Archief in maanden: mei 2008

Kijk omhoog Sammy

Sammy is blind. Maar Sammy is dan ook al 20. Hij behoort zo’n beetje tot de onsterfelijken.

Sammy is de broer van Zoë en Zoë was mijn eerste eigen poes. Sammy woont bij mijn ouders. Wat er van Zoë is geworden weet niemand, want Zoë liep weg. Laten we hopen dat Zoë een huis vond en net als Sammy de herfst van haar leven tot op het bot heeft uitgebuit.

Want hoewel Sammy blind is, lijkt hij niet ongelukkig. Okee, okee, hij is te oud om zijn eigen nagels te scherpen, dus hij loopt als een hooggehakte travestiet te tikken op het parket. En zijn actieradius is wat kleiner geworden, want voor een blinde poes speelt het leven zich meer en meer af op de begane grond. Je neemt wat minder makkelijk een schuttinkje mee als je in het duister tast, zullen we maar zeggen. Maar verder is Sammy een gezapige kater, die met zijn rafelige oren – Sammy was een vechterbaas – kan terugkijken op een leven met kippen, kikkers en kroelende vingers in zijn vacht.

Sammy’s eerste schreden op het blindenpad waren hartverscheurend. Ooit een blinde poes gezien? Nee? Stel u voor wat er gebeurt in een wereld zonder wit- rode blindenstokken. Een wereld waarin de blinde zijn handen achter zijn rug gebonden krijgt. Een wereld waarin vooruit tasten onmogelijk is. Het is ‘boem of niet’, meer opties bestaan er niet. In die wereld leeft Sammy.

Gevolg is dat Sammy de hele dag botst en weer terugdeinst, botst en weer terugdeinst en botst en weer terugdeinst. Er komt geen einde aan.

In het begin sloeg ik telkens mijn handen voor mijn mond. Niets zieliger dan een poes die tegen een muur/deur/tafelpoot botst en daarna even niet meer verder durft, uit angst voor weer een muur/deur/tafelpoot.

Maar na een tijdje werd het grappig, want zelfs het mensonwaardige bestaan van een poes went namelijk. En Sammy roepen en dan gauw weglopen zodat hij in het verkeerde deel van de kamer tegen een muurtje botste, was toch wel een dijenkletser van jewelste.

En het moet gezegd: de conditionering van zo’n poes is ook niet mis. Niet lang nadat hij volledig blind was, wist hij de belangrijkste routes zonder brokken af te leggen. Het kattenvoer, het luikje en mijn moeders knieën kon Sammy nog steeds zonder veel problemen bereiken.

Maar daar ging het fout. Als je zonder ogen – met als enige hoop je conditionering – op de tast door het leven moet, dan is een verbouwing funest. En zo gebeurde het dat blinde Sammy, totaal gedesoriënteerd door het leeghalen der huiskamer, op trot ging door woelig Amsterdam. Luister en huiver: de avonturen van bejaarde Sammy in het Amsterdamse verkeer volgen spoedig in ‘Kijk omhoog Sammy 2′.

De Vluchtige zoen – Zezoenja

Dit stukje verscheen als column op VPRO’s Café De Liefde.

Er was er eentje waarbij de schaamte overheerste. Die kwam ik tegen op straat. Ik was lazarus. Hij deed me denken aan de zanger van The Shorts. Dat maakte de schaamte niet minder. We kenden elkaar vijf minuten. We zoenden. Daarna liep ik verder met blosjes op mijn wangen. Ik schaamde me om de passie die ik voelde voor een jongen van wie ik de naam niet eens wist.

En er was nog een ander geval. Door hem hou ik hier dit passionele pleidooi voor De Vluchtige Zoen. Het was een Pool met een hoge hoed in Marseille, die me op een terrasje kwam vergezellen vlak voordat de trein vertrok. We praatten met handen en voeten en hij miste een tand. Maar hij was charmant en hij had iets magisch. We kenden elkaar net zestig minuten toen mijn trein fluitend wegreed. Er volgde een hartstochtelijk afscheid met een lange zoen, veel ik-mis-jes en wapperende zakdoeken uit het treinraam. Ik had geen adres of telefoonnummer, maar wel een gevoel van groot gemis. Het was de oerversie van de vluchtige zoen.

