Archief in maanden: januari 2008

Synesthesie is een gelig woord

Er zijn dingen waarvan ik vroeger dacht dat iedereen ze kon. Bijvoorbeeld een gootje in je tong maken, je knieschijf naast je been duwen en cijfers in kleur zien. En omdat ik geen enkele reden had om aan te nemen dat anderen dat niet hadden, kwam het niet bij me op om het te vragen. Van het gootje in je tong leerde ik bij biologie dat het genetisch bepaald is, en dat er dus mensen zijn die dat pertinent niet kunnen. Mijn knieschijf naast mijn been duwen, bleek iets waardoor ik maanden in het gips belandde, dus dat was ook niet alledaags. Maar die cijfers in kleur: niemand die mij ooit vertelde dat slechts een deel van de mensheid dat heeft.

Het was een jaar of tien geleden dat ik het woord synesthesie voor het eerst hoorde (klik op de link voor uitleg). Waar of hoe ik ermee in aanraking kwam, weet ik niet meer, maar wat ik me wel herinner, is dat mijn mond openviel van verbazing. Omdat ik vroeger een nogal filosofisch aangelegde kleuter was, verkeerde ik in de veronderstelling dat ik al die ‘zie jij wat ik zie?’-
probleemstellingen wel zo’n beetje had geslecht. Ik was er na lang nadenken achtergekomen dat ik nooit kon weten of een ander de kleur blauw net zo zag als ik en dat beleving van ruimte en afstand danig konden verschillen. Maar geen haar op mijn hoofd die ooit in twijfel trok dat cijfers, klanken, ervaringen, woorden en begrippen een kleur hadden. Ik geloof dat ik me wel ooit heb afgevraagd of het dezelfde kleur was. Zo van: is Portugal voor jou ook oranje met wit? Maar dat zulke dingen per definitie in kleur aan je geestesoog verschijnen, dat was evident.

Eenmaal gewend aan het idee dat ik bij een minderheid hoorde, liet ik het varen. Als ik iets over synesthesie of synestheten tegenkom, denk ik natuurlijk nog wel ‘hee!’, maar verder blijft het een eigenschap als alle anderen. Zoals je ook niet elke dag beseft dat je rechtop staat. – sommige dingen horen nou eenmaal bij ‘de mens’. Dat de klank van de lage G bruin was, bleef een gegeven waarover ik niet nadacht.

Maar soms bots ik op tinternet op een testje om te bepalen of ik synestheet ben en dan besef ik weer dat er talloze mensen zijn voor wie een woord of een klank niet in vorm of kleur voorbij komen. En eigenlijk vind ik dat onbegrijpelijk. Zó onbegrijpelijk dat ik er, als ik er écht diep over nadenk, gek van word. Want als ‘jullie’ een woord niet in kleur zien, wat zien jullie dan wél? En als je niks ziet, wat ‘is’ een woord of een klank dan voor jou? Kennelijk geen ruimtelijke ervaring, maar – in hemelsnaam! -wat dan wél? Ik raak in paniek van al te grote abstracties.

(Omdat ik nu ik erover nadenk al hartkloppingen krijg, buig ik even af naar een ander aspect van mijn late, nog nauwelijks doorgedrongen besef dat niet alle mensen overal een kleur aan geven.)

Dát alles voor mij een kleur heeft (dagen, maanden, jaren, namen en seizoenen) wist ik al, maar ik had tot vorige week geen flauw benul of ik ook consequent was in die kleuren. Ik doe graag mee aan wetenschappelijke onderzoekjes over synesthesie (zie ook het stukje dat ik in 2006 schreef, Het cijfer 4 is appelgroen). Maar meestal zijn die testjes zo ingesteld dat je de vragen (die je binnen korte tijd zo impulsief mogelijk moet beantwoorden) maar één keer krijgt. Dus de vraag ‘welke kleur heeft het cijfer 2′ kreeg je zelden twee keer, zo kon ik er dus nooit achterkomen of elk woord elke keer dezelfde kleur heeft. En die enkele keer dat ik de vragen wel meer dan eens moest beantwoorden, kreeg ik mijn eigen antwoorden niet terug te zien. Soms stond eronder dat ik synestheet was, maar wat ik precies had ingevuld en hoe consequent ik daarin was geweest: geen idee.

Tot ik vorige week een test van een uur (!) deed. Ik kreeg honderd vragen in hoog tempo voorgeschoteld. Ik moest kleuren en vormen van klanken, noten, akkoorden, woorden, cijfers en tijdseenheden aangeven en voor het eerst kreeg ik alle woorden en klanken meer dan eens te zien. Toen ik na afloop een totaaloverzicht van mijn antwoorden onder ogen kreeg, zag ik voor het eerst hoe ongelooflijk consequent ik daarin ben. Okee, okee, bij de noten en akkoorden lijkt het nergens op, maar ik weet hoe dat komt. Niet de noot bepaalt de kleur maar de afstand tussen een noot en de volgende noot die ik hoor, bepaalt welke kleur ik zie. En aangezien de noten drie keer in een andere volgorde langskwamen, viel er ook niet te verwachten dat daar een lijn in zat.

Mijn verbazing over de consequentheid van mijn antwoorden valt nog het best te vergelijken met de verbazing die je hebt als je in een computeranimatie ziet hoe een mens zijn nek rechthoudt. De verbazing wordt dan niet veroorzaakt door het feit dát je je spieren aanspant, maar het feit dat het er zoveel zijn en dat die spieren relatief veel moeite moeten doen. Kortom: ik ben verbaasd over het hoe.

En weet je wat ik nu heel erg hoop? Dat er meer eigenschappen zijn waarvan ik dénk dat iedereen ze heeft, maar die mij op een dag brengen tot malle testjes die mij laten zien ‘hoe’ ik dat doe. En dat ik dan weer zo verbaasd zal zijn over iets dat tot dan toe zó vanzelfsprekend was.

Rijlesproza

Gisteren slaagde ik voor mijn theorie-examen. Ik had twee fouten, waarvan ik er eentje zelf al wist toen ik ‘volgende vraag’ aanklikte. Niet slecht, al zeg ik het zelf.

Dat betekent dat ik nooit meer met mijn neus in het theorieboek hoef, wat enerzijds een plezierig vooruitzicht is, maar anderzijds een groot gemis. Want het rijlesproza in Wees Wegwijs is niet te versmaden en ik betwijfel of ik snel weer één wenkbrauw zal optrekken terwijl ik een boek lees. En daar hou ik van. Eén wenkbrauw optrekken terwijl ik een boek lees.

Zo trok ik een wenkbrauw op toen ik dit las:
“Een dronken bestuurder is een moordenaar op vrije voeten.” Ik vond dat een boude bewering die volgens mij in het rijtje ‘kun je alles omdraaien?’ valt. De kans is aanwezig dat je als dronken bestuurder iemand vermoordt, en je bent inderdaad op vrije voeten, maar is elke dronken bestuurder daarmee een moordenaar op vrije voeten? Het was natuurlijk de bedoeling dat ik me preventief schuldig zou voelen, zo van ‘een moordenaar op vrije voeten, dat wil je niet zijn’, maar dat pakte niet zo uit. Ik begon slechts een denkexercitie in het ‘omdraaipatroon’ en kwam tot de conclusie dat ik – als het zo makkelijk was – ook een moordenaar op vrije voeten ben als ik niet gedronken heb. Want kennelijk mag je ‘als de kans aanwezig is’ afronden tot 100 procent. Ik prees mezelf gelukkig dat ik nog op vrije voeten was.

En al die tijd had ik mijn wenkbrauw opgetrokken.

Mijn wenkbrauw was net weer aan het zakken, toen-ie – zwiep – weer omhoog ging. “Let extra goed op als je gehaast bent. Probeer nooit verloren tijd tijdens een rit in te halen. Vertrek op tijd, dan kom je nooit te laat.” Aha. Dat laatste. Dat zou gemakkelijk zijn. Dat we voortaan alle toeval en incidenten gewoon afschaffen en ervan uitgaan dat we, als we op tijd vertrekken, nooit te laat komen. Whatever ‘op tijd’ may be… Ik begon er lol in te krijgen.

“Nader een overweg voorzichtig. Zorg dat je vooraf weet of het spoor vrij is. Een tweede kans krijg je misschien niet meer.” Prachtig toch? Dat ik zonder dit boek al die overwegen in mijn leven heb overleefd, ‘t is een wonder. De grote vraag is trouwens welke tweede kans je dan precies niet krijgt. In deze zin kan tweede kans verwijzen naar de handeling ‘naderen van een overweg’ of ‘weten dat het spoor vrij is’, en daar krijg je dan dus geen kans meer voor. Nooit meer een overweg naderen, je er nooit meer van vergewissen dat het spoor vrij is, denk je dát eens in. Maar het kan ook zijn dat je een tweede kans in the bigger scheme of things verspeelt. Brrr. Gek eigenlijk dat niet het hele boek volstaat met die mededeling, autorijden is immers een gevaarlijk spelletje. Voor je het weet is die tweede kans in rook vervlogen.

Ik werd er poëtisch van. En dat doe ik doorgaans met ‘n wenkbrauw naar beneden. Poëtisch zijn. Het woord ‘fietssuggestiestrook’ bijvoorbeeld. Dat vind ik een heel poëtisch woord. Mooi ritme. ‘Fietssuggestiestrook’.

Maar dan: “Op autosnelwegen is het verboden om het even welk voorwerp te verkopen of te koop aan te bieden, behoudens toelating van de Minister of zijn gemachtigde.” Kortom: je mag geen gejatte dvd-spelers uit de achterbak verkopen op de snelweg, maar als je een vergunning hebt, mag je je hotdogkraam op de pechstrook stallen. Mijn wenkbrauwen ontaarden in zo’n geval in een ware wave.

