middeltjes voor, die weinig deden. Ik werkte door, afgewisseld met wat staren naar de stroboscoop aan de binnenkant van mijn hoofd. Ik las voor onder podiumspots, om daarna noodgedwongen, en vast ook voor straf, twee dagen lang de knoesten van de vloer te moeten bekijken. En ik stelde vast: dit gaat zo niet langer.

Ik zegde al mijn werk voor december af en begon de oogarts te stalken, ik liet me er nog twee keer naartoe rijden en belde haar drie keer per week op, net niet huilend. Ze schreef me andere middeltjes voor, zei dat het erg lang kon duren en beloofde me stopjes voor in mijn ogen, om te voorkomen dat ze droog zouden worden. En ze wenste me prettige feesten, want ze zou met verlof gaan.

Al zes weken balanceerde ik op de rand van paniek, maar nu viel ik erin. De oogarts met verlof. Ik huilde al maanden elke dag (zie ook het deel van het jaaroverzicht dat nog volgt: Zwijgen), wat op zich goed was, want huilen heeft als voordeel dat je ogen er erg vochtig van worden. Maar een groot nadeel is dat je daarna alleen nog maar naar bed wil. En je loopt al niet over van energie als halfblinde, want door gebrek aan prikkels van buitenaf verveel je je dood. Ik vroeg op Twitter of mensen ideeën hadden voor een leven zonder ogen. De audiolinks en -downloads waren niet van de lucht, maar ik kon de pagina’s waar ze op stonden niet bekijken. En hoewel Wannes de meeste taken van mijn ogen de afgelopen maanden heeft waargenomen, was het ondoenlijk om bij elke link aan hem te vragen: wat is dat voor een link? Kun je die downloaden? Kun je het programma waarmee ik het moet afspelen instellen?

Zo zat ik wekenlang opgesloten in mijn eigen hoofd, met stroboscopisch licht, een shitload aan zelfmedelijden en nauwelijks afleiding. Probeer dan maar ‘ns geen wezensvragen te stellen.

Gelukkig had Wannes de laatste paar dagen van het jaar vrij: afleiding! Hij quizmasterde mij met liefde door de donkere dagen na kerst en toen de klok twaalf sloeg, fluisterde hij: ‘2011 is nu echt voorbij, liefje.’ Waarop ik nog maar eens een potje begon te janken.

Op 1 januari kreeg ik zo’n eurekagloeilampje boven mijn hoofd. ‘Wij hebben toch zo’n soort bouwlamp van 500 watt?’ vroeg ik aan Wannes. We hadden net twee dagen een iPhone en ik had me voorafgaand aan oud en nieuw, met Wannes als rood-witte stok, naar Amsterdam gemanoeuvreerd. Ik was bekaf, van alle lichten, al het vuurwerk en alle voeten in mijn anders zo stille blikveld, maar het nieuwe telefoontje en de noodgedwongen lichttraining hadden mijn lichtschuwheid duidelijk wat verminderd.

Wannes zette de bouwlamp tegen het plafond en het egale licht was een weldaad voor mijn ogen. Het was duidelijk nog lang niet normaal, maar mijn hemel! ‘Ik kan je aankijken!’ riep ik uit. Waarop we gezamenlijk nog maar eens een potje jankten.

Nu, zes dagen later, ben ik nederig. Het was maar een vinger, de hele hand laat op zich wachten. Ik mag dan misschien mijn blik eindelijk kunnen oprichten van vloerhoogte tot kruishoogte (sorry heren!), ik kan nog altijd niet weg bij mijn bouwlamp, ik kan nog steeds niet veel meer dan vier centimeter licht (iPhone) en een half uur per dag een scherm verdragen (zie ook dit stukje), waardoor ik al mijn werk in januari ook maar weer heb afgezegd. Na twee maanden niesprikkels en huilbuien ben ik uitgeput. Mijn nek zit helemaal vast van met gebogen hoofd leven, en de reflectieveling in mij is me kots- en kotsbeu. Mijn werk en financiën lopen in het honderd, mijn boek raakt niet af, al mijn opruim-, opstart-, en andere plannen bleken onhaalbaar. Intussen zit ik op de bank naar de knoesten in de vloer te staren.

