Archief in maanden: maart 2007

Mijn lief vraagt uw hand

Mijn lief vraagt uw hand. De mijne heeft-ie natuurlijk al; wij zijn dan ook al twintig keer getrouwd, waarvan één keer onder de douche.

U mag hem natuurlijk het telefoonummer van uw vader doorgeven, maar ik waarschuw u alvast, hij is is soms wat verlegen, dus of dat goed afloopt, is de vraag. Beter kunt u hem gewoon een foto van de rug en de palm sturen. Uw persoonlijkheid, uw toekomst en uw (on-)hebbelijkheden zullen niet langer een raadsel zijn.

Klik door naar Maanzand en laat u fileren.

Zoek de Sjeik
of: hoe ik mijn belastingformulier invulde

Er zijn maar weinig klusjes voor mijn werk waar ik géén computer bij nodig heb, dus toen ik gisteren vond dat ik onze tuin maar eens moest inwijden, qua lente en 2007, moest ik iets bedenken dat ik buiten kon doen zonder dat ik zou gaan zitten lanterfanten. Het is al moeilijk genoeg om in je uppie dag in dag uit discipline te tonen en elke dag ongeveer acht uur te werken, dus om nou bij elke zonnestraal gelijk de boel de boel te laten, dat leek me geen goed plan.

Al peinzend over een zinnige tijdsbesteding botste ik op mijn Nederlandse belastingformulieren. Damn, dacht ik, het is al zowat 1 april. Gelukkig bleek je als emigrant sowieso uitstel te krijgen en toen ik een en ander eens nader bestudeerde, begreep ik dondersgoed waarom. Tweeënzestig fokking pagina’s invulwerk. O hel! Niks digitaals bij zo’n emigranten/immigrantenforumulier, dus de gegevens van het jaar daarvoor probleemloos overnemen was er niet bij. Daarbij heb ik vorig jaar een huis verkocht, dus er kwamen nogal wat paperassen aan te pas. En bij de belastingdienst zijn ze zo listig geweest om elke pagina maar één keer te nummeren, hoewel beide kanten ingevuld moeten worden. Dus die 31 lousy pagina’s zijn een grote dikke leugen.

Maar goed, de zon scheen, ik had een onverwoestbaar humeur, ’s ochtends had ik al redelijk veel werk verzet en ik zat boordevol energie.

Evenals de katten. Die zaten ook vol energie. En daar wil ik naartoe met dit stukje. Want volgens Irene van Serendips zijn 27 en 28 maart Katten In Weblogs-dagen en omdat ik een poezenlog heb (voor wie het nog niet wist, kijk maar) kan ik natuurlijk niet achterblijven.

Verder met gisteren: hoewel ik een heel eind kwam met mijn belastingformulieren, bleven ze me afleiden, die k**katten.
Zo had ik op een zeker moment een mevrouw van de belastingtelefoon aan de lijn, met wie ik een waanzinnig surrealistisch gesprek voerde.

Z: Ik begrijp vraag 19 niet, want ik had nog geen onderneming in 2006, dus vul ik Nee in, maar dan moet ik die vraag volgens het biljet toch invullen.
MW: Maar die vraag is niet op u van toepassing.
Z: Precies! Dat zeg ik.
MW: Die vraag mag u overslaan.
Z: Nou, dat zegt u wel, maar als ik Nee invul op de vraag of ik een onderneming had, staat er: vul vraag 19 in.
MW: Dat hoeft niet.
Z: Maar waarom staat dat er dan?
MW: U leest het verkeerd.
Z: Ik lees (bladiebladiebladieblaenzovoortetcetera).
MW: Ja, dat staat er wel, maar u leest het verkeerd.
Z: Maar wat lees ik dan verkeerd?
MW: Nou gewoon, dat u die vraag niet hoeft in te vullen!
Z: Maar er staat: vul vraag 19 in, hoe kan ik dat in hemelsnaam verkeerd lezen?
MW: Die vraag is niet op u van toepassing.
Z: Goed, ik ben dus weer eens veel te gedwee.
MW: Wat zegt u?
Z: Laat maar. Vriendelijk bedankt.

Nu vraagt u zich natuurlijk af wat dit met katten te maken heeft. Welnu, toen ik klaar was met telefoneren bleek dat kleine Sjeik mijn beker melk in zijn geheel had leeggedronken. En aangezien ik wel eens vergeet dat je Sjeik in de smiezen moet houden, had hij zijn kans schoon gezien en was hij ook maar gelijk begonnen aan het verorberen van de leveringsakte van de verkoop van mijn huis. Sjeik eet namelijk graag papier.

Niet veel later zat ik met J aan de telefoon (ja, heus, ik was nog steeds aan het werk, hoewel dat misschien niet zo klinkt) en toen zag ik Sjeik ineens in onze Zuid-Franse muur verdwijnen. Nou is onze Zuid-Franse muur niet zomaar een muur, maar een muur met een berg erachter. Met andere woorden: Sjeik verdween naar een plaats waarvan ik in de illusie verkeerde dat het daar massief was. Niet dus.

Ik kneep mijn billen samen en zei: ‘Wacht even J, Sjeik verdwijnt in de muur en ik ben bang dat-ie daar nooit en te nimmer meer uitkomt.’ Ik tuurde in het gat en zag alleen maar wat ik al verwachtte: een zwart, donker, veel te klein gat. Een gat waarvan ik vermoedde dat hij daar letterlijk zijn kont niet kon keren en ik wist niet of Sjeik in al zijn jeugdigheid al in staat was achteruit naar beneden te lopen.

‘Nog even wachten hoor J, want ik kan me niet concentreren op dit gesprek als ik met samengeknepen billen zit.’

J had gelukkig alle tijd en samen wachtten we op Sjeik. Na een tijdje vond Sjeik het mooi geweest en knipperend van het zonlicht stak hij zijn hoofdje weer naarbuiten. Kennelijk kon hij dus wel keren, wat te denken geeft over de stabiliteit van de berg, die toch een deel van het centrum van Leuven moet dragen. En over de stabiliteit van onze Zuid-Franse muur. Maar goed, we hopen er het beste van.

Om terug te komen op de kop van dit stukje en op mijn belofte dat het echt over katten zou gaan vandaag: Zoek de Sjeik.
Klik op de foto bovenaan in dit stukje en bestudeer het zoekplaatje goed. Er staat namelijk behalve de Zuid-Franse muur, mijn paperassen die nodig waren bij het invullen van het belastingformulier en de magnolia op de berg, ook nog een poesje op.

Eerlijk zullen we alles delen

Ik lees wel eens iets moois. Iets treffends. Iets ontroerends. Iets eervols. Iets memorabels. En welopgevoed als ik ben: eerlijk zullen we alles delen.

Dus daar gaan we.

Soes plaatste vandaag een tekst van Willem Wilmink die mij, hopla, minstens 25 jaar terug in de tijd wierp. Nickelodeon en Villa Achterwerk bestonden nog niet, cd’s waren nog gewoon langspeelplaten en mijn helden waren Dikkertje Dap en JJ de Bom Voorheen De Kindervriend. Dus zat ik elke zondagochtend luid mee te jengelen met de koptelefoon op mijn hoofd, tot groot verdriet van mijn ouders die graag wilden uitslapen. Op één van de platen die ik vaak draaide, stond het liedje Grammatica, waarvan de tekst nu op Soes’ website staat.
Minstens 25 jaar geleden; mijn god, wat een sentimental journey
Klik door naar het stukje bij Soes.