Totdat ik doorhad dat ik het allemaal niet zo serieus moest nemen.
“Bestuurders die bij het naderen van vee-, trek-, last- of rijdieren zien dat deze dieren tekenen van angst vertonen, moeten
a. vertragen en aanhoudend claxonneren
b. stoppen
c. vertragen, maar mogen altijd doorrijden”

Toen pas besefte ik dat niet alleen antwoord A vergezeld ging van een Beavis en Buttheadachtig ge-huhuh. Alle quasi filosofische stellingnames over tweede kansen en ‘alle dronken bestuurders zijn moordenaars’ kwamen uit de koker van een lolbroek. Go wenkbrauw, go! En als zo’n lolbroek ervoor zorgt dat mijn wenkbrauw en ik glansrijk ons theorie-examen halen, dan is het dus een fokking goed boek.

En zo ging jolijt (geslaagd!) gepaard met spijt (dag boek!) en leefden we nog lang en gelukkig. Dat wil zeggen: mijn theorie-examenpapiertje is drie jaar geldig. In die tijd moet ik praktijkexamen doen, dan ben ik pas écht op vrije voeten.

Dag boek!

Asjemenou

Uh, ja, reclame dus maar weer. Altijd een beetje saai, maar in het verleden heeft het gewerkt, dus ik blijf het doen.

*Loekie de Leeuw doet een dansje*

Allereerst de Wispercursussen. De cursus Columns Schrijven in april in Gent zit helemaal vol, maar in de cursus over anderhalve week in Leuven is voor zover ik weet nog een plaatsje beschikbaar. Klik hier om je in te schrijven.
Verder organiseer ik op 3 en 4 juli een Zomerspecial Columns Schrijven voor Wisper in Gent die ik als volgt heb omschreven:
Op ludieke wijze aan materiaal komen voor een column, dat is de bedoeling van de Zomerspecial Columns Schrijven. Natuurlijk staan we ook stil bij de verschillende verschijningsvormen van de column en bij stijl, taal en opbouw. Maar de breinbries die nodig is om een onderwerp op een originele manier te benaderen, voert de boventoon. Ideeën liggen op straat, invalshoeken op een vergeten hersencel in je hoofd en mooie woorden nestelen zich stiekem op een van je smaakpapillen. In twee dagen gaan wij die ideeën, invalshoeken en woorden zoeken… en vinden.
Deze cursus staat nog niet op internet, maar je kunt altijd naar Wisper bellen. Dan ben je er vroeg bij, wat een voordeel kan zijn, gezien het feit dat de eerste cursus Columns Schrijven in Gent vier maanden op voorhand al vol zat.

*Loekie blaast op zijn fluit*

En dan: Antwerpen. Vanaf 23 februari geef ik vijf zaterdagen een cursus Columns Schrijven bij de SchrijversAcademie in Antwerpen. Ik weet niet precies hoe het ervoor staat met de inschrijvingen, maar ik heb het vermoeden dat er nog plaats is, dus aarzel niet en schrijf je in. Inschrijven kan per e-mail (zie de gegevens op de website).

*Loekie valt op zijn hoofd*

Tot slot: de cursus eindredactie van Miles staat ook weer gepland voor het voorjaar. Samen met good ol’ Ludo Permentier (bekend uit de Standaard en van de jury van het Groot Dictee) geef ik tien weken op dinsdagavond een zeer gedegen cursus eindredactie voor beroepsschrijvers en studenten. De cursus is prijzig, maar een voordeel is dat je dit jaar opleidingscheques kunt gebruiken. Inschrijven kan via de website van de Miles Academy.

*Loekie zwaait*

Hoe mijn lief geen middel schuwt om mij een seventiesinterieur aan te praten

‘Nou ja, en toen bleef die man daar maar staan…’
‘…’
‘ … wat ik heel brutaal vond, maar dat is natuurlijk heel normaal voor insluipers, dat ze brutaal zijn.’
‘…’
‘Anyway, ik werd wakker, dacht ik, en toen stond-ie daar nog stééds.’
‘…’
‘Dus ik stak mijn hand uit om hem te slaan…’
‘…’
‘…wat natuurlijk een heel suffe manier is om een insluiper weg te jagen. Ik bedoel: ik ben er niet eens bij gaan staan.’
‘…’
‘En toen hoorde ik heel hard ‘kadeng!’. Dat was mijn hand tegen het nachtkastje.’
‘…’
‘Waardoor ik besefte dat die man niet op die plek kon hebben gestaan. Want je hand tegen een insluiper doet ‘plof’ en geen ‘kadeng’.’
‘…’
‘Toen voelde ik me heel stom, omdat ik al die tijd al dacht dat ik wakker was. En dat er dus écht een insluiper was.’
‘…’
‘Maar hij stond bij een wit barretje, dat had me te denken moeten geven…’
‘Een wit barretje?! Dus je droomt van een wit barretje? Dus toch? Yes!!!’

In plaats van dat hij mij gelukzalig vastklemt, omdat ik zojuist aan een insluiper ben ontkomen, pint hij me vast op dat witte barretje. En mijn liefs ’smaak’ in ogenschouw nemend, moet ik oppassen dat ik niet binnenkort word verrast met een zitkuil, grove muurstuc en, o hell, een wit barretje.

Discipline is een waan

“Zo is het ook met mijn doorsnee dag. Mijn dag bestaat uit een aan de fantasie ontsproten stelsel van afspraken met mezelf. Ik heb door de jaren heen een beeld ontwikkeld van de werkdag van een zelfstandig ondernemer en sinds enige tijd voer ik dat toneelstukje met mezelf op.”

Lees het hele stukje over mijn gemiddelde dag op nietlief.com.

Naïef en boeklezend (4)

Lees eerst: Naïef en boeklezend, dat was het devies
Dan: Naïef en boeklezend (2)

En ook nog: Naïef en boeklezend (3) 

Toen ik weer op het perron stond, duurde het even voor ik mijn gedachten had geordend. Goed, ik was nog steeds in Maastricht, de trein naar Luik stond aan ditzelfde perron voor me klaar en ik was bestolen van mijn hasj. Kortom: de missie was niet geslaagd. Ambitieus als ik ben, overwoog ik de missie alsnog tot een goed einde te brengen. Dat zou betekenen: op een drafje naar de eerste de beste coffeeshop, wederom vijf gram stuff aanschaffen en vervolgens op hoop van zegen weer zo’n trein naar Luik betreden.

Terwijl ik dat dacht, kwam de rechercheur met de hasjhond over het perron aanlopen, met in zijn kielzog wederom een stel Waalse jongetjes met een beteuterd gezicht. Juist ja. Dus de hasjhond was nog steeds de almachtige op dit station. Mijn ambities ten aanzien van een geslaagde missie werden – godzijdank – in de kiem gesmoord. Ik legde me erbij neer, met moeite. En toen pas begon ik te beven als een riet. Damn! Deze trip was verdomme helemaal voor niets geweest. En als ik over twee uur eindelijk thuis zou zijn, zou ik geen jointje kunnen roken om van het gedoe bij te komen. Zucht.

Ik belde Yuri en vertelde hem van mijn avonturen met de joviale agent en de dame die mij naakt zag. Hij troostte en suste, en – zoals die dingen gaan – plotseling barstte ik in tranen uit. Aboe, aboe, snottersnif, hele dag kwijt, stuff kwijt, geen resultaat, uitkleden, billen van elkaar, huil ende ween.

Eenmaal uitgesnift, stuurde ik een kus door de telefoon en hing ik op. Ik stapte in de juiste trein, koos een plekje en pakte mijn boek er weer bij. Om mij heen zaten talloze bekende koppen. Allemaal Waalse jongetjes die ik kort daarvoor schaapachtig had aangestaard, allemaal Waalse jongetjes die mijn glimlach zo irritant hadden gevonden, allemaal Waalse jongetjes die zojuist ook beroofd waren van hun duurbetaalde waar. Lezen lukte niet.

Op het moment dat de trein eigenlijk moest vertrekken, hoorde ik de deur van de wagon opengaan. In de deuropening stond de rechercheur met de hasjhond en zijn kompaan. Er ging een benauwd geroezemoes door het treinstel, ik tuurde over mijn boek naar mijn medepassagiers. Toen de hasjhond nonchalant langs mij liep, voelde ik me de beste leerling van de klas. Ik was glansrijk geslaagd voor deze test en een zelfingenomen glimlach was onvermijdelijk. Terwijl ik ze eigenlijk haatte. In de ererij der triomfen zijn dat de ergste. De glorie die je beleeft, wanneer je eigenlijk met geheven vuist zou willen opstaan. Wanneer je braaf bevelen opvolgt en vervolgens geprezen wordt voor dát waar je met heel je hart tegen bent. Heel fout.

Maar toen ik zag hoe dezelfde mensen als een uurtje daarvoor nu opnieuw uit de trein werden geplukt, kon ik een gevoel van ‘Pfoei, dat heb ik goed gedaan’ wederom niet onderdrukken. Een stuk of negen jongetjes in mijn treinstel hadden, kennelijk, net als ik, niet kunnen verkroppen dat hun missie mislukt was. Met als gevolg dat ze nu voor de tweede keer de sessie met het wegen en de latex handschoentjes moesten ondergaan. You don’t fool een hasjhond, dat moge duidelijk zijn.

Toen de deuren tien minuten later eindelijk dicht gingen en de trein het perron afreed, zag ik nog net dat er een nieuw meisje met meisjeshaar bij de douane naar binnen werd geleid. Het was tijd voor mijn boek.

