Archief in maanden: januari 2009

De Colofonziekte

Voor het weblog Ervaringen van twee freelancers
schreef ik deze week een gastlog. Ik plaats ‘m ook hier.

De colofonziekte is een vrouwenziekte. De colofonziekte is vergelijkbaar met de aftitelingsziekte en heeft als symptomen: het scannen van élk colofon op namen van bekenden. De aftitelingsziekte uit zich vooral in geobsedeerd goed opletten als de generiek door het beeld zwiert. En dan roepen: hee, die zit in de redactie. En die zit daar óók!
De colofonziekte komt ook voor bij mannen, maar heet dan meestal het colofonfeest. Mannen laven zich aan hun bekende vrienden, baden zich in het licht van de ander, liften mee op de verdiensten van de oud-klasgenoot en wentelen zich dan nog even in hun eergevoel.
Vrouwen roepen ‘hee’ en beginnen zich met spoed af te vragen of ze zelf wel genoeg hebben bereikt in het leven, hadden zij niet eigenlijk in die aftiteling moeten staan, had hún naam niet in dat bekende blad moeten prijken?
Laatst las ik iets over een onderzoek naar het effect van netwerksites als Facebook, Linkedin en Hyves op je zelfverzekerdheid. En verdomd, daar kwam de aap uit de mouw: voor mannen heeft het aantal vriendjes achter hun naam een weldadig effect. Jeuj, ik heb wel veertig vriendjes! Kijk mij nou! Joepie!
Terwijl bij de vrouwen gelijk het vergelijkingsmechanisme optreedt: ik heb veertig vriendjes, maar zij heeft er wel honderdtwintig…! Wat heeft zij dat ik niet heb? Wat is er mis met mij? Waarom heb ik zo weinig vriendjes?
En als deze sfeerbedervende eigenschap al optreedt bij zoiets onbenulligs als nepvriendjes op ‘t internet, dan wil ik niet weten hoezeer wij mediawerksters onszelf tergen met onze colofonziekte.
Soms zou ik willen dat ik gewoon melkboer was. Misschien verscheen er dan eens een andere melkboer op tv en dan zou ik, zoals het een fatsoenlijke vrouw betaamt, gelijk weer gaan meten en vergelijken. Maar ik zou me soms ook dagenlang de beste en belangrijkste melkboer ter wereld kunnen wanen. Als journalist word je voortdurend geconfronteerd met elkaars bereik, prestaties en naamsbekendheid. Voor de niet-melkboerinnen onder ons zit er dus maar één ding op: behalve journalist ook mán worden. En ons vervolgens als chauvinistische varkens wentelen in de saus die status heet.

Wat voortaan in mijn e-mails zal staan

Vandaag sloot ik een mail af met: “Wegens stressmanagement ga ik eigenlijk alleen nog voor de bijl voor heel hoge bedragen.” Waarna ik die zin in mijn geautomatiseerde handtekening opnam.

Kijktip

De documentaire This film is not yet rated lijkt op een spannende detective, is tenenkrommend goed en wordt helaas vanavond pas heel laat uitgezonden (Nederland 2, VPRO’s Import). Over creepy praktijken in de Amerikaanse filmkeuring. Gaat dat zien.

Woordenboekrelatie

Hij troostte me. Dikke druppels vielen op zijn bloeske en hij wreef over mijn rug.
‘Liefje toch’, zei hij, ‘liefje plattentuub’.
Mijn tranen stokten in mijn keel en ik probeerde met de weinige hersencellen die ik nog kon activeren een vertaling te maken. Al die tijd had ik alleen maar gejammerd, maar nu kwam er zowaar een volzin uit: ‘Huhuwat betekent dahat?’
‘Liefje platte band’, verklaarde hij.
En toen zette ik het maar weer op een huilen.

(voor de Nederlanders: ik huilde niet omdat ik een platte band had, het is een uitdrukking voor iemand die uitgeblust is)

Gelukkig heet nog niemand Zezunja

Toen ik klein was werd ik ongeveer 50 procent van de tijd Maaike genoemd. Mijn naam kwam in Amsterdamse contreien nog niet zóveel voor, dus mensen vonden ‘m moeilijk te onthouden. Gek genoeg had ik al heel jong door dat dat geen probleem was, maar juist een voordeel. Het is leuker om de enige Maartje te zijn, dan je naam met drie klasgenoten te moeten delen, zoals de Maaikes. Ook al onthouden ze die naam dan beter.

Ik was dus geschokt toen ik de lijst met voornamen uit 2008 onder ogen kreeg (het getal achter de naam is het aantal keer dat de naam vorig jaar aan een pasgeborene werd gegeven).

