Archief in maanden: februari 2007

En alweer een kijkcijferkanon

Dat gemakzuchtig webloggen gaat me geweldig af, al zeg ik het zelf. Ik voel me er nog wat ongemakkelijk bij, schrijf liever stukjes die – al was het maar om de stijl – toch enigszins beklijven. Maar tot nu toe verscheen er elke dag een gemakzuchtig logje en dat was de bedoeling.

Beetje jammer dat meneer Kluun vandaag mijn gemakzuchtige logje al had geschreven. Over Ruby van de Kaiser Chiefs en dat dat wederom zo’n nummer is dat niet meer uit je hoofd gaat en zo. Dus in al mijn gemakzucht link ik maar even door naar hem. Sjeblief.

Voor het overige ga ik u morgen de prangende vraag stellen waarom mijn thee schuimt. En in het kader van ik-maak-het-u-ook-
wat-gemakkelijker geef ik u vast de details, dan kunt u er al eventjes over nadenken.
- ik kook mijn water in de magnetron,
maar ook met water dat gekookt is in de waterkoker gebeurt het
- ik deed mijn suiker er soms al voor het zakje in,
maar ook als ik de suiker er daarna pas in gooi, gebeurt het
- ik drink mijn thee met melk,
maar ook als er geen melk meer is, schuimt het

Ziezo, maak daar maar wat van. Morgen meer.

Tot slot: ik behoor tot het selecte clubje mazzelpikken dat kaartjes heeft voor de in België uitverkochte show van Wim Helsen. Morgen vertel ik de meute geluksvogels in Nederland of ze de daar nog beschikbare kaartjes al dan niet moeten aanschaffen. Hoewel ik daar nauwelijks aan twijfel.

Yeah, weer een gemakzuchtig stukje. En het gekke is: hoe gemakzuchtiger ik log, hoe vaker u terugkomt. En ook met zo véél. Ik ben net een commerciële omroep en u bent net een doorsneeburger.

Wiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii

Mijn geliefde heeft het uithoudingsvermogen van een Indische olifant. Niet alleen is hij bij de onmogelijke quiz inmiddels bij vraag 70 beland (met wat hulp van zijn liefje), ook heeft hij met bloed, zweet en tranen mijn verjaardagscadeautje dat al maanden overal uitverkocht is op de kop weten te tikken.
En hoewel ik gisteren zo moe was dat ik eigenlijk alleen nog maar wilde huilen, heb ik toch nog heel fanatiek staan tennissen, poolen en vissen.

Ik vind het helemaal te gek, al was het maar omdat ik joggen maar niks vind en toch wat lichaamsbeweging nodig heb. Maar hoe moet ik nou ooit dat boek schrijven?

Ongeëvenaarde schattigheid

Picture this:

Je kijkt met zijn tweeën naar zo’n pulpprogramma waar twee dames op leeftijd ranzige mensen in ranzige huizen leren hoe ze die enorme teringzooi kunnen opruimen (in dit geval de Vlaamse versie, een tijdje geleden).

Doorgaans komen de dames aan met tandpastatips of cola in de plee, deze keer is het devies: als je ’s ochtends wakker wordt, klap je het raam én het dekbed open om zo het bed van binnen te luchten.

De volgende dag kom je de slaapkamer binnen en zie je dat het dekbed opengeklapt ligt, in plaats van opgemaakt. Met een brede grijns confronteer je je geliefde ermee. Die bloost. Je zoent hem en je wil hem blijven zoenen, wegens ongeëvenaarde schattigheid.

Het weblog bijt het boek

Het bijt elkaar. Ik kan geen weblog onderhouden, statistieken tellen en intussen ook mijn debuut schrijven. Ik kan de verwachtingen van mijn webloglezers niet inlossen als ik ook aan de verwachtingen van mijn debuutlezers wil voldoen. Ik kan niet overdag letterknecht zijn, ’s avonds mijn weblog volkladden en ’s nachts mijn boek schrijven. Ik kan niet steeds mijn aandacht verdelen.

Ik wil niet steeds op de bank liggen en mij schuldig voelen dat ik geen hoogstaande stukje schrijf op www.zezunja.nl. Ik wil op de bank liggen en denken over personages, plot en uitgevers. Ik wil mij vrij voelen om het toetsenbord te beroeren voor mijn langverwachte droom. Ik wil mij wentelen in de angsten van een debutant, zonder daarbij te hoeven denken aan mijn miljoenste pageview die ik dit jaar zeker zou gaan halen als ik geen debuut zou schrijven. Ik wil dat allemaal niet.

Ik heb me erbij neergelegd dat mijn hobby en werk in elkaar overlopen, waardoor ik mijn dagelijks brood en mijn lolletjes op dezelfde stoel vergaar. Ik heb mij erbij neergelegd dat ik nog geen popster kan worden, omdat ik eerst moet schrijven. Omdat dat moet. Omdat ik dat wil. Omdat ik me daarbij heb neergelegd. Ik wil me neerleggen bij het feit dat mijn weblog misschien iets minder interessant wordt.

Ik wil de schaarse momenten dat ik niet aan dà­t klavier zit, aan een ander klavier zitten. Namelijk aan dat met octaven en zwarte en witte toetsen. Of aan mijn Squire Bullet, met de versterker op 10. Ik wil broodschrijven en debuteren. En als ik niet broodschrijf of debuteer, wil ik muziek maken. Ik wil niet zien dat mijn bezoekersaantallen inzakken als ik niet weblog. Maar ik zie het en ik wil me erbij neerleggen.