De Niet Lief Collectie:
Een dag vol discipline

Dit stukje verscheen op 19 januari 2008 op nietlief.com. Esther zwengelde het aan met de volgende inleiding:
“Nietliefjes, ik ben heel benieuwd hoe een gemiddelde dag uit jullie leven eruit ziet. Bevallen je dagen je goed, of zou je het anders willen?”

Onderwerp: Een dag uit je leven.
Geschreven door: Zezunja

Discipline is een waan. Een louterende waan, dat wel, maar ontegenzeggelijk een waan. Een op verzinsels gebaseerde gehoorzaamheid die ons houvast geeft, maar die in zichzelf niks anders behelst dan het naleven van een aan de fantasie ontsproten stelsel van afspraken.

Dat mijn deadline op 28 februari ligt heeft iemand op een moment verzonnen en vervolgens lopen allerlei mensen als hamsters in een rad zichzelf op te jagen, omdat er een deadline is op 28 februari. Terwijl, als de persoon die de deadline verzon dyscalculie had gehad de zaken er misschien heel anders voorstonden. Of als de dochter van die persoon op 28 februari jarig zou zijn, wie weet wat er dan gebeurd was.

Zo is het ook met mijn doorsnee dag. Mijn dag bestaat uit een aan de fantasie ontsproten stelsel van afspraken met mezelf. Ik heb door de jaren heen een beeld ontwikkeld van de werkdag van een zelfstandig ondernemer en sinds enige tijd voer ik dat toneelstukje met mezelf op. Het script is nog onderhevig aan wijzigingen – we zijn als het ware nog in de try-out-periode – maar zo hier en daar heeft het scenario al wat vaste vormen.

Ik sta bijvoorbeeld altijd vroeg op. Ik zou kunnen werken van twaalf tot acht, ons avondeten staat immers zelden eerder op tafel, en ik zou ook kunnen werken van vier tot middernacht, niemand die er erg in heeft, niets dat mij in de weg ligt. Maar in mijn toneelstuk begint de dag om zeven uur – en als ik te laat naar bed ga, om acht uur. Ik prijs mijn discipline, omdat dat bijna altijd lukt – ik prijs mijzelf voor het strikt naleven van mijn wanen.

In mijn wereld van zelfopgelegde afspraken mag ik tot half tien lummelen. Sommige mensen zullen dat veel vinden, maar ik gedij daar goed bij. Ik heb veel kopjes koffie met geklopte melk, veel aandacht van het poezenvolk en veel lieve woorden van mijn metgezel nodig, alvorens de dag met een kickstart kan beginnen.

Die kickstart vindt dus doorgaans plaats om half tien. Dan begin ik te stomen en verlaten witte wolkjes langs de bovenkant mijn hoofd. Als door een wonder komen er dan ineens facturen, stukjes, interviewafspraken, cursusopzetjes en promotietekstjes uit mijn iMac rollen en uiteraard vind ik mijzelf dan de meest gedisciplineerde persoon op aarde. Ongeëvenaard.

Toen Yuri nog buiten de deur werkte, kwam hij ’s middags altijd thuis lunchen. Dat was destijds een uur van nooit geziene discipline (dat rijmt). In dat uur vertroetelde ik hem met broodjes tonijnsla en omhelzingen. Om klokslag twee uur keerde de rust in huis weer terug. Die schijnwerkelijkheid van lunchdiscipline is nu vervangen voor de schijnwerkelijkheid van werkdiscipline. Ik vind mezelf een krak als ik me om half vier realiseer dat ik nog niets gegeten heb, zó geconcentreerd kan ik bezig zijn. Alles is relatief, maar discipline is het relatiefst.

Mijn doel is om ongeveer acht uur per dag te werken, dus als ik om half tien ben begonnen, moet ik werken tot half zes, tenzij ik geluncht heb, dan moet ik langer door. Welnu, daar botsen mijn waanbeelden op elkaar, want mijn beeld van de zelfstandig ondernemer mag er dan een zijn van ‘9-to-5′, en bikkelen tot je groen ziet en genoeg verdient, mijn persoonlijke wereldbeeld is een praktische. Als ik groen zie, komt er alleen nog maar drek uit mijn handen, dan blijven de witte wolkjes uit en kan zelfs een welwillende iMac daar niets meer aan veranderen. Mijn dag eindigt dus als het werk dat ik aflever klote wordt. En dat kan ook om half vijf zijn.

Meestal stel ik dan vast dat ik weer zeer gedisciplineerd was, waarmee ik niet meer wil zeggen dan dat ik het heilige geloof in mijn eigen verzinsels tot het einde heb weten vol te houden. Ik vind dat doorgaans een staande ovatie waard, een beter toneelstuk zag ik zelden. Vervolgens duik ik de foyer in en laaf ik mij aan een avond afterpartyen met daarin veel lief, veel lol en veel bankhangen. Totdat het elf uur is en ik weer denk aan de voorstelling van de volgende dag. Dan toon ik discipline en duik ik braaf in bed. Om mijzelf de volgende dag om zeven uur weer op onnavolgbare wijze te gehoorzamen.

Naïef en boeklezend (3)

Lees eerst: Naïef en boeklezend, dat was het devies
En: Naïef en boeklezend (2)

Het moment dat ik naar het hokje mocht, was aangebroken. De agente trok een stel schone latex handschoentjes aan en wenkte mij. Schoorvoetend kwam ik het bruin betegelde hokje binnen. Tot mijn grote opluchting trof ik geen werkbank met beugels en een eendebek. Er was slechts een wasbakje en een verloren stoel, waarop de agente plaatsnam. Ik stond een beetje om mij heen te kijken, toen ze zei: ‘Nou begin maar.’ Ze wreef daarbij nog net niet in haar latex handschoentjes.

Het was duidelijk wat ze bedoelde. ‘Kleed je maar uit.’ In deze wereld van lichaamsopeningen had ik vermoedelijk niet voor niets op een vrouwelijke agent moeten wachten. Ik plofte mijn sjaal op de grond, zag nergens een stoel of iets anders waar ik mijn kleren overheen kon hangen en ik constateerde blauw tl-licht, dus een flatteuze sessie zou het zeker niet worden.

Sjaal, jas, schoenen, trui – tot zover ging het daadkrachtig. Daarna aarzelde ik. Moest ze niet in al mijn zakken voelen? De agente bleef zitten op haar stoel, ze keek naar haar nagels onder het latex, intussen mompelend over ’stelt niks voor’ en ‘gauw voorbij’. Buiten ons hokje ging het geroep verder. ‘Die jongen die 2 gram had, had nog 4 gram in zijn sok en 8 gram in zijn bilspleet.’ ‘De jongen die we vanochtend ook al hadden, bleek 14 gram in zijn onderbroek te hebben’. Ik stond inmiddels in mijn bh.

Toen ik ook die op het hoopje kleren had gegooid, voelde ik me ondanks mijn onderbroek en sokken naakt. De agente vroeg of ik me wilde omdraaien.
‘O nee, je gaat toch niet iets met die latex handschoentjes doen hè?’, hyperventileerde ik. Een ding was duidelijk: in geval van angst tutoyeer ik.
De agente lachte. ‘Welnee, die draag ik gewoon, omdat er ook andere mensen dan jij binnenkomen, die iets minder aandacht voor hygiène hebben.’
‘Moet m’n onderbroek uit?’, piepte ik nog.
‘Ja, die moet naar beneden, ik moet kunnen zien of er iets inzit. En je moet je billen wat uit elkaar doen.’

Slik. De opluchting die ik voelde toen ik hoorde dat de latex handjes nergens naar binnen hoefden, was gelijk weer verdwenen. Wat?! Mijn billen uit elkaar?!
Ik deed mijn roze onderbroekje een stukje naar beneden – jawél, naïef en boeklezend – en kreeg x-benen van angst, toen ik vervolgens op aanwijzing van de agente een trage pirouette draaide. Eenmaal met mijn rug naar haar toe, aaide ik twee keer langs mijn billen in de hoop dat het genoeg was. En – o lord! – het was genoeg!
‘Prima’, zei ze.

‘Moet ik mijn sokken nog uitdoen?’, vroeg ik, overmoedig door zoveel meevallers.
‘Omdat je het zelf aanbiedt, hoeft het niet. Als je er niet over begonnen was, had je die ook uit moeten doen.’
Dat leek mij een wankele denktrant in een opsporingsproces, maar allez, ik vond het allang best. ‘Mag ik me dan…’ ‘Ja. Kleed je maar aan, en meld je daarna nog even bij ons.’ Ze stond op en liet mij alleen achter in het hokje.

Ik voelde me als na een slechte vrijpartij met een onenightstand, die als-ie is klaargekomen gelijk zijn kleren aantrekt en de benen neemt: schuldig, verward, misbruikt. En stoned als ik was, vond ik het ook filmisch. Daar stond ik, blauwbeà¤derd in tl-licht, met meisjeshaar en een roze onderbroekje tussen mijn knieën, verwikkeld in een onderzoek naar verdovende middelen op het station van Maastricht.

Eenmaal aangekleed, dook ik weer in de meute Waalse jongetjes buiten het hokje. Het was nóg drukker geworden, de chaos was niet te overzien. Talloze Waalse jongetjes en nu ook één ander meisje, stuk voor stuk met samengeknepen billen van paniek – en van wat ertussen zat. En in verte mijn joviale douanier, in gesprek met de agente die mij zojuist naakt had gezien. Ik begon ze aardig te vinden.

