Archief in maanden: april 2009

Christophe en de roes van het roze ruitjespapier

Vandaag op VPRO’s Café De Liefde:

Hij heette Christophe en zijn grote neus was zo verbrand dat je de vellen kon openplooien. Ik was twaalf, hij was dertien en we liepen elkaar tegen het lijf op een winderig Frans strand. Het was de tijd dat mijn ouders nog dachten dat ik contact legde omwille van zijn voorraad schepjes en emmertjes, terwijl ik al zachtjes ‘je ‘t aime’ fluisterde.

Christophe en ik hadden een ijzeren regelmaat in onze relatie. Na de lunch waren we beiden te vinden bij de strandopgang aan de zuidkant van het eiland. Onze ouders gingen daar zonkloppen, onze broers en zussen gingen daar watertrappelen en wij gingen daar lost in translation tegenover elkaar zitten en glimlachen.

Dat aankijken was moeilijk. Dan moest ik aan mijn vader denken die mij al dagen pestte met Christophe en zijn grote neus. En dan moest ik me beheersen, om niet de velletjes van zijn neus te peuteren.

Christophe schreef briefjes die ik niet begreep op roze ruitjespapier. In het begin was ik daarmee nog wel eens naar mijn vader gestapt. ‘Wat staat hier?’ Maar na verloop van tijd had ik door dat ik de plaaggeest in mijn vader daarmee enorm aanwakkerde. Dus zei ik alleen nog maar merci als ik zo’n briefje kreeg. Thuis, in ons vakantieappartement, zette ik dan mijn walkman op, ging ik op bed liggen en koesterde ik het roze ruitjespapiertje. Terwijl Madonna ‘True Blue, baby I love you’ en ‘Open your heart, tell me you love me’ zong, vroeg ik me af wat de tekst in het typisch Franse handschrift van Christophe zou betekenen. Zou hij van me houden? Me mooi vinden? Zou hij met me willen trouwen?

De zon stond laag toen Christophe en ik op een middag gebroederlijk tekeningetjes zaten te maken in de branding. We hadden het over demain, morgen. Daar hadden we het vaak over, want ik wist wat demain betekende, hij wist dat ook en het was tegelijkertijd een keiharde bevestiging van onze relatie. Want als er tussen ons zoiets bestond als ‘morgen’, dan hadden wij verkering. Demain en ’s embrasser dat was wat Christophe die middag benadrukte. Ik begreep alleen maar morgen, en dat wij dus verkering hadden.

Maar het bleef wel hangen en ’s avonds besloot ik het er toch nog maar eens op te wagen. Ik ging naar mijn vader. ‘Wat betekent embrasser?’. ‘Zoenen’, zei mijn vader, en de pretlichtjes in zijn ogen ontstaken in vrolijk getwinkel. Ik voelde mijn wangen warm worden en maakte me zo snel ik kon uit de voeten. Liggend op mijn bed – Madonna had het inmiddels over ‘Papa don’t preach’ – nam ik een besluit: tussen mij en Christophe was het uit. Demain en dus verkering: okee. Maar zoenen? Nee.

Edoch, er stonden nog wat wetten in de weg – en wat praktische bezwaren. Zoals daar waren: mijn ouders die wilden zonkloppen en mijn zus die wilde watertrappelen. Aan de zuidkant, bij Christophe met zijn rode neus. En ik, die hoopte dat mijn vader aan niemand zou verklappen hoe het precies zat met dat embrasser en zo.

Drie dagen lang lukte het me. ‘Laten we naar dat andere strand gaan, dan kunnen we langs die zoutpannen fietsen’, ‘Laten we vandaag niet naar het strand gaan, ik wilde nog naar La Rochelle’, ‘We zouden vanmiddag toch naar die markt gaan?’. Maar na drie dagen kon ik mijn familie niet langer misleiden. Bloedzenuwachtig zat ik op de fiets richting zuidkant. Ik wilde dolgraag nog meer roze ruitjespapiertjes, maar ik moest een plan bedenken om aan dat ’s embrasser te ontkomen. Ik nam me voor het maar op ‘non’ in alle toonaarden te gooien.

Toen we op de hoogste duin aankwamen, zag ik hem al. Zijn neus blonk in de zon. Maar hij was niet alleen. Naast hem zat een ander meisje van een jaar of twaalf. Samen maakten ze tekeningen in de branding. Hij sprak tegen haar. En het leek alsof ze begreep wat hij bedoelde.

