Archief in maanden: augustus 2009

Perikel 1: Choco (3)

Voor de inleiding, deel 1 en deel 2 kun je hier terecht.

De tweede nacht in ons nieuwe huis verstreek en wederom had ik sluimerende buikpijn. Mike en Sjeik deden het goed in hun nieuwe omgeving. Eerst waren ze schuimbekkend op hun buik over de grond gekropen. Allebei. Bellenblazend van angst, maar retenieuwsgierig. Later ontdekten ze dat houten vloeren in het hele huis gelijk staat aan het kattenparadijs. Dus vonden we ze na verloop van tijd languit in deuropeningen, op de wc, op de trap en onder ons bed.

Maar Choco… Als ik aan haar dacht kromp ik ineen. Het allerbangste poesje dat ik ooit had gehad, was, nu al twee nachten moederziel alleen geweest, in een leeg huis dat galmt als ze met haar nageltjes over de tegels trippelt. Choco, die eigenlijk alleen maar rustig kon worden als wij bij haar in de buurt waren.

Maandag moest ik werken, maar Wannes zou het oude huis schoonmaken, dus er was die dag veel kans op een goede vangst.
‘Bel je me meteen als er nieuws is?’, vroeg ik toen ik voor dag en dauw naar Gent vertrok. Hij beloofde dat.

Ik hoorde niets.
’s Ochtends niets, ’s middags niets, op de terugweg niets.
Ik belde zelf.
‘Nog niks’, zei Wannes.
‘Hebben jullie haar al wel gezien?’
‘Nee, ze heeft zich nog niet vertoond.’
‘Ook niet op het dakje van de buren?’
‘Nee, ook niet op het dakje van de buren.’

De moed zakte me in de schoenen. Van deze dag moesten we het hebben. Wannes van negen tot vijf aanwezig. Zijn vertrouwde stem, zijn aanwezigheid in de tuin.
Maar tegelijkertijd werd ook het huis geschrobd, gestofzuigd en van een geheel nieuw geurtje voorzien. En alles klonk vier keer zo hard, omdat het huis leeg was. Misschien was het wel logisch dat ze zich schuil hield.

’s Avonds togen Wannes en ik voor de derde keer rond de schemering naar het oude huis. Het was schoon, de ramen waren gelapt, de vloeren gedweild. Voor Choco was er weinig dat nog veilig zou ruiken, behalve het slaapdekentje en het eten dat we hadden achtergelaten.

Maar Choco was er niet. En ze kwam ook niet. Zelfs niet op het dak van de buren met haar middelvinger omhoog. Na ruim een uur rondhangen in een huis waar we niks meer te zoeken hadden, vertrokken we somber naar het nieuwe adres. Na vijf pogingen waren radeloos. We hadden nog twee dagen voordat we de sleutel van het oude huis moesten teruggeven en Choco liet zich niet meer zien.

Dinsdag gingen we wederom ’s ochtends vroeg naar het oude huis. Het oude huis had inmiddels een waas van negativiteit. We konden het alleen nog maar als een heel erg kutklotetyfushuis zien.

Het was tijdens de verhuizing al warm geweest, maar nu, drie dagen later was het echt verzengend heet. We stonden wat op het gras in de zon. Geen Choco. We zaten wat op de grond in de koele keuken. Geen Choco. We schroefden nog wat lampjes van de muur. Geen Choco. We reden nog eens naar de stort en toen we terugkwamen was er nog steeds geen Choco. We emmerden, lummelden en wachtten wat. Maar na een halve dag was er in de wijde omtrek geen Choco te bekennen.

We besloten de zon uit te gaan en eens te kijken hoe het met de andere twee katten gesteld was. Het was de vraag of Choco met haar zwarte vacht midden op zo’n hete dag tevoorschijn zou komen, dus we zetten al onze kaarten maar weer in op de schemering.