Dat het elkaar bijt, knaagt aan me. Ik wil altijd alles, maar ik ben volwassen genoeg om te weten dat als ik zelf geen keuze maak, ze vóór mij gemaakt worden.

En daarom maak ik de keuze. Ik ga voortaan gemakzuchtig webloggen.

Als blijkt dat niemand een gemakzuchtig weblog wil lezen, dan is dat maar zo. Als blijkt dat ik de miljoen dit jaar dan niet haal, dan is dat maar zo. Als blijkt dat ik helemaal geen debuut kán schrijven, dan is dat ook maar zo. Als het maar niet bijt.

Een arbeidsextensief lijstje
met veel hoera’s en yay’s

Dames en heren, wegens werk aan de winkel, geen hoogstaande stukjes (ik bedoel, dat is een uitzondering op de regel, anders staan hier namelijk áltijd hoogstaande stukjes) maar een arbeidsextensief lijstje.

* Ik heb 84 punten uit 100 gehaald voor mijn examen Frans. Hoera, ik kan het nog. Examens maken, is net als fietsen, je verleert het niet.

* Ik stop er maar gelijk mee. Niet omdat ik zo waanzinnig goed Frans spreek, maar tijd = geld en examens kosten tijd. Net als fietsen trouwens.

* Ik heb mijn lerares Frans aan het huilen gebracht door haar per brief aan haar werkgever enorm te prijzen. Yay!

* Na drie keer met ‘ik’ beginnen, is het wel weer mooi geweest met dat ge-ik.

* Deze week stuitte iemand van Psychologie Magazine op mijn oude weblog en maakte daaruit op dat ik goed overweg kan met mijn exen. Ze wilde me graag interviewen en foto’s maken van mij met mijn jachttrofeeën. Jammer, maar helaas, de enige die over mijn privéleven mag schrijven ben ik zelf. Maar dat vond ze niet zo’n goed plan.

* In mijn mailbox vond ik ook een briefje van iemand die vermoedelijk eveneens via mijn oude weblog bij mij kwam met de vraag of ik nog vingerfluiters ken die mee willen doen aan het tv-programma Supertalent in Vlaanderen. Door een stukje dat ik ooit schreef over vingerfluiten ben ik een expert geworden. Van het FOK-forum tot Vlaamse tv-programma’s: ze komen allemaal bij Zezunja om te leren vingerfluiten. Yay! Dat is trouwens een van de redenen dat mijn oude weblog nog steeds bijna evenveel (of soms meer) bezoekers haalt dan mijn huidige. (Dat is iets minder yay!) Hoe dan ook, wilt u beroemd vingerfluiter worden? Ik heb de gegevens van de redactie.

* Een envelop uit Nederland met een priorityzegel doet er twee dagen over om hier te komen. Zonder priority is dat twee tot drie weken! Bear with me!

* Vanaf juli 2007 heb ik voor vijf jaar een verblijfsvergunning. Hoera!

* Vlaanderen is een andere wereld. Als journalist, that is. Men is een stuk minder graag bereikbaar en een stuk argwanender. Daarover later meer.

* Mijn lief zei van de week over een tekstje: ‘Weet je wat het erg Nederlands maakt? Dat nouw.’ Als mijn lief het woordje ‘nou’ uitspreekt klinkt het gelijk heel SBS. Dat heb ik dus maar geschrapt, indachtig dat mijn stukje in de mind of the beholder erg SBS zou worden.

* Een stukje stuff halen in Maastricht kan leiden tot in je nakie staan tegenover een agente. Zonder stuff. Bummer! Daarover ook vast later meer.

* Stoppen met roken is voor bikkels. Ik ben een mietje. Volgende week stop ik weer.

* Als u een cursus Beeldend Schrijven of Interviewen bij mij wilt volgen: hou deze site dan in de gaten. Ik heb namelijk reclamezendtijd bij mijzelf gekocht.

* Als u een andere cursus bij mij wilt volgen, dan kan dat ook, maar het is nog niet duidelijk waar en wanneer u dat kunt doen. En dat is wel essentieel voor een goeie reclame.

* Verder in mijn mailbox: iemand die mij als gastcolumnist wilde. Gratis! Ja, hee, hallo, it’s a job! Ik schreef terug: ‘Mijn bankrekening en ik hebben afgesproken dat alleen financiële beloningen reden mogen zijn om in de pen te klimmen.’ Dus dat u het even weet.

* Mijn moeder zei midden in een telefoongesprek met veel gekeuvel: ‘Jij wist nog niet van papa’s kanker hè?’.

* Ik nam het mijn moeder uiteindelijk niet kwalijk, omdat het echt niet zo erg bleek.

* Maar ik schrok wel.

* Verder is het vandaag weekend. Dat kan mijn redding zijn.

Van Vrijman naar Weisz naar mij

Al weken ben ik bezig met een catalogus, maanden misschien. Een catalogus van de cursussen die ik geef, een catalogus van de columns die ik schrijf en een catalogus van de rest van het werk dat ik doe.

En perfectionistisch dat ik ben! Ook wel een beetje terecht, want als ik piano’s zou verkopen, zou ik niet zoveel tijd besteden aan de wijze waarop ik ‘piano te koop’ zou opschrijven, maar ik verkoop woorden. En als je mooie woorden verkoopt met lelijke woorden, snapt niemand het nog.