Ik heb tijden van hevige zoensletterij gekend, maar omdat dat zo intens verdorven klinkt, hou ik het liever op liefde voor de vluchtige zoen. De vluchtige zoen is voorbehouden aan mensen die je niet kent. De vluchtige zoen doet je altijd een beetje denken aan het woord zoensletterij en daarmee is het de verboden vrucht onder de zoenen.

Veel mensen zullen nooit in hun leven beginnen aan enige vorm van vluchtig zoenen. Bacteriën, moraal, relatietrouw: er zijn tal van redenen denkbaar waarom de vluchtige zoen aan sommigen van ons voorbij gaat. Maar hoewel ze het zullen ontkennen, hebben veel aan smetvrees lijdende moraalridders bakken vol ervaring. Schoolfeestjes, studentenleven, vakantievriendjes, het leven zit vol vluchtige zoenen. Ontkennen is zinloos.

Het fijne van de vluchtige zoen is dat alle hormonen die je maar kunt bedenken een deuntje meefluiten. Het is een bizarre mengeling van angst (is deze man die ik pas een half uur ken misschien een gestoorde gek die me de rest van mijn leven gaat stalken?), geilheid (vreemde lippen, vreemde geuren, vreemde smaken, alles vreemd) en schaamte (damn, wat ben ik gemakkelijk te versieren). Die cocktail van lichaamseigen drugs maakt de vluchtige zoen tot een geestverruimend middel van heb-ik-jou-daar.

Mijn pleidooi mag duidelijk zijn. Rest mij enkel nog te waarschuwen voor Lloret de Mar-achtige praktijken. De cocktail werkt namelijk niet zonder een angsthormoon. En elke avond negen vreemde mannen aflebberen is het terrein van de onverschrokkenen. Of om het in een paradox te zeggen: de vluchtige zoen moet wel exclusief blijven.

Geen adres of telefoonnummer,
wel een gevoel van groot gemis

“Het fijne van de vluchtige zoen is dat alle hormonen die je maar kunt bedenken een deuntje meefluiten. Het is een bizarre mengeling van angst (is deze man die ik pas een half uur ken misschien een gestoorde gek die me de rest van mijn leven gaat stalken?), geilheid (vreemde lippen, vreemde geuren, vreemde smaken, alles vreemd) en schaamte (damn, wat ben ik gemakkelijk te versieren). Die cocktail van lichaamseigen drugs maakt de vluchtige zoen tot een geestverruimend middel van heb-ik-jou-daar.”

Lees het hele stukje op VPRO’s Café De Liefde.

De obese teckel en mijn
verantwoordelijkheidsgevoel

We wisten al dat hij Pruts heet. Op zwoele zomeravonden als wij onszelf net gelukkig prezen met onze mooie en rustige buurt, werden we regelmatig geconfronteerd met die ene minder rustige factor in de buurt: het hondengejank.

Ik dacht toen al dat het een klein hondje moest zijn, het klonk namelijk scharminkelig en hoog. En machteloos – bouviers huilen niet machteloos, me dunkt.

Het gejank duurde meestal lang. Ik stelde me voor dat deze scharminkelige hond doelbewust werd buitengehouden. Dat zijn eigenaar zijn macht botvierde op de hond. Als je dubbel glas hebt, kun je scharminkelig gejank best in de tuin laten. En buren die zich op zwoele zomeravonden gelukkig prijzen met hun rustige buurt kun je een middelvinger geven. In mijn hoofd zei ik tegen de baas van de hond: zoek iemand van je eigen leeftijd!

