Archief in maanden: maart 2008

[wijvenweek] Kinderkolder

Ik zou best een kindje willen, maar als ik kleine ijsbeertjes zie, wil ik ook altijd een klein ijsbeertje. En als ik bruine kindjes zie, wil ik graag een bruin kindje. Op National Geographic zag ik onlangs een Vietnamees kindje, dat wilde ik ook wel. En als ik heel kleine Gremlins zie, dan wil ik die ook.

Mijn kindje zou Vlaams moeten spreken. Die afgeplatte klinkers zijn schattig in een brabbeltaaltje. Hoewel ik tweetalig ook heel schattig vind. En handig. Engelssprekende kindjes vind ik ook leuk. Drietalig dus. En mijn kindje moet zich natuurlijk ook kunnen redden in het Noord-Nederlands. Viertalig. Maar het liefst heb ik dat het kindje op gezette tijden zijn mond houdt.

Als het kindje iets zegt, moet het schattig zijn. Filosofisch ook. En een beetje brutaal. Zoals Nina die op de vraag ‘hoe gaat het?’ altijd zei: ‘Leuk!’ En Luca die vermoedde dat hij pas over duizend jaar dood zou gaan. Dat meisje dat tegen Dr. Phil zei: ‘Hee, u heeft geen haar!’ mag ook komen. Ik eis de godganse dag het programma Praatjesmakers, maar dan – alstublieftdankuwel – zonder Jochem van Gelder.

Het kindje moet op mij lijken. Niet helemaal natuurlijk, want al mijn mislukkingen moet het kindje goed maken. Zo moet het kindje een goed gebit krijgen, het zal op zijn of haar vijftiende keurig een typdiploma halen en het zal beter opletten bij Duits. Bovendien zal het geen verkering nemen met die jongen die langspeelplaten stal.

Uiteindelijk zal het kindje geld opbrengen. Hoe, dat weet ik nog niet, maar het zal verdomme betalen voor negen maanden inkomstenderving, en al die luierdoekjes en snoetenpoetsers. Voor niets gaat de zon op en dat zal het weten ook.

Kortom: hier ten huize Zezunja wordt met smart gewacht op de dag dat er een bruin kindje met een Vlaamse tongval en een zak geld voor de deur staat.

(dit is het laatste stukje in het kader van de wijvenweek)

[wijvenweek] De mannen in mijn leven

Dit was eigenlijk het onderwerp van woensdag. Vergeef mij mijn dwarsliggen, het leven liep wat vertraging op. Ik buig mij alsnog over het fenomeen man aan de hand van de mannen in mijn leven.

Mijn vader
Het was begin jaren tachtig en op de tv-reclame zag ik bruingebrande Hemabreiboekmannen die wild dollend met een fotogenieke hond een of ander product aanprezen Dat waren mannen, dat waren vaders.
Mijn vader was een bedachtzame, ietwat stijve man, voor de oorlog geboren en zeker tien jaar ouder dan de vaders van vriendinnetjes. In niets een Hemabreiboekman.
Het is nu 2008 en in al die jaren kwam ik maar zelden iemand tegen die net als ik een rots als vader heeft. Een rots waarvan je exact weet wat je er aan hebt, een jonge geest in een lichaam dat evenmin verraadt hoe oud hij is. Een bedachtzaam, uiterst intelligent baken in de nacht. Iemand die niet zuipt, niet buiten de deur vrijt, niet knettergek is, niet moeilijk in de omgang, maar iemand die er is. Verstandig, grappig en: altijd. Dat zijn mannen, dat zijn vaders.

Mijn eerste vriendje
Ik was zes en hij ook. Op de speelplaats vroeg ik verkering. Hij zei ja en toen was het beklonken. Hij had de mooiste ogen die ik ooit had gezien en hij duwde me bijna nooit. Samen speelden we in de zandbak en ik leerde hem koppeltje duikelen. Als er nog maar één paar stelten was, dan gaf hij dat aan mij. Ik weet niet meer zeker of we het uitmaakten of dat het doodbloedde, maar zijn Hyves-profiel is alleen zichtbaar voor vrienden en kennelijk hoor ik daar dertig jaar later niet meer bij.

Mijn eerste samenwoonman
Het was 1989, want ik was vijftien. We hadden geklaverjast met een fles wijn en hij bracht me naar beneden. Hij wilde me zoenen, maar zo had ík het helaas nog nooit bekeken. Uit alle macht probeerde ik zijn getuite lippen te ontwijken, wat in dat krappe trappenhuis op de Albert Cuyp onbegonnen werk was. Hij zoende raak en een half jaar later woonden we samen.
We waren dikke vriendjes, en we kalverden dat het een lieve lust was. Dat hielden we vol tot ik bijna achttien was. Toen vertrok ik van de ene op de andere dag met 27 plastic tasjes en geen spijt. Hij woont nu in Finland, ik in België, en na twintig jaar hebben we nog steeds elkaars e-mailadres.