Maar de catalogi werken me op de zenuwen. Ik ben namelijk geen vormgever, maar wil ze wel prachtig vormgeven en dat kost eeuwen. Daarbij is het de bedoeling dat die dingen geld opleveren, maar zolang ze niet de deur uit zijn, doe ik het voor niets. Liefdewerk oud papier dus. En zenuwen.

Vrijdag was ik het even zat. Kutcatalogus. Ik plofte neer op de bank en zette de tv aan. Ik verwachtte iets als Vlaanderen Vakantieland, maar ik viel binnen op Nederland 2 in Het uur van de wolf. Lucky me. Het begin van De werkelijkheid van Jan Vrijman.

En woow, wat werden mij de ogen geopend.

In de documentaire bladert onze vermaarde filmregisseur Frans Weisz door wat correspondentie van wijlen Vrijman. Hij wijst op een beduimeld velletje betypt papier met koffievlekken, doorhalingen en kantlijngekriebel en zegt vol ontzag: ‘Zo diende hij dus ook zijn subsidie-aanvragen in. Met koffievlek en al.’

Vervolgens beschrijft Weisz hoe hij zelf gewend was bij de eerste de beste typfout het vel uit zijn typmachine te trekken om weer helemaal opnieuw te beginnen. ‘Het was een eyeopener’, vertelt Weisz. Vrijman weekte subsidies en investeringen los zonder ook maar een klein beetje energie te steken in de formaliteiten; hij bewaarde al zijn energie voor het werk zelf.

Een eyeopener inderdaad. Voor Weisz. En voor mij. Want daar lag ik, uitgeblust door de randverschijnselen. Geen column geschreven, geen les gegeven en toch kapot. En dan te bedenken dat ik op het idee kwam voor de catalogus door de vele positieve reacties die ik kreeg op een inderhaast verstuurde bulkmail.

Dus zo werkt mijn hoofd: als een rommelig mailtje zijn werk doet, denk ik: dat kan beter. Waarop ik mij zet aan een enorm arbeidsintensieve perfectionering van diezelfde mail: een catalogus. En dat is raar, want waarom denk ik niet: zo, dat werkt, dan kan ik nu verder met het echte werk?

Met de ogen geopend, zette ik mij de afgelopen dagen aan de catalogi. Gisteren was het cursusaanbod af, volgende week is het columnaanbod af. En daarna? Daarna krijgt iedereen nog slechts beduimelde e-mailtjes. Met cyberse koffievlekken. Het is tijd voor het echte werk.

Kwitantie

En dat ik me dan afvraag of-ie rechtsgeldig is.

Als je dompelt, schrijf je niet

Niet schrijven. Hoe erg kan het zijn? Niet erg.

Maar toch. Even een geluidje uit huize Zezunja. Ik dompelde mij dit weekend onder in van alles en nog wat.

Een vriendinnetje dat kwam logeren. Dat was fijn. En gezellig. En inspirerend.

Een oude vriend die kwam signeren en die schreef ‘Voor Zezunja, met wie het goed lachen was’. Dat was ook fijn, en gezellig, en inspirerend.

Een kindje van twee dat voor het eerst zijn spiegelbeeld zag. Waarbij natuurlijk gelijk de vraag rees of het schadelijk is voor een kind als je hem twee jaar lang zijn eigen spiegelbeeld onthoudt. Wat denkt u?

Verder zagen wij donkere nachtkooien, rollende tollen en onszelf in duizendfout op een scherm.

We tekenden mee aan een muurschildering en lieten ons rondleiden in de gewelven van het stadhuis waar een bijzonder fenomeen tentoongesteld werd.

We rookten stiekem sigaretjes, maar we zijn natuurlijk wel nog steeds gestopt, en we aten fijne broodjes en fijne broodjes.

Verder zagen we een leuk programma op tv, misten we een toneelvoorstelling omdat het niet op nummer 16 maar op nummer 161 was en gingen we niet naar het concert waarbij de drummers vooraan stonden en de gitaristen achteraan. Volgens Yuri had ik wel moeten gaan. Net als hij.

Dat was mijn weekend. Dat was waarom ik niet schreef. En verder moet ik heel hard werken.

(het moge duidelijk zijn dat u moet klikken om hier enig touw aan vast te knopen)

Assorti met Ali G

We wisten dat er een dag zou komen dat het helemaal zou kloppen.
Dat zebrakastje.

Waarom er op 14 februari 2009
helemaal niets zal gebeuren

‘Ik kom een definitieve verblijfsvergunning halen. Als zelfstandige.’
‘Maar uw aanvraag als werknemer loopt nog.’
‘Ja, klopt, tot 18 februari.’
‘Dan moet u op 18 februari terugkomen, dan kunnen we een nieuwe aanvraag indienen.’
‘Dat is een zondag.’
‘O, dan zijn we gesloten. Dan moet u maandag meteen komen.’
‘Maar dan ben ik zondag illegaal.’
‘Ja.’

Dat is de reden dat er niets gebeurt op 14 februari 2009.

Ik geloof met heel mijn
hart in cijferreeksen

1. Valentijnsdag 2005 veranderde mijn leven rigoureus. Dat beschreef ik hier.

2. De kans is aanwezig dat ik vanmiddag mijn definitieve verblijfsvergunning krijg (u mag duimen).

3. Ik ben heel benieuwd wat er op 14 februari 2009 zal gebeuren.

Vandaag vieren we de dag
van De Blije Bukster

Omdat ik de herinnering koester, plaats ik het verhaal van De Blije Bukster nog een keer.