Soms hoorden we de baas. Dan brulde hij ‘PRUTS!’, PRUTS!’ En dan zeiden wij weer tegen alkaar: ‘Arme Pruts!’ Waarna Pruts weer hevig begon te janken en wij onze woorden heroverwogen. Arme wij.

Op een dag hoorde we Pruts blaffen en janken. Het was een zonnige dag en we zaten wat te vegeteren in de tuin. Het geblaf en gejank vierde hoogtij, maar gewenning doet ook bij ongemak zijn intrede, dus wij hoorden het maar half.

En ineens stond-ie daar. Naast me. Pruts. In onze tuin. De tuin waar het onmogelijk is om als niet-poes en niet-vogel achterin binnen te raken. De tuin die zeker twee tuinen van Pruts vandaan ligt. De tuin die bevolkt wordt door hondenhatende poezen. Daar stond ineens een groezelige, obese teckel.

‘Hee hond’, zei ik ietwat verbouwereerd. Ik liep op ‘m af, het beest scheet bagger. Ik aaide ‘m wat en vroeg ‘m waar-ie vandaan kwam. Vervolgens pakte ik het beest op, om met ‘m de deuren langs te gaan. Pruts zeikte in zijn broek van angst. Zijn vacht zat vol met korstjes en hij was drie keer zo zwaar dan zijn gejank deed vermoeden. Langs mijn been liep pipi van Pruts.

Met de obese hond onder mijn arm en pipi op mijn knie belde ik samen met Yuri aan bij allerlei buren. Niemand was thuis. What the fuck? Van wie is deze hond? We liepen tot het einde van de straat en constateerden dat men Pruts niet echt miste. Wie ‘men’ ook was.

Tot ons oog viel op een dichtgetimmerd pand een paar huizen naast ons. Zou hij…? Zou daar iemand…? In dát pand…? Nee, dat kán niet. We liepen erheen en zochten een deurbel. Die was er niet. Ik klopte op de afgebladderde deur. Pruts plaste inmiddels niet meer en hij berustte in zijn lot: in mijn armen langs de deuren sjokken.

De deur ging open en daar stond Ma Flodder in hoogst eigen persoon, inclusief wratten met daaruit priemende lange witte haren. Yuri en ik waren totaal uit het veld geslagen. Dit pand, dat aan de voor- én aan de achterkant is dichtgeplakt, dichgetimmerd en verduisterd, wordt bewoond door mensen! Mijn God!

Ik wilde rechtsomkeert maken. Mét Pruts. In zo’n huis kon ik zelfs een schurftige hond met een zwakke blaas niet achterlaten. Maar toen doemde er achter Ma Flodder een jonge vrouw op, met een bleekgelig gezicht, enórme wallen en een piepklein baby’tje in haar armen. Mijn verbijstering maakte plaats voor verwarring. Geen hond, maar wel een zuigeling? Ik bedacht koortsachtig wat ik ervan moest vinden.

‘Is dit uw  hond?’, vroeg ik aan Ma Flodder.
Ma Flodder gromde wat terug. Het klonk bevestigend. Ik hoorde iets van ‘katten’, ‘over het dakje’ en ’stommenond’.
Ik gaf haar de hond terug. ‘Hij is bang’, zei ik.
Ma Flodder bromde, lachte haar ene tand bloot en sloot de deur.
‘Er kon nog geen bedankje af’, zei ik tegen Yuri.
‘…’, zei Yuri, nog immer met stomheid geslagen.

Thuisgekomen liepen we naar boven om vanuit het raam de situatie te analyseren. Pruts zit slechts twee tuinen verderop, waar het schroot en het vuilnis is opgetast tot bovenaan de haag. Onze katten zitten Pruts vermoedelijk regelmatig op afstand uit te dagen. Deze keer hebben ze Pruts tot bovenaan het puin getart, waardoor Pruts met zijn miezerige teckelpootjes ineens op de daken van de tuinhuisjes kon komen. En dan is het een kwestie van met je domme hondenkop vooruittrippelen tot je in onze tuin van het dak valt. En zo geschiedde.