En ik vond ‘t nog wel zo’n knap geheim

Als je niet weet wie The Stig is, hoef je niet verder te lezen. Ik ga het namelijk niet uitleggen. Maar als je het wel weet, dan heb je misschien inmiddels gehoord dat hij ontmaskerd is. En sinds vandaag kun je ‘m ook daadwerkelijk bewonderen in allerlei media. Maar dán. Een zin in De Standaard die uit een artikel in The Telegraph kwam:
“Ook een bouwvakker had de identiteit van de testpiloot ontdekt, toen hij tijdens werkzaamheden in het huis van Collins het witte kostuum en de witte handschoenen van ‘The Stig’ zag liggen.”
Dat viel me vies tegen. Het best bewaarde geheim van de BBC was een beroerd bewaard geheim. Het was puur toeval dat niemand er eerder achterkwam.

Eigenlijk was ik dus ook best creepy

Mijn Weederhelft groeide op in the middle of nowhere zonder kabel-tv. Met als gevolg dat mijn referentiekader niet het zijne is. Waar ik nog exact weet wat de overeenkomst was tussen de clip I won’t let you down van PhD en There’s a fraction too much friction van Tim Finn (lopende mensen op straat), heeft hij niet eens ‘n vage herinnering aan één van die twee clips.
Het is heerlijk om uit hetzelfde jaar te zijn, om in dezelfde hoek te zitten en bijna dezelfde taal te praten, maar het is lastig om alle beelden uit mijn jeugd te moeten navertellen.
Toen ik vrijdag zag dat ze bij The Best Of Paul de Leeuw de scène met Lionel Richie zouden herhalen, begon ik in al mijn enthousiasme te orakelen over de verwijzing naar de clip en dat gekleide beeld. Mijn Weederhelft keek me glazig aan en ik realiseerde me dat ik zijn Sky Channel/Music Box-leemte betrad.
En dus deed ik wat ik vaker doe, ik zocht het clipje op op youtube en probeerde uit te leggen hoe hip dat clipje wel niet was in de jaren tachtig.
Meestal komt mijn enthousiasme wel over (zie verder de clips van PhD en Tim Finn) maar deze keer zaten zowel mijn Weederhelft als ik vol verbijstering te kijken. Wat een creepy clip is dat eigenlijk! Moet je je voorstellen dat een vent je zó achtervolgt.
‘Vond men dit toen niet creepy?’, vroeg mijn Weederhelft.
‘Ik weet het niet meer’, bekende ik, ‘maar ik vond het prachtig en ontzettend romantisch.’
‘Mijn lief fronste en ik zocht gauw op in welk jaar ik zoiets in hemelsnaam prachtig vond.
Het antwoord stelde me gerust. In 1984. Toen was ik tien.
Goddank.

Kijk en huiver…

Noem het maar opluchting

Slechte grappen in Nederland gaan over het haar van Geert Wilders, slechte grappen in België gaan over Nederlanders. De afgelopen twee jaar werd mijn Weederhelft cabaretier en dientengevolge sleepte hij mij mee naar voorrondes vol haar van Geert Wilders en naar open podia waar Nederlanders er doorgaans niet al te goed afkwamen. Nee, het leven van een cabaretiersvrouw gaat niet over rozen. Dit jaar zoekt mijn Weederhelft zijn heil elders, zonder mededingers met slechte grappen. En daarmee ben ik in 2009 eindelijk verlost van het haar van Geert Wilders en van die doldwaze Nederlander-grappen. Ik tel mijn zegeningen.

Net kerst

Op de wc thuis hing altijd zo’n Unicef-kalender met mooi uitgelichte Peruaantjes onder een strooien hoed of in de verte starende Afrikaantjes in een oranje woestijn. Soms stonden de mini-Peruaan en de mini-Afrikaan op één foto om nog meer solidariteit op te roepen. En rond kerstmis deden ze er nog een Vietnameesje bij.
Aan die kalender moest ik denken toen mijn zus mij een linkje stuurde naar het portfolio van mijn nicht. Ergens omstreeks 2003 maakte ze een foto van mij en mijn zus die niet onder doet voor de gemiddelde Unicef-foto. Mijn zus is de Afrikaan, ik ben het Vietnameesje. En met een beetje inlevingsvermogen is het gewoon weer kerst.

Foto: Simone van Es – www.simonevanes.nl

Ik ben een wortelweigeraar

Ik weet niet of het een wereldwijd probleem is, de wortel, maar het heeft in elk geval de landsgrenzen tussen België en Nederland geslecht en het zou me niet verbazen als ook Duitsland en Engeland lijden onder een waar wortelregime.