Quote Sargasso: “Maar een nadere bestudering van al deze kamervragen laat zien dat 73% van de kamervragen gesteld zijn naar aanleiding van een publicatie in de traditionele media. Het gebruiken van de media is natuurlijk geen ramp. Maar als de ruime meerderheid van de kamervragen daardoor bepaald wordt, is het slimmer om journalisten wat extra te betalen om in de Tweede Kamer te zitten.”
Need I say more?
Klik door naar het hele artikel bij Sargasso.

De website Geekologie volg ik met grote graagte. Niet alleen de maffe gadgets die m’neer Geekologie op zijn site plaatst, vind ik vaak ultrasupermegacool (op de een of andere manier weet ik zeker dat m’neer Geekologie een m’neer is). Ook de tekstjes die hij erbij schrijft, zetten mij vaak aan tot hardop brullen dan wel piesen in string. Een voorbeeld van zo’n tekstje vind je hier. Maar vandaag moest ik hier erg hard om lachen. Vooral dat I’m pretty sure they’re breaking one or two laws of physics.
Klik en bekijk de hele site van m’neer Geekologie.

Ik schreef al eens Martin Bril for president. En aangezien nog steeds voor een republiek ben, blijft dat punt overeind. Maar het zou wel heel verschrikkelijk zijn als Martin geen stukjes meer zou schrijven wegens verplichtingen elders. Zo las ik van de week het stukje Huishoudelijke Zaken en ik genoot tot in mijn tenen. Die zinnetjes. Dat ritme (‘Hadden we jarenlang’ – zucht, zo mooi geplaatst). De herkenning. Ook wij hebben een vuilnisbak die stinkt doordat-ie gauw te vol zit en waar je de zak nooit uitkrijgt omdat-ie (ik herhaal) vaak te vol zit. Maar we hebben dat eveneens met een kapstok die niet functioneert, nooit zal functioneren en die we toch niet wegdoen. Kijk, dát zijn pas stukjes. Daar kan ik nog wat van leren.
Klik en lees het stukje Huishoudelijke Zaken of bekijk de hele site.

Karin is altijd vaag. Ze schrijft met ‘ze’ in plaats van ‘ik’, waardoor je nooit weet of de stukjes die ze schrijft over haarzelf gaan. Reageren wordt dan lastig, ik heb me al eens vergist door ’sterkte’ te schrijven in haar reactiedinges, zonder dat ik zeker wist dat het over haar ging. Stukjes met ‘ze’ scheppen afstand. Stukjes met ‘ze’ vergen een omweg. Ik ben meer van bam. Van midden in het gezicht. Van direct, hup, zonder omweg. Ik zit mensen graag op de huid, dus doorgaans hou ik niet van stukjes met ‘ze’. Maar ik hou wel van Karin. En van haar stukjes. En van het feit dat ook zij leuke Vlaamse mannen eindeloos ver laat rijden.
Klik door en lees het stukje waaruit dat blijkt. Of lees alles van Karin.

Een van mijn laatste ontdekkingen is Als Ik Er Ben Dan Bel Ik. Een paar maanden geleden klikte ik argeloos door, ik meen vanaf het weblog van deze m’neer, en yes! Eindelijk weer een voor mij onbekend weblog waar pareltjes te vinden zijn. Bij dit stukje kreeg ik kippenvel. En bij dit stukje ook. En bij dit. En toen ik zag dat de-m’neer-die-
als-ie-er-is-zal-bellen mij linkte was ik danig in mijn nopjes. Ik ben fan.
Klik door en volg dit weblog.

Tot slot: ik ben het hartgrondig eens over De Wouter Tapes met Pluk De Nacht, een weblog dat ik ook graag lees. Ik ben heel benieuwd hoe het met Gin van The Vault gaat, die ik ook op de voet volg. Ik vind het heel tof dat de dames ‘Nie en ‘Lie een Aanmoedigingsbloggie hebben gehad en ik zou zielsgraag willen dat Aagje in het verre New York wat meer van zich zou laten horen, al was het maar omdat ik dan vaker naar haar kan linken.
Update: Wat ik nog vergeten was te zeggen: het is fijn om elke dag iets over boeken te lezen. Kom daar maar eens om.

Zo. Durf nu nog maar eens te zeggen dat linkdumps gemakzuchtig zijn.

Poep in mijn hoofd

Ik wilde een stukje schrijven, maar dat is lastig met het liedje dat ik in mijn hoofd heb.
Probeer maar eens een mooi en meeslepend stukje te schrijven als er voortdurend een stemmetje in je hoofd zingt:

Zal ik jou eens even lekker in je bek schijten
Of heb je al poep, poep in je hoofd.

En ja, bij mij is het een stemmetje. Heus. Hoewel het volgens de huisarts van Bob Fosko vast geen stemmetje genoemd mag worden.
Maar goed, u begrijpt: dat stukje moet dus even wachten tot ik weer gewoon iets uit The Sound of Music in mijn hoofd heb.

Ter illustratie: het liedje is heel tijdelijk hier te vinden.

Zwievèr Zwievèl

Aan het einde van het dagelijkse uurtje etiketten lezen aan de lunchtafel vond ik deze de mooiste.

‘Zuiver Zuivel de qualité Demeter est le résultat délicieux et sain d’un cycle fermé au maximum.’

Over de man met wie ik nooit
in New York ben geweest

Ik sprak laatst iemand die dacht dat ik in New York was geweest.
Waar een ander al moeite heeft om op een visitekaartjesborrel het gesprek op gang te houden, krijg ik het voor elkaar om mensen te laten geloven dat ik in New York ben geweest. En dat dan onbedoeld. Dus dat u niet denkt: wat een uitslover zeg, want hee, ik kon er niks aan doen.

Het kwam gewoon zo. Ik zit heus niet te schichtig om me heen te kijken tot ik denk: ja, NU kan ik het zeggen! En dat ik dan doodleuk zeg dat ik in New York ben geweest, als u dat soms denkt. Zo ben ik echt niet.

Nee, op de een of andere manier kwam er een punt in het gesprek waarop ik dacht: verrek, hij denkt dat ik New York ben geweest. Ik vond het een leuke gedachte, proefde het idee voor een ogenblik. Ja, New York, ja, leuk. Maar ik raakte ook in paniek. Shit! Wat nou als hij ook in New York is geweest? En als hij vraagt waar ik logeerde?

Ja, New York, ja, leuk, werd: nee, New York, nooit geweest. Maar ik durfde het niet te zeggen. Hij ging maar door over de Hudson, over Brooklyn, over Manhattan, over het gemakkelijke stratenplan en over de hoeveelheid verkeer. Ik kromde mijn tenen in mijn hooggehakte schoenen en liep even weg om mijn champagneglas neer te zetten. Ik overwoog een oester te nemen om het gesprek te keren, maar dat is het verhaal van de uzi en de mug, want wat is erger in visitekaartjesgezelschap: al slurpend een oester eten, of dat men denkt dat je in New York geweest bent? P’cies.

Dus de man dacht dat ik in New York geweest was en ik liet het zo.
‘New York heeft zo’n apart ritme’, zei hij.
‘Ja’, zei ik, ‘alle steden hebben een eigen ritme.’
‘Ja, maar New York heeft echt een eigen eigen ritme’, zei hij.
‘Ja’, zei ik.
Boem. Dood.

Maar de man hield vol.
‘Een vriend van mij zegt altijd dat hij zo rustig wordt van New York.’
‘O. Ja’, zei ik. ‘Dat kan ik me wel voorstellen.’ Ik dacht aan Ghostbusters.
‘Ja’, zei hij, ‘het schijnt erg makkelijk te zijn in het ritme van de stad mee te gaan.’