De roetsjbaan is still going strong

Ik ben het even helemaal kwijt. Ik moest u nog van alles vertellen, maar er kwam van alles tussendoor.

Dingen die er tussendoor kwamen.
1. Dat stoppen met roken
Men-o-men, dat stoppen met roken, wat kwam dat er tussendoor. Met als hoogtepunt een feestdag waarop we misschien twee uur feest hebben gevierd en voor de rest hebben gewacht, gewacht, gewacht en gewacht. Wachten en stoppen met roken is, let op mijn woorden: een HEUL slechte combi.

2. Visite, visite, een huis vol visite
Men kwam over uit Amsterdam en men stortte zich op het Tiger Woodsgolfspel op de Wii, met als gevolg een weekend waarin alles draaide om birdies, bogeys en chip-ins. Maandag had ik spierpijn en een mooie gedeelde tweede plaats. Doe mij een toernooi van ‘t een of ander en ik ben tevreden.

3. De NMBS
Natuurlijk kwam de NMBS er ook weer tussendoor. Deze keer was het bijna net zo wonderlijk als de vorige keer. Misschien nog wel wonderlijker. Zo waren we in de buurt van station Schaarbeek toen de trein tot stilstand kwam, en toch mochten we er niet uit. En toen kwam het wonderlijkste. De conducteur riep om: “Is er een treinbestuurder aanwezig in de trein?” Waarmee ik gelijk iets te doen had in het uur dat we daarna nog stilstonden. Te weten: me afvragen hoe we in hemelsnaam aan de rand van Brussel onze machinist waren kwijtgeraakt.

4. Een zwieberend stresslevel
Als er ook maar een beetje sprake is van ‘dingen die ertussendoor komen’ dan moet ik alle zeilen bijzetten. Drie jaar van mijn leven had de stress mij eronder en dat gaat mij dus no fucking way nog ‘ns gebeuren. Maar als beginnend zelfstandige is dat nog een extra dagtaak erbij: zorgen dat je niet scheel gaat kijken van de hoeveelheid contacten en contracten, van de hoeveelheid moeilijke vragen en eerste keren, en van de hoeveelheid zelfvertrouwen die nodig is om als een stofzuigerverkoper langs de deuren te gaan. Tot nu toe doe ik het aardig, maar ik kan niet ontkennen dat ‘de dingen die tussendoor komen’ leiden tot een onbedoelde sixpack, wegens altijd mijn buikspieren aanspannen.

Maar er waren dus allemaal dingen die ik nog moest vertellen, als er niet allemaal dingen tussendoor waren gekomen.

Dingen die ik nog moest vertellen
1. We gaan verhuizen
Naar een huis met meer zon, meer bruikbare kamers, meer houten vloeren, meer toekomst en meer glas. Een huis waar de werkkamer aan de tuin ligt, waar de slaapkamer onder de sterren ligt, waar de keukentafel op het zuiden kan staan, waar meer ruimte is om te golfen, waar we meerdere logeerkamers hebben, waar we in bad kunnen en waar we in vijf minuten op het station zijn. Een huis met vier woonlagen, twee wc’s, tal van inbouwkasten, een megamooie tegelvloer en helaas geen goeie plek om onze fiets te stallen.

2. We gaan een auto kopen
Op de een of andere manier gaan we met nul kennis nen ôto kopen. Ik heb al een supergoed advies gekregen van Casper H – hij mailde me anderhalve pagina adviezen voor nono’s die een armeluisbolide willen kopen. Maar meer advies is altijd welkom. Wat zou u doen als u voor maximaal 1500 euro een rijdend karretje zou willen aanschaffen? Waar let u op? Bij welk soort verkoper zou u zeker niet uw portefeuille leegschudden?

3. We zijn nog immer gestopt met roken
Kijk, je kunt kinderachtig doen over jointjes roken en dat dat ook zondigen is, maar intussen heb ik al drie weken geen sigaret meer gerookt en voelt het voor het eerst in al die jaren stoppen alsof ik er klaar mee ben. Niet met roken in het algemeen, ik vrees dat ik wat dat betreft een eeuwige liefhebber zal zijn, maar met roken als agendabepaler, als afleidingsmanoeuvre, als levenselixer. Ik heb voor het eerst het gevoel dat, ook al zondig ik soms, ik echt gestopt ben.