Maar daarmee is de analyse niet gedaan. Want de belangrijkste vraag is: wanneer moet je als buren iets gaan ’signaleren’? Wanneer moet je je zorgen maken? Moeten die mensen niet geholpen worden? Zo bleek als ze waren, met nooit een streep daglicht in huis. Maar misschien hebben ze wel een lichtallergie. Of misschien zijn ze heel arm, waardoor ze geen gordijnen kunnen kopen en hun ramen verduisteren met schroothout en zwart plastic. Mag je je daarmee bemoeien? Moet je dat willen? Of is dat zelfs je plicht? Want wat gebeurt er als we allemaal vinden dat niemand zich met elkaar moet bemoeien? Misschien wil die mevrouw wel liever gordijntjes dan schroothout voor de ramen. En misschien zou ze dolblij zijn met een uitgemeste tuin. In dat geval is ze misschien heel opgelucht als ik haar mijn hulp aanbied. Maar misschien denkt ze wel: waar bemoei je je mee, wicht! Ik bedoel maar: ik weet het niet.

Wat ik wel weet, is dat het gejank van Pruts nu is ingekleurd: daar staat een teckel met korstjes en worstenpootjes die misschien wel gered moet worden. En zodoende buig ik me vrijwel dagelijks over de verantwoordelijkheid van de omgeving bij sociale misstanden.

Maar intussen doe ik niets.

We schreven tot het op was…

Meisjes op tinternet. Een bonte verzameling. Vrouwen soms. Een passie. Een paar geheimen. Duizend mailtjes en één stukje per week. We schreven van elkaar af, tegen elkaar op, langs elkaar heen en met elkaar mee. Het liep langzaam en snel. Moeizaam, maar goed en wel. En we schreven. En we schreeuwden. En we leefden. En we deelden. Tot het op was.

Ik heb genoten van mijn deelname aan het Niet Lief Collectief. Lieve Esther, Kaat, Luna, Octavie en Polle: dank je wel.

Voor iedereen die mijn stukjes voor het Niet Lief Collectief wil nalezen: ik heb een aparte categorie gemaakt waarin ik de Niet Lief-stukjes heb herplaatst. Zie alle stukjes hieronder en De Niet Lief Collectie in de zijbalk.

In order of appearance:
Zezunja als Zomergast
Zezunja’s Zeven Zonden
Mijn Schrijfstijl
Het jongetje, de logikwis en de gemorste melk
O-kut-o-kut-o-kut-o-shit-o-shit-o-shit
De Ondraaglijke Lichtheid Van Vandaag
De Grote Overschreeuw
Waar is de strijkplank als je ‘m nodig hebt?
Beroemdheid, gemeten met een stopwatch
Niet Mike, niet Choco, maar Sjeik El Moko
180°
Huishoudweek – De Grote Drie
Huishoudweek – Hoe onze tweede Senseo niet kan voorkomen dat ik op mijn moeder ga lijken
Huishoudweek – Zezunja Proudly Presents: gembersiroop
Huishoudweek – Mijn post- post- post- post- post-puberteit
Huishoudweek – Kolentijdfotostrip
Huishoudweek – Gevraagd: het handboek ‘Een werkster voor Dummies’
Ich bin ein Pijper (und blasiert und ein Namedropper)
Van babyvet tot Japans vouwen
Zezunja’s Soundtrack
Achtergelaten op straat
Note to self: wijsheid komt met de jaren
Ik ben…
Jullie zijn met te veel en jullie zijn te dom
De meet ‘n greet met Maarten en Micha
Een dag vol discipline
Een koeienvlaai is ook een spiegel

Ik schreef vier letters

“…en dien die ideeën in.”

Een allochtoon-allochtoon
(zoals het meisje-meisje)

Het duurt al twee dagen. Al 48 uur komt er nauwelijks daglicht in het bureel. Ik zit al ruim vier dagdelen tegen het glimmende blik van de camionette te kijken. Nog één dag zonder daglicht en ik zit in een winterdepressie, mark my words.