De dag was klote. Gelukkig had de huiseigenaar gebeld om te zeggen dat ze pas een dag later kon afspreken om de sleuteloverdracht te doen, dus we hadden nog een dag respijt. Maar omdat we Choco sinds zondagavond helemaal niet meer hadden gezien, was het niet helemaal duidelijk wat de strategie voor die extra dag moest worden.

Tijdens het eten konden we het niet laten talloze doemscenario’s de revue te laten passeren, variërend van posters in de buurt verspreiden (‘Maar waar in al die 80 dozen is de printer?’), tot stiekem een sleutel houden en nog wekenlang elke avond terugkomen voor Choco (‘Bizar plan!’) en het numero uno doemscenario: met slechts twee poezen verdergaan (‘Pfff’ ‘Ja, pffff.’).

Toen we voor poging 7 teruggingen, hadden we een plan de campagne. We hadden bedacht dat we een zo normaal mogelijke situatie moesten creëren, waarin onze gesprekken niet om háár zouden draaien maar gewoon ‘gewoon’ zouden zijn. En als ze zich eenmaal liet zien (vingers gekruist) dan zouden we nog zeker een half uur aaien, spelen en koesteren. Want als Choco ons eenmaal vertrouwt, vertrouwt ze ons helemaal. Dat wisten we zeker. Het had dus vooral tijd nodig, gokten we.

(Sorry: wordt opnieuw vervolgd)

Volgende week

Dan ga ik weer gewoon een beetje tikken. Tot die tijd probeer ik alles wat aan het gewone leven doet denken glad te vergeten.

Perikel 1: Choco (2)

Deel 1 vind je hier.

Goed, waar waren we gebleven.
Bij onze eerste nacht in het nieuwe huis. Het huis waar de zon opkomt aan de keukentafel, het huis waar de slaapkamer voelt als de kajuit van een mooie boot, het huis waarin we in onze dromen al weken wakker werden.

Nu werden we er echt wakker. Zonder Choco. Zonder Sjeik. En ook al waren we pas om drie uur gaan slapen na een dag waarop we vier verdiepingen huisraad door onze handen lieten gaan, om half zeven stonden we weer naast ons matrasje. Moe en ongerust.

De autoloze zondag zou om negen uur beginnen, dus we hadden nog tweeëneenhalf uur de tijd om de poezen te vangen en ze naar het nieuwe huis te brengen.

In het oude huis heerste een diepe zondagochtendrust toen we er aankwamen. Binnen was er niks. Buiten ook niet. Leek het. Tot Choco zich even liet zien. Op het terras. We aaiden haar. Ze miauwde. De zon scheen. Alles leek goed.

‘Ik ga haar pakken, goed?’, zei Wannes.
‘Goed’, zei ik.
En toen ging alles heel snel.
Choco zette haar nagels in Wannes’ pols, in zijn borst, in zijn been en wrong zich in een soort s-bocht, maakte haar nekvel ongrijpbaar en draaide in een driedubbele schroef uit zijn handen. Vervolgens vluchtte ze door de open tuindeur naar binnen.
‘Doe de deur dicht’, riep ik, ‘dan sluit ik het luikje van buiten!’
Wannes gooide de deur dicht, en probeerde intussen Choco te kalmeren die binnen aan de grond genageld haar vlaag van verstandsverbijstering te boven stond te komen.
Buiten deed ik het kattenluikje dicht en ik slaakte een zucht van verlichting. De poes was binnen. Nu was het slechts een kwestie van tijd.

Maar dat was iets te vroeg gejuicht. Binnen was Wannes Choco lieflijk aan het toespreken, terwijl hij haar in een hoek dreef toen er ineens een luid bangkletsboemdengdengdeng klonk. Choco probeerde te vluchten, maar omdat het luikje gesloten was, beukte ze zich een onvermijdelijke hersenschudding tegen de binnenkant van het luikje.
Ten slotte roste ze met een keihard KEDENG het luikje uit zijn sponningen. Ze rende voor haar leven naar het Jip Janneke-gat dat naar de buurtuin leidt. Ons hevig bevend achterlatend.