4. Het Eiland Neus is aan het lukken
Ja, dat moest ik u ook nog vertellen. We lukken! Ik en mijn meewerkende echtgenoot leven heusch nog af en toe op water en brood, wegens leeggeschudde portefeuilles en niemand die bereid is er weer iets in te doen. Maar tegelijkertijd krijgen we vreselijk veel offerteaanvragen, worden we gebeld door de Persgroep, De Standaard, de overheid, allerlei grote bedrijven en door de klanten van het eerste uur. Als ik ergens zenuwachtig om was de afgelopen twee jaar dan was het Het Eiland Neus. Maar langzaam vallen alle bouwstenen in elkaar en alles wijst erop dat onze fundamenten gelegd zijn. En dat mag ook wel met een nieuw stulpje en een armeluisbolide in het vooruitzicht. Er zijn grenzen aan water en brood.

Kortom: zo nu en dan fietst er iets tussendoor. Dan teken ik even een huurcontract of sla ik een balletje met Tiger Dre. En zoals het een goede roetsjbaan betaamt: dan staat de wereld even op zijn kop en weet ik de weg naar mijn toetsenbord niet meer zo goed te vinden.

Voor direct verslag vanuit de roetsjbaan: volg mij op Twitter.

For president (2)

Dat schreef ik ooit over hem. En meer.
Lees hier de rest.

Of ze niet uit het raam wilden spugen

Ze waren allemaal harstikke twaalf. En dertien. En veertien. Ze waren zo erg twaalf dat de propjes door het lokaal vlogen, dat ik dingen moest roepen als ‘niet zo kieperen met die stoel, anders val je’ en dat er mensen naarboven kwamen om te vragen of ze alsjeblieft niet uit het raam wilden spugen. Zo twaalf waren ze.

En ik was dat niet gewend. Ik ben gewend dat ik vrouwen van 65 moet leren hoe ze hun leven op papier krijgen, ik ben gewend dat ik mannen van 45 moet vertellen dat onbegrijpelijk niet altijd mooi is, ik ben gewend dat ik meisjes van 23 op het hart moet drukken dat het helemaal niet jammer is dat ze bestaan. Maar ik ben niet gewend om een tijdschrift te maken met mensen die het liefst gewoon nog willen tekenen.

Dus liet ik ze tekenen. Een horoscoop. ‘Wat is dat? Een hoo… uh… rooscoop?’ ‘Uhm, dat heeft te maken met je sterrenbeeld en dat je aan de hand daarvan kan voorspellen wat er gaat gebeuren.’ Een jongetje ging meteen aan de slag. Tong tussen zijn tanden, kleurpotloden voor zijn neus..

En hoewel hij veertien was, was hij nog hartstikke twaalf. En z’n tekeningen waren dat ook. Maar dat maakte niet uit, want het werd super arty. Horoscooptekstjes met van die Appel-achtige plaatjes erbij. ‘Waarom heb je een krab getekend?’ ‘Dat is toch ook een sterrenbeeld?’ ‘Nee, de kreeft.’ ‘Maar die heb ik ook’.

Uiteindelijk hadden we na drie dagen een tijdschrift, met wel 60 foto’s, een strip, recepten, 36 interviewtjes met jongeren op straat en in parken, een test of je een echte Antwerpenaar bent (‘Zeddet of zeddetni?’) en allerlei artikeltjes over sport, mode en kunst. Binnenkort wordt het vormgegeven en in juni wordt het in Antwerpen breed verspreid. En als ze al niet bloosden van al die nieuwe indrukken, dan zullen ze dat wel doen als ze hun eigen blaadje deze zomer in handen hebben.

Ik ben gewend om krantjes en tijdschriften te maken met mensen van allerlei allooi. Vorige week zat ik met iets oudere jongeren (16-22) en volgende week zit ik met een redactie van de Persgroep. Maar niks bereidt je voor op een groep die hartstikke twaalf is. Die met colaflesjes gooit, die niet weet wat copy/paste is en die de zo ijverig door hun moeder gesmeerde boterhammen voor je neus in de vuilnisbak flikkert.

Waarom ik een week lang met m&m’s ontbeet


Voor de gein een stukje op herhaling. Gewoon omdat ik er belandde via de Zijdelings hiernaast -> en ik dacht: waarom niet?
Dit stukje verscheen op 8 januari 2006 op zezunja.punt.nl.