Vandaag een jaar geleden was ik in staat van ex (let op, dit is een herhaling, het is al twee jaar geleden, u kunt niet meer bellen of sms’en). En als ik ergens geen zin in had, was het wel om in staat van ex zijn. Ik wilde wilde romances, hete hartstocht en bakken vol aandacht. Maar goed, als je nog niet zo lang in staat van ex bent, dien je wat geduld te hebben.

En daarvoor moet je dus niet bij mij zijn. Geduld. Ik weet niet eens hoe je het schrijft. Ik kan bijzonder slecht afwachten. Mijn handen zijn voor het heft gemáákt.
Dus terwijl ik in alle staten van ex was, brak er ineens een Valentijnsdag aan. Doorgaans vergeet ik Valentijnsdag keihard, maar nu was er werk aan de winkel. Ik heb geen Valentijnsdag nodig om verleidelijke briefjes te schrijven, ik kan immers erg slecht afwachten, zodoende neem ik regelmatig zelf het heft in handen. Maar een dag dat je zonder humbug al je poet kunt inzetten op wilde romances en bakken vol aandacht laat ik in staat van ex liever niet voorbij gaan.

Daar zat ik, 14 februari 2005, met werk aan de winkel. Het was al laat in de avond, de tijd drong. En aangezien ik nog nooit eerder een Valentijnsproject ten uitvoer had gebracht, begon ik ‘m toch wel te knijpen; ik had geen routine. Mijn eerste probleem was: wie o wie? Ik was in staat van ex en nog niet verliefd geworden, zelfs niet stiekem. Er was niemand die ik stilletjes minde en ik had along the way geen lekkere dingen gespot die ik op een Valentijnsgeheim wilde trakteren.

Alleen leuke mensen kwamen in aanmerking. Een beetje leuke mensen, half leuke mensen en misschien leuke mensen vielen af, ik moest immers nog geïnspireerd worden. Binnen twee uur een Valentijnstruc in elkaar draaien, kan alleen als leuk ook echt leuk is.

En toen belandde ik bij Yuri (klik). Ik ben een fervent aanhanger van het toeval, dus ik zal niet bij u aankomen met ‘voorbestemd’ en ‘hoger hand’, maar ik weet toeval wel op waarde te schatten. Bij deze. Dit was mooi toeval.

Ik kwam niet vaak bij Yuri, eens in de paar weken, maar áls ik er kwam was ik altijd gecharmeerd. Door zijn twisted mind, door de lay-out van zijn website – met de toen nog handgeschreven linkjes – en door zijn waanzinnig romantische inborst.

Hij moest het zijn, besloot ik. Naarstig begon ik zijn laatste stukjes te lezen. Ik zocht een aanknopingspunt, een Valentijns-cue, iets waarop ik mijn kunstje kon baseren. Mijn ogen bleven hangen bij het zinnetje ‘Blij bukken maakt mensen blij. Mij in elk geval.’ (klik). En toen nam ik een merkwaardig besluit.

Ik besloot als Blije Bukster actie te ondernemen. Op zich nog niet zo raar, het is immers des Valentijns om je niet uit te geven voor wie je werkelijk bent. Maar ten eerste is zijn stukje een ode aan het driehoekje van een andere vrouw; het is maar wat je een Valentijns-cue noemt. En ten tweede: als u het stukje van Yuri heeft gelezen, zult u begrijpen dat er toch minimaal een decolleté aan te pas moet komen, alvorens er gesleed kan worden. En daarover kan ik in het geheel niet meepraten. Ik stond niet vooraan toen de driehoekjes werden uitgedeeld, zullen we maar zeggen.

Maar ik ben een lefgozer en dacht kennelijk niet aan de verwachtingen die ik bij mijn Valentijn zou kunnen wekken. Verwachtingen die ik geenszins zou kunnen inlossen – in mijn decolleté kun je hoogstens langlaufen. En en passant negeerde ik die vrouw over wie het stukje gà­ng ook nog even.

Kortom: in weerwil van alles zette ik mij aan het briefje van de Blije Bukster. Ik maakte een e-mailadres aan, deblijebuksteretdjziemeeldotkom, knipte mijn hoofd van een bukfoto en stuurde de onthoofde bukfoto naar meneer Maanzand. ‘Omdat blij bukken mensen blij maakt’, schreef ik eronder.

Het duurde een week en tientallen e-mails voor Yuri erachter kwam wie de Blije Bukster was (klik). Dat had niet zozeer met beroerd detectiveschap te maken, als wel met het feit dat hij het stiekem wel leuk vond om in het ongewisse te verkeren. Toen ik hem na een paar dagen op de man af vroeg of hij eigenlijk wel wilde weten met wie hij te maken had, erkende hij dat hij daar niet echt haast mee had.
Tsja, kijk, en dát was natuurlijk niet de bedoeling. Een beetje Valentijn hoort als een gek te gaan gissen, graven en vragen, want dan heb je pas eer van je werk. Deze Valentijn ging doodleuk op zijn lauweren zitten rusten, de buit was immers binnen.

En wat wás die buit binnen zeg. Het e-mailverkeer zinderde dat het een lieve lust was. Een dag of vijf na mijn ontmaskering schreef hij:
kom morgen
asjeblief
ik wacht je op
en we doen enkel fijne dingen

Ik kocht een retourtje Leuven en ik kwam (zie klik en klik).
En nu, een jaar later, weet ik niet hoe ik dit stukje moet eindigen.
Omdat het niet eindigt.
Omdat het gewoon
echt
niet
eindigt.