En toch: de oogarts is terug van verlof en ik heb haar nog maar één keer gebeld. Ook ween ik nog maar ééns in de twee dagen.
Met iets meer energie richt ik me op de kruizen van de heren en nu al een uur op de tekst van dit stukje. Gisteren keek ik zelfs een half uur tv. De nareflectie onderging ik met een zekere rust.

Dat is misschien wel de grootste winst van de afgelopen tijd: dat ik weet dat zelfs radeloosheid went.

(Wordt vervolgd)

We lazen voor



Klik voor meer dan een fragment.
We stonden samen op een affiche. Dat zie ik graag.



Klik voor meer dan een fragment.
Wannes las.



Klik voor meer dan een fragment.
Ik las ook.



Klik voor meer dan een fragment.
Er was een tekenaar die elke artiest tijdens zijn act portretteerde. Na de act kon het publiek per opbod de tekening kopen.



Klik voor meer dan een fragment.
Dit was Wannes. Ik betaalde 15 euro voor de zijne, omdat @sanfyezerskiy de prijs opdreef.



Klik voor meer dan een fragment.
Dit was ik. Wannes bood 20 euro voor de mijne, omdat iedereen de prijs opdreef.

Jaaroverzicht
Horen, zien en zwijgen – Horen

Op 1 januari 2011 was ik me nog van geen kwaad bewust

Het zou het jaar to end all jaren worden, ik zou zo veel geld verdienen dat ik zes maanden kon schrijven, ik zou een prachtig boek afleveren en ik zou in alle andere opzichten ook benijdenswaardig zijn. Ongetwijfeld.

Tot er iets begon te woekeren in mijn hoofd. Het kraakte en kreunde. En toen werd het stil.
Zo stil dat de structuur van wat ik in mijn mond stopte het enige was dat ik hoorde. En soms een geluid in de verre verte.

Vanaf het eerste moment beviel het me. Als ik schreef, hoorde ik alleen mijn personages, met zo nu en dan een kraakje of kreuntje tussendoor. Naast me werd een huis gestript, aan de overkant werd een huis gestript en de kinderen op het schoolplein achter mijn tuin slachtten elke pauze een krijsend speenvarken, maar ik schreef rustig door. Het was zelfs zo comfortabel dat ik de gang naar de dokter nog even uitstelde. Laat mij maar even alleen, in mijn hoofd. Ik heb het goed hier. Spiedend van achter mijn ogen.

Na mijn slome doktersgang was het gedaan met de stilte. Hij spoot mijn oren uit, fronste toen hij hoorde hoe lang ik er al mee liep en praatte plotseling HEEL HARD. Weg rust.

In 2011 was ik doof, blind en tandenloos. Doof was het leukste.

(wordt vervolgd)

10 jaar dreadlocks
Of: hoe ik mijn haar werd

Ik was een vrouw met moeilijk haar. Of, nou ja, als ik de foto’s bekijk: een meisje met moeilijk haar. 27 lentes in de benen, nog voldoende babyvet in de wangen, maar dus wel moeilijk haar.


Klik voor meer dan een fragment.

Ze was lay-outer, ze was mooi en ze had geen moeilijk haar. Als eindredacteur keek ik vaak over haar schouder. Zo ook die dag. Dikke dreads bungelden in het raster. ‘Hier moet wat uit’, zei ze, terwijl ze met haar cursor in een kolom kraste. Ik tuurde. ‘Hoe kom je eraan? Die dreads? Is het gemakkelijk? Is het duur?’ Een uur later schrapte ik iets uit de kolom. Een week later kreeg ik van mijn toenmalige echtgenoot dreadlocks kado. Op 5 december 2001.