Ik ben in een hopladiejee-stemming. Kijk, een tropische vakantie is leuk, maar je twee weken lang helemaal rot kwissen met schoonfamilie en ander vers bloed is ook niet mis. Qua schoonfamilie val ik namelijk met mijn neus in de boter en dat geldt ook voor dat verse bloed. Hè gets, het wordt een beetje een smurrie met al die metaforen van bloed en boter. Ik wilde eigenlijk gewoon zeggen: kwisjes zijn leuk, mijn schoonfamilie ook en winnen ook.

De olympische gedachte is mij vreemd. Ik speel om te winnen. Altijd. Nooit niet.
Wat dat betreft kon ik deze vakantie mijn hart ophalen. Met tassen vol trofeeën kwam ik thuis. En ook nog met een klein beetje eeuwige roem. Hopladiejee hopladiejo.

Eigenlijk begon het al met de boom van Jessie van Appelblauwzeegroen (klik). Zij schreef een prijsvraag uit en ik gokte goed. De boom was 38,9 centimeter, inclusief pot. Ik zei 39.
Tot mijn grote vreugde ontving ik vorige week een Appelblauwzeegroen-kerstpakket met allerlei merkwaardige dinsigheidjes. Een soldaatje voor mijn soldaatjesverzameling, een Zeke-(klik)-look-a-like met zuidwester, Mariah Carey op een appelblauwzeegroen ceedeetje, een plat steentje ‘om mee over het water te keilen, dat al ettelijke jaren boven in de rommelkamer ligt’ en chocola. Veel chocola. (de vereiste foto volgt nog – update: klik)
Mijn verbazing was groot, mijn dank nog groter en mijn eerzucht het grootst.

In al mijn overmoed besloot ik dat dit het begin zou zijn van mijn kerstzegetocht. Met een schoonfamilie en schoonvrienden die er een handje van hebben de ene na de andere kwis te organiseren, leek me dat een mooie besteding van mijn kerstvakantie. Vooruit met die geit, winnen!

De eerstvolgende mogelijkheid deed zich voor op kerstavond. De ouders van mijn lief hadden een wonderlijke zelfbedieningskwis georganiseerd. We hadden alle zeven een deel van de vragen bedacht en die werden tijdens een verrukkelijk kerstmaal at random uit een stekelvarken geplukt. De vragen varieerden van ‘Wat is het belangrijkste exportproduct van Tenerife?’ tot ‘Speel drie potjes Uno en win minstens één keer’. Ik bedoel maar: mijn zegetocht voortzetten was geen sinecure. Tel daarbij op dat de bakjes met punten zo nu en dan werden doorgeschoven, omdat sommige vragen doorschuifvragen bleken en ziedaar: mijn zegetocht kwam piepend en krakend tot stilstand.

Maar niet getreurd. De kwis was zó willekeurig dat men op elk moment mocht roepen dat het beantwoorden van een vraag een trofee waard was. Oftewel: als verliezer kon je met meer trofeeën naar huis gaan dan de uiteindelijke winnaar.
Ik beantwoordde de vraag over het gambiet bij schaken goed en won een Max’àštil-stofroller. Ik wist de strik in een strikvraag over Sinjoren met succes te ontwijken en won een brillenreparatiesetje. Ik gokte nog een voortplantingsvraag goed en scoorde een speelgoed-stoffer en blik. Later won ik bij het daadwerkelijke cadeautjes uitpakken nog een lekkere lunch in de supermarkt van Stevoort en zo viel er toch nog wat te lachen.

Sterker: ik had het enorm naar mijn zin. Want ik ben niet gek. Ik weet ook wel dat als er ook maar één dobbelsteen of andere random-factor aan te pas komt, winnen niet veel meer voorstelt. Dan komt die olympische gedachte goed van pas: meedoen is belangrijker dan winnen. We hebben het toch gezellig gehad? En wie wil er geen stofroller?

Goed, een week later was het de hoogste tijd voor de rebound. Oudejaarsavond. De Groote Kloote Eindejaarsquiz. De organisatie lag in handen van mijn eigen Groote Klootzak die er alles aan deed om mij niet te bevoordelen.
Maar dat was niet het enige obstakel op de weg naar victorie. Natuurlijk was daar weer die verdomde dobbelsteen, het integratieprobleem en een enorm sterk deelnemersveld. Én natuurlijk moesten we weer te pas en te onpas bakjes doorschuiven. Gék werd ik ervan. Wist ik zonder haperen achtereenvolgens de maker van een vunzige limerick goed te raden, een lichaamsdeel van Tatjana Simic juist te benoemen en een vedette-omelet snel te ontwarren, ging mijn zo zorgvuldig bij elkaar gescoorde scorebordje zonder pardon in zijn geheel naar een halvegare medekwisser.