Kijk ook bij mijn favourite work of art: KLIK

De Wildebras, de Engelsman
en de Goede Vriend

Toen ik achttien was, had ik al twee jaar samengewoond. Lief en naïef rijmden al niet meer. Het woord relatie had haar ware aard al getoond: een ingewikkeld logistiek schema, waarop met veel pijlen en accolades de wederzijdse verlangens, belangen en dromen aan elkaar gekoppeld worden.

Op dat moment, zomer 1992, was één zo’n schema reeds in elkaar gedonderd en in al mijn post-puberale opportunisme had ik besloten dat ik geen relatie meer hoefde. Seen it, been there. Achttien jaar oud.

Dus toen ik de Woeste Wildebras tegenkwam, zei ik het maar gelijk: ‘Ik vind je wel leuk, maar ik wil geen relatie.’ Nou, dat was goed. Dat hoefde hij ook niet.

Met als gevolg dat we wekenlang samen, dronken, van onze fiets vielen. We werkten ’s avonds, feestten ’s nachts, sliepen ’s ochtends en deden ’s middags alsof de wereld aan onze voeten lag. Maar we hadden geen relatie.

De zomervakantie brak aan en omdat we geen relatie hadden, gingen we iedere zijns weegs. Hij ging een zeilboot naar Portugal brengen en ik zou met een clubje een maand vertoeven op het theaterfestival in Avignon.

In de dagen voor vertrek raakten we aan het kibbelen, vermoedelijk omdat we beiden niet gerust waren op de goede afloop. Deze relatie die geen relatie was, had geen schijn van kans de zinderende zomer te overleven en dat gaf ons een onbehaaglijk gevoel.

Op de heenreis naar Zuid-Frankrijk piekerde ik nog wat, maar eenmaal aangekomen sur le pont d’Avignon trok ik mijn conclusies. Als ik beweerde geen relatie te willen, moest ik ook niet lopen miepen.

Dus vanaf dat moment flirtte ik me een ongeluk. Leve het vrijgezellenbestaan, weg met de Woeste Wildebras. En zodra iemand toehapte, brieste ik weer: ‘Als je maar weet dat ik geen relatie wil!’.

Dat lot trof ook de Engelsman die ik tegenkwam bij een cursus vuurspuwen op de camping. Een maand lang deelden we een tentje, een maand lang verklaarde hij me de liefde, maar een maand lang stond ik hem enkel toe hand in hand te liggen in de slaapzak. Ik stelde alles in het werk om erger te voorkomen.

Gek genoeg hielden we van elkaar. Zul je altijd zien: besluit je geen relatie meer te willen, kom je iemand tegen van wie je houdt. Maar ik hield voet bij stuk. No sex. No relationship. It’s nothing but trouble. I’m sorry. Hij accepteerde dat.

We namen afscheid en spraken af elkaar eens te bezoeken. Dat was oprecht, gemeend, we waren goede vrienden geworden. Dat gold overigens voor veel festivalgangers. Die zomer ontmoette ik een hoop mensen die ik later nog eens heb teruggezien. Bijzonder.

Toen ik thuiskwam lag er een briefje van de Woeste Wildebras. ‘Ik ben gevallen met jouw fiets. Volgens de fietsenmaker is-ie niet meer te repareren. Sorry. Ik zie je na de vakantie.’ Geen liefs, geen kusjes. Geen fiets.

De schrik sloeg me om het hart. Ik was helemaal in mijn uppie. Geen Engelsman, geen Woeste Wildebras, niemand die van me hield mocht houden.

Ik zocht mijn heil bij een Goede Vriend en we belandden tussen de lakens. Onbedoeld en niet voor herhaling vatbaar. Maar toch: ik had mijn zin. Aandacht.

Kort daarna trad De Dijk op in het Vondelpark. Een nazomerzondag die ik doorbracht met de Goede Vriend in kwestie. We hadden het voorval niet uitgebreid besproken, dus er hing nog wat in de lucht, maar er was niets meer gebeurd.

Voor het verhaal zou het leuk zijn als ik nu kon zeggen dat Huub van der Lubbe ‘Ik heb een groot hart‘ zong, maar de kans is groot dat dat gelogen is. Edoch, het was toepasselijk geweest, want tijdens het concert stond ineens de Woeste Wildebras voor mijn neus. ‘Sorry voor je fiets.’ Hij groette mijn Goede Vriend, zonder dat hij wist dat er iets onbedoelds had plaatsgevonden en hij kuste mij als vanouds.

Ik was nog nauwelijks bekomen van het ongemak dat deze ontmoeting teweeg bracht, toen ik ineens hard opzij werd gedrukt door iemand die zich met een enorme rugzak door het publiek probeerde te wurmen. De Engelsman.

‘I’ve come to stay’, zei hij. Na Avignon was hij doorgereisd naar Spanje en onderweg had hij besloten dat hij bij mij wilde zijn. Dan maar geen relatie, als hij maar bij mij in de buurt was. En via via was hij erachter gekomen dat ik op dat moment in het Vondelpark uithing.

Na zijn relaas viel er een stilte. De Wildebras en de Goede Vriend fronsten hun wenkbrauwen en ik mompelde iets van ‘bier’ en kneep er tussenuit.

Het was bij Dora’s Blikkenbar dat ik me realiseerde dat ik, die geen relatie had, verzeild was geraakt in drie relaties. En dat alledrie de schema’s gedoemd waren om, zoals het een goed Exceldocument betaamt, volkomen vast te lopen.