Dat duurde niet lang. Staand aan een vensterbank vulde ik samen met de joviale douanier nog een aantal formulieren in. Er was vastgesteld dat ik 4,76 gram stuff bij me had gehad en dat ik dat in de coffeeshop met de naar buiten openslaande deur had aangeschaft. ‘Maar’ zei de douanier’, ‘u krijgt er geen proces verbaal voor als u het nu vrijwillig afstaat’. Klingeldeklingel, let the snowbells ring! Ik kan het dus ook nà­ét afstaan! Dat was het eerste wat ik dacht.
Een feestelijke gedachte!

‘En wat gebeurt er als ik het niet afsta?’, vroeg ik zó naïef en boeklezend mogelijk.
‘Dat kan ook’, zei hij. Ik dacht: Ha!
‘Dan nemen we het in beslag’. Ik dacht: Hmz.
‘En dan moet je minimaal tweehonderd euro boete betalen.’
Hmz, goed, ja, dat was duidelijk. Maar het stak. Op het formulier stond dat ik het vrijwillig afstond. Het voelde anders. Ruim dertig euro stuff door de plee. Kut.
Ik tekende, kreeg een klopje op mijn schouder van de joviale douanier. ‘Ga maar gauw , je kunt deze trein nog halen.’
Ik glimlachte naïef en boeklezend en stapte door de deur naar mijn vrijheid.

Hold that thought tot ‘Naïef en boeklezend (4)’, want het verhaal kent nog een paar leuke eindscènes.

Allegaartje (10)

Dingen die mij de afgelopen week het bloed onder de nagels vandaan haalden.
1. een mevrouw bij Telenet die zegt: “Het spijt me, maar wij maken de regels niet.”
2. een meneer op het fietsendepot die zegt: “U kunt een brief schrijven aan het gemeentebestuur, maar ik denk niet dat ze u gaan terugbetalen.”
3. een mededeling bij de geldautomaat dat mijn pas verlopen is

Dingen die ik sinds november deed om mijn zelfgebakken dreads vorm te geven.
1. elastiekjes aan de uiteinden binden
2. diezelfde elastiekjes van de uiteinden naar mijn hoofdhuid verplaatsen
3. opnieuw elastiekjes aan de uiteinden binden, om daarna de elastiekjes op mijn hoofdhuid weer weg te knippen (x90)

Dingen die mij verbaasden.
1. dat je ‘ge-e-maild’ zó schrijft, en dat men daarom aanraadt het niet te schrijven
2. dat ‘ge-msnd’ niet in het Groene Boekje staat (laatste uitgave: 2005)
3. dat ze bij de flikken zeggen dat een fietsenrek niet bedoeld is om je fiets een week in te zetten

Dingen die feestelijk waren de afgelopen week.
1. dat Sjeik nu één jaar bij ons is (klik)
2. veel ‘ja’s’ van opdrachtgevers
3. het optreden van Yuri in de kleine zaal van de Arenberg Schouwburg

Dingen waar ik ronduit kwaad om werd.
1. Telenet, dat eenzijdig het in juni afgesloten contract met UPC wijzigt, waardoor de contractvoorwaarden de helft minder gunstig zijn
2. de flikken die gewoon twéé sloten doorknippen, terwijl wij niet konden weten dat onze fietsen daar niet mochten staan
3. Argenta, dat niet even meldt dat je bankkaart op het punt staat te verlopen (x2)

Dingen die ik in getallen kan uitdrukken.
1. over 3 weken heb ik JC overleefd, (34)
2. over 3 weken ben ik weer tijdelijk 1 jaar ouder dan mijn lief (33)
3. over 4 weken heb ik 3 jaar verkering en dan speelt hij voor het eerst in Amsterdam (14-2)

Dingen die ik e-mailde.
1. “Het is brutaal, maar ook rechtvaardig dat ik u op deze manier mijn offerte toestuur.”
2. “Heeft hij het groene beestje op wieltjes nog een blik waardig gekeurd?”
3. “Bovendien gaat in België alles langzamer dan in Nederland.”

Dingen die mij verbaasden op tv.
1. dat een blonde vrouw een glas water in het gezicht van Joran van der Sloot gooide, nádat hij zijn glas wijn in het gezicht van Peter R. had gegooid, maar dat niemand dat gezien lijkt te hebben – let op de vrouw die op 30 seconden links het beeld in komt lopen
2. de Aussies are coming- hier in Belgie zie ik voortdurend Australische programma’s voorbij komen, heel wonderlijk
3. een gigantische gorilla in beeld – en Sjeik die contact wil maken – ik zei nog: ‘Niet in z’n ogen kijken!’ (foto volgt)

Dingen die de afgelopen week oerstom waren.
1. dat ik er vanuit ging dat het rode lampje betekende dat de camera draaide, maar dat er blijkbaar een rood lampje én een rood puntje nodig zijn
2. dat ik ‘opslaan’ klikte toen ik LWT zat af te mixen, terwijl ik een van de zangsporen een effect had gegeven, waardoor het spoor nu niet meer zónder effect bestaat
3. dat ik hieronder PricewaterhouseCoopers verkeerd schreef, terwijl er mogelijk iemand meelas die mij als corrector wilde

Dingen die enorm tegenvielen.
1. vrijdag tot diep in de nacht werken zonder resultaat
2. het besturingsgemak van de Simpsongame voor de Wii – het lijkt een heel lollig spel, maar na een half uur ben je geen haar verder, omdat het eindeloos duurt voor je de bewegingen doorhebt
3. dat je pas mag meedoen aan autodelen als je twee jaar je rijbewijs hebt

Dingen die wél fijn waren.
1. dat we die spelletjes gelukkig alleen maar huren, en dat we er dus geen veertig of vijftig euro voor hebben neergeteld
2. dat ik in het postkantoor champignons vond – yummie – en dat dat een klein feestje met mezelf was, omdat ik zeker drie jaar geen champignons heb klaargemaakt, wegens champignonshatende wederhelft
3. het telefoongesprek met mijn nichtje: ‘Hoe ist ermee?’ ‘Leuk, mijn tand staat nog losser’ en meer van die alledaagse, vrolijkmakende dialogen

Dingen die u zeker moet gaan zien.
1. Dexter, een waanzinnige serie, met suspense, esthetiek, David uit Six Feet Under en een pakkende verhaallijn
2. Bloedsporen in feestzaal de gefopte falafel – bij voorkeur in een theaterzaal
3. geen idee, tips zijn welkom

Lees ook de rest van de allegaartjes.

A little more information than…
en waarom ik dat niet erg vind

Elsewhere schreef het gisteren nog: way too much information. Dat ging vermoedelijk over dat zeiken in de wasbak, hoewel ik niet uitsluit dat ze een teringhekel aan Krezip heeft. Hoe dan ook, haar reactie sluit naadloos aan bij de vraag van Nina die ik nog zou beantwoorden. Wat is publiek en wat is privé, en in hoeverre zitten mijn familie/collega’s/vrienden op mijn schouder als ik schrijf.

Welnu, ik heb een paar ijzeren wetten: geen foto’s van anderen op internet zetten (tenzij een oog of wazig in de achtergrond), geen info over anderen verstrekken op internet, geen concrete medische info over mij en anderen en… uh… dat is het wel zo’n beetje.

In het begin, vier jaar geleden, dacht ik daar anders over. Toen schreef ik vrijwel niets persoonlijks, mijn ware identitiet was niet bekend en er stonden ook geen herkenbare foto’s van mezelf op mijn site. Gevolg: mijn stukjes hadden kraak nog smaak en ze hadden bovenal niets met mij te maken. Niks aan dus.

U kunt het navragen bij mijn vrienden: ik bén een uitgesproken mening, ik bén een liefhebber van smeuïge details, ik choqueer graag en ik werp graag knuppels in hoenderhokken c.q. proefballonnetjes in de lucht c.q. mijzelf in de openbaarheid. Met andere woorden: dat is mijn kracht. En hoewel het vast ook mijn zwakte is, heb ik ervoor gekozen mijn kracht optimaal te benutten.

Er zijn meer mensen die op weblogs schrijven, er zijn meer goede journalisten, er zijn meer columnisten, er zijn meer mensen die kunnen wat ik kan. Maar alleen à­k kan mezelf zijn. En dat is iets wat ik steeds meer besef. Ik kan mezelf alleen maar onderscheiden door mezelf te zijn.

Met andere woorden: ik denk dat ik in werk, webloggen en de rest van het leven vooral gebaat ben bij weinig censuur en veel jolijt. En persoonijk vind ik dingen die op de rand van ‘kan dat?’ balanceren het allerleukst om over te schrijven, te lezen en te praten. Dwarzand en ik praten dolgraag over leugens en bedrog, mijn lief en ik praten dolgraag over vieze dingen en ik praat met vrienden graag over heel persoonlijke dingen. De grote gemene deler is niet aan mij besteed en ik zit ook niet echt te wachten op publiek/lezers die willen lezen over schapen en lemmingen. Daarvoor moeten ze bij de schapen en de lemmingen zijn.

Kortom: hoe persoonlijker hoe beter, hoe schokkender hoe leuker en hoe ranziger hoe vrolijker. In die zin is er niet zo heel veel verschil tussen publiek en privé. Daarbij wil ik wel een kanttekening maken: ik schaam me wel eens. Meestal is dat als ik thuis kinderachtig doe, tegen mijn lief that is. En omdat ik de tijd dan het liefst zou willen terugdraaien, zou ik wel gek zijn daar iets over op tinternet te pleuren. Met een waybackmachine is het namelijk nog onmogelijker de tijd terug te draaien dan in m’n hoofd. Bovendien kan ik mijn lief nog wel bedotten met veel het spijt me’s en sorry’s, maar het internet is onverbiddelijk: eens geschreven blijft geschreven. Dus wanneer ik mijn lief het bloed onder de nagels vandaan haal door hormonen, een kleinzielig karakter of een pesthumeur, dan zal ik daar niet snel over schrijven. In de hoop dat ik in zowel zijn hoofd als de mijne de tijd een stukje kan terugdraaien met mijn spijtbetuigingen.