En als je grote pech had, kreeg je daar het bordje van een hongerige deelnemer voor terug. Een deelnemer die besloten had een paar punten op te eten. Elk goed antwoord leverde namelijk één m&m op en hoewel ik me sterk heb gehouden, kan ik me goed voorstellen dat gedurende zes uur een bakje m&m’s onaangeroerd laten voor sommige kwissers een brug te ver was.

Hoe dan ook: ik won niet. De gedoodverfde winnaar won. De cd met pornoliedjes en die ééuwige ‘eeuwige roem’ gingen aan mijn neus voorbij. Ik bleef achter met een olympische gedachte en een week lang m&m’s als ontbijt.

Toen mijn lief en ik op 5 januari werden uitgenodigd voor een muziekkwis moest het er toch echt van komen. De grote revanche voor mijn mislukte zegetocht.
Maar het begon al niet goed. Het merendeel van ons team kwam niet opdagen, dus we namen het met zijn tweetjes op tegen teams van drie of vier. Daarnaast was onze inschatting dat de muzieksmaak van de quizmaster deels buiten ons spectrum zou liggen, dus onze kansen leken gering.

Op goed geluk gingen we toch maar voor de winst. Mijn lief herkende Missy Elliot en Apocalyptica. Ik raadde de titel van een liedje van Gérard Lenorman en zette ons op het juiste spoor bij de vertaling van Raymond van het Groenewoud. En hoewel we heel stom Mysterious Ways hadden verward met Even better than the real thing en maar niet konden komen op de naam van de voorman van Green Day was-ie daar dan tóch. Eindelijk, eindelijk, eindelijk, eindelijk. De tweede en laatste zege van mijn tocht. Hopladiejee.

Wat heb ik hiervan geleerd?
1. Size does matter en 39 centimeter, met pot, is net iets te groot.
2. Zolang er geluk in het spel is, moet je niet per se willen winnen. Ook niet als je per se wél wilt winnen.
3. Met die speelgoed-stoffer en blik kan ik heel goed een bakplaat invetten. Als ik die zou hebben.
4. Alles van U2 lijkt op elkaar.
5. Begin nooit een zegetocht als je ‘m niet af kunt maken.
6. M&m’s zijn de perfecte fundamenten voor een derde onderkin.

Geen stukje over een bizarre treinreis

In Nederland kon ik bizarre treinreizen beschrijven aan de hand van mededelingen van de NS door de luidsprekers. Die waren een mooie leidraad voor een stukje over onrecht en de NS. In België is dat lastiger. De NMBS blinkt uit in het doen van geen mededelingen. Ooit had de trein van Brussel naar Amsterdam volgens het bord 25 minuten vertraging. Na 40 minuten veranderde er niets aan die mededeling. Na een uur verdween de trein naar Amsterdam van het bord en verscheen de volgende erop. De trein werd geannuleerd, maar niemand die de moeite nam dat om te roepen.
Gisteren zat ik in een trein die bijna twee uur stilstond. De omroepster liet pas na ruim twintig minuten van zich horen. Vervolgens kwam ze met een heel on-NMBS-achtige mededeling, want heel direct en concreet: “Deze trein mag pas doorrijden als een andere ons gepasseerd is, want tussen Mechelen en Leuven hebben we maar één spoor.” Kijk, zo mag ik het graag horen.
Maar toen de tegenligger eenmaal gepasseerd was, bleven we nog eindeloos stilstaan. Na een half uur zei ze: “De trein mag pas door als een andere ons gepasseerd is.” Pardon? Alweer?
Uiteindelijk duurde de reis van Mechelen naar Leuven in plaats van twintig minuten precies twee uur.
Een stukje kan ik er niet over schrijven, want daarvoor deed de NMBS te weinig mededelingen.

Als de muts slecht zit, dumpt men link

Wegens slecht geluimd en niet goed gemutst gewoon even een linkje naar een stukje dat ik afgelopen week schreef over De Schrijfdag van vorige week. Voor het stadsblog Leven in Leuven.

Achter uw rug om

Mocht u zich afvragen wat ik doe: ik stop stiekem met roken. Stiekem, omdat ik dat hier al een paar keer eerder heb gemeld. Het is slecht voor mijn imago om dat nog eens openlijk te doen.