Mijn eerste echtgenoot
Met hem reisde ik, werkte ik, zocht ik het goede leven en leefde ik erop los. Hij was genereus, charmant, grappig en emotioneel. Hij was, zoals alle mannen in mijn omgeving, geen macho. De man met wie ik trouwde leerde mij te leven en ik leerde dat aan hem. En hoewel weer eens werd bewezen dat niets voor de eeuwigheid is, leerde ik ook dat scheiden van een mooi mens niet synoniem is aan een mislukt huwelijk. De man was gelukt, het huwelijk ook. Nu is het voorbij.

Mijn eerste baas
Dat was de eerste bullebak die dicht bij mij kwam. Qua man was het er eentje van het afstotelijkste soort: een hummer, geen humor en het empathisch vermogen van een eencellige. Ik was hulpkok, hij was kok, samen stonden we uren te zweten in een hete keuken, zwijgend. Hij was bang voor bijdehante vrouwen, ik voor pitbulls in disguise, (lees: in koksbuis en geruite broek).
We hadden elk ons eigen belang. Ik wilde werken, leren en mezelf zijn, hij wilde dat ik werkte, leerde en was wie hij wilde dat ik was. En omdat zijn wereldbeeld meer overeenstemde met dat van Al Bundy dan dat van mij, was vier jaar samenwerken een beproeving. Uiteindelijk won hij de derby tussen Venus en Mars door mij te ontslaan. Ik was opgelucht, van sommige mannen wil je niet afhankelijk zijn.

Mijn beste vriend
Tot mijn dertiende deed ik niet aan beste vrienden, ik deed aan dinnetjes in veelvoud. Elke week verkondigde ik op het schoolplein wie het nu weer had geschopt tot beste vriendin. Maar na mijn veertiende draaide dat om: ‘Beste’ werd het domein van de heren. Ik heb een hoop beste gehad, maar de laatste veertien jaar is het één en dezelfde. Dwarzand en ik zijn alle handen die we hebben op één buik. We doen in songwriting, relatietherapie, spelletjes en debat op hoog niveau. We tarten en tergen elkaar en we steunen en sterken elkaar. Sing halleluja daterzulkemannenbestaan.

Mijn man om bij te blijven
Dat is de man die prachtige liefdesbriefjes schrijft aan vrouwen die ik niet ken. De man die het voor mij opneemt als er een exhibitionist in mijn territorium opduikt. De man die zegt wel eens te moeten wenen als ik lekker eten voor hem klaarmaak. De man die het bestaan van alle mannen in één klap zinvol maakt. De man die het fanclubboek van Laura Lynn van zijn vader voor kerst krijgt. De man die mijn dreads draait. De man die geen krimp geeft als ik een deuk in de vuilnisbak trap. De man met wie ik al eens vadertje en moedertje speelde in een houten huisje. De man met wie ik blijf drijven.

[wijvenweek] De bevrijding

Ze hadden weer een thema vandaag: shoppen.

Ik loop door Amsterdam en zie een mooie sjaal voor maar zes euro, een super coole bulletvuilnisbak met panterstrepen en een bijzondere uitgave van een dichtbundel van Kopland. Verderop verkopen ze acht rijpe avocado’s voor een euro, er is een tweedehandswinkel met graaibakken en de schemerlamp van mijn dromen is afgeprijsd.

Ik loop door Antwerpen. Er is een Gamemania, een Mediamarkt, en duizend H&M’s met uitverkoop. Ik zie een prachtige stapel oude ansichtkaarten, een winkel waar ze de New Yorker verkopen, een bureaulamp met veermechanisme en een bak Kaapse viooltjes die me lieflijk toelachen.

Ik loop door Gent en ik tref de lekkerste oriëntaalse boemboes in veelvoud en een winkel vol kerstlampjes. Ik zie notitieboekjes in de uitverkoop – pennen, mapjes, mooie bakjes in roze en geel. Op de hoek van de straat verkopen ze staafmixers, kleine poesjes en mijn lievelingsbroeken.

Ik loop door Leuven en de prikkels blijven uit. In geen maanden deed ik een miskoop, geen mooie, goedkope broek die een maatje te klein blijkt te zijn. Geen té goedkope dunschiller, die na twee keer schrapen kaduuk is; geen zinloos spul, geen prullaria, geen kleine dinsigheidjes.

