Slim
- woensdag 22 oktober 2008
- Zotisch pagina 13
- 18 reacties
- reageren?
Vandaag is mijn agenda leeg wegens voorziene kater.
Vandaag is mijn agenda leeg wegens voorziene kater.
De naamsuggesties die Firefox de laatste tijd geeft als ik ergens mijn naam wil invullen…

Het cadeautje voor de verjaardag van mijn vriendje, een Wii-Fit-dingesboard, vraagt bij het inloggen of ik niet zal vergeten een cadeautje voor de verjaardag van mijn vriendje te kopen.
(voor het vorige Droste-effect, zie hier)
Ik denk dat bijna alle webloggers het wel kennen: weblogstress.
Weblogstress is de stress die je hebt als je geen stukjes schrijft, als om wat voor reden dan ook je bezoekersaantal daalt, of als je ’s nachts in bed bezig bent met wat er aan je weblog moet veranderen.
Vroeger had ik heel overzichtelijke weblogstress. Het was de stress van een kleuter: geen verantwoordelijkheden, alleen maar lol. Je moeder ruimt de rotzooi wel op. Als beginnend weblogger heeft namelijk niemand nog verwachtingen: jijzelf niet, je lezers niet en het internet als opdrachtgever is ook al geen baas die veel van je verwacht.
In de begintijd was eigenlijk alles gemakkelijk. Ik weblogde nog bij punt.nl en omdat ik daar een van de dinosauriërs was, had ik gelijk een handjevol bezoekers. Die bezoekers waren de schrijvers van de andere paar oerweblogs op punt.nl en door een beetje heen en weer te linken, stuurden we onze familieleden over en weer.
Na verloop van tijd bloeide punt.nl op en bood het platform me een enorm voordeel: ik verscheen bij elk stukje in de categoriëen ‘laatste berichten’ en als iemand reageerde in ‘laatste reacties’. Daardoor genereerde ik sowieso bezoekers, zonder dat ik daar zelf iets voor hoefde te doen. Toegegeven: ik heb zelf ook inspanningen geleverd, zoals daar zijn: beter gaan schrijven, virtuele vriendjes maken en bij anderen reageren.
Punt.nl had nog een ander voordeel en dat was hun toptien van best bezochte blogs. Wegens dinosauriërstatus stond ik in het begin zelfs met maar honderd bezoekers per dag hoog in die toptien en wegens iets beter gaan schrijven, bleef ik daar nog lang in. Misschien was dat nog wel een groter voordeel dan de categoriëen met laatste berichten en laatste reacties, want elke doler op punt.nl wilde natuurlijk weten welke weblogs zoveel bezocht werden. En dan zit je dus in een fijne opwaartse spiraal, want hoe meer mensen willen weten wie je bent, hoe hoger je in dat lijstje komt, hoe meer mensen willen weten wie je bent.
Eén nadeel: de weblogstress werd groter naarmate ik hoger in dat lijstje kwam. Woorden als ‘best bezocht’ gaven mij plots rode vlekken zodra de cursor begon te knipperen. Want, woei, de mensen hadden misschien nog niet eens zulke hoge verwachtingen van mij, maar àk… ik had huizenhoge verwachtingen van mijzelf.
Gelukkig was er een meevaller: ik zat grotendeels in de ziektewet en ik had voldoende tijd om me te ontdoen van de rode vlekken en om de knipperende cursor te geven wat hij verwachtte. Ik tikte erop los, netwerkte virtueel een eind in de rondte, deed gekke wervingsactietjes en had een hoop lol, óndanks de weblogstress.
We teletijdmasjienen even naar nu.
Alles is anders, maar één ding is hetzelfde: de weblogstress. Die bestaat nog steeds, al zeg ik ‘m al bijna met een zachte g.
Twee jaar geleden verhuisde ik van punt.nl naar een eigen domeintje. Dat was spannend, want plots had ik geen automatische aanwas van bezoekers meer. De bussen met Japanners die via de lijstjes van het platform bij mij uitgeladen werden, zouden voorgoed verleden tijd zijn en voortaan moest ik op eigen houtje zorgen dat de boel niet stilviel.
Wie schetste mijn verbazing toen dat behoorlijk goed bleek uit te pakken. Natuurlijk duikelden mijn bezoekersaantallen een beetje; er zijn altijd slordige rrs-lezers die niet meeverhuizen, of mensen die geen zin hebben in alweer een nieuwe bladwijzer. Bovendien waren wapenfeiten als Dutch Bloggies en een Volkskrant-publicatie al niet meer van invloed op mijn ‘unique visitors’. Maar al met al bleef alles enigszins op peil.