Daarmee zijn twee vragen van Nina beantwoord (wat is publiek en privé en in hoeverre zit er allemaal volk op mijn schouder tijdens het schrijven): ik verzwijg weinig, maar ik schrijf niet veel over anderen. Mijn moraal is mijn moraal en niet die van vrienden of familie, dus die laat ik er zoveel mogelijk buiten. Collega’s heb ik niet. Opdrachtgevers wel, maar ik werk graag met opdrachtgevers die dit mijn sterke kant vinden. Dat lukt. Ik krijg mails van opdrachtgevers of ik iets wil schrijven in ‘mijn stijl’, en dan komen ze met kwalificaties als ’stout, prikkelend en vrolijk’. Dat had ik nooit bereikt als ik de rem erop had gehouden.

Tot slot de vraag van Nina of ik het vervelend vind dat ‘nieuwe’ contacten al zoveel over mij weten door mijn weblog. Dat is een lastige, want dat wisselt. Zowel de aanwas van nieuwe contacten is wisselend, als het feit dat ze ‘zoveel’ van mij weten. Allereerst moet ik zeggen dat mijn ‘echte’ vrienden mijn weblog nauwelijks lezen. Hoe dat precies komt, weet ik niet, maar na vier jaar ben ik aan dat idee gewend. Nieuwe contacten krijg ik heel vaak door mijn weblog en het zou merkwaardig zijn als ik dan zou zeggen dat ik last had van mijn weblog, want veel van die contacten had ik niet gehad zónder dat weblog. Sinds ik België woon is het weblog een goede manier om mij ouders, mijn zus en het handjevol vrienden dat mijn weblog wel leest op de hoogte te houden van mijn wel en wee. Andere mensen doen dat via bulkmails, ik doe dat via mijn weblog.

Maar dat is eigenlijk nog geen antwoord op haar vraag. Na nog even nadenken, kom ik tot de volgende conclusie: hoewel alles hierboven suggereert dat mijn hele leven op het web staat, is dat verre van waar. Ik schrijf alleen over schrijffà¤hige dingen. Dingen die mooi afgerond met een specifieke invalshoek kunnen leiden tot een leuk stukje. Mijn leven is niet mooi afgerond, kent geen specifieke invalshoek en duurt elke dag 23 uur 45 minuten langer dan het stukje dat ik schrijf. Iedereen die denkt alles over mij te weten, komt dus bedrogen uit. En zodoende valt er tijdens het klinken van de glazen met een nieuw contact nog voldoende te bespreken.

Gelukkig maar, anders zou ik direct ophouden met webloggen. Want hoe Holly Hobbie het ook klinkt: het echte leven is nog altijd een tikkeltje belangrijker dan dat in enen en nullen.

Pissen als een vent in pí­zjama
met Krezip op de achtergrond

D’n Toxin vroeg om geheimpjes. Maar geheimpjes zijn niet voor niets geheimpjes. Daar ben ik principieel in. Als alternatief beloofde ik hem drie freakeigenschappen. Wat er nu uitkomt is een soort mengeling van beide, geheimpjes en maffe eigenschappen.

- Ik pis als een vent in de wasbak.
Wij hebben alleen een plee beneden, maar wij slapen boven. Soms, vooral als het koud is, moet ik elke vijf minuten plassen. Met mijn luie inslag is om de vijf minuten naar beneden lopen geen optie, dus staat er een stoel voor de wasbak in de slaapkamer waarop ik plaatsneem in skistand, zodat mijn lief via de spiegel goed uitzicht heeft op mijn billen. Details over wat ik dan precies doe in skistand, mag u zelf invullen. Anders dan de gemiddelde man sta ik na afloop overigens flink de wasbak te schrobben.

- Ik loop regelmatig de hele dag in mijn pà­zjama, zoals ze dat hier noemen.
Heb ik u ooit telefonisch geïnterviewd, heb ik ooit met u ge-msnd, heb ik ooit langdurig met u gemaild? Welnu, grote kans dat ik achter mijn bureautje zat in een pà­zjama. Mijn pà­zjama bestaat meestal uit een joggingbroek met een afgekeurd t-shirt met lange mouwen (afgekeurd wegens stom model, verkeerde kleur of te veel vlekken). Denk daarbij nog een brilletje en dreads alsof ik net mijn vingers in het stopcontact heb gestoken en voilà : u heeft een beeld. Ik moet altijd een beetje gniffelen als ik, pak ‘m beet, de bestuursvoorzitter van PricewaterhouseCoopers interview met een gat in mijn kruis en make-up tot op m’n kin.

- Ik kan de eerste cd van Krezip helemaal meezingen.
Volgens mij is dat heel erg not done in mijn wereld van muziekliefhebbers die alleen over Mike Patton slash Mr. Bungle en zulks praten. Daarom zeg ik het nooit, zoals ik ook nooit zeg dat ik stiekem dol ben op Sade en dat ik vroeger naar Scritti Politti luisterde. Ik vind de eerste cd van Krezip leuk. Van de tweede cd weet ik het niet, want mijn politiek correcte inborst voorkomt dat ik de weg van meisjesmuziek erg openlijk bewandel, dus om mijn imago te beschermen staat er van zulke artiesten telkens maar één cd in mijn platenkast. Maar die eerste cd, inclusief het slechte Engels en duizend keer de uitroep ‘yeah’ kan mij bekoren. Nog erger: ik ga steevast huilen bij het nummer ‘Won’t cry’. Ik bedoel maar.

Kijken, kijken, niet aankomen

Zij van vuur zei het al: Zezunja kan Maanzand.com krijgen. En dat pleit voor mij, blijkt uit haar stukje.
Maar wat wil het toeval: u kan ‘m ook krijgen. Kijken, kijken, niet aankomen, welteverstaan. Want hij die stukjes schrijft met als kop Help, ik word cabaretier, is cabaretier geworden en u kan ‘m toeklappen op de volgende plaatsen:

*Zaterdag 12 januari | Kosmopol Leuven
Vanaf 21u – Met Tom Cools, Edgard Soetermans, Yuri Maanzand, Bram Vanden Broecke, Xander De Rycke & Seppe Toremans (MC)

*Zondag 13 januari | Arenberg Antwerpen
Vanaf 20u30 – Met Stijn Vranken, ZWAM, Arrown and the Flagpole, Yuri Maanzand & The Black Denver

*Zaterdag 2 februari | Audities Griffioen/Zuidplein Cabaret Festival in Amstelveen
Vanaf 12u

*Donderdag 14 februari | Crea Amsterdam
Vanaf 20u30

*Zaterdag 1 maart | Buster Antwerpen
Vanaf 23u

Ziezo, dan is uw agenda voor 2008 weer iets minder leeg.
Voor een eerder staaltje onvervalste reclame kunt u het stukje hieronder over allerlei awards ook nog even lezen.

Schoenendozen vol stoute schoenen

Oei, een identiteitscrisis. Alweer.

Een ingewikkelde deze keer, want het gaat over ‘winnen’. Ik heb al vaker gezegd dat de Olympische gedachte mij wezensvreemd is. Ik doe mee om te winnen. Altijd. Nooit niet. Neem Kolonisten van Catan. Kom bij mij niet aan met één schaap tegen één hout, ik doe het alleen voor twee schapen, en als ik echt bloeddorstig ben voor drie. Dat werkt. Ik eindigde bij de meeste Catantoernooien toch op zijn minst in de finale, terwijl de mensen die met een slijmerige glimlach hun tegenstander verder hielpen met een ruil van één tegen één na de eerste ronde slechts als klapvee mochten dienen.

Goed, tot zover mijn toelichting op mijn hoogst eigen aversie tegen de Olympische gedachte. Dan nu het dilemma.
A. Ik ben tegenwoordig een halve Belg en onbescheiden zijn past niet zo in mijn inburgering. Ik doe amechtige pogingen terughoudend en bedeesd over te komen – waarmee ik niet wil zeggen dat dat lukt, maar mijn pogingen zijn prijzenswaardig, al zeg ik het zelf. Ik slik de helft van mijn verhalen in om niet het hoogste woord te voeren (want dat is zó Nederlands), ik ben zelden nog Himmelhoch jauchzend en zelden zum Tode betrübt, ik laveer, ik balanceer en ik nuanceer dat het een lieve lust is. Kortom: ik ben voor mijn doen heel erg timide en bescheiden. En dan breekt daar ineens de tijd van de weblogawards aan. Awards waar je jezelf voor moet of mag aanmelden. Nou, en daar zit je dan dus met je bescheiden gedrag. Lekker dan. Zucht.
En voorts B. Ik noem mijzelf een halve Belg, wat natuurlijk niet zo is. Ik ben door mijn paspoort een volbloed Nederlander en door mijn woonplaats en verblijfsvergunning onomstotelijk een inwoner van België. Hoe je zoiets noemt: ik weet het niet. Maar nu is dus de grote vraag die ik mijzelf stel tijdens het jassen der patatten: voor welke award kom ik in aanmerking? Een Nederlandse Dutch Bloggie of een Belgische Bward?

Voilà , daar is-ie dan: de identiteitscrisis. Er rest mij niet veel meer dan te schipperen tussen bescheiden en Nederlands (ik zet die twee maar even als tegenovergestelden tegen elkaar af) en tussen Belgisch en Nederlands. En in al mijn ‘Ollandse lompheid heb ik besloten tot schoenendozen vol stoute schoenen. Zoals daar zijn: ik ga op mezelf stemmen, hoe onbescheiden dat ook moge zijn. En ik ga meedingen naar beide awards. De kans is natuurlijk uiterst klein dat ik een van de twee awards mee naar huis mag nemen (hoewel ik twee jaar geleden nog slechts de billen van Merel Roze en GeenStijl voor mij zag in de race om de award voor best geschreven weblog, maar hee, happiness comes in small doses heb ik mij laten vertellen). Maar al met al kunt u zich dus helemaal het leplazarus stemmen om mij ergens in avondkleding te laten opdraven voor een beeldje voor op de schoorsteen.