Waarop ik nog maar een bier bestelde.
En nog maar een.
En nog maar een.

Na het nieuwe begin komt
het nieuwe ‘en verder’

Eerst is er het nieuwe begin, met grote toekomstdromen. En alles wat niet is, dat kan gelukkig nog komen. Dingen hoeven niet meteen, niet gelijk, niet nu, want een nieuw begin is al zwaar genoeg. Mensen vragen of het meevalt, of je blij bent en of het goed gaat.

Je geeft jezelf vrij van muizenissen, omdat je niet te veel mag verwachten van een gloednieuw begin. Je vraagt jezelf tijd, geduld en uithoudingsvermogen. Zonder haast, zonder houvast, zonder vaderland en zonder moedertaal. Je dwingt jezelf te focussen op wat je wilt, niet op wat je kunt, niet op wat je moet of op wat hard nodig is.

Op wat je wilt, daar gaat het om. Nu. Dà­t is het moment. Geen omweg, geen uitstel, geen vertraging. Geen reden om je te laten knevelen in het hier en nu. Geen hypotheek of hondenbaan, geen hobby’s of harde noten. Niemand die op je wacht, alles kan, niks moet, morgen weer een dag.

De handen vrij voor het hier en nu. Het lijkt zo mooi, maar wat als het fout gaat? Dan is het je eigen schuld. Dan heb je het aan jezelf te danken. Dan mag je je afvragen wat ervoor nodig is om te doen wat je wilt. Hoe vaak moet een mens opnieuw beginnen om daar te komen waar-ie wil zijn?

Je staat er niet bij stil, maar ineens is het over. Het begin. Voorbij. Niemand die nog vraagt hoe het je vergaat. Nergens die coulance van de eerste paar maanden. Zelfs in je eigen hoofd lijken stramienen te ontstaan die de suggestie wekken dat je ongemerkt opnieuw bent begonnen. Je hebt geen flauw idee waaraan.

Was dat wat je wilde? Je vraagt het je af. De neiging is groot om op de rem te gaan staan en te roepen: ‘Hela! Mag ik nog éven opnieuw beginnen? Ik begreep het allemaal nog niet zo goed, maar nu wel hoor. Nu wel.’ Maar dat kan niet. Je hebt je kans gehad.

Dus je zult je moeten vermannen. Redden wat er te redden valt. De losse eindjes oprapen die leiden naar waar je wilt wezen. De andere losse eindjes laten liggen in de hoop dat ze afsterven. Je begint immers niet met je eindpunt en ook omwegen leiden soms naar prachtig uitzicht.

En dan bedenk je dà t wat je rustig maakt. Waardoor je weet dat nog niks verloren is. Je kunt nog winnen. De volle mep. Je kunt nog alles worden wat je wilt. Want na het nieuwe begin komt het nieuwe ‘en verder’.

Besefte me later pas [Sic!]

Ik denk dat we blij mogen zijn dat de rest van Europa geen Nederlands verstaat. Nu maar hopen dat de Belgen niet zullen verklappen dat er een taalfout in ons Eurovisieliedje staat.

Update: Reageur Janneke was veel alerter dan ik en wees me op de zin ervoor – die is nog véél erger! Hou je vast:
‘dat heb ik me vergist’
Mensen, mensen, mensen, waar moet dit heen?

Weer een dag

Soms vraag ik me af of het liedje zo bedoeld is. Als wekker. Want als het niet zo bedoeld is, dan is het toevalligerwijs wel de beste wekker denkbaar. Zomaar, onbedoeld.

Het liedje is de wektune op het mobieltje van Yuri. Al een maand of vier. Vandaar.

En hoewel elk liedje waarmee je wakker wordt, gedoemd is uiteindelijk uitgekotst te worden – zo ook dit – denk ik niet dat er een betere eerste zin te vinden is om mee wakker te worden. Door dit nummer sta ik elke dag op met ‘Weer een dag!’, in plaats van met het oude ‘Shit, ik wil doorslapen…’. Met dank aan Buckshot Lefonque.

Het hele liedje vindt u hier, onder voorwaarde dat u goed op de eerste zin let.

Huppeldepup

Dat zeggen ze hier niet.
Gemiste kans.

Hoe het anders is – de bus
en de uitverkoop

The devil is in the details, zeggen ze. En dat klopt. Mijn beleving van het leven is in wezen niet veel veranderd in het half jaar dat ik over de grens woon: ik werk, ik heb lief, ik heb te weinig tijd voor al mijn hobby’s en ik doe mijn best mijn vrienden niet al te veel te verwaarlozen. Tot zover niets bijzonders. Maar ongemerkt maakt mijn hele systeem van futiliteiten een fikse ommezwaai. Zo wist ik onlangs het woord ‘plattegrond’ niet meer. En zo zit ik op de fiets alleen nog maar te hopen dat we niet naar beneden gaan, want dan moet ik op de terugweg weer omhoog. Kleine zaken, maar alles bij elkaar maken die het verschil.

De vorige keer ging het over de post en de politie. Vandaag: de bus en de uitverkoop.

De bus

De bus maakt deel uit van het openbaar vervoer. En het openbaar vervoer in België is.. uh… ja… wat je noemt: een ondergeschoven kindje. In België heeft men een auto. Behalve ik.