En toch had ik grote weblogstress en dat had één belangrijke oorzaak: mijn leven heeft mij tegenwoordig nodig. Mijn vroegere leven kabbelde ook wel voort als ik achter het computerscherm zat te kauwen op een stukje. Mijn werk, de muziek, mijn vrienden: alles kabbelde wel verder terwijl ik me bezighield met webloggen. En als het stukje goed uitgekauwd op jullie bordje lag, was het vrijwel altijd gedaan met mijn weblogstress. Maar tegenwoordig kauw ik de hele dag door. Op het leven. Op betaalde stukjes. Op lesopzetjes. Soms gebeurt dat eveneens achter het computerscherm, andere keren ben ik op toernee naar Brussel, Antwerpen of Gent. En ’s avonds ben ik uitgekauwd.
En nu komt het ergste: ik vind een weblog dat niet een paar keer per week wordt ververst geen weblog. En dat is precies wat ik in 2008, mijn jubileumjaar heb gedaan: ik heb mijn weblog ontdaan van het predicaat weblog door soms weken niet te schrijven. Tot 2008 flipte ik al de pan uit als ik zonder aankondiging drie dagen niets liet horen. Dan vreesde ik al voor een crash van mijn bezoekersgrafiekje, dan putte ik me uit in duizend excuses en dan deed ik daarna extra mijn best. Dit jaar lapte ik al mijn principes aan mijn laars en zweeg ik soms wel drie weken.
Je zou zeggen dat weblogstress went, na vijf jaar. Maar neen, want de enige remedie tegen weblogstress is ‘het goed doen’. Dus: je weblogt of je weblogt niet, maar niet iets ertussenin. En als weblogstress iets teweeg brengt, dan is het wel ambivalentie. Ik wil het wel, maar ik kan het even niet. Of ik kan het wel, maar ik wil het even niet. En dat leidt tot een halfbakken weblog.
Goed, en dan nu to the point: ik worstel hiermee. Ik heb al van alles geprobeerd. Mezelf beperkingen opleggen met hooguit driehonderd woorden per stukje of de hele maand een thema. Dat hielp eventjes, maar was niet afdoende. Mezelf nergens toe dwingen en alleen schrijven als het vanzelf gaat. Dat leidde tot enorme writersblocks. Mezelf uithuwelijken aan collectieve weblogs, maar dan schreef ik niet méér voor zezunja.nl. Mezelf uitdagen door andere weblogs te beginnen: die waren hetzelfde lot beschoren. Kortom: een worsteling.
Dus mocht u af en toe denken: wat veel stukjes met een Droste-effect (bloggen over bloggen), dan weet u waar het aan ligt. Morgen wilde ik eindelijk eens de mensen bedanken die me een award of iets anders liefs toestopten de afgelopen maanden, maar ik voorzie nu al dat dat weer gaat over hoe ik het weblog heb verwaarloosd en dat ik het niet waard ben.
Nu is het nog weblogstress, maar als ik niet oppas, wordt het een weblog-burn-out. Mijn nieuwste maatregelen zijn: geen statistieken checken, ook kutstukjes plaatsen, want als mijn perfectionistische zelf de overhand neemt, verschijnt er nooit meer iets. En zelfs als een stukje veel te lang is: gewoon plaatsen.
Deze vraag heeft een kleine aanloop nodig, anders krijg ik niet uitgelegd welke situatie ik niet snap.
Het gaat om opstaan in de tram voor een ouder persoon. Tot nu toe ging dat in mijn leven zo: ik zie een mevrouw of meneer met meer rimpels/grijzer haar/krommer lijf dan gemiddeld de tram instappen en ik bied hem of haar aan om op mijn plaats te gaan zitten. Diegene zegt ‘ja’ ‘of, ‘nee joh, ik moet er toch zo uit’ en dan sta ik al dan niet op. En voilà : een keurig en begrijpelijk sociaal een-tweetje is het gevolg.
In Brussel heb ik het een paar keer als volgt zien gaan: ik zit op een plaatsje aan het gangpad. Er komt iemand binnen waarvan ik nog niet doorheb dat die meer rimpels/grijzer haar/krommer lijf dan gemiddeld heeft. Plots schiet er iemand voor mij langs naar de plaats aan het raam WAAR AL IEMAND ZIT! Zonder dat er gesproken wordt, verwisselen de twee à la minute van positie en de oorsponkelijke zitter wurmt zich voor mijn knieën langs en gaat gedwee ergens anders staan. En de nieuwkomer is dan vaak helemaal niet zo oud!