U kunt hier terecht voor een stem op Zezunja.nl voor de B-wards: de Belgische weblogawards.

En u kunt hopelijk binnenkort hier stemmen voor een vinkje achter de naam Zezunja voor een Dutch Bloggie. Ik houd u op de hoogte wanneer het zover is.

Mocht u al op mij gestemd hebben of heeft u mij genomineerd of weet ik veel wat – met andere woorden mocht u iets met mij gedaan hebben en nog een e-mailadres over hebben om te stemmen. Of mocht u nog een tweede en derde plaats over hebben, dan is dit mijn stemadvies.
In Nederland: ik stem voor Polle, zeker weten. Maar ik gun het de andere collectiefgenoten ook. Bovendien kunt u ook stemmen op de NietLief-website.
In België: ik adviseer maanzand.com, Tante Annie, Tales from the crib en niets.dan.vuur.

Maar (*onbescheiden modus aan*): uhm…eerst ik dus!

Gezwets-hoos in jazz club

Lees hier verder. Voor een eerdere aflevering: klik hier.

En dit is ook leuk.

Hoe zou het dán zijn?

Een stukje als antwoord op de vraag van Esther.

I

Het leven is een chaos, een puinhoop. Je bent halsoverkop vertrokken uit een relatie van zeven jaar en je probeert te settelen in je nieuwe leven op een waas van adrenaline, gebrek aan calorieën en een strakgespannen toekomstverwachting.

In dat grote gevoel, waarin ik met een grimas de woorden ‘ik-wil-een-nieuw-leven’ droomde, hoorde ik altijd één grondtoon. ‘Het komt wel goed met mij.’ Hoe hard ik ook huilde, hoe wanhopig ik ook nieuwe liefjes uitkoos, hoe donker het ook was in mijn veel te dure huurhuis: met mij zou het goedkomen.

Vanuit dat gevoel lukte het me soms om in het windstille oog van de orkaan vooruit te denken. Niet een uur vooruit, maar soms een vol jaar vooruit. En als ik echt heel dapper was, dacht ik twee jaar vooruit. Met de meest kinderlijke formulering denkbaar bezweerde ik de toekomst. ‘Hoe zou het dán zijn?’.

In mij ontbrandde een vurige hoop. Dat ik over een jaar misschien wel gelukkig zou zijn. Écht gelukkig. Soms was dat in het Spanje van mijn geestesoog, soms met een yup in de Pijp. Soms waren dat momenten van verlangen naar avontuur, soms was dat een kwestie van een huisje, een boompje en een beestje. Maar altijd sijpelde erdoorheen: het komt wel goed met mij.

II

‘Hoe zou het dán zijn?’
Nu is dan.

Het Spanje van mijn geestesoog lijkt op Leuven. Ik droomde mij in een ver vreemd land en ik belandde in een dichtbij vreemd land, met een huisje, een boompje en maar liefst drie beestjes. Mijn wereld is overgeschilderd op een manier die ik toen niet durfde te dromen.

Ik tart al mijn verwachtingen en dat geeft vleugels. De vibratie van het freelancen, de hartstocht waarmee ik me overgeef aan mijn verkering en de flipperkastachtige creativiteit die mijn kluizenaarsbestaan in dit provinciestadje oplevert: wie had dat ooit gedacht.

De vraag hoe ik omga met heimwee en het gemis van vrienden is daarmee beantwoord: ik tel mijn zegeningen. En gek genoeg zijn heimwee en gemis een turfje op mijn zegeningenlijst. Huilen is niet erg, missen is mooi en verder dat verhaal van kwaliteit en kwantiteit. Alle contacten – met vrienden, familie, de stad Amsterdam – concentreren zich in weldadige weekendjes en dat voelt doelgerichter dan een vriendschap tussen de soep en de pattaten. Een vleugje afgedwongen doelgerichtheid is nooit weg voor een grenzeloze veelvraat als ik.

‘Hoe zou het dán zijn?’
Het is goed. Mijn planeet draait in de juiste baan om de zon en zo had ik het drie jaar geleden in het oog van de orkaan stiekempjes gehoopt. En in weerwil van mijn wispelturige aard, blijf ik maar even zitten waar ik zit. Afhankelijk van aardse zaken als financiën, werk en de daarbij behorende vooruitgang, kan het zijn dat ik met mijn lief onder mijn arm nog eens mijn biezen pak. Maar er is geen haast geboden, want ik weet nu wat ik me toen zo hartstochtelijk afvroeg: amaai, wat is het goed.

Kladje

Even een kladje met de verzoekpraatjes die jullie nog van me te goed hebben.

Paul wilde een outtake van Little White T-shirt horen.
Ik ben wel bezig met een nummer, maar momenteel heeft werk altijd prioriteit en afmixen kost zóveel tijd dat het er vaak bij inschiet.
Het is wél een van de goede voornemens voor 2008: dat alle nummers van LWT aan het eind van het jaar beluisterbaar zijn, ook de ooit afgekeurde.

Wat Lilimoen wilde: iets over nachtelijke avonturen, Maanzand en verkeersborden. Nou, in elk geval poezen.
Qua poezen heb ik een verrassing die lekker nog even een verrassing blijft. De rest van dit verzoek ga ik stukje bij beetje ontwarren.

Esther wilde weten hoe ik me staande houd in dit verre oord. Hoe ik omga met heimwee en gemis van vrienden en familie. En of ik voorgoed blijf.
Een fijn stukje om te schrijven. Komt voor de bakker!

D’n Toxin wilde kleine geheimpjes horen.
Ik heb maar heel weinig geheimpjes, en de echte geheimpjes die ik heb, ga ik grondig bewaren. Maar ik heb wel een keur aan freakeigenschappen. Misschien dat ik er daar drie van kan noemen?

Nina wilde graag weten wat ik ervan vind als blijkt dat iemand bij de eerste kennismaking alles van me weet door mijn weblog. Verder vraagt ze wat voor mij de grens is tussen webloggen en privé. En of ik rekening houd met anderen, zoals werkgevers, vrienden en familie.
Ik zal mijzelf eens even op de sofa leggen en een mooie analyse tevoorschijn toveren.

Octavies verzoekje staat hier en iedereen die een toptien aanvroeg, heeft er een paar gekregen.

Maar alles wat hierboven staat komt binnenkort in uw theater!

De meet ‘n greet met Maarten en Micha

“Maar hoewel ik niet geloof in enig afterlife, zijn er twee doden voor wie ik wél moeite zou doen om ze onder het genot van een goed glas bier en een bakje nacho’s eens flink aan de tand te voelen. Micha en Maarten. Micha en Maarten zijn twee vrienden die allebei op mysterieuze wijze verdwenen. De één in 1993, de ander in 2004. En juist door die verdwijning valt er een hoop te bespreken.”

Lees het hele stukje over wie ik nog wel eens zou willen ontmoeten op nietlief.com.

Zeg

Heeft u de bananentruc eigenlijk al gedaan?

Ik was dertien in ‘87,
dus de wansmaak vierde hoogtij

In november bedachten we dat we op de laatste dag van het jaar een eightiesquiz wilden organiseren. Liefst met ‘Ollanders én Vlamingen, liefst met een man of twaalf, liefst bij ons thuis en liefst met een avondvullend programma.

Afgelopen maandag was het zover, de quiz klopte helemaal: er waren ‘Ollanders én Vlamingen, het was bij ons thuis, de quiz duurde zes volle uren en we waren met zestien man waarvan de meesten elkaar niet kenden.

Ik giet het verslag van de quiz in hoofdstukjes, om te beginnen met de voorbereiding.

Stock Aitken & Waterman
Vergeef me, maar als à­k terugdenk aan de jaren tachtig, denk ik aan Stock, Aitken en Waterman. Ik was dertien in ‘87, dus de wansmaak vierde hoogtij. Mijn lief is even oud als ik en aangezien wij beiden een even grote vinger in de pap hadden, regeerde in onze quiz de wansmaak.

De moeilijkste vragen in de wansmaakcategorie waren 1. die waar je Modern Talking alleen aan hun haar moest herkennen, want ze zagen er hetzelfde uit als alle andere mannenbands in de eighties, alleen dan met een iets grovere permanentkrul. En 2., een medley waarin tien intro’s van Stock Aitken & Waterman achter elkaar stonden. En dan is Bananarama dus niet te onderscheiden van Rick Astley en Kylie en Jason.

Wist u trouwens dat S, A, & W ook Band Aid produceerden en You Spin Me Round Round van Dead or Alive? Ik vond dat wel voor ze pleiten. En wisten jullie hoe ze eruitzagen?

Schoudervulling
De meeste jaren tachtigoutfits gingen in één van mijn negen verhuizingen verloren. Alleen de Converse All Stars gaan in veertien verschillende kleuren nu al twintig jaar mee. Maar aangezien we onze genodigden hadden opgezadeld met de dresscode ’strictly eighties’, moesten we er zelf toch ook aan geloven. Gelukkig kocht ik laatst in een noodgreep witte sportsokken (noodgreep, heusch), dus een deel van Yuri’s outfit was al klaar. Een ander voordeel is dat de eighties weer heel erg hot zijn. Daar zit ook een nadeel aan, want beenwarmers kosten ineens veel geld, terwijl je die drie jaar geleden aan de straatstenen niet kwijt kon, maar toch: er waren dunne riempjes te over, vleermuismouwen, grote oorbellen en fluorkleuren, dus er was een kans dat iedereen wel een eightiesoutfit kon vinden.