Klik voor meer dan een fragment.
In het begin waren het rommelige sliertjes. Dure rommelige sliertjes. Zes uur lang had een hippe kapper zich het schompes gewerkt om mijn haar om zeep te helpen en mijn echtgenoot honderden gulden afhandig te maken. Maar het werkte meteen. Ook dure rommelige sliertjes kunnen je zelfbeeld ten goede beïnvloeden.



Klik voor meer dan een fragment.
Mijn leven veranderde in razend tempo en mijn zelfbeeld ook. Om mijn huwelijk niet te laten mislukken, breide ik er een einde aan. Ik kocht een eigen appartement in Amsterdam, bracht door allerlei omstandigheden mijn werkzaamheden tot een minimum terug, maakte muziek en smeet mijzelf in een emotionele roetsjbaan van heb ik jou daar. Intussen waren mijn dreads geloofwaardig genoeg om voortdurend nagesist te worden ‘Hee! Rasta! Lady!’ Mijn zelfbeeld spiegelde niet langer een meisje met babyvet en moeilijk haar, maar een gescheiden vrouw van de wereld.



Klik voor meer dan een fragment.
Alles is perceptie. Voor mij was moeilijk haar: peper en zout-kleurig, steil, loslatend haar, dat elk kwartier aandacht behoeft. De lay-outer had me verteld dat dreadlocks ‘heel gemakkelijk’ waren en de luilak in mij vond een leven lang een bad hair day onwerkbaar en zag wel graten in ‘heel gemakkelijk’. En wat bleek: de lay-outer had niks te veel gezegd. Je harkt ’s ochtends twee keer met je vingers door je dreads en ze hangen weer even recht als voor je ging slapen.
MAAR. (rust) Er is méér. (rust)
In die tien jaar heb ik 3500 keer een touwtje of mini-elastiekje om een dread gebonden. Ik heb 500 uur besteed aan wassen of verven en ik heb zeker 480 dagen met nat haar gelopen, omdat dreadlocks er twee dagen over doen om helemaal droog te worden. Alles is perceptie. Moeilijk haar is dat ook, verzucht de luilak.



Klik voor meer dan een fragment.
Mijn leven nam, evenals mijn haar, grillige vormen aan. Een gescheiden vrouw van de wereld mag dan een plezieriger zelfbeeld zijn dan een meisje met babyvet en moeilijk haar, het is wel dodelijk vermoeiend. Op de plek van het babyvet ontstonden groeven, mijn zelfbeeld was getekend.
Het internet bracht uitkomst: In 2003 begon ik een weblog en in 2004 presenteerde ik mezelf als de dame met nasispotentie, maar zonder de vermoeide blik die een vrouw van de wereld mee torst. Ik werd mijn silhouet.



Klik voor meer dan een fragment.
Hoe beter ik leerde knutselen, hoe beter ik een karikatuur van mezelf wist te maken. Mijn weblogheader werd zo een weerslag van hoe ik de scherven van mijn leven aan elkaar plakte. Mijn gezicht zat vol groeven, voor elk obstakel een lijn, maar ik poetste de scheuren in mijn liefdesleven, de haperingen van mijn gezondheid en de aarzelende antwoorden op wezensvragen weg met mooie stukjes en de laatste versie van Photoshop.



Klik voor meer dan een fragment.
Het werkte: naarmate ik meer poetste, was mijn ster rijzende. En omdat de weblogreacties in die tijd vooral bestonden uit zalvende complimentjes, kon het gebeuren dat mijn zelfbeeld verwerd tot ‘Zezunja, de Egyptische prinses die zo mooi kan schrijven’. ’s Ochtends harkte ik twee keer door mijn haren en dan vergat ik dat ik een gescheiden vrouw met schuldgevoel, gebrekkig stressmanagement en overweldigende emigreerplannen was. Ik negeerde de lijnen en staarde naar het silhouet van mezelf.



Klik voor meer dan een fragment.
De naam Zezunja bedacht ik ver voor mijn dreads, in 1998, toen ik in een ouderwets internetspel een virtuele koningin met moeilijk haar was. Toen ik het naambordje afstofte en op de deur van mijn weblog spijkerde, bleek het te kloppen. Het silhouet, Zezunja: niks meer aan doen.
Zezunja kreeg enige bekendheid in het sijberse en ik, de vrouw van de wereld, werd overklast door mijn alter-ego. Toen ik langzaam mijn echte naam begon prijs te geven, lachte het volk me uit. ‘Haha, Maartje, dat past helemaal niet bij je.’