Sinds ik in Leuven woon ben ik voor 99 procent vrij van impulsaankopen en ik moet zeggen: het is een opluchting van jewelste. Zodra ik in Amsterdam, Antwerpen of Gent vertoef, voel ik een hand om mijn keel die mij dwingt te consumeren. Een stem die al mijn koopdrift aanspreekt: veel voor weinig geld, alles wat ik al jaren wilde en een kwestie van nu of nooit. Sinds ik in Leuven woon, besef ik pas hoe ongelooflijk vaak – om niet te zeggen voortdurend – een mens in een grote stad wordt aangesproken op zijn consumeerdrang.

Ik ben bevrijd.

[wijvenweek]
Over lijven, want dat moest

Ik ben complex en heb een complex complex dat ik ook nog eens alleen maar op een heel complexe manier kan uitleggen. Kortom: we hebben een c, we hebben een o, we hebben een m, we hebben een p en we hebben de rest van die riedel.

De c is van comfortabel
Er is iets schrikbarends gebeurd, in dit stukje schreef ik er al eens over. Ik ben van een meisje dat buiktruitjes en pofmouwtjes kocht/stal/leende, verworden tot een wombat met twee favoriete slobberbroeken, duizend pseudo-pyjama’s en een knelfobie. Aan mijn lijf geen knellingen, kneuzingen of kou, en geen fijngedrukte tenen, ingehouden buiken en strikt bijeengehouden billen meer.
Dus de foto’s van mezelf op wandeltocht in de Provence met suède hakjes van zeven centimeter en een decolleté van vergelijkbare omvang is definitief verleden tijd. Waar mogelijk bestaat mijn wereld uit verende zolen, behaaglijke warmte en ruimte rond elk mals deel van mijn lichaam. Dat mag misschien saai en weinig sexy klinken, maar wees gerust: ik werd doorgaans ook niet echt sexy van het smachten naar een stoel om mijn hooggehakte voeten te sparen, van snijdende strings tot diep in mijn rug en van tocht van mijn tietspleet tot aan m’n suivez moi. Ik word sexy van comfort.

De o is van ontevreden
Ik ken de theorie hoor. Wij vrouwen hebben een onrealistisch ideaalbeeld, een onrealistisch zelfbeeld, een onrealistisch streefdoel, dus die o moest eigenlijk de o van onrealistisch zijn. En toch, en toch, en toch: ik heb écht recht van spreken. Een goed voorbeeld: ik heb blonde wimpers. Jawel, ik geef talloze euro’s uit aan het zorgen dat niemand aan mijn benen kan zien dat ik een brunette ben, maar ondertussen moet ik de mensen ook laten geloven dat mijn beige wimpers zwart zijn. Pikzwart. De o had dus ook van oneerlijk geweest kunnen zijn.

De m is van mooi
Soms ben ik mooi. Ik moet er wel bepaalde poses voor oefenen en ik mag certain kledingstukken nooit uittrekken. Maar als ik dat eenmaal voor elkaar heb, ben ik best mooi. Zo heb ik amandelvormige ogen, heel rechte schouders en goeie turnkuiten. Over alle mislukte dingen probeer ik het nu even heel hard niet te hebben. En dat is gelukt.

De p is van pragmatisch
Natuurlijk wil ik graag mooi zijn. Liefst altijd. Maar met het basismateriaal dat ik heb gekregen, kost mooi zijn veel geld en veel tijd. Beide heb ik niet tot mijn beschikking en daar wordt een mens pragmatisch van. Zo heb ik een jas met capuchon voor badhairdays, verder heb ik mijn lief getraind mij ook mooi te vinden als ik mijn capuchon af heb. En als ik in de spiegel kijk, zeg ik zoemmmm, als teken van overgave. Heel pragmatisch.

De l is van lelijk
Mezelf lelijk vinden is geen enkel probleem. Dagelijkse kost. In wezen ben ik een optimistisch mens, maar de o van ontevreden zit ook in zoemmmm. Dus de blik in de spiegel leidt regelmatig tot de o van ongelukkig. Edoch, ik ben een optimistisch mens, met een makeuptasje, een ferme garderobe en een lief dat spiegelt dat ik mooi ben. Met wat kunst- en vliegwerk en de juiste dosis indoctrinatie komt het altijd weer goed.

De e is van extravagant
Met de c van comfortabel heeft ook de i van iets-minder-extravagant zijn intrede gedaan. Ik vind lange stelten met een superstrakke kont en weinig verhullends van boven prachtig. Maar na vijftien jaar overal overdressed zijn, behalve in wijlen mijn stamkroeg de Roxy, heb ik de neiging een beetje onder te duiken. Als een halve skater verstop ik me in baggy trousers, hoody’s en vans. Daar valt geen vrouw meer in te ontdekken. En toch: met mijn stoney oogopslag, mijn dreadlocks en mijn voorkeur voor felle contrasten vrees ik dat ik (zeker in België) nooit echt onder zal kunnen duiken.