In de weken voorafgaand aan de quiz scharrelde ik overal spulletjes vandaan om mijn outfit te vervolmaken. Mijn moeder bleek nog losse schoudervullingen paraat te hebben. Luna stuurde mij onlangs een stel buttons. Verder vond ik nog een trui tot op mijn knieën, en met een smal riempje eromheen was dat heel erg Doris D and the Pins. Diep in een la diepte ik een doos met alle kleuren oogschaduw van de regenboog op die ik aanschafte in, jawel, de jaren tachtig…

Nog een weetje voor de liefhebbers: in Vlaanderen heten schoudervullingen epoletten (of epauletten).

Sonny Crocket
Het bezoek was mindblowing eighties. Kraagjes rechtop, veel, heel veel gel en zowel de mannen als de vrouwen hadden big hair waar mogelijk. Er was een Tracy Ullman-look-a-like met een pettycoat en een zachtpaarse bloes waarvan de punten ter hoogte van haar taille geknoopt waren. Sonny Crocket himself kwam ons met een bezoek vereren, zonder sokken en met roze colbert met opgestroopte mouwen. Woei, zo fout! Mijn lief was een Jimmy Somerville-figuur met een dun stropdasje over een lichtblauw poloshirt, een heel hoog opgerolde broek en zo’n Danny de Munkpet. Er kwam een Curiosity Killed The Cattype met een hoedje en een giletje, En A. was de onbetwistbare schoudervullingkampioen, bovendien had ze van die broches in de vorm van gekleurde zonnebrillen en een stel grote ronde hangoorbellen. Er waren zeker tien beenwarmers aanwezig en ik telde drie jeansjasjes en -bloesjes. Alle vrouwen zagen er mishandeld uit met blauwe oogschaduw en vieze paarse lippen en er was iemand met een heusch Dolly Dotkapsel. Ik ben nog immer ontroerd door de details. De sjaaltjes met twee van die punten over je borst hangend, veel letters op kleren, opgerolde mouwen en een vleugje New Wave.

Pia Zadora
Een groot deel van de quiz bestond uit muziekvragen (iets meer dan een derde denk ik). We hadden vragen over muzikanten en hun uiterlijk. We hadden vragen over vervormde muziekjes, we hadden medleys waaronder eentje met een resem gelikte saxofoonsolo’s uit de jaren tachtig, eentje met synthesizers, en een met duetten (Aretha & George, Aretha & Annie, Tina & Mick, Mick & David, etc.). We hadden een boel koptelefoonvragen, waarbij iemand uit het publiek met een koptelefoon een liedje moest meeneurieën en dan moest de rest raden wat het was.

De voorbereidingen waren utterly fantastisch, veel bands bedenk je meteen als je aan de eighties denkt (Michael Jackson, Madonna), maar wie denkt er nog wel eens aan Wee rule van de Wee papa Girl Rappers of aan Go see the doctor, die rap over een soa. Daarbij is het fantastisch om de echt goede New Wave terug te horen.

Maar het opvallendste aan de voorbereidingen was dat ik de eerste weken niet kon ophouden met dansen. Kennelijk raakt jaren tachtigmuziek mijn oerdansinstinct. Dat geeft te denken.

Edoch, na ongeveer een maand kwam het mijn oren uit. Nog één keer Pet Shop Boys en nog één keer de overgeproduceerde ellende van Whitesnake en ik zou mijzelf van kant maken. De quiz moest toen nog beginnen.

Overigens: een gotspe is wel dat de winnaar van de quiz (en dat was hij met straatlengte) Pia Zadora en Jermaine Jackson niet herkende in de duettenmedley. Hoe eighties ben je dan?

De wijnvlek van Gorbatjsov
De vragen die niet over muziek gingen waren vragen over gadgets, over nieuws, fotovragen, film, tv en persoonlijke vragen. Qua nieuws domineerden de val van de muur, het Heizeldrama, aids, de Herald of Free Enterprise, Reagan en Tsjernobyl. Qua gadgets waren het – onder veel meer – teletekst, jojo’s, Donkey Kong en de lolobal waar de aandacht naar uitging.
De fotovragen waren ook mooi, met natuurlijk een bijzondere plaats voor de man met de boodschappentas op het Plein van de Hemelse Vrede, maar ook foto’s van Boris Becker, FloJo, de Challenger en de kaart van Europa in 1980.

De quizers werden massaal vertederd door de film- en tv-vragen. Tranen vloeiden bij de scène waarin het paard Artax verdrinkt in het moeras van The Neverending Story. En dan te bedenken dat we er niet eens beeld bij lieten zien. De vraag bestond slechts uit het geluid van de scène. Later zei iedereen ‘Aaaah’ bij de begintune van Familie Ties en een scène met Tony en Angela uit Who’s the Boss.

In alle hectiek van de voorbereidingen bedachten we veel meer vragen dan er in een quiz van zes uur passen. Helaas, want zo kwam een van de leukere vragen er niet. We zouden de wijnvlek van Gorbatsjov zo close-up laten zien dat die net een landkaart zou lijken. De vraag zou zijn: waar ligt dit?

Rob Lowe
Tot slot de persoonlijke vragen. Alle quizers kregen vooraf een paar vragen over hun favoriete muziek, film, tv-serie, kledingstuk en woord uit de jaren tachtig, en over hun grootste idool en het nieuwsfeit dat ze het meeste was bijgebleven.

De antwoorden van de deelnemers waren wonderbaarlijk overlappend, want hoewel de leeftijd varieerde van 27 tot 40 en de herkomst van Wuustwezel tot Amsterdam bleken de jaren tachtig toch grotendeels dezelfde highlights te kennen. Er waren zowel Nederlanders als Belgen fan van Merlina en Ciske de Rat. Er hadden zowel Nederlanders als Belgen herinneringen aan de Herald of Free Enterprise, het Heizelstadion en de lolobal. En er waren zowel Nederlanders als Belgen dol op Back to the future.

Mijn persoonlijke lijstje moest ook geraden worden.
Wat vond je – in de eighties – de beste tv-serie? Dallas
Wat vond je – in de eighties – het leukste gadget of speelgoed? Monchichi
Wat vond je – in de eighties – de allerleukste film? About last Night
Wat was – in de eighties – je favoriete kledingstuk? (nauwgezet beschrijven!) All Stars met rastaveters
Wie was – in de eighties – je allergrootste idool? Rob Lowe
Welk nieuwsfeit – uit de eighties – herinner je je het best of heeft het meest indruk op je gemaakt? Herald Of Free Enterprise
Wat is voor jou het ultieme woord van de eigthies? Wrede bok.

Er was nog iemand met als eightieswoord wrede bok. Dat was ook een Amsterdamse, geloof ik. Dat moet wel.

Het synthesizersyndroom
Ik kan geen Ad Visser meer zien, ik gooi mijn zweetbandjes weer in een verre uithoek van mijn huis, als ET belt, neem ik niet meer op, en als Yuri nog een keer het woord Vangelis op zijn Nederlands uitspreekt (Van Geeeeelis, met een zachte g – ^$&*#$), dan sta ik niet meer voor mezelf in.

10 redenen om die hele kleutermonologen overboord te gooien

10. Mislukkingen erkennen is een vorm van beschaving.

9. Ze waren bedoeld als monologen ter ere van mijn vierde verjaardag. Korte vertellingen, zoals ik die had gezien in de vaginamonologen. Kleine belevenissen en overpeinzingen na vier jaar webloggen. Die vorm kwam niet uit de verf.

8.. Ik had geen tijd om stukjes met kop en staart te schrijven. Ik dacht dat ik vakantie had, maar ik kwam in een uiterst streng feestregime, waarin elke minuut telde.

7. U vroeg om lijstjes. U wilde het jaar weer uit toptienen, net als toen. Een toptien is geen monoloog. Een toptien is een toptien.

6. Het idee was leuk, het woord was ook leuk (vier jaar oud, dus een kleuter), maar de uitvoering was beroerd.

5. Ik kan uw verzoekjes ook schrijven zonder een feestweek.

4. Dit is mijn weblog en als ik daar een mislukt concept presenteer, dan mag ik dat op mijn eigen onelegante wijze weer afvoeren.

3. Het tweeledige, enerzijds stukjes schrijven over webloggen en anderzijds aan uw verzoekpraatjes voldoen, werkte voor geen meter.

2. Eigenlijk is een weblog altijd een monoloog. En dat mijn weblog vorige maand de kleuterleeftijd bereikte, moet u er maar even bijdenken.

1. De belangrijkste reden: verschillende mensen denken dat ik sinds het begin van de kleutermonologen geen stukjes heb geschreven, omdat ze het stukje met de kop ‘Kleutermonologen’ al hebben gelezen. Er staan tien stukjes waarvan de kop met dat woord begint. Dat schiet niet op. Exit kleutermonologen.

Morgen een nauwgezet verslag van onze homemadeoudejaarseightiesquiz, de reden dat ik voorlopig geen synthesizer en drumcomputer meer kan horen.

Vergeet niet ook De kleutermonologen – 10 dingen die ik over deze week wil opschrijven 1 en 2 hieronder en daaronder nog te lezen.