Ik besluit naar buiten te gaan. Onze stoep is de enige plek in dit deel van de straat waar je kunt parkeren, en als dat is om te laden of te lossen, of om een half uurtje stil te staan, vind ik het niet zo erg. Dat doe ik zelf ook. Maar twee dagen lang mijn bioklok ontregelen door met de lak tegen ons raam aan te schurken… ik dacht het niet.

Het is vijf uur, de man komt net bij het busje om weg te gaan.
‘Meneer’
‘Ja?’
‘Zou u uw camionette morgen ergens anders willen zetten?’
‘Huh, hedde gij der last van dan?’
‘Ja, want u staat zo dicht tegen mijn raam, dat ik al twee dagen geen daglicht binnenkrijg.’
‘Luister madam, der is hier geen parkeerplaats en als ik achter den hoek moet gaan staan, moet ik veel te veel voorrijkosten rekenen. Dat is rap honderd euro extra, zulle. Gadegij da betalen?’
‘Ja, dat is vervelend meneer, maar als u gewoon een eindje verderop gaat staan, is er geen verschil. Ik heb er nu al twee dagen last van en u mag hier gewoon niet staan.’
‘O, dus gij vindt dat ik mijn klanten dan maar te veel moet aanrekenen?’
‘Hoe u dat verder oplost, met u zelf weten. Dat is mijn probleem niet.’
‘Jommeja wicht, als het uw probleem niet is, dan kom ik hier morgen toch weer opnieuw staan, zeker?’
‘Nou, liever niet dus. Ik dacht, ik vraag het u gewoon, maar als dat geen zin heeft dan bel ik wel iemand die u kan wegslepen.’
‘Gade gij dreigen, madammeke?’
‘Nee, het liefst zou ik hebben dat u uw auto gewoon morgen een eindje verder zet, dan hoef ik niet te dreigen.’
‘Oeioeioei, gij-jet verder gestudeerd zeker?’
‘Ik heb hier geen zin in, meneer. Ik vraag u iets en het is poepsimpel om gehoor te geven aan mijn verzoek. Meer heb ik niet zeggen.’
‘Maar ge hebt zjust gezegd dat het uw probleem niet is, begot.’
‘Ja, u maakt uw probleem van de parkeerplaats en de voorrijkosten mijn probleem, door mijn daglicht weg te nemen. Dat is onredelijk.’
‘Joengejoengejoenge, kus toch mijn kloten, wicht. Ga terug naar Holland. GA TERUG NAAR UW EIGEN LAND.’
‘….’

Met stomheid geslagen sluit ik de de deur. De volgende dag is het camionetteke in geen velden of wegen te bekennen.

Nawoord: In al mijn verwondering moest ik een beetje lachen toen ik het ga-terug-naar-je-eigen-land-cliché in het wild hoorde. Als Nederlander in Vlaanderen heb je te maken met veel negatieve vooroordelen, maar tegelijkertijd is onze positie duizend keer beter dan die van pak ‘m beet de Marokkanen of de Congolezen. Onze kansen om mee te doen zijn onvoorstelbaar veel groter. Ik denk dat ik er niet om had kunnen lachen als ik tot een van die groepen had behoord.
Interesting, zo’n cliché dat je alleen maar kent van horen zeggen, waardoor je geen flauw benul hebt wat je moet antwoorden als je ermee geconfronteerd wordt.

Er rust geen taboe op Bobby Ewing
en niemand weet waarom niet

“Dan zat ik met mijn kleine knietjes opgevouwen in mijn nachtjapon en dan begon Bobby Ewing met Pamela te zoenen. Zo’n hapzoen – mond open, een kwart slag draaien en hop: op elkaar. Ik stel me voor dat vissen zo zoenen. Meestal was dat het moment dat ik wegkeek, schaamrood op de kaken: ze zoenen!”