Schijnt. Te zijn. Ha! Hij was ook nooit in New York geweest! Vandaar dat hij die vriend erbij haalde.

Ik keek vol overmoed naar de schaal met oesters, overwoog éven om hem te vragen waar hij gelogeerd had in New York, maar realiseerde me toen dat dit dus eigenlijk een heel sneu gesprek was geweest. Ons gesprek was een gesprek van twee sneuërds.

Op zijn visistekaartje schreef ik toen ik thuiskwam: de man met wie ik nooit in New York ben geweest.
Want zo was het.

Nog wat kleine Sjeik


Om de herinnering levend te houden. Zie ook dit.

Sjeik doet het verdomme toch, hij groeit!

Om de herinnering levend te houden, nog wat kleine Sjeik.
Zie ook dit – is – een – poezenlog.
En de eerste dag van Sjeik.

Allegaartje (1)

Dingen die ik zaterdag cadeau kreeg.
* een boek met foto’s van Amsterdam vanuit de lucht
* de cd The Early Years van Roxy Music
* een plectrum

Gewoon wat zinnen die ik de laatste tijd schreef.
* ‘Ik ben veel, maar niet eng.’
* ‘En jij bent ook een speurneus, want ik ben inderdaad Zezunja.’
* ‘Let maar op, ik word nog wel eens een held.’

Dingen waarover ik me onlangs verbaasde.
* Amsterdam, en hoe snel je vergeet hoe het daar is
* hoe makkelijk het is om met Keynote een presentatie te maken en hoe snel ik InDesign en beetje begreep
* hoe fanatiek mijn vrienden zijn als ze quizen

De beste muziek om het Wii-racespel Excite Truck op te spelen.
* System of a Down
* Fatboy Slim
* Queens of the Stone Age

Dingen die ik de afgelopen week aanschafte.
* 200 knikkers (yoghurtjes en van die paarlemoeren)
* 15 opschrijf- en wegveegbordjes
* Amy Winehouse, de Kaiser Chiefs en Antony and the Johnsons, om weg te geven

Dingen waar ik ook nog aan moest denken.
* dat ik misschien wel niet naar Lowlands ga
* dat ik vanavond naar We feed the world ga en dat dat vrijwel zeker het laatste zetje is dat ik nodig heb om de Delhaize voorgoed te verruilen voor de natuurvoedingswinkel hier om de hoek
* dat de meester zich toont in de beperking en dat ik al heel aardig in staat blijk op de vierkante centimeter een gelukkig leven te leiden

Dingen waarvan ik sinds kort weet: die moet je niet doen.
* goedkope vaatwastabletten kopen
* de diepgewortelde wens een Makrokaart te bezitten eindelijk in vervulling zien gaan, terwijl je auto noch rijbewijs hebt
* vage stukjes op internet zwieren

Dingen die ik dit jaar nog wil doen.
* een feestje geven met tentjes in de tuin
* de een en de ander-mokken maken
* een mega-opdracht binnenslepen

Dingen die lekkerder zijn bij de natuurvoedingswinkel.
* vanillevla
* courgettes
* jam

Dingen die ik deze week leerde en die ik nog niet wist.
* van alles over Elsschot
* dat er ooit een voetbalwedstrijd eindigde in 149-0
* dat de ene tulpstekker de ander niet is

Dingen die ik me ook nog afvroeg.
* hoe het toch kan dat maar 2 procent van mijn vrienden mijn weblog leest
* of ik naar The Police wil
* waarom ik nooit eerder venkel heb klaargemaakt

Nog meer dingen die je niet moet doen.
* je telefoon opladen in een stekkerbak die uitstaat
* vervelende klusjes uitstellen als je zeker weet dat ze toch moeten gebeuren
* te veel paaseitjes achter elkaar eten

Dingen die me verder nog verbaasden.
* dat ik niet naar de dokter kon, omdat die ziek was, en de loop waar de dokter en ik toen in belandden
* dat er plannen zijn om de intercity Brussel-Amsterdam af te schaffen
* dat ik een sollicitatiebrief van iemand ontving die mij uit de Gouden Gids had geplukt en die bij mij wilde werken

Dingen die ik van plan ben.
* de volgende uitzending van De Wouter Tapes ook bekijken
* meer foto’s en tekeningen op mijn weblog plaatsen
* besluiten dat het lente is

Dit is een stukje in het kader van de beloofde gemakzucht.

Ook belangrijk

Vandaag bij Oogsnoep.

Aan de war

Goed, allereerst mijn excuses. Ik ben niet vaak in de war, maar vrijdag was ik in, op, over, én onder de war. Ik was bedolven met de war, verdwaald achter de war, ik was geraakt door de war en ik was ervan overtuigd: de war is coming to get me.
En dat deed hij (de war is vast mannelijk, dat moet wel).

Maar wat een goede nacht slapen al niet kan doen. En een fijn feestje. Lieve woorden. Lekker eten. Mijn ouders.
Er was geen war te zien. Laconiek, zei iemand. En dat is het. Als de war in geen velden of wegen te bekennen is, ben ik weer gewoon mijn oude laconieke zelf. En zo hoort het.

Vandaar mijn excuses. Ik had u natuurlijk niet zo moeten laten schrikken. Ik had óf niks moeten zeggen, óf alles. Ik had niet in een waas van abstractie moeten bedelen om aandacht, zonder een klein tipje van de war te ontsluieren. Dat is niet eerlijk.

Oké dan. Wat ik u wel wil vertellen: het gaat om een diagnose. Het is iets zeldzaams, iets waarvan men niet weet waar het vandaan komt en waarvan men evenmin weet waar het naartoe gaat (het ziekteverloop). Iets waarvoor men geen behandeling kent, en waarvan zelfs vaak niet duidelijk is hoe je de symptomen een beetje kunt onderdrukken. Het is iets heel pijnlijks, iets dat je vrijwel permanent voelt en dat grote invloed kan hebben op je leven. De kans bestaat dat je allerlei dingen voor korte of lange tijd niet kunt doen. Het is iets wat tot nu toe te weinig voorkwam om goede onderzoeken voort te brengen, maar ook iets wat wel steeds vaker de kop opsteekt.

En dan nu het goede nieuws: je gaat er niet aan dood. De verhoogde kans op kanker die ik erdoor heb buiten beschouwing gelaten, want als antitalent in stoppen-met-roken ben ik aan dat idee wel gewend. Maar verder is het dus niet fataal. Kijk, dat is een opsteker.
Ander goed nieuws: er zijn gevallen bekend van mensen die gebaat waren bij de huidige pogingen tot symptoombestrijding. Als je die aanpak vaak genoeg herhaalt, kun je als je geluk hebt toch nog een probeemloos leven leiden. Ik meld me dus bij deze aan voor de goede kant van de statistiek, dat moge duidelijk zijn.

Tot slot: als iets me echt diep raakt dan hoort u het doorgaans niet, of pas als het leed geleden is, zie verder het verhaal van dat snorretje. Maar vrijdag was ik in de war. En toen hoopte ik u te kunnen gebruiken om langs de war te komen. En dat lukte. Met behulp van uw lieve woorden en mijn laconieke oude ik.
Ik ben weer uit de war.

Ziet u die ziel onder mijn arm?

Lieve woorden heb ik nodig. Heel veel.
Het is absoluut niet fataal, het is (nog) niet onverdragelijk. Maar het doet pijn, en het is chronisch en dus ongeneeslijk.
Ik vertel liever niet wat het is, want het is nogal intiem. Maar het is kut en ik heb het.