De kleutermonologen – 10 dingen die ik over deze week wil opschrijven (2)

10. Wij zijn deadlinewerkers. Het was 24 december, de dag van kerstavond. De dag dat er een stuk of wat quizvragen, een stuk of wat moppen en een stuk of wat surprises/cadeautjes klaar moesten zijn. Ik had nog drie uur om het kabouterlied te oefenen, om cadeautjes in te pakken, een feestoutfit bij elkaar te scharrelen en de laatste hand aan mijn surprise te leggen. Drie uur is heel veel voor deadlinewerkers. Plots trof ik op internet een bericht dat er al om 14.00 uur gestaakt zou worden bij de treindconducteurs en dat betekende dat we al om 13.00 wegmoesten en dat we dus nog maar drie kwartier in plaats van drie uur zouden hebben. En dat is heel weinig voor deadlinewerkers.

9. Ik gaf een geschenkbon van de kringloopwinkel cadeau. Een bon die ik zelf graag had willen hebben.

8. De visite was hartverwarmend. Ze vonden het fijn bij ons. En ze zeiden dat. Veelvuldig. Dat het zo fijn was. Dat ze zo’n echte kamer hadden, met een echt bed, en dat ik zo lekker kon koken. Dat we op vakantie wonen. In een fantastische buurt, waar je eigenlijk elke avond een avondwandeling moet maken. En dat ze vaker komen. Mijn vrienden. Ze vonden het fijn bij ons.

Oei, bijna weer punt 8 en punt 10 te lang gemaakt. Maar deze keer ga ik stug door.

7. We hebben het laatste seizoen van Heroes uit en ik weet het niet met die serie. Ik wil het volgende seizoen zeker zien, maar hij haalt het toch niet bij de bankhangers van de afgelopen jaren Six Feet Under, Lost en The Soprano’s.

6. Golfen op de Wii is helemaal de max. Dankzij Dwarzand kregen we eindelijk door welke belangrijke info het scherm ons geeft en hoe spannend het spel kan zijn. Dwarzand mag vaker komen logeren.

5. Wij hebben iets nieuws. Maar voor mensen die in de jaren zeventig hun inboedel aanschaften is het iets heel ouds. Wij hebben sinds vorige week een fonduestel. Heel retro, donkerblauw emaille, met een knalrood plastic draaischijf eromheen. En ook nog een Creuset-kaasfondueschaal. Dus vrienden: maak uw borst maar nat, we’re going seventies.

4. Ik heb de afgelopen week vier keer een toeristische wandeling door Leuven gemaakt teneinde mijn bezoek te vermaken en het gekke is: het gaat niet vervelen.

3. Het mooiste vuurwerk in Leuven was toevallig door onze buren aangeschaft. daarom hadden wij in deze vuurwerkarme regio toch eersteklas uitzicht. Met zestien man op tuintafel, met ons hoofd in de vuurspetters. Het was mooi.

2. Het goede voornemen voor 2008 is: uitvinden hoe je zonder ligbad een geniepig klein gaatje in een tweepersoonsluchtbed vindt.

1. Ons hoogtepunt in 2007: ook zonder dat luchtbed zes mensen een fijne slaapplaats kunnen geven.

Zie ook de mislukte poging hieronder

De kleutermonologen – 10 dingen die ik over deze week wil opschrijven

10. Ik deed voor het eerst de bananentruc in gezelschap en de monden vielen open van verbazing. De truc is als volgt:
Voorbereiding: je neemt een dichte banaan en laat ‘m ongepeld. Met een speld of naald maakje vervolgens op drie plaatsen een gaatje. Door dat gaatje snijd je de banaan van binnen door op die drie plaatsen, door de speld/naald naar links en rechts te bewegen. Je hebt dan een ongepelde banaan die van binnen in drie stukken is gesneden.
De eigenlijke truc: je laat de banaan aan iedereen zien, om te tonen dat-ie ongepeld is. Let op dat je de kant met de gaatjes minder uitgebreid toont, want de gaatjes worden na verloop van tijd bruin, dus die kunnen opvallen. Leg de banaan dan op tafel met de gaatjes naar beneden (wederom zodat niemand ze ziet). Begin daarna met een jolige karate-act met veel handbewegingen en tsjakkaa’s. Doe alsof je de banaan op drie plaatsen doormidden slaat. Pel vervolgens de banaan en laat het publiek zien dat het je gelukt is om de banaan dóór de schil in drieën te slaan.

Damn, dit was pas punt tien.

9. Voor een kerstsurprise schreef ik een liedje in een kaboutertaal die ik zelf had verzonnen. Het liedje onstond in 10 minuten. Conclusie: dat is dus echt wel mijn toekomst hè, liedjes in zelfbedachte kaboutertaal schrijven.

8. Mijn hele leven al ben ik op zoek naar mensen die net als ik een blitzmuseumganger zijn. Mensen die dus wel van musea houden, maar op de een of andere merkwaardige manier altijd binnen twee uur weer buiten staan. Als ik zo iemand tegenkom, begin ik er een relatie mee, ik weet namelijk: die mensen moet je koesteren. Maar wat blijkt: mijn hoogst eigen zus en haar man – met wie ze al vijftien jaar innig verstrengeld is – zijn de perfecte museumgangers. Ik wist dat niet: vroeger waren mijn ouders altijd mee en die zijn niet zo van de blitz. Maar Tweede Kerstdag was een revelatie: toen brachten mijn geliefde (ik zei het al: ik begin er een relatie mee), mijn zus, haar man en ik een perfect bliksembezoek aan Andy Warhol.

Voor een toptien zijn punt 8. en 10. veel te lang. Grmbl.
Ik begin opnieuw.

De Niet Lief Collectie:
De meet ‘n greet met Maarten en Micha

Dit stukje verscheen op 2 januari 2008 op nietlief.com. Kaat zwengelde het aan met de volgende inleiding:
“Lieve NietLiefjes,
Als ik een iemand graag had willen ontmoeten dan was het Mahatma Gandhi. Omdat ik het een van de meest bewonderenswaardige mensen vind die op deze aarde heeft rondgelopen.
Wie zouden of hadden jullie graag willen ontmoeten?”

Opdracht: Wie zouden of hadden jullie graag willen ontmoeten?
Geschreven door: Zezunja

Er zijn talloze mensen met wie ik wil eens een biertje zou willen drinken (Martin Bril, Joris Luyendijk, Bernard Dewulf). Veel mensen die ik zou willen interviewen (Arnon Grunberg, John Zorn, Josh Homme). En veel doden die ik terug zou willen roepen (Herman De Coninck, Andy Warhol, Roald Dahl). Maar tegelijkertijd ben ik niet zo van het ontmoeten. Mijn werk zou de perfecte route naar al die meet ‘n greets kunnen zijn en toch heb ik nooit moeite gedaan om mij te specialiseren in celebrityjournalistiek. En als de doden niet dood waren, zou ik vermoedelijk net zo weinig moeite doen om ze te ontmoeten als nu bij de levenden. Zonde van hun wederopstanding, dunkt me.

Maar hoewel ik niet geloof in enig afterlife, zijn er twee doden voor wie ik wél moeite zou doen om ze onder het genot van een goed glas bier en een bakje nacho’s eens flink aan de tand te voelen. Micha en Maarten.
Micha en Maarten zijn twee vrienden die allebei op mysterieuze wijze verdwenen. De één in 1993, de ander in 2004. En juist door die verdwijning valt er een hoop te bespreken.

Want drie maanden lang was Maarten kwijt. Mijn lieve collega, mijn vroegere buurjongen, de kok door wie ik van de koude naar de warme kant mocht verhuizen. Hij was 19 en nog nooit ergens anders dan in Benidorm geweest, dus bloedzenuwachtig toen hij in de zomer van 1993 met wat vrienden naar een Grieks eiland vertrok. Voor het eerst vliegen, voor het eerst zo ver en voor het eerst draaide de keuken verder zonder hem.

Twee weken zouden we voor hem invallen. Twee weken verdeelden we alle diensten over slechts drie koks en twee weken ginnegapten we over wat de bleue Maarten allemaal zou overkomen op dat hete Griekse eiland.
Maar twee weken werden drie weken. Maarten zat niet op het vliegtuig terug en niemand wist waarom niet. Op de terugweg waren zijn vrienden hem kwijtgeraakt en ze hadden geen flauw idee waar ze hem moesten zoeken.

Drie weken werden een maand, en later twee maanden. Toen werd hij gevonden door de Griekse politie. In het water in de haven van Athene. Zijn moeder moest zijn half vergane lichaam identificeren. We hebben hem in Amsterdam begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. De aula was te vol voor woorden, er klonk glamrock en Doe Maar en niemand van de aanwezigen wist wat er in de tussenliggende weken met Maarten was gebeurd.

Elf jaar later kreeg ik een vergelijkbaar bericht. Het was tussen Kerst en Oud en Nieuw en de wereld was in rep en roer over een tsunami. Ik kreeg een telefoontje: Micha was vermist. Micha, mijn vriend van de jaren negentig, de schaakmeester met wie ik Jaap Fischerliedjes zong, met wie ik tot vermoeiens toe over mislukte relaties sprak en met wie ik me wentelde in de nodige Weltschmerz. Micha was verdwenen in Thailand, maar het had NIETS met de tsunami te maken. Lekker dan. Probeer op zo’n moment maar eens hulp te krijgen. Van de politie. Van de ambassade. Van de ministeries. Wat zegt u? Een vermiste? U mag achteraan in de rij van duizenden vermisten.

Uiteindelijk is een vriend van Micha richting Thailand vertrokken om zelf te zoeken. Hij reisde zijn spoor na, kreeg het vermoeden dat Micha is verdronken, kwam uiteindelijk geen steek verder en keerde met lege handen terug. Zijn ouders verklaarden Micha enkele maanden later dood. We herdachten hem met zeker honderd man.

Ja, met Micha en Maarten zou ik zielsgraag op een barkruk eens een flinke boom willen opzetten.