Archief in maanden: november 2009

Het verhaal van mijn rijexamen en de zonnebril op het dak

Voor wat er aan vooraf ging: lees mijn aankondiging van gisteren.

De dag van mijn rijbewijs was het zonnig, veel meer dan dat weet ik niet – ik heb alles verdrongen. Dat er zon geweest moet zijn, weet ik vanwege de titel van dit stukje.

Het examencentrum in Alken (Hasselt) is gevestigd op een industrieterrein en mijn instructrice (die met een andere pet op de moeder van Wannes is) was paraat. Ik was er helemaal klaar voor: 20 uur les en daarnaast nog meer dan 1000 kilometer ‘vrij’ gereden. Ik twijfelde niet.

Voordat we de weg op gingen, liet de examinator mij de motorkap openen, waarna ik moest zeggen welke tank voor de koelvloeistof was. Omdat het donker was onder de motorkap legde ik mijn zonnebril op het dak van de auto. Daarna wees ik feilloos het reservoir van de koelvloeistof aan.

Vervolgens mocht ik instappen. Ik zette alles nog eens goed: stoel, stuur (ik heb last van lange benen) en binnen- en buitenspiegels. Toen draaide ik de sleutel om en reed ik weg, de rust zelve.

Iets buiten het examencentrum hoorde ik wat getik op het dak. Rikketik, rikketik, rikketik. De moeder van Wannes zat naast me en de examinator zat achterin gezellig tegen haar te keuvelen. Ze hoorden niks.

Ik reed gestaag door en twijfelde of ik het geluid zou melden. Het was geen bekend geluid en hoewel het niet uit de vitale onderdelen van de auto leek te komen, verontrustte het me toch.

En ineens waren ze daar: DE ZENUWEN.

Al die tijd had ik kalmpjes gewacht tot het examen was begonnen, ik was heel Zen van het examenterrein afgereden en ik was er vol zelfvertrouwen aan begonnen. Maar nu verkeerde ik in het volle besef dat ik rijexamen aan het doen was en dat het wel eens HELEMAAL FOUT KON GAAN.

Plots veranderde het stuur in een zompig zwembadaccesoire, mijn voeten zweefden aarzelend boven de pedalen en ik had moeite me te concentreren door het gekeuvel in de auto en bovenal: het gerikketik op het dak.

Ik reed nog maar een stukje door in opperste vertwijfeling. Gelukkig was er weinig verkeer op het industrieterrein. Ik kneep wat in het stuur, omdat ik door het zweet de grip leek kwijt te raken en ik keek als een bezetene in mijn spiegels in de hoop mijn concentratie weer terug te krijgen. Rikketik rikketik rikketik.

We reden de hoek om. De zon stond laag. Rikketik. Tijd voor een zonnebril.

Juist ja, de zonnebril die ik op het dak had gelegd, omdat het zo donker was onder de motorkap. En die ik daarna dus niet weer van het dak had gehaald. De zonnebril die ik nu hard nodig had, lag op het dak van rikketik te doen.

Ik zat nog even in dubio: het was een zonnebril van hooguit 15 euro, die mocht wel te pletter vallen. Maar het gerikketik leidde me te veel af, bovendien stond de zon echt akelig laag.

‘Ik heb mijn zonnebril op het dak laten liggen’, zei ik tegen de examinator. Het werd stil in de auto. Via de binnenspiegel zag ik dat de examinator met stomheid geslagen was. En de moeder van Wannes ook.
‘Mag ik even stoppen om ‘m eraf te halen?’, vroeg ik
‘Uh… wat ligt er juist op het dak?’, vroeg de examinator terwijl hij me via de spiegel aankeek.
‘Mijn zonnebril. Die heb ik afgezet om de watertank aan te kunnen wijzen. Maar die ligt nu nog op het dak.’

Dit was het moment waarop mijn zenuwen het helemaal overnamen. Het duurde even voor de examinator antwoordde, die moest vermoedelijk ook even verwerken wat ik zojuist had gezegd. Dat gaf mij de tijd om te verkrampen, om bijna sterretjes te zien van de adrenaline.

‘Ja, probeer de auto maar ergens aan de kant zetten’, zei de examinator uiteindelijk. Ik keek rond. Het was een industrieterrein zonder stoepen en met ontelbaar veel inhammetjes, uitritten, plots opduikende parkeerplaatsjes en mega-trucks die her en der langs de weg waren gezet. Ik vroeg mij koortsachtig af of er in deze straat überhaupt een plek was waar je reglementair mocht staan.