Lees het hele stukje op VPRO’s Café De Liefde.

Het Zoentaboe- Zezoenja

Dit stukje verscheen als column op VPRO’s Café De Liefde.

Dan zat ik met mijn kleine knietjes opgevouwen in mijn nachtjapon en dan begon Bobby Ewing met Pamela te zoenen. Zo’n hapzoen – mond open, een kwart slag draaien en hop: op elkaar. Ik stel me voor dat vissen zo zoenen. Meestal was dat het moment dat ik wegkeek, schaamrood op de kaken: ze zoenen!

Het zoentaboe is complexe materie. Enerzijds is zoenen de softdrugs onder de seksuele handelingen. In een film voor alle leeftijden komt soms warempel wat gelebber voor en mijn ouders stuurden me niet naar bed als er in Dallas een kus langskwam.

Maar tegelijkertijd is het iets waarover we de lippen op elkaar houden. Mijn moeder kwam me op mijn twaalfde alles vertellen over condooms en vieze mannen, maar hoe je je moet gedragen in geval van stevig tongzoenen bleef een blinde vlek. En ook op school kwam het niet aan bod. Sterker: ik geloof dat zoenen op school niet bestond. We begonnen bij biologie gelijk aan de voortplanting.

Waar je bij seks algauw therapeutisch moet praten – aangeven wat je wilt, het gaat niet vanzelf, je partner kan niet raden wat je lekker vindt – zou dat bij zoenen potsierlijk worden. Ten eerste is het lastig om te praten tijdens het zoenen. Als iemand ergens onder de lakens tussen je benen ligt, kun je nog naar beneden roepen dat het langzamer of sneller moet, maar met een mond op je mond gaat dat een stuk moeilijker. En achteraf napraten…
‘Lief?’
‘Ja?’
‘We moeten eens praten.’
‘Ja?’
‘Ja, over onze zoenen.’
‘Uh…’
‘Ik vind dat we het vaker/minder vaak/langzamer/harder/zachter/ruwer moeten doen.’ (streep door wat niet van toepassing is)
‘Uh…’

Neuh…

De meeste mensen zullen liever aan hun ouders vertellen dat ze blowen dan dat ze heroïne spuiten, maar bij zoenen en seks is het net andersom. We praten met anderen liever over het echte werk. De dappere dodo in ons lijkt voortdurend bezig met kijk-mij-ns-een-taboe-doorbreken, maar de zoen blijft onbesproken.

En zo krijgen pubers van nu, die uit videoclips leren hoe ze moeten breezahsletten, projectjes over de liefde en seks en hoe je daarmee omgaat. Maar niemand die mijn moeder vertelde hoe het precies zat met Clark Gable die met zestig kilo Vivian Leigh in zijn armen nóg kon zoenen. En niemand die mij diets maakte dat wat Bobby en Pamela doen, voorbehouden is aan vissen en dat mond open, een kwart slag draaien en hop: op elkaar, echt een beláchelijke manier van zoenen is.

Het verrassende seksleven
van een lieveheersbeestje


Wat ik zoal meemaak als ik zit te wachten in de zon, terwijl mijn cursisten leuke stukjes schrijven.
Let op: filmpje helemaal uitkijken, je wil dit niet missen.

De Vrouwenzoen

Dit stukje verscheen als column op VPRO’s Café De Liefde.

Gisteren vroeg ik mijn logés wat voor een kussen ze wensten. Vier mensen, vier wensen. Eentje vroeg om een donzig kussen, twee wilden een heel dun kussen en de vierde had er het liefst een die je zelf kunt bijdeuken als een zandzak.

Je kunt een kussen vergelijken met een kus. De een houdt van zoenen waarin je wegzakt, de ander houdt van een gebalde kus met een actieve houding. Het zou me zelfs niet verbazen als de mensen die donzige kussens bestellen, dezelfde zijn als zij die zeemzoet zoenen. En dat zij die het ’s nachts zonder kussen kunnen stellen, ook degenen zijn die de actieve sportschoolzoen hanteren.