De x is afhankelijk van de stemming van de dag
Vandaag voel ik me lousy, qua lijf. Mijn tanden moeten gepolijst, maar de tandarts had pas over vijf weken tijd, mijn dreadlocks zitten in een peuterpuberteit, met als gevolg dat er geen land mee te bezeilen valt en alle goede broeken zitten in de was. Maar er ligt een muts klaar, voor als ik met de handen in het haar besluit dat deze badhairday niet meer te redden valt. Want stemming of geen stemming: pragmatisch blijf ik altijd. En een muts is comfortabel – van comfortabel word ik sexy – daar zit een x in. En zo is het verhaal helemaal rond.

(PS Er is zelfs een echte wijvenweekwebzijde, zie hier)

Waar wijven over schrijven

Vanaf morgen is het Wlaamse Wijvenweek, wat overigens niet wil zeggen dat je met een harde g niet mee mag doen hoor. Over het hoe en wat kunt u morgen alles lezen bij i. en Lilith, ik beperk bij mij tot wat kruipen uit mijn schulp.

Want het was dus helemaal niet de bedoeling dat ik mijn rode wangen alweer aan de wereld zou tonen hiero. Hell nee. Ik heb het deze Wijvenweek nog onfatsoenlijk druk en ik zou pas terugkomen als die andere site af is. Genoeg reden dus om de kaken nog even op elkaar te houden. Maar dat was buiten die wijven gerekend. Die bedachten dat er in de drukste week van mijn jaar tot nu toe gewijvenweekt moest worden. Niks overleg, niks democratie: hup, zomaar gepland. En zoals u weet: tegen wijven valt doorgaans niks in te brengen.

Welaan dan, de oplossing was: vooruit schrijven. Dus zit ik vandaag (woensdag 19 maart) te doen alsof het vandaag (zondag 23 maart) is. En dat voelt heel grappig. Zo heb ik bijvoorbeeld de neiging om te zeggen dat ik nog steeds gestopt ben met roken. En het geinige is dat ik zélf niet weet of ik op het moment van publicatie een jokkebrok zal zijn.

Hoe dan ook: de etherstilte is onbedoeld opgeheven en wegens vooruitschrijven is niets wat het lijkt. Dus schrijf ik morgen (donderdag 20 maart) een stukje voor morgen (maandag 24 maart). Dat zal gaan over lijven. Want dat is waar wijven over schrijven.

FF

Ik ben ff weg, want er moet ff een andere site af. En er moet ff worden gestopt met roken. En ik wist me ff helemaal geen raad met Zezunja’s Zotisch Weblog. Dus ik heb mezelf ff vrijaf gegeven. Maar wees gerust: het duurt maar ff. Maar héél ff. Tot die andere site klaar is. Ongeveer.

Het gras bij de buren

Yuri staat in de finale van het Griffioen/Zuidplein Cabaret Festival (snel reserveren is het devies).
Ik leerde net iets over beperkende bijzinnen.
Yuri vraagt u duizend stuks (snel reageren is het devies).
Ik probeer een tekstje over de komma binnen of buiten de aanhalingstekens op te stellen.
Bij Yuri is het dezer dagen veel beter toeven (snel naartoe gaan is het devies).
Ik ken mijn plaats.

Vier jaar geleden


De Zezoentjes van Dagmar.

Oker zei: de volgende keer dat ik deze datum boven een log kan zetten, is pas over vier jaar. En ze heeft gelijk. Oker zei: ga eens na hoe je vorige schrikkeldag er uitzag? En ik ging eens na.

Vier jaar geleden was het 2004. Ik leefde op het randje van een afgrond, zowel geestelijk als lichamelijk. Die afgrond ligt in het dal achter me. In dat dal ligt een trouwring, er liggen twee huisjes en er heerst een moderne ziekte.

Vier jaar geleden stond ik op de berg aan de andere kant van het dal. Er stond een getrouwde vrouw, docent journalistiek en stresskip die binnen twee weken die afgrond in zou donderen – maar dat wist ik toen nog niet.

Vier jaar geleden had ik dolgraag het maatje 34 willen hebben dat ik een half jaar later had. Maar het dieet van hartenzeer, ziekteverlof en de-weg-kwijt-zijn zag ik absoluut niet aankomen.

Vier jaar geleden schreef ik dertien (!) stukjes op schrikkeldag – waarvan 99 procent grote stront. Maar waar rozen domweg verwelken en schepen stomweg vergaan, blijft het stukje met Dagmars Zezoentjes altijd bestaan.

Voor alle Zezoentjes, kijk hier.