Nu eerst naar Amsterdam, mijn afscheidsetentje vieren. Negen maanden te laat.
En hopen op lieve woorden. Heel hard hopen.

Unidentifid Flying Flemish (3)

blèten = huilen

vapeurkes = opvliegers

tiret = rits

fonetisch: pà­zja = pyjama

dampkap = afzuigkap

om ter… (snelst, grootst, hardst) = om het… (snelst, grootst, hardst/m.a.w. wie het grootst kan/is)

je regels/maandstonden hebben = ongesteld zijn

dagdagelijks = dagelijks

trapladder = ladder

geef er een lap op= zet ‘m op

Zie ook de parade van mooie Vlaamse woorden in Unidentified Flying Flemish (1) en Unidentified Flying Flemish (2)

Zijdelings

“Dan moet je dat deuntje van Abba er even zelf bijdenken.”
“Omdat ik niet weet welke connotatie welk woord heeft, durf ik nooit te zoenen in het Frans, voor je het weet draai je iemand een tong.”
“Waarom denk je bij mij eigenlijk gelijk aan tuf?”
“Grotjes, Zezunja”
“Ik legde net die jongen van dat onderzoek neer.”
“Jij mag rubber, dan neem ik poep.”
“Ik integreer me rot.”
“De groezeligste is meestal van mij.”
“Sjeik is net John Travolta.”
“Die wijvenwereld, jongen…”
“Niemand ziet, niemand ziet dat ik Repelsteeltje schiet.”
“Vieze vuile plantendingeser.”
“Ik heb nog nooit een grasmaaier gemold.”
“Anders ga ik al skippyballend door InDesign en daar ben ik niet goed genoeg voor.”
“Dit haar is altijd zo Bananarama.”
“Oe, ik beam je wat groenemannetjesdoders.”
“Omdat ik laatst dacht dat ik een stuk koortslip van jou in mijn mond had.”
“Het is dan ook een draaiboek en geen draaivodje.”
“Kan ik het lokaal vinden vanmiddag? Staan er bordjes, wegwijzers of is er een TomTom?”
“Ja, als het om werk gaat kun je het beste blijk geven van palingschap in een emmer snot, of iets dergelijks.”

Het meisje met zonder snor

Het gebeurde regelmatig. Dan stond ik mijn fiets vast te zetten bij de bakker en dan reed er een jongen langs die heel hard Mustafa naar me riep. Of toen bij de Eiffeltoren, toen dat Nederlandse meisje haar vader aanstootte en veel te luid vroeg: ‘Papa, zijn er ook vrouwen met een snor?’ Ze wees op mij.

En hoewel ik me erbij neergelegd had, kon ik er niet echt aan wennen. Ik was vrijwel altijd even uit mijn humeur. Vooral ook omdat ik het zelf meestal vergat. In de spiegel keek ik er omheen, mijn vrienden en kennissen vonden het gelukkig niet belangrijk genoeg om erover te praten en ik heb mensen al lang geleden verboden foto’s met flits van mij te nemen. Dus als zo’n meisje dat hardop zei, dan schrok weer even. O ja, shit, men kijkt niet naar mij omdat ik leuk ben om naar te kijken, men kijkt naar mij omdat ik een freak ben.

Toen ik klein was, was het nog niet zo erg. Ik had een klein donsje op mijn bovenlip, maar dat was zacht en niet zo heel erg zichtbaar. De haren op mijn armen en benen wel. ‘Jij bent een baardaap’, zei een klasgenootje van mij eens op de kleuterschool. Daar was ik flink van ondersteboven. Maar ach, er zijn veel vrouwen met haren op hun armen en benen. En die benen onthaarde ik vanaf mijn dertiende, zoals vrijwel alle vrouwen, dus daarmee voelde ik me geen buitenbeentje.

Ongeveer tien jaar geleden werd het erger. Op de een of andere manier werden de haartjes zwarter, dikker en massaler. Steeds meer mensen, vooral kinderen, staarden me schaamteloos aan. In Salamanca op het prachtige Plaza Mayor, het zal 1998 of zo geweest zijn, besprak een Spaans jongetje van een jaar of acht mijn snorretje hardop met zijn ouders. Hij moet gedacht hebben dat ik hem niet kon verstaan, ik sprak immers Nederlands met mijn gezelschap, maar ik begreep elk woord. En hoewel de zon scheen, de ooievaars over het plein zeilden en de brandy mij prima smaakte, was mijn avond verpest. Kutsnor.

’s Nachts in de tent zei ik: ‘Ik ga er wat aan doen’. Na 24 jaar onverschilligheid vond ik het genoeg. Ik moest alleen nog even bedenken welke methode ik zou toepassen. Een wonderschoon vriendinnetje van mij schoor haar gezichtsbeharing en dat voelde je als je haar zoende. Prikprikprik. Dat wilde ik dus niet. Ik zocht een andere oplossing. Ik wist dat je kon harsen, maar ik zag veel vrouwen, vooral de oudere, die van die gleuven in hun bovenlip hadden. Tsja, die haarzakjes raken natuurlijk helemaal uitgewoond als je daar dag in dag uit met grof geweld van alles uitrukt. Ook dat was voor mij dus nog geen optie.

Niet lang daarna, in Parijs, vond ik de oplossing. Een land waar vrijwel iedereen mijn haarkleur heeft (donkerbruin), grossiert uiteraard in oplossingen voor dit probleem: blonderen. In een plaatselijke drogist trof ik tientallen ontkleuringscrèmes. Ik kocht drie verschillende soorten, sloeg thuis aan het experimenteren en ontdekte dat er een tussenzat die goed werkte. Mijn haartjes werden blond, helaas ook af en toe wat gelig, maar goed, kniesoor et cetera.

Vanaf dat moment kon je de haartjes pas zien als je dichterbij kwam en dat vond ik prima. Zoals ik al zei: mijn vrienden en kennissen hechten niet zo veel waarde aan zulks, en ach, blonde donsjes komen vaker voor bij vrouwen dan zwarte, ik hoorde dus bij een wat grotere minderheid dan daarvoor. Tel je zegeningen.

Ik leefde voort, vergat weer wat vaker dat ik een snorretje had en smeerde eens in de twee weken wat witte drek om mijn mond, waarna ik weer fijn mijn ontkenningsfase in kon. Natuurlijk was er zo af en toe nog een kind dat iets dichterbij kwam en met ogen op schoteltjes een vriendje of vriendinnetje aanstootte, maar de frequentie was laag, dus daar kon ik mee leven.

Wel maakte ik me steeds kwader over de discriminatie van vrouwen met wat voor beharing dan ook. Ik kan me een uitzending van Big Brother herinneren waarin een opmerking langskwam over vrouwen met snorren. Al schuddebuikend rolden de BB-bewoners over de vloer. Zo hard hadden ze in jaren niet gelachen. Zap! Deze pulpliefhebster deed Big Brother in de ban.

Gek genoeg had ik er ook voordeel van. Een hoofdredactrice van mij – doorgaans zeg ik hoofdredacteur, ook als het om een vrouw gaat, maar in dit verband is het veelzeggend dat het een vrouw was – zei eens: ‘Ik heb je aangenomen door je snorretje’. Natuurlijk schrok ik weer, ik was immers in de ontkenningsfase en dacht dat ook andere mensen daarin zaten. Not. Maar goed, volgens haar had dat snorretje aangetoond dat ik een vrouw met lef was en dat was wat ze wilde: een journalist met schijt aan alles en iedereen. Wist zij veel. Zij kon niet weten dat ik dat snorretje alleen maar had omdat ik geen oud wijf met gleuven wilde worden. En dat ik zelf eigenlijk vond dat ik geen snorretje had, omdat ik ijzersterk was in erdoorheen kijken.