Klik voor meer dan een fragment.
In het najaar van 2005 besloot ik naar België te verhuizen en in 2006 zat ik daar in een huis vol dozen. Dat ik een fijn zelfbeeld overhield aan mijn virtuele bestaan als Zezunja de Egyptische prinses die zo mooi kan schrijven bracht me nog geen vaste job, en je had ook niks aan die hele Zezunja als het ging om dozen uitpakken. Van een vrouw van de wereld die wordt overklast door haar alter-ego, werd ik een onthechte inwijkeling die in alle opzichten niet echt ‘mengde’.
Omdat ik op dat moment niets liever wilde dan opgaan in mijn omgeving, haalde ik mijn dreads eraf en drong ik mijn virtuele publiek de naam Maartje op. Brave Maartje, zonder babyvet en silhouet.



Klik voor meer dan een fragment.
Acht maanden probeerde ik het als brave Maartje zonder babyvet en silhouet. Ik vond geen job, de dozen raakten niet sneller uitgepakt en ook als dreadloze schoot ik niet bijster snel wortel. Ik had niet alleen mijn moederland verlaten, ik had ook mijn zelfbeeld onbestaande gemaakt.

Onder het motto: liever een Egyptische prinses waar je niks aan hebt dan een brave bast waar je niks aan hebt, draaide ik eigenhandig zeventig dreadlocks én de tijd terug. Ik werd eerst Frank Rijkaard en toen Ruud Gullit.


Klik voor meer dan een fragment.



Klik voor meer dan een fragment.
Een Egyptische prinses werd ik niet meer, daarvoor was mijn ware aard te veel ontsluierd, maar mijn dreads groeiden, en mijn verschrompelde zelfbeeld ook. Ik richtte Het Eiland Neus op, pakte de laatste dozen uit en wachtte geduldig tot de Belgen me een kans gaven. Het wachten werd beloond. Het Eiland Neus kreeg kansen, ik kreeg kansen, ook als ontwortelde vrouw met zelfgemaakte dreadlocks en een gekunsteld zelfbeeld.



Klik voor meer dan een fragment.
Alles is perceptie, zelfs een gekunsteld zelfbeeld. Dus besloot ik met open ogen in de val te lopen: ik zou wederom mijn silhouet in de strijd gooien, met de laatste versie van Photoshop. Ik zou uit een foto van Maartje die een boekcontract tekent de lijnen zichtbaar weg shoppen, zodat iedereen kon zien dat ik iets te verbergen had, namelijk: dat ik het allemaal ook niet meer wist. Dat werd de header die je nu bovenaan dit weblog ziet.



Klik voor meer dan een fragment.
De luilak in mij vindt dreadlocks ontiegelijk veel werk, de integere zelfbewuste in mij vindt dreadlocks een lepe truc om te maskeren dat je geen zelfvertrouwen hebt, de interim-manager in mij vermoedt dat ik zonder dreadlocks meer goedbetaalde opdrachten van jasjedasjebedrijven zou kunnen krijgen en de liefhebber van hoofdmassages mist een harde douche op haar hoofdhuid. Toch hou ik mijn dreads.



Klik voor meer dan een fragment.
Het duizelt me wel eens. Heb ik die dreadlocks omdat ze gemakkelijk zijn? Of om te maskeren dat ik het ook allemaal niet weet? En: doet het ertoe?
De personal brand manager in mij schudt het hoofd. Het doet er niet toe. Het werkt: mijn dreads, mijn silhouet en de naam Zezunja zijn een huisstijl.
De spiegelkijker in mij harkt demonstratief twee keer met haar vingers door de kluwen en voilá, een good hair day.
De schrijver in mij schrijft een boek over jezelf zijn en dat dat niet bestaat.
En in mijn zelfbeeld hangen slingers aan het plafond.