Maar goed, de bus. Ze bedoelen het goed hoor, dat wel. Ze maken mooie, grote, winderige busstations met actuele businformatie op elektronische schermen. Vertragingen verschijnen tijdig op het scherm en langs de route zijn de bushokjes meestal schoon én heel. Maar toch gaat het allemaal niet van harte.

Zo zijn er per definitie op vrijwel elke lijn te weinig bussen. Als er één bus per kwartier gaat, is het veel. Wij kunnen hier twee bussen per kwartier nemen, dat is echt waanzinnig veel.

Maar de bussen komen vaak te vroeg of te laat. En als je niet oppast, beland je soms, zomaar, ineens, in de bussengarage. Alsof ze bij De Lijn (zo heet de busmaatschappij) niets liever willen dan die elektronische vertragingsborden vullen met glimmende led-lampjes.

En de Vlaamse bussen zijn klein. Je moet vaak staan. Heel vaak. Terwijl ik ook in lange bussen heb gezeten hoor. In mijn eentje.
Iets in mij zegt me dat de materiaalplanner van De Lijn enige bijscholing nodig heeft.

Qua betaling kunnen ze het hier natuurlijk niet slechter doen dan in Nederland, maar ze komen in de buurt. Waar we in Nederland het onbegrijpelijke systeem van 2 zones = 3 strippen hebben, grossieren ze hier in kleine onwetmatigheden.

De Belgische strippenkaart is een soort parkeergaragekaart (een Lijnkaart) waarop elke keer in kleine priegellettertjes krediet wordt afgeschreven. Dat gebeurt door de kaart voorin bij de chauffeur in een stempelmachine te stoppen die de kaart na wat geratel weer uitspuigt.

Maar daar komt het eerste struikelblok: soms moet je dat zelf doen en soms moet je de kaart aan de buschauffeur geven. Dat laatste gebeurt volgens mij vaak als je met zijn tweeën op één kaart wilt. Dan stopt hij hem er twee keer voor je in – wat ik trouwens ook onlogisch vind: twee keer die kaart erin steken. Kan die stempelmachine niet gewoon x2 ratelen? – Hoe dan ook, het brengt mij elke keer in grote vertwijfeling: moet ik zelf dat kaartje in die gleuf doen of doet hij het voor me?

En dan het tweede punt van verbazing: toen ik laatst vier mensen wilde meenemen op mijn Lijnkaart mócht dat niet. Dus twee van de vier moesten een eigen lijnkaart kopen. Maar de keer erna mocht het ineens weer wel. Kijk, dat bedoel ik met ‘het gaat niet van harte’.

Iets zegt mij dat het openbaar vervoer hier nog in de kinderschoenen staat. Dat het alleen maar beter kan worden. Misschien omdat de bus hier tot voor kort goedkoper was dan in Nederland, wat ik enorm ouderwets vind. Of misschien omdat ze vorig jaar ineens Lijnkaarten in de voorverkoop hadden. Iemand was op het lumineuze idee gekomen Lijnkaarten in krantenwinkels en supermarkten te verkopen met twintig procent korting, zodat de bussen sneller door kunnen rijden. Ik kan mij niet herinneren dat er in Nederland ooit geen goedkope voorverkoop was.

Maar misschien is mijn gevoel dat het alleen maar beter kan worden, misplaatst. Want de bus werd vorig jaar net zo duur als in Nederland en 99 procent van de mensen die ik hier ken, heeft nou eenmaal een auto.

Later meer over het openbaar vervoer (de trein), maar nu eerst:

De uitverkoop

De uitverkoop is juist weer een toonbeeld van regels en wetmatigheden. Hoe het in Nederland precies zit, weet ik niet, maar dat het minder rigide is dan hier, staat vast.

De uitverkoop heet hier de solden of de koopjes en vindt op gezette tijden plaats (lees: op wettelijk vastgelegde tijden). Buiten de voor iedereen geldende soldentijd mogen winkeliers hun producten niet onder de inkoopprijs verkopen en in de periode voor de uitverkoop mogen er helemaal geen prijzen verlaagd worden. Er zitten vermoedelijk meer haken en ogen aan de soldenwet, maar dit is wat ik er globaal van begrijp.

Buiten de soldenperiode zijn kleren en schoenen duur. Duurder dan in Nederland, of nee, duurder dan in Amsterdam. Bijna altijd. Overal. In elke winkel. Of dat aan die wet ligt, is de vraag, maar de kans is groot.

Ik ben arm. Dus ik verfoei de soldenwet. Als ik niet meer in mijn broek pas, wil ik naar de eerste de beste broekenwinkel met uitverkoop. Nu moet ik wachten. Tot juli of januari. Of naar Nederland.

Volgens mij is het slecht voor de concurrentie, die prijsafspraken. Maar ja, dat is het hele eieren eten: ze willen kennelijk helemaal geen concurrentie. En dat neem ik ze kwalijk. Zeer.

Dus dat van die koopjes: daar ben ik niet zo over te spreken. Dat moge duidelijk zijn. En dat van die bus ook niet zo. Maar er is meer.
Volgende keer de huizen en de dokter.

De enige manier om
Jezus C. te overleven

Sinds drie dagen ben ik de volgende, Martin.
Net op het nippertje.
Tenminste, zo voelt het.
Want vandaag ben ik jarig.
33.

Zezunja’s catalogus is
nog niet helemaal af

Zezunja wil meedoen
met Wie is de mol?

Ik moet, ik moet, ik MOET beroemd worden!