Niettemin was dat ook het moment dat ik besefte dat blonderen dus niet afdoende was en dat ook mensen die mij goedgezind waren mij zagen als ‘die vrouw met die snor’. Het begon weer langzaam aan me te knagen. Ik moest ook steeds vaker blonderen, minimaal eens per week, maar eigenlijk vaker. Gedoe, vond ik, en duur. En in Nederland met al die kaaskoppen had je niet zoveel goede ontkleuringscrèmes. Voordien ging ik regelmatig naar Parijs en dan nam ik gewoon een extra dosis mee, maar ik raakte aan de bedelstaf wegens schulden en scheiding, dus afreizen naar het land der snorren voor een pakje verf zat er niet meer in. Het stoorde me.

In België werd het geknaag nog iets erger. Op de een of andere manier val je hier meer op als je afwijkt. Misschien omdat, zeker in een provinciestad als Leuven, maar weinig mensen er écht afwijkend uitzien. Men past zich aan, men is representatief, men gaat op in de massa. Behalve ik dus.

Bovendien, en dat weet iedereen die zijn (hoofd)haar wel eens verft: geverfde haren worden ruwer, dikker en minder soepel. De haartjes op mijn bovenlip gingen grillig alle kanten opstaan, de uitgroei was vaak al na een dag of twee zichtbaar en hoe het ook moge komen: ze werden langer. Mijn methode had zijn beste tijd gehad en ik werd onrustig van het gevoel een freak te zijn.

In de trein, een paar weken geleden, was het weer eens ouderwets aapjes kijken. De trein werd bevolkt door Chirokinderen – de Chiro is een scoutachtige organisatie waar je in de weekends met geen mogelijkheid omheen kunt, ze zijn er altijd en overal. Toen de kinderen moesten uitstappen en in rijen van honderd langs mij liepen, lachten ze en masse in hun vuistje. Buiten op het perron wezen ze op het raam waarachter ik zat en hoe hard ik ook terugstaarde – dat wil nog wel eens helpen als kinderen onbeschaamd naar je wijzen – ze deinsden er niet voor terug om hun ogen uit te kijken.

Ik baalde, en van binnen huilde ik. Kut, kut, kut, kut! Ik wilde mooi zijn, bewonderenswaardig, een vrouw! Ik broedde, dubde, peinsde en was niet in staat me er nog langer bij neer te leggen. Een vrouw, een mooie vrouw, goddomme, ik wil EEN MOOIE VROUW zijn.

Het moment dat ik uiteindelijk de beslissing nam, was waanzinnig paradoxaal. Vrijdagmiddag zag ik op uitzendinggemist.nl de documentaire Beperkt houdbaar. De film was gemaakt door een vrouw van mijn leeftijd met wie ik mij erg identificeer, omdat mijn eerste publicatie toen ik 19 was in een blad stond waarin ook een van haar eerste publicaties stond. Sunny Bergman, die naam was ik niet vergeten.

De film was sterk, vond ik. Sunny stelde het schoonheidsideaal van vrouwen aan de kaak aan de hand van haar eigen zelfbeeld. Hoogopgeleid, weldenkend, onafhankelijk, en toch ontzettend ontevreden, omdat ze niet kan voldoen aan het gephotoshopte ideaalbeeld dat iedereen van vrouwen heeft. Ik zag meisjes van vijftien die een vaginale verjongingskuur ondergingen (lees: het wegbranden van grote delen van de binnenste schaamlippen), ik zag vrouwen met enorm overgewicht die, blind voor het ideaalbeeld, tiptop tevreden waren met zichzelf. Ik zag de moeder van Sunny die in de jaren zeventig ten strijde trok tegen het afscheren van oksel- en schaamhaar. Ik zag redactrices van modebladen die vonden dat je wel heel erg dom en onzeker moest zijn als je een slecht zelfbeeld kreeg van het ideaalbeeld dat ze daar bij elkaar photoshoppen. Kortom: ik zag een ratjetoe van voor- en tegenstanders van het ideaalbeeld dat wij onszelf voorhouden. En mijn conclusie was vergelijkbaar met die van Sunny: het wordt hoog tijd dat we mensen weer mooi gaan vinden zonder dat eraan gesleuteld is. Het is mooi geweest. Echt is echt en plastic is plastic. En we hebben onszelf aangepraat dat plastic mooier is dan echt, dus we kunnen onszelf ook aanpraten dat dat bullshit is.

Des te vreemder dat ik de volgende dag naar het Kruidvat toog om daar ontharingsstrips voor het gelaat aan te schaffen. Ik weet ook echt niet waarom ik juist na die documentaire besloot dat-ie eraf moest. Ik was toch met haar eens? Ik vond toch juist dat rimpels, haartjes, vetrolletjes en tekenen van leven veel karakteristieker waren dan achter de oren vastgezette kaaklijnen en bolgespoten lippen? Ik vond toch juist dat we een statement moeten maken tegen dat schoonheidsideaal?

Maar ik bezweek. En terwijl mijn lief kreunend van medeleven toekeek, maakte ik korte metten met de haartjes op mijn bovenlip. Nu ben ik een vrouw zonder snor en dat doet me goed. Ik verloochen mijn eigen ideaal en dat maakte me gelukkiger. Ik ben de paradox in hoogst eigen persoon; teleurgesteld omdat ik mijn eigen ideaalbeeld ondermijn – een wereld waarin vrouwen mogen zijn wie ze zijn – en dolgelukkig omdat andere mensen me – en dat weet ik 100 procent zeker – mooier zullen vinden.

Het is ook veelzeggend dat ik dit nu pas openbaar maak. Dat u er niks van wist. Ik schaamde me dood. Nu niet meer. Met de mantel der liefde bedekt, of nee, met wortel en tak uitgeroeid. Tegen al mijn principes in.

De halve wereld, met dank aan Leontien

Het was toen ik Leontien van Moorsel hoorde vertellen dat ze een pagina in de krant mocht vullen. Dat was het moment. Leontien van Moorsel. Ik heb niks tegen Leontien van Moorsel. Als ze maar fietst. Zodra ze haar mond opendoet heb ik al iets meer tegen d’r. En als ze mijn werk gaat doen – de achterkant van advertenties volschrijven – dan zucht ik hooghartig. Leontien van Moorsel. En oké, een krant, een krant… het is De Telegraaf… Maar toch, ik heb nog niet genoeg werk om het leuk te vinden dat mensen die ik niet zo hoog heb zitten mijn werk gaan doen.

Dus dat was het moment. Het moment dat ik dacht: brutalen hebben de halve wereld, en celebrity’s hebben de andere helft. Zodoende sloeg ik aan het dubben. Als brutalen de halve wereld hebben en celebrity’s de andere helft, dan moet ik bedenken waar ik bij wil horen. Welnu, die beslissing was gauw gemaakt. Celebrity zijn lijkt me namelijk stomvervelend, daarbij: ik heb mijn cupmaat niet mee, dus ik moet wel bij die brutalen horen. Met dank aan Leontien.

Goed, het idee was er. Nu nog de uitvoering. Hoe is een mens brutaal? Ik heb er wel wat ervaring mee hoor. Ik was een helse puber, ik toonde het nodige lef om mijn geliefde aan de haak te slaan en ik sprak op het Boekenbal – met een paar wijntjes op – iedereen aan die ik ook maar enigszins aantrekkelijk vond. Maar dit ging dus om werk.