Ik voelde me goed als waarzegster

Het was iets hormonaals, het duurde bijna een jaar en het was bizar. De stad rook naar caviavoer, het water naar jodium en chloor, de poezen naar zure regen en mijn lief naar hetgeen hij zojuist gegeten had.
De wereld kreeg er een dimensie bij. Ik kon niet alleen horen dat er een bus aankwam, ik rook het ook, vaak zelfs voor het geluid hoorbaar was. Als iemand om de hoek een sigaretje opstak, dan voorspelde mijn neus lang op voorhand: als we de hoek om zijn, staat er iemand met een sigaret. En het was altijd waar.
Maar het was ook vervelend, ik dacht te ruiken dat vrouwen voor me op de roltrap hun maandstonden hadden, het zand van remmende trams en treinen brandde diep in mijn neus en één bruin plekje op een banaan had tot gevolg dat ik de bananen wilde weggooien wegens stankoverlast.
Nu is het voorbij, dat hormonale, en gek genoeg mis ik het. Want okee, de biobak is beter te harden, de schimmel in de muren kruipt niet meer in mijn neus en mijn lief ruikt gewoon weer naar mijn lief. Maar ik begon me wel thuis te voelen bij het idee dat ik iedereen vóór was. Dat ik kon voorspellen dat een meloen gistig zou smaken, omdat ik het van een afstand rook, dat ik kon ruiken hoe het weer zich zou ontwikkelen, dat ik steeds kon roepen: ‘Als we de hoek om komen, is daar een frituur/iemand met een sigaar/een houtvuurtje/iemand die het gras staat te maaien.’ Ik voelde me goed als waarzegster, om niet te zeggen superieur. Dat is nu voorbij.

Waarom ik toch maar ga twitteren

Omdat tinternet een beetje uit elkaar gevallen is. In kleine brokjes, stukjes, kruimels.
Waar ik eerst nog deel uitmaakte van een flink stuk taart, maak ik nu deel uit van een leeg bordje met kepsel. En dat vind ik heel ongezellig. Er zit een grote leegte tussen mij en de rest van de actieve bloggers. Een leegte die veroorzaakt wordt door stervende, stoppende en slome webloggers, die niet, nauwelijks, of nooit meer schrijven.
Een tijd lang dacht ik: dat trekt wel weer aan. Sterven is niet voor de eeuwigheid, stoppen is voor mietjes en sloom zijn we allemaal wel eens. Maar mijn optimistische zelf werd weer eens met de neus op de feiten gedrukt: als pessimist kan alles alleen maar meevallen, als optimist valt het – grmbldegmbl -ál-tijd tegen.
Dus ik moest iets.
En ik vrees dat ‘t twitter moet worden. De rest van de taart is namelijk daarheen vertrokken. En het schaap in mij wil er niet alleen voorstaan. Dus ik trek over die dam, voeg me bij de andere schapen en installeer een twitter-dingski in mijn zijbalk.
Wat niet betekent dat ik mijn wervelende stukje web tussen de massagraven ga verlaten. Morgen gewoon weer een stukje alhier. Over vieze luchtjes en wél rieken. Maar in de tussentijd kunt u natuurlijk, voyeuristisch als u bent – jawel geef maar toe – kijken hoe ik die grote teen (hebben schapen tenen?) in het twitterwater steek.
Brrr.

Wat ik eerder over twitter schreef: klik.
Update: En nu breek ik mijn hoofd over de eerste tweet op die maagdelijke pagina.
Update 2: Dat hierboven had een tweet kunnen zijn.
Update 3: Maar dat zou wat flauw zijn.

En ineens was alles onbelangrijk

En als je dan weer buiten staat, met een a4′tje dat met Wordpad een beetje beschreven is in een standaard lettertype, en waaronder drie handtekeningetjes het grote werk moeten doen, dan vraag je je wel af waarom dat 9 weken, 4 huilbuien, 1 tocht naar Amsterdam, 4 fietstochten van mijn vader, ongeveer 70 euro en tig domme opmerkingen van ambtenaren heeft moeten kosten.
Maar als je dan een paar uur later een hummeltje van nog geen 17 uur oud in je armen mag houden, een hummeltje dat de zo hard bevochten meewerkende echtgenoot in de toekomst peter zal noemen, dan is alles ineens bijzaak.

No joke

We gaan vandaag proberen de bureaucratie eronder te krijgen.
Zie ook Vrijdag de 13e en Nu ben ik definitief bijgelovig.