Ik ben van de lazy-laidback-zoen-posse. En jawel, bij mij zie je dat terug in het hoofdkussen. Mijn kussen is van het Cosby Show-kaliber: dik en donzig, zodat alleen je neus er nog bovenuit steekt. En dat is waarom ik van de vrouwenzoen hou.

De gemiddelde vrouwenzoen is niet zomaar een mals kussen. Het is een kussen waar Cliff en Clair u tegen zouden zeggen. Een kussen dat ik op campingvakanties meezeul, omdat dat het enige is dat ik nodig heb om lekker te slapen: mijn eigen, goedgemarketeerde televisiekussen. Doe mij zo’n kussen en ik ben tevreden.

En zo stelt een vrouwenzoen mij ook zelden teleur. Wegens relationele en seksuele voorkeur voor mannen moet ik zeggen dat ik de vrouwenzoen regelmatig een paar jaar ontbeer, maar als ik er een krijg, is het alsof ik in een heel goed hotel slaap. Met een bed van twee bij drie en zes donzige kussen om in te duiken.

De vrouwenzoen is ongevaarlijk, onbehaard en subtiel als Het Zwanenmeer. Mannenzoenen mogen er ook wezen, maar als ik het in statistiekjes moet uitdrukken, is het percentage vrouwenzoenen dat qua donsgehalte de spijker op de kop slaat, hoger dan het mannenpercentage. Bij de heren overvalt mij vaker het slapen-zonder-kussen-gevoel.

Mijn hang naar de extreme zachtheid van Robijn wint het overigens niet van mijn verlangen naar een voortvarende aanpak, de geur van Nivea for Men en een tong die doet denken aan het sterke geslacht. Zo nu en dan passeert er een moment waarop ik mij mag laven aan de lippen van een vrouw, maar geen cel in mijn lijf die het wenst te stellen zonder de lieve zoenen van de man die ‘s ochtends mijn kussen opklopt.

Het kussen en het kussen
- of waarom ik van de vrouwenzoen hou

“Ik ben van de lazy-laidback-zoen-posse. En jawel, bij mij zie je dat terug in het hoofdkussen. Mijn kussen is van het Cosby Show-kaliber: dik en donzig, zodat alleen je neus er nog bovenuit steekt. En dat is waarom ik van de vrouwenzoen hou.”

Lees het hele stukje op VPRO’s Café De Liefde.

Stukje slinger

We liggen op de bank. Ik op mijn plekje, blik richting keuken, hij op zijn plekje, blik richting bureel.
‘Ik heb zó’n mooi uitzicht vanaf hier’, kweel ik. ‘Wat zielig eigenlijk dat jij een ander uitzicht hebt.’
‘Maar wel een beetje jammer dat ge mijn zoen nog steeds niet hebt gezien’, bromt Yuri.
‘Zoen?’ Ik kijk om me heen en mijn oog valt op het stukje slinger dat aan de muur in mijn gezichtsveld hangt. Over dat stukje slinger dacht ik al zeker drie keer: damn, wat heeft Yuri dat stukje slinger er haastig en slordig afgetrokken!


(klik voor groter)

‘Ja, die zoen… Die hangt er al wéken.’ Yuri pruilt.
Ik kijk nog eens goed naar het stukje slinger en zie dat het wel erg recht afgescheurd is. Het is geknipt. Het is een rechthoekje. Met iets erop. Ik knijp mijn ogen samen.


(klik voor groter)

‘Maar liefje, het is hier altijd heel donker…’
‘Al wéken!’
‘…en ik dacht steeds dat je de slingers er gewoon nogal rücksichtslos had afgetrokken…’
‘Ge hebt er nà­éts van gezegd!’
‘…en mijn bril is niet sterk genoeg en en en…’

Arme Yuri, het valt niet mee om romantisch te zijn met een blinde onnozelaar in huis.