Zoals ik al eerder vertelde: als het om werk gaat, word ik vaak ineens enorm perfectionistisch. En in het kader van ‘brutaal’ schiet dat dus niet op. Ik kan niet weken zitten broeden op een brutaal werkvoorstel. Dan durf ik het niet meer. Of dan heb ik alle brutale kantjes eraf geschaafd, waardoor ik een braaf meisje uit de polder lijk. En dat werkt niet – anders was mijn theorie wel geweest: brave meisjes hebben de halve wereld en Leontien van Moorsel de andere helft.

Na nog wat ins Blau hinein turen kwam ik op de proppen met een plan de campagne: voortaan stuur ik elke werkdag een ‘brutale’ e-mail naar iemand voor wie ik graag wil werken. Geen gedub, niet dagen laten liggen en dan nog eens lezen, gewoon hup de deur uit. Elke dag, geen dag niet.

Vorige week bedacht ik het plan. Vorige week was ik ziek. Maar vrijdag, toen ik me een heel klein beetje beter voelde, had ik ineens de geest. Ik stuurde een mail naar een Nederlands tv-programma dat ik graag een Vlaamse poot voor ze wil opzetten. Vijf regels, nauwelijks nagelezen, hop verstuurd. Ik was een i vergeten in ‘mijn’. Kortom: precies zoals ik het had bedoeld.

Twee uur later – het was al na zessen – kreeg ik antwoord. Dat ze het een heel goed idee vonden en dat ik maar een zendgemachtigde moest zoeken.

Dus jongens, even een mededeling van zakelijke aard: mocht u zich afvragen wie nou precies die halve wereld heeft… dat ben ik.

PS – Vandaag de tweede mail verstuurd, ik hou u op de hoogte.

Goldenoldie

Wat heb ik hiervan geleerd?
1. Size does matter en 39 centimeter, met pot, is net iets te groot.
2. Zolang er geluk in het spel is, moet je niet per se willen winnen. Ook niet als je per se wél wilt winnen.
3. Met die speelgoed-stoffer en blik kan ik heel goed een bakplaat invetten. Als ik die zou hebben.
4. Alles van U2 lijkt op elkaar.
5. Begin nooit een zegetocht als je ‘m niet af kunt maken.
6. M&m’s zijn de perfecte fundamenten voor een derde onderkin.

Voor het hele verhaal, klik op Narcisme.

Wel niet

Even een vraag voor de Vlamingen onder ons:
Waarom zeggen jullie ‘wel niet’?

Achtergrond van deze vraag:
Ik verbaas me enorm over de constructie ‘wel niet’. Vanochtend stond in de krant dat Spielberg Kuifje gaat verfilmen. Daaronder stond een groot tussenkopje: ‘Het is wel niet zeker of de Amerikaanse topregisseur in hoogsteigen persoon de film zal regisseren’.

Gedachten aan de ontbijttafel:
* Volgens mij is het in de zin hierboven een vervanging van het woordje ‘maar’ of ‘echter’ of ‘doch’. Met andere woorden: ‘wel niet’ heeft altijd een verband met iets dat daarvoor gezegd is en is altijd in tegenspraak daarmee (net als bij maar, echter en doch).
* Maar volgens mijn lief is er een nuanceverschil met ‘maar’, ‘echter’ en ‘doch’. Volgens hem is het een verzwakte vorm daarvan.
* Waarop ik mij afvroeg hoe wij Nederlanders het dan ooit zonder die nuance hebben kunnen stellen.
* Bovendien snap ik niet wat de verzwakte vorm van ‘maar’ dan betekent.
* Verder doet het mij denken aan ‘met zonder handen fietsen’ en ‘met zonder jas naar buiten’, wat ik vroeger altijd deed.
* Het lijkt spreektaal, maar dat het in de krant staat (niet als citaat!), zou dat weerspreken. En als het echt een aparte betekenis heeft, is het raar dat er in schrijftaal geen equivalent bestaat.
* In mijn oren klinkt het kinderlijk en fout. Maar wel geestig.
* Tot slot: ik weet zeker dat ik het ook vaak hoor als het absoluut geen verband houdt met iets dat eraan vooraf ging. Gewoon ‘wel niet’ op zichzelf…

Wat denkt u?

Open brief aan Piet Huysentruyt
en de zijnen

Waarde meneer Huysentruyt en programmamakers van VTM,

Doorgaans zullen dit soort brieven beginnen met een allegaartje aan complimentjes, aardigdoenerij en zinnetjes in de trant van ‘ik kijk elke dag naar uw programma’. Welnu, in deze brief niets van dat al. In het grotere licht der dingen is het namelijk totaal niet relevant wat ik van u en de uwen vind.

Mijn brief gaat over decadentie en domheid. Over struisvogelpolitiek en verantwoordelijkheidsgevoel. En over uw nietsontziende ver-van-mijn-bed-show-mentaliteit.

Allereerst een vaststelling die niet alleen u betreft, maar vrijwel alle tv-koks op de televisie: zelden is de herkomst van de ingrediënten die u gebruikt een onderwerp van belang, tenzij het om een gesponsord product gaat. Ik zie vrijwel nooit een pleidooi voor biologisch eten, een advies om seizoensgroenten te eten omwille van het beperken van vlieguren of een aanklacht tegen het gebruik van legbatterijkippen en kistkalveren. Dat vind ik schokkend, want de invloed van tv-koks lijkt groot, maar tv-koks nemen niet de verantwoordelijkheid die bij die invloed gepast zou zijn.

Dan de concrete aanleiding voor mijn brief: het recept dat u en een of andere lieftallige Bekende Vlaamse vandaag op tv gaan klaarmaken. Zonder blikken of blozen werd gisteren aangekondigd dat er vandaag Victoriabaars op het menu staat. Ik weet niet of het u bekend is waar veel van de in Europa verkochte Victoriabaars vandaan komt, maar mocht u het niet weten dan bent u nog onnadenkender dan ik al dacht, want toen de film Darwin’s Nightmare uitkwam, was het bijna onmogelijk om er omheen te kijken.

Een korte samenvatting: de Victoriabaars die doorgaans in Europa verkocht wordt, komt veelal uit het Victoriameer in Oost-Afrika, waar zo’n vijftig jaar geleden nijlbaarzen zijn uitgezet. In de film Darwin’s Nightmare maakt filmmaker Hubert Sauper pijnlijk duidelijk wat de gevolgen zijn geweest van deze ingreep in de natuur. Niet alleen heeft de nijlbaars de verscheidenheid van vis om zeep geholpen (er zwommen zo’n 2500 vissoorten voordat de nijlbaars kwam – ter vergelijking: in Europa zijn maar 200 zoetwatervissoorten bekend – en na uitzetting van de nijlbaars zijn de meeste van de oorspronkelijke vissoorten verdwenen). Ook de gevolgen van het vissen naar Victoriabaars is een reden twee keer na te denken alvorens een Victoriabaars te bereiden. Grote visfabrieken aan de rand van het meer gaan ten koste van kleine vissers, de vis drogen veroorzaakt ontbossing, wat weer zorgt voor vervuiling van het meer door erosie, en ga zo maar door. Tot slot is in de film goed te zien hoe de populariteit van de spotgoedkope Victoriabaars de lokale bevolking ontwricht. Er is waanzinnig veel prostitutie door buitenlandse handel, met als gevolg: veel hiv en aids. Verder blijkt de vistransport een goede dekmantel voor wapenhandel waar iedereen rijker van wordt, behalve de plaatselijke bevolking.