Nu mijn vraag: hoe weet de raamzitter naast mij in HEMELSNAAM dat de man in kwestie op zijn plek wil zitten? Hebben jullie oogbewegingen? Geven jullie hints met je hand? Gebeurt er íets wat ik niet kan zien, waardoor deze situatie zwijgzaam en toch soepeltjes verloopt?
En is het normaal om deze wisseltruc niet in het gangpad te doen maar tussen de bankjes? Om je naar die plaats te slingeren in de hoop dat de ander op tijd is opgestaan?
En tot slot: er wordt niet alleen geen woord gewisseld. Ook is er voor zover ik kan zien geen oogcontact. Dus mensen wisselen van plaats als worden ze door hogerhand georkestreerd. Wat leert een Brusselaar van zijn moeder? Dat er als je in de tram zit best eens iemand met zijn grote kont op je kan zeilen, en dat je dan stoïcijns moet opstaan en moet doen alsof dat de normaalste zaak van de wereld is?
Ik kom er in mijn eentje niet uit. Please, leer mij de Brusselse mores.
Onze Fortis ging fuseren. Het ene kantoor met het andere kantoor. Ze stuurden me een foto van mijn bankteam waar Erik niet meer op stond. Ik was gehecht aan Erik. Hij was de man die ons zonder morren leningen gaf. Nu is-ie weg. Zoals als alles bij Fortis plotsklaps verdwijnt.
Op tv zag ik een reclame voor Immunofortis.
Ik moest meteen aan Erik denken.
Toen ik zag dat gisteren The King of Kong op tv was, de docu waarover ik een tijdje geleden schreef dat-ie super grappig was en dat u ‘m allemaal moet gaan zien, en toen ik me realiseerde dat ik daar dus niet eens een aankondiging van op mijn site had geschreven, toen werd het me ineens glashelder: ik verwaarloos mijn weblog en het weblog verwaarloost u.
Dus toen ik zojuist een zin van Jan Blokker over stupide reclames las (“Wie verzint zulke enigszins gestoorde spotjes? Interessanter is natuurlijk de vraag wie vervolgens de telefoon grijpt en het bijgevoegde 09-nummer draait. Ik denk de wethouders van Asten, Goes en Amstelveen, en iedereen die z’n hele hebben en houwen naar IJsland mailde.”) en ik die zin fantastisch vond, dacht ik: ik ga mijn weblog voor de gein eens even niet meer verwaarlozen.
Bij deze.
‘Ze belde mij, ze dacht dat haar vriendin vreemdging.’
‘Ai.’
‘Ja. En nu vreet ze zich op. Ze slaapt niet meer, is helemaal depressief en de sfeer daar in huis is om te snijden.’
‘Heeft ze het al eens aan haar gevraagd?’
‘Ja, maar haar vriendin ontkent.’
‘O.’
‘En ze gelooft ‘t niet.’
‘Hm.’
‘Dus vroeg ze of ik haar vriendin wilde schaduwen.’
‘Haha! Neee!’
‘Jawel, dat vroeg ze.’
‘En ga je dat doen?’
‘Uh… nou… ja… ik denk het wel.’
‘Haha! Neee!’
‘Jawel.’
‘Maar wat ga je dan doen?’
‘Ik ga met een lange regenjas en een hoed sigaretjes roken in een donker hoekje.’
‘Dat meen je niet?!’
‘Jawel.’
‘En dan?’
‘Als ik zie dat ze met iemand ergens naartoe gaat, dan fiets ik erachteraan.’
‘Haha! Echt?!’
‘Ja, zo ga ik het doen.’
‘Tsjonge, het lijkt wel een film.’
En zo geschiedde. Hij vermomde zich als private detective, croste een paar rondjes door Amsterdam en leverde zijn lesbische vriendinnetje het bewijsmateriaal waardoor haar partner bekende.
Het akelige aan dit verhaal is dat het nooit goed kon aflopen. In dit geval zorgde het overspel voor de breuk, maar het schaduwen van je levenspartner is zo’n daad van wantrouwen dat de relatie ook zonder overspel al op sterven na dood is.
Dit hoofdstuk van de reisgids van Onmin heet: De Omgeving. En daarin past slechts een waarschuwing: Blijf Er Verre Van. De Omgeving zorgt voor Onmin. Schoonmoeders, overspel, al dan niet misplaatste jaloezie. En zodra je de omgeving echt dichtbij laat komen, zal die de Eenzame Planeet van Onmin annexeren.
En dan ben je pas echt ver van huis.