Op goed geluk koos ik een plek.
Verkeerd.
‘Hier sta je voor een uitrit’, zei de examinator streng.
Hij had gelijk, het was een goed verstopte uitrit.
Ik reed iets naar voren en vroeg: ‘Mag het hier?’
Wannes’ moeder en de examinator keken om zich heen en humden in koor: ‘Mja, hier mag het wel, lijkt het.’

Toen de auto stilstond, wilde ik mijn gordel los doen en uitstappen, maar de examinator zei: ‘Nee, laat de instructrice maar even gaan kijken.’
O, okay. Ik liet de gordel los en keek naar de instructrice c.q. de moeder van Wannes. Die stapte uit en liep de weg af.

De weg af. Dat was nergens voor nodig. De zonnebril lag gewoon aan mijn kant óp het dak van de auto. Ik keek om, langs de examinator en zag de moeder van Wannes op een drafje tientallen meters teruglopen, naar de grond kijkend in de hoop de zonnebril te vinden. Ik wilde naar haar roepen. ‘Hee, joehoe, hij ligt op het dahak.’ Maar ik durfde niet, ze was al best ver weg en ik mocht van de examinator niet uit de auto.

‘Hij ligt gewoon op de auto’, piepte ik tegen de examinator.
‘Ja, ik geloof dat ze dat niet begrepen heeft’, zei de examinator, terwijl hij door de achterruit de moeder van Wannes nakeek.

Het was doodstil in de auto en het leek eeuwen te duren voordat de moeder van Wannes besloot weer om te keren. En toen duurde de terugweg ook nog eeuwen. De examinator en ik keken zwijgend door de achterruit. Toen ze dichtbij genoeg was om ons te zien, wees ik naar het dak. Ze keek en knikte: aha!

Toen de moeder van Wannes weer in de auto zat, probeerde ik me weer te concentreren: ik was rij-examen aan het doen, elke beweging, elke handeling deed ertoe. Maar het was een chaos in mijn hoofd, ik zat me alleen maar af te vragen of ik op het moment dat ik die zonnebril op het dak legde al gezakt was.

De veertig minuten die volgden, beleefde ik in een roes. Voor m’n gevoel reed ik vlug en vaardig, maar mijn gedachten schoten alle kanten uit. Ik zag telkens het beeld voor me van de moeder van Wannes, op een drafje in de achterruit. Toen we bij het examencentrum kwamen, was het hoge woord er snel uit. Ik was gezakt, niet door de zonnebril, maar door een moment waarop ik bij het linksafslaan zonder te pinken van de linker naar de rechter rijbaan was gegaan.

En hoe hard ze me ook probeerden uit te leggen op welk kruispunt dat was gebeurd, ik kon het me niet herinneren.
Ik zag alleen maar de moeder van Wannes. Op een drafje in de achterruit.

In de loop van de week: Het verhaal van de auto en hoe Paris Hilton niet te vertrouwen is.

Het verhaal van de meesterplanner en de rijbewijsrampspoed

Net als het Choco-verhaal heeft ook dit verhaal een aanloop nodig. Het verhaal van de auto is namelijk nauw verbonden met het verhaal van mijn rijbewijs. En het verhaal van rijbewijs, tsjongejonge-nounou, dat is me een verhaal.

Mocht u willen weten hoe de zaken ervoor stonden toen ik besloot mijn rijbewijs te gaan halen, lees dan eerst o-kut-o-kut-o-kut-o-shit-o-shit-o-shit en Ik ben een chauffeur. Ik las het zelf ook terug en in het eerste stukje staat: “Als alles volgens planning verloopt, heb ik in 2008 een rijbewijs.”
Au!

En dan te bedenken dat ik een meesterplanner ben. Echt een actieve agendaschrijver met doelen, middelen en resultaten. Maar dat mag niet altijd baten. Blijkt.

Want het is bijna 2010 en ik heb mijn rijbewijs nog steeds niet.

Bij het verhaal van de auto hoort dus het verhaal van mijn rijbewijs. Het combinatieverhaal bestaat uit drie delen:
Het verhaal van mijn rijexamen en de zonnebril op het dak.
Het verhaal