Dit zijn slechts een paar voorbeelden van misstanden die mede door de film inzichtelijk zijn gemaakt en die ik bij u bekend veronderstelde. Eten is immers uw core business en als u al niet weet waar het eten dat u bereidt vandaan komt, wie moet het dan nog wel weten?

Voor mijn eigen gemoedsrust ga ik er voorlopig even vanuit dat u en uw redactie allemaal aan narcolepsie leden toen de kranten volstonden over dit onderwerp. Ik probeer te geloven dat er geen kwade opzet in het spel is, maar slechts ongekende naïviteit. Mijn brief zal u de ogen openen en u zal vanaf vandaag uw kijker altijd en overal wijzen op het belang van duurzaam en eerlijk eten, tenminste dat hoop ik.

Uw programma heet, o ironie, De Perfecte Keuken. Maar hoe perfect is een maaltijd die ver van uw bed tot uitbuiting, oorlog, ziekte en destructie leidt? Graag zou ik op deze brief een antwoord krijgen.

Met vriendelijke groet, Zezunja

De mooie dingen van deze maand

1. Bij mij zijt ge veilig – Wim Helsen

Een weergaloos humorvacuüm van pak ‘m beet anderhalf uur, waarin de meester met een minimum aan licht, geluid en decor de zaal aan zijn voeten krijgt. Ik heb nog nooit zoiets pakkends gezien, terwijl ik behoorlijk thuis ben in hedendaags cabaret.

2. De helaasheid der dingen – Dimitri Verhulst

Het boek leest als een trein en ik las het in de trein. In drie uurtjes had ik het uit. De stijl, de humor, de vaart en de mistroostigheid van de hoofpersoon en zijn omgeving: wow! Als ik ooit zo’n eigen stijl ontwikkel, ben ik zielsgelukkig.

3. Lama Gezocht – BNN

Okee, okee, ik kijk graag naar afvalraces zoals Idols/Idool, maar dat is doorgaans om redenen van hilariteit en leedvermaak. Daar komt nog bij: ik kijk eigenlijk helemaal niet zo vaak naar de Lama’s. Maar dit was heus een goed programma. Goed en serieus gemaakt (wel iets te kort, een half uur per aflevering), enorm spannend vanwege het improvisatie-element en uiteindelijk leverde de zoektocht een terechte winnaar op. Maar hoe terecht ook, ik had liever gehad dat er geen winnaar was, want dan was het programma nog niet afgelopen.

3. Midden op de weg zo hard mogelijk – Arthur Umbgrove

Een boek waar ik niks van verwachtte, ik had het cadeau gekregen zonder uitleg. Umbgrove kende ik als cabaretier en heel eerlijk: veel indruk maakte hij niet. Het boek daarentegen wel. Afgezet tegenover Verhulst was het stilistisch niet zo sterk en inhoudelijk misschien iets te gekunsteld, maar voor een boek waarvan ik niks verwachtte, gooide het hoge ogen. De zelfspot, de actualiteit, de historische elementen en de spanning vormen een combinatie waardoor ik pagina na pagina doorlas. Eveneens een drie uur-boek, terwijl ik ondanks mijn talent in snellezen doorgaans zo kritisch ben dat ik een boek na een uurtje wegleg.

4. Yours Truly, Angry Mob – Kaiser Chiefs

We hebben al na de tweede keer luisteren heel hard meegezongen; het was feest in huize Yuri en Zezunja

5. Heavenly Creatures – Peter Jackson

Geen ultieme film, maar wel zo een die nog even doorspeelde in mijn hoofd. De film is al in 1994 verschenen, maar ik zag ‘m nu pas en ik vond het een mooi en waarachtig gegeven. Ooit was ik ook zo’n meisje dat monsterverbonden aanging met andere meisjes. Nooit kwamen daar echt erge dingen van zoals moord en doodslag, maar toch, stiekem, herkende ik me in Pauline en Juliet.

6. Pulp-tv: Idool en Schoondochter Gezocht – VTM en VT4

Ik kan alleen maar zeggen: yeah! Maar goed, na de voorronden wordt Idool al gauw heel stom en sinds die malle middeleeuwenfreak met zijn voorliefde voor veel te lange Latijnse citaten zichzelf uit de serie schreef, zal ook Schoondochter Gezocht niet meer zijn wat het geweest is. Maar toch, al was het van korte duur: ik heb genoten!

7. Excite Truck – Wii

Een fantastisch racespel op de Wii. Ik ben niet zo goed in op de weg blijven, maar gelukkig krijg je voor ‘nice crashes’ ook veel punten, dus ik win toch regelmatig. Heeft u een Wii? Houdt u van racen? Koop dit spel!

Vieze vuile gore griep

Dag-tv maakt murw.

Hoe het anders is – de huizen en de dokter

De serie Hoe het anders is bestaat uit kleinigheden die mijn leven as we speak veranderen. Die heel kleine, op het oog onbelangrijke verschillen tussen Nederland en België – of, zo u wilt, tussen Amsterdam en Leuven – zijn bepalender voor mijn clash of civilizations dan grote dingen als vrienden, nationaliteit of carrière.

De vorige afleveringen gingen over de bus en de uitverkoop en over de post en de politie, deze keer de huizen en de dokter.

De huizen

Huizen in België hebben iets spannends. Niet allemaal natuurlijk, maar het spannende huizenaanbod is vele malen groter dan in Nederland. Elk huis heeft zo zijn eigen ‘verrassing’; een spannende uitbouw, een onvermoede berg aan het eind van de tuin of een hofje met iconen uit de oudheid. Ik glip vaak openstaande poorten binnen om te zien wat erachter schuilgaat en regelmatig bijkt dat achter een doodgewone deur in een doodgewone straat nog een heel wijkje ligt, met voortuintjes en straatjes en petieterige huisjes.

Er zijn verschillende soorten Belgische spannendheid. Allereerst is er relatief weinig ‘moderne’ nieuwbouw en weinig ’seriebouw’, waardoor, zeker in de stad, mensen algauw in een klassiek en uniek huis wonen. Weinig beton en nauwelijks eenheidsworst, dat is de spannendheid van weleer. Dat is fijn.

Een andere categorie is de hedendaagse manier van bouwen en bijbouwen. Hier in Leuven zijn de huizen veelal smal, doorzonwoningen vind je hier nauwelijks, maar mensen willen wel ruim wonen. En aangezien achter hun smalle huis vaak een lange smalle tuin ligt, valt er altijd nog wel een kamertje aan te rijgen. Vrijwel alle tuinen lijken op een architectonische variant van het dominospel – kunnen we er nog wat aan leggen? dan doen we dat! Ik heb de indruk dat een vergunning voor een derde uitbouw hier slechts een formaliteit is.

Het zal iets met de welstandscommissie te maken hebben, of met het gebrek eraan. Hoe dan ook: ik hou ervan. Het is niet altijd mooi, en zeker niet altijd praktisch, maar het is spannend, uniek en vaak ook heel gezellig. En het feit dat het mág, staat me aan. Dat je van je huis een bizar gedrocht met tal van uitstulpingen mag maken, dat is vrijheid.

Toegegeven: het loopt wel eens uit de hand. Sommige huizen zijn ronduit lelijk, of onveilig, of allebei. En wij Nederlanders maken daar in plaatsen als Brasschaat gretig misbruik van. Wansmaak mág in België, en dat zullen ze weten ook, die Belgen – bij deze bied ik plaatsvervangend mijn excuses aan.