De Inwijkeling: Amsterdam
klopt steeds minder

‘Ik weet nooit welke de Haarlemmerstraat is en welke de Haarlemmerdijk’, zei @ongast op Twitter.
Mijn eerste innerlijke reactie was: o, maar dat kan ik je wel vertellen. Mijn hersens kraakten en de inktkop schoot naar de Haarlemmerbuurt, begon een kaartje te tekenen en maakte de vonk voor mijn volgende reactie: euhm, hoe zat het ook alweer na de Nieuwendijk? Er werden stukjes opengelaten, er werd een tweedehandsklerenwinkel getekend, een Oost-Indisch huis en een kruising met om het hoekje coffeeshop Siberië. Maar tussen al die highlights zaten witte vlekken, straten die ineens ophielden, grachten die in het niets eindigden en kruispunten waar ik de naam niet van wist.

Mijn wieg stond in Amsterdam-Oost. Ik kende de Transvaalbuurt, de Indische buurt, de Watergraafsmeer, Diemen, de Plantagebuurt en de Rivierenbuurt op mijn duimpje. Artis, dwarsfluitles, de orthodontist, de 5e Montessorischool en mijn oma kon ik als ik flink doortrapte zonder volwassene vinden. Maar Amsterdam-West was een gapend gat op de kaart van mijn netvlies. Alsof de ui, waarvan de grachten de ringen zijn, een volledige zijde miste. Bij de brandweerkazerne in de Marnixstraat, de uitgang van het Vondelpark aan de Amstelveenseweg, en aan de westzijde van het Centraal Station ging het kaartje van Amsterdam over in een foto van een staatsgeheim. Amsterdam-West was voor mij jarenlang een wazige en vormeloze uitloop van het echte Amsterdam.

Tot mijn zus in de Staatsliedenbuurt ging wonen, ik het tweehandsklerenwinkeltje op de Haarlemmerdijk ontdekte (of was het nou de Haarlemmerstraat?), er een schoonmoeder in beeld kwam die in Geuzenveld resideerde en mijn moeder beroepsmatig neerstreek in de Baarsjes. Toen ik op mijn achttiende ook nog een paar maanden thuiszorg in Osdorp/Slotervaart deed en dagelijks acht kruislingse routes langs meren en flats fietste, was Amsterdam eindelijk af. De lijntjes die mijn hele jeugd richting het Westen uitrafelden, werden aan elkaar geknoopt en naadloos afgewerkt. Amsterdam klopte.

Donderdag zat ik op een terras in Oost. ‘Ik had een afspraak op de Zoutkeetsgracht’, zei mijn gezelschap. ‘O, helemaal bij het eindpunt van lijn 10? Of was het lijn 3?’ Mijn mond werd droog. Ik schoof het plattegrond van Amsterdam over mijn netvlies, legde er een tramkaartje overheen en zag het niet. Lijn 3 eindigde in een wazig beeld in de Bilderdijkstraat en lijn 10 werd blurry ter hoogte van, jawel, daar was-ie weer, de brandweerkazerne in de Marnixstraat. Ik slikte.

Toen ik naar huis liep, stopte er een auto. ‘Kunt u mij vertellen waar de Wijttenbachstraat is?’ Achter hem toeterde iemand.
De druk was hoog, maar hee, de Wijttenbachstraat is Amsterdam-Oost! Eitje! ‘Doorrijden en bij het tweede stoplicht rechts’, riep ik naar hem.
Hij gaf gas en ik kuierde door naar huis. Toen ik op de hoek van de straat van mijn ouders stond, realiseerde ik me dat er op de kruising met de Pretoriusstraat geen stoplicht staat. Ik voelde me schuldig dat ik iemand de verkeerde weg had gewezen, maar ik wist dat ik daarmee iets veel ergers verdrong: met mijn emigratie staat het mes weer in de ui. En deze keer wordt er aan alle kanten iets weggesneden. Ook uit het oosten. Amsterdam klopt steeds minder.