Kijk, ik ben zélf een krent, dus ik weet alles van de wortelprijzen en ja, voor een andijvie betaal je in de Delhaize bijna twee euro, voor een stel worteltjes minder dan de helft. Wat dat betreft ben ik nog helemaal mee. Maar dan! Wat ze ermee doen! Raspen en hop, als klont op bord of broodje!

Begrijp me niet verkeerd: ik hou van wortels. Een beetje knagen op zijn tijd is zeer aan mij besteed. En ook beetgaar of uit blik als was het babyvoeding: allemaal okee. Maar de geraspte wortel op werkelijk alle denkbare broodjes en salades vind ik verwijtbaar. Geitenkaas met wortel, wildpaté met wortel, surimisalade met wortel, jawel, zelfs een martino met wortel.

Edoch, het is moeilijk om er iets tegen te beginnen, tenzij we dat en masse doen. U en ik, wij samen, als team. Als de wortelweigeraars on tour. Want wedden dat de Panossen, kebabzaken en saladebereiders zich achter hun oren krabben als iedereen zijn gerechtje vraagt ‘zonder geraspte wortel alsjeblieft’. Of als we dat allemaal als klont achterlaten op de bar. Of als we vragen of de barvrouw even wil bukken dan zullen we het wel eens in haar…

Nee, eigenlijk bent u gewoon verplicht om aan te haken. Anders zijn we reddeloos verloren. Ik bedoel, ik kreeg al eens een broodje haring met geraspte wortel. Nou, dan staat het water ons wel aan de lippen, niet?

Bil

Meneer aan de telefoon: “Met de B van papa?”
Ik: “Nee, met de B van bil.”

Maar toch

Het ergste is het als ik een goede beoordeling heb gehad voor mijn cursussen, wat gelukkig altijd zo is. Dan steekt het de kop op en dan ben ik niet meer in staat mijn zegeningen te tellen. Het vreet zich in mijn perceptie en het schakelt mijn gezond verstand volkomen uit.

Anderen zullen het ‘onzekerheid’ noemen, ik heb het liever over ‘een vergevorderde staat van zelfkritiek’. Deskundigen mogen zich buigen over de vraag of dat niet hetzelfde is.

Als ik een cursus heb gehad waarin 9 cursisten aanvinken ‘docent: heel goed’ en 1 vinkt aan ‘docent: goed’ dan zit ik al in zak en as. Mijn voorste hersenkwab roept dan nog wel iets van: het is weer 100 procent goed, maar van binnenuit borrelt een niet te negeren stem op die zegt: Goed? Goed? Zie je! je was niet heel goed! Je was gewoon goed, en zelfs dat is geflatteerd. En dan haal ik alle momenten naar boven dat ik in de cursus niet direct een antwoord had, dat ik een huiswerkje vergeten was en dat ik niet uit mijn woorden kwam. De kans is groot dat ik dan terneergeslagen thuiskom en dat mijn Weederhelft vraagt: ‘Was het niet goed dan?’ en dat ik dan piep dat het wel goed was, ‘maar toch’.

Als ik het me goed herinner, wordt ‘maar toch’ in de argumentatieleer een immuun argument genoemd. Alles in een redenering kan kloppen, maar zet er één ‘maar toch’ tegenover en je bent weer terug bij af.

En dat is the story of my life. Al toen ik heel klein was, schreef ik in mijn dagboekjes dat ik het moeilijk vond om tevreden te zijn. Toen ik puber was, werd dat het melodramatische, paginavullende ‘hunting for a love that doesn’t exist’ en nu doe ik dat dus door complimenten te negeren en kritiek intraveneus te injecteren (docent: goed, ah).

Vorige week redigeerde ik me suf. 32 pagina’s tijdschrift waar ik de ene na de andere darling van de redacteuren schrapte. Omdat gewoon goed niet goed genoeg is. Kortom: ik leg anderen zonder pardon langs diezelfde meetlat. Vraag het maar aan mijn Weederhelft die soms met mij te maken heeft als hoofdredacteur.

Daarom ook dat ik niet akkoord ga met het simpele etiketje ‘onzeker’. Ik ben gewoon extreem kritisch aangelegd en daar heeft iedereen, incluis mijzelf onder te lijden. Maar hee, je krijgt er mooie tijdschriften en een groots en meeslepend leven van.

Over mijn omkat wil ik het niet meer hebben. Zie het maar als een manische neiging om de meubels keer op keer te verschuiven. Dat heeft dan niet zoveel te maken met een goed in plaats van heel goed van buitenaf, maar met een stem in mezelf die zegt: alles kan altijd beter. Zelfs heel goed is niet goed genoeg.