Maar doorgaans pakt het goed uit. Men heeft zich erbij neergelegd dat huizen aan de achterkant uitpuilen. En aan de voorkant is het straatbeeld nog niet verpest door Oostblokbouw of anderszins goedkope, minimalistische, moderne architectuur. Ik hou daarvan.

Volgens mij zijn er twee redenen dat mensen hier ‘vrijer’ wonen. Enerzijds is hier, ondanks een razendsnelle bevolkingsaanwas, meer ruimte dan in Amsterdam. En, niet onbelangrijk, er lijken minder regels te gelden. Men woont hier in huizen waarvoor in Amsterdam geen woonvergunning zou worden afgegeven, omdat de voordeur te smal is, of de brievenbus te klein. Waar men in Nederland de neiging heeft op alle slakken zout te leggen, knijpt men hier algauw een oogje toe.

Het voordeel daarvan is dat er veel meer leuke huizen zijn. Het nadeel daarvan is dat er veel meer leuke huizen zijn met ernstige gebreken. Uitbuiting in de vorm van hoge huur voor een gammel huis ligt op de loer. Zeker in plaatsen als Leuven, waar huizen relatief duur zijn door de enorme vraag naar woonruimte van studenten.

En dan komen we automatisch bij de huurrechten. Hoewel ik me er niet heel grondig in heb verdiept, heb ik de indruk dat huurrechten hier iets anders betekenen dan in Nederland. Van puntensystemen hebben ze hier nooit gehoord, bij het vragen van borg is the sky the limit, contracten zijn vaak tijdelijk, niks huurbescherming, je moet het doen met een opzegtermijn, en zelfs met een huis van driehonderd euro per persoon per maand ben je overgeleverd aan de wetten van de vrije markt.

Nogmaals, ik heb me er niet in verdiept, dus misschien laten wij ons een oor aannaaien, terwijl die zaken eigenlijk puntgaaf geregeld zijn in de wet, maar tot nu toe is dit de indruk die ik ervan heb. Je hebt het contract (waarin de huurder doorgaans niet veel bescherming geniet) maar te slikken, want voor jou tien anderen.

Er valt nog zoveel meer te vertellen. Over de inrichting van de huizen, over koophuizen en hypotheken, over kraken en over het gebrek aan Hollandse gezelligheid. Maar gezien de lengte van dit stukje – en de dokter moet nog komen – kan ik de rest beter in de huizen (2) gieten. Afgesproken.

de dokter

Belgische artsen zijn exotisch en gewoontjes tegelijk. En juist omdat de verschillen tussen Amsterdamse en Leuvense dokters miniem zijn, is het schokeffect zo groot. Je verwacht geen verschillen meer, en dan ineens, klaboem!

Zo is daar de kwestie van het afrekenen. Ik heb daar moeite mee. Altijd al gehad. Ik heb graag dat de verzekering voor mij afrekent. En dat ik dan van hullie een berichtje krijg als ik nog iets moet bijbetalen. Maar dat ik eerst in de beugels lig – met eendenbek en al – en vervolgens mijn portemonnee moet zoeken om af te rekenen, daar kan ik maar niet aan wennen.

Bij de tandarts moest ik dat in Nederland de laatste jaren ook, omdat ik daar niet meer voor bijverzekerd was. Dat vond ik al heel idioot. Was ik net uitgebreid gemarteld, waarbij ik mijns inziens het hardst moest werken, moest ik vervolgens 88 euro overleggen. Ik ben een voorstander van giraal geld, waarbij de kosten van je gezondheid en je gezondheid niks met elkaar te maken hebben.

Edoch, de tandarts, dat gaat nog. Ik kan mijn gebit en mijzelf namelijk heel goed loszien van elkaar. Maar de huisarts, dat is andere koek. Ik vind het al vreselijk dat een huisarts alles van mij mag weten en zien, maar cash betalen voor het blootgeven van mijn binnenste…, pfff, met moeite.

Maar daar heb ik ook gelijk het enige nadeel van de huisarts getackeld, want voor het overige ben ik tevreden. Men lijkt het minder druk te hebben, ik kan altijd snel afspreken, ik hoef nooit extreem lang te wachten en de huisartsen die ik heb gezien, waren stuk voor stuk bijzonder vriendelijk.

Of ze capabel zijn, kan ik niet goed beoordelen. Ze zijn wel erg allround, want onderzoeken waar ik in Amsterdam voor naar het laboratorium moest, worden hier tijdens het consult uitgevoerd, geanalyseerd en besproken. Verder lijkt het erop dat ze – misschien om de indruk te wekken dat ze écht iets doen – je altijd met een receptje wegsturen. Soms leidt dat ertoe dat ik bij de apotheek voor 7 euro een crème koop die je ook voor 2 euro in de supermarkt kunt kopen. Maar kennelijk is dat de pleister op de wonde: een totaal overbodig receptje, niet eens bruikbaar voor de verzekering. Maar het werkt: ik voel me altijd serieus genomen.

Over die verzekering gesproken: het systeem lijkt in de verte wel een beetje op de basisverzekering, maar voor zover ik nu kan overzien is het minder duur dan in Nederland. Ik betaal iets van 70 euro per jaar en dan krijg ik van de meeste dingen 75 procent vergoed, ook van tandarts en fysiotherapie. Voor het overige kan ik me bijverzekeren, maar dat heb ik nog niet gedaan.

Ook over artsen valt nog veel meer te vertellen, maar voorlopig laat ik het hierbij. Ik heb vandaag al voldoende lettertjes gepoept.
Volgende keer: de supermarkt en de trein.

Waarom schuimt mijn thee?

Goed, ik gaf gisteren al een voorschotje en daar reageerden al wat mensen op, dus laat ik allereerst even de belangrijkste gegevens op een rijtje zetten.

- Het schuimt vooral sinds ik hier woon. Ik kan me niet goed herinneren hoe het daarvoor was, maar het was in elk geval niet zo vaak aan de hand.

- Ik drink suiker en melk in mijn thee, maar het schuimt ook als alleen het zakje er nog maar in hangt.

- Veel mensen repten van niet heet genoeg, en dat is ook wat ik altijd dacht. Helaas, dat kan het niet zijn; het water kookt en borrelt dat het een lieve lust is. Ik zet het kopje met warm water vaak drie minuten in de microgolf, dat is meer dan genoeg. En ook bij de waterkoker werd het kookpunt doorgaans ruim gehaald. Soms ben ik al de helft van het water kwijt aan verdamping, alvorens ik het kopje thee bereid.

- Anderen dachten aan slecht afwassen, maar neuh, mijn afwasmasjien doet het prima. En andere dranken schuimen niet.

- Weer anderen opperden dat het zou kunnen liggen aan afwasmiddel in de buurt van de theezakjes. Maar het afwasmiddel staat niet in de buurt van de theezakjes. Bovendien gebeurt het vrijwel altijd, met elk theezakje, op elk moment.

- Het meest plausibele antwoord dat ik onder het vorige berichtje vond, was het kalk- en chloorgehalte van het water in Leuven. Ik drink hier nooit rechtstreeks uit de kraan, wegens vies; we hebben zo’n filterkan. Maar als ik water kook, komt het wel rechtstreeks uit de kraan en ik ben qua scheikunde helaas niet voldoende onderlegd om te bepalen of daar inderdaad het probleem zit. Tot op heden is dat dus de enige verklaring die ik niet kan pareren. Wel een akelig idee trouwens, als dat het is…

Wat denkt u?