We keken naar Wannes’ pols, naar zijn borst, naar zijn been. En naar de bloeddruppels op de grond. Er was nog ruim een uur over om een list te bedenken, pas daarna zou de stad voor auto’s afgesloten worden. Maar misschien was een ontsmettingsmiddel op dit moment iets urgenter dan een nieuwe poging om een nog opgefoktere kat te vangen.

Het ontsmetten van de schrammen kreeg voorrang en zo begonnen we onze eerste zondag in het nieuwe huis. Een hete dag met één kat in het nieuwe huis en twee katten die elkaar niet kunnen uitstaan in het oude lege huis.

Zo goed en zo kwaad als het ging probeerden we de dag door te komen. Zoeken naar alledaagse dingen (‘Waar zijn de handdoeken?’, ‘Heb jij mijn oplader nog ergens gezien?’, ‘Die doos waar de suikerpot in zat, waar is die?’), pijn hebben in alledaagse spieren (‘Ik ga nooit meer verhuizen!’ ‘Dus we blijven hier ons hele leven wonen?’ ‘Dat weet ik niet, maar ik ga in elk geval nooit meer verhuizen.’) en gek worden van de logikwissen die in de soep liepen.

’s Avonds na negen uur was de stad weer begaanbaar voor auto’s en aangezien katten doorgaans erg actief worden rond de schemering was dat eigenlijk een prima moment.

In het oude huis was geen enkel geluid te horen, geen poes te zien. Niets te beleven.
We begonnen met tsjirpen, smakken en sissen en al gauw kwam Sjeik klagelijk miauwend op ons af.

Het was ons gegund: Sjeik liet zich – hoppakee – zó in de wasmand stoppen.

Choco was inmiddels op het dak van de schuur van de buren gaan zitten. Achterin de tuin. Ze negeerde onze smakjes en tsjirpjes en stak ter verduidelijking nog even haar middelvinger omhoog.

Omdat we het liedje inmiddels kenden (poes gaat klagelijk miauwen-> andere poes krijgt alleen maar meer wasmandargwaan), vertrokken we gelijk met Sjeik naar het nieuwe huis. De zoveelste keer over de ring van Leuven, de tweede keer met een poes. En hopelijk niet de laatste keer.

In het nieuwe huis bespraken we het geval Choco. Wannes’ schrammen zagen er gelukkig niet ontstoken uit, maar ze waren wel immens groot en diep. En ons lichaam wilde eigenlijk niet nog een keer in een lege tuin op de grond zitten. Om twee uur later af te druipen. Met elk spiertje stijf, elk plekje beurs. En totaal ontgoocheld door het gebrek aan medewerking van Choco.

We besloten ook de tweede dag Choco achter te laten op het dak van de schuur van de buren. Bij het afscheid zwaaiden we nog eens. Zij stak haar middelvinger omhoog.

(volgende keer: Hoe het afliep…)

Terwijl ik me afvraag of ik vakantie heb

Eigenlijk moest ik natuurlijk allang het vervolg op ‘Perikel 1: Choco’ schrijven, maar ik probeer te doen alsof ik nog vakantie heb. Het is namelijk niet helemaal duidelijk of ik dat ook daadwerkelijk heb.
Als je door alle fysieke inspanningen honderd kilo afvalt, je onvrijwillig suf bureaucratiet en daarnaast ook nog eens allerlei voorstellen en offertes de deur uit doet, kun je dat nauwelijks vakantie noemen, maar als je tijd hebt om de eerste helft van La Meglio Gioventú in een ruk uit te kijken – drie fokking uur – terwijl je vorige week ook al Benjamin Buttons relaas zag – eveneens drie fokking uur – dan is er wel iets van vrije tijd gaande.
Ik werp mij met liefde nog eens drie uur op Matteo, Nicola, Giorgia en Giulia. Choco moet helaas nog even wachten.

*en dan moet u zich nu een testbeeld met ‘even geduld’ voorstellen*