De neiging ontstaat om dat best verdrietig te vinden: nooit tevreden zijn. Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik geen leuker tijdverdrijf ken dan de meubels verschuiven. Vroeger deed ik dat door mijn verkering uit te maken en ontslag te nemen, maar nu ik op dat vlak (ik durf het bijna niet te zeggen) tevreden ben, grijp ik naar mildere varianten: ik kat mijn weblog om, verf een kastje en koop een nieuw hansopje.

CasaSpider analyseerde het als volgt: volgens mij ben je aan kinderen toe…
Maar een veeleisende moeder killt haar darlings.

Valt het heel erg op…

…dat ik niet weet wat ik wil?

Hoe ik mensen liet schrikken in de trein

Sarah schreef dat ze wist hoe een vrouw in burka zich voelt en toen moest ik denken aan mijn Weederhelft die vorige week tegen mij zei dat er twee mannen langdurig bleven stilstaan om zich ervan te vergewissen dat ze echt zagen wat ze zagen. Ik weet niet wat ze zagen, want ik was de menselijke vorm in dit hoopje textiel. Ook zag ik niet dat er een foto werd genomen. Ik was in winterslaap in een winterburka. Met dank aan de NMBS.

Dus we mogen alleen jagen als we misschien wel zullen missen?

De provincie Limburg heeft een jachtverbod afgekondigd dat vrijdag ingaat. Aanleiding is het strenge winterse weer, waardoor het wild een te gemakkelijk doelwit is geworden. (…) ‘De beesten hebben in het sneeuwlandschap moeite voedsel en schuilplekken te vinden en groeperen samen bij spaarzame waterplaatsen die nog open liggen’, aldus de provinciewoordvoerder. ‘Dat is wel erg makkelijk jagen.’
(uit de Volkskrant)

Omdat het thema zicht is

Kijk even naar de dikte van de sneeuw op de pompoen (die daar niet voor de sier ligt, maar omdat we geen zin hadden om pompoen te eten).
Need I say more…?
(klik erop voor een iets grotere foto)



Jaarallegaar (3)

Klik op de foto’s voor een groter exemplaar.




Je zou 2008 kunnen vergelijken met een lucht vol schapenwolkjes: het leven was een aaneenschakeling van rustig voortsukkelende omstandigheden. Ik aardde nog meer, ik werkte nog meer, ik ontspande nog meer. En hoewel zich om mij heen donderwolken verzamelden, sukkelde de boel bij mij rustig voort. In de tuin, kijkend naar de wollige donsjes vroeg ik me af waarom je het strakblauw zou willen.




De website drie keer krabben (3xk) is bijna klaar. Gelukkig maar, want ondanks kaduke fototoestellen zwelt de verzameling malle poezenfoto’s aan. Deze wilde ik u niet onthouden. Sjeik deed in 2008 aan levitatie.




Zomer 2008, locatie: op de berg in de tuin, temperatuur: 19 graden, tijdstip: nulnuluurnogiets, aanwezig: twee weederhelften (= samen 1), besluitenlijstje: we’ll meet again, same time same place.




In de zomer van 2008 liep ik elke week twee keer de tuin in om bloemen te knippen voor op de keukentafel. Op mijn netvlies zag ik dan een Bona-reclame en in mijn hoofd hoorde ik Crosby, Stills, Nash & Young Our House zingen. De witte bloemetjes ontstaan als je radijsjes laat groeien tot ze je middel bereiken.




Meestal werk ik thuis, maar er zijn periodes dat ik dagen bij een opdrachtgever op de redactie of in een lokaal moet vertoeven. Ik prijs me gelukkig met mijn opdrachtgevers en hun stulpjes. Bij Wisper in Gent is de tuin zomers weelderig. Ik herinner me van 2008 het geschuif met stoelen om met tien man binnen de schaduw te blijven.




Vrije tijd moet je plannen. In 2007 had ik meer vrije tijd dan ik gepland had, de business moest nog even op stoom komen. In 2008 had ik minder vrije tijd dan ik gepland had, elke opdrachtgever is er één, dus nee zeggen was nog geen optie. 2009 moet het jaar worden waarin ik controle krijg over mijn vrije tijd. Het jaar waarin ik opschrijf in mijn agenda dat ik met Mike in het gras ga liggen en dat ik dat dan ook doe. Zonder stress, schuldgevoel en achterstallig werk.




Leuven is de thuisbasis van Stella Artois (zulke dingen moet ik voor de Nederlanders opschrijven). Toen ik dit najaar na een lange dag werken in Antwerpen van het station in Leuven naar mijn fiets liep, zag ik dit bordje. Ik kreeg de onbedwingbare neiging het te fotograferen. Ik wilde vastleggen dat het klopte, dat ik thuis was. Dat Leuven thuis is.