——————————————————-

Toelichting n.a.v. meermaals geconstateerd misverstand:
In Nederland moet je al beroemd zijn om mee te mogen doen met Wie is de mol? Dus dat u niet denkt dat ik beroemd wil worden door mee te doen. Daar zijn betere manieren voor, dunkt me.

The days of me forgetting are over

Yuri: ‘Mayonnaise of my own ass.’
Zezunja: ‘Huh…? Wat…? Komt die ook weer uit Pulp Fiction?’
Yuri: ‘Nee, die heb je van de week zelf bedacht.’
Zezunja: ‘O… ja.’

Nieuw repertoire: tik-tik

Het ergste dat iemand vroeger tegen mij kon zeggen was dat ik niet technisch ben. Ja, als het zeer weloverwogen na een urendurend debat geconcludeerd werd, dan kon ik het wel hebben, maar bij mij ging het meestal terloops. ‘O, Zezunja, neuh, die is niet technisch. Die kan goed leren.’ Vreselijk vond ik dat.

En okee, toegegeven, ik ben niet overdreven technisch. Zo was ik lang bang voor gas en heb ik een aangeboren argwaan tegen boormachines en elektriciteit. Maar ik red mijzelf op technisch gebied en ik draai mijn hand niet om voor ingewikkelde Windowsinstallaties en ander knopjeswerk. Jarenlang was ik de vent in huis. Ik stelde de video in, schroefde de dvd-speler open en verbond de minidisc aan de computer. En hoewel ik dat vroeger nog niet kon weten, voelde ik het al wel: ik ben wél technisch. Heus wel.

De eerste keer dat ik ontdekte dat ik wel technisch ben – ik was een jaar of veertien – was toen ik eigenhandig een versterker uit elkaar had geschroefd. Alleen al het schroeven zelf en het onthouden welke schroeven waar hoorden, vond ik een ware proeve van bekwaamheid. Maar het feit dat het apparaat het naderhand weer in volle glorie deed, gaf de doorslag. Ik ben echt wel technisch, stelde ik vast.

De volgende mijlpaal deed zich voor toen ik de hand wist te leggen op een busje contactspray. Mijn stapel tweedehandsapparatuur klonk weer als nieuw en ik was op afspraak te boeken voor eender welke reparatie. Mede door de contactspray groeide mijn knopjesego tot ongeziene proporties.

En toen ik die twee combineerde, contactspray én open en weer dichtschroeven, was the sky the limit. Niets kon mij nog van de wijs brengen. Ik vond mijzelf toen verdomd technisch.

Maar okee, je moet het lot niet tarten. Dus toen het agelopen half jaar drie dvd-spelers de geest gaven, was de magie uitgewerkt. Ik kon net zolang schroeven tot alle schroeven een keer op het vloerkleed hadden gelegen – de contactspray was allang op – maar het mocht niet baten.
Drie dvd-spelers, die ik als hoofd van de afdeling knopjes niet kon redden. Zucht. Er kwamen langzaam scheurtjes in mijn knopjesego.

En dan was er nog het telefoondebacle. Om een lang verhaal kort te houden: mijn speakertje heeft het binnen een half jaar begeven, waarschijnlijk na een val, en ik ben het garantiebewijs kwijt. Reparatie kost me 150 euro. En aangezien telefoontjes te petieterig zijn voor mijn Noord-Hollandse kleihanden, heb ik mij aan openschroeven en volspuiten niet gewaagd. Ik word heel zenuwachtig van kleine dingen.

Zodoende was van mijn knopjesego nog weinig over, en dat zinde me niet. Ik sloeg aan het brainstormen.
Yuri‘, zei ik.
‘Ja’, zei Yuri.
‘Als het nou zo is dat het geluid weg is, sinds ik ‘m heb laten vallen, zou ik ‘m dan niet gewoon nóg een keer moeten laten vallen om het weer goed te ‘butsen’?’
Yuri keek me wat schaapachtig aan. ‘Dat lijkt me niet zo’n goed idee.’

En hij had natuurlijk gelijk. Het kon alleen maar erger worden. De kans dat precies het juiste contactje op zijn plaats zou butsen, zonder dat een van de andere contactjes van hun plaats zouden butsen, was nihil.

Ik liet het idee rusten en probeerde onderwijl mijn verloren e-mail terug te vinden in de hoop dat ik het telefoontje alsnog met garantie kon laten maken. Maar toen gisteravond mijn reservetelefoon het voorgoed begaf en ik vaststelde dat de e-mail van de eerste helft van 2006 in het cyberse vastzat, kwam ik tot de slotsom dat het nu of nooit was. Ik ging dat telefoontje nu maken of anders… ja anders was ik geen knip voor mijn neus waard als hoofd van de afdeling knopjes.

Ik pakte mijn telefoon, laadde ‘m op en nam hem zelfverzekerd ter hand. Vervolgens tikte ik ‘m met enige kracht, als bij een onwillig eitje, tegen de rand van het tafelblad. Tik-tik.
Daarna belde ik mijn voicemail en ik hoorde een Vlaamse mevrouw zeggen: ‘U heeft één nieuw bericht.’ Ik hoorde die mevrouw dat zeggen. Ik had geluid. Mijn speakertje!

Dus bij deze wil ik u feestelijk mededelen dat er een vierde specialisme op het menu staat. Naast het befaamde openschroeven, de altijd effectieve contactspray en de niet te versmaden combinatie van die twee, kunt u mij nu ook bellen voor een ferme tik-tik.
Maar ik ben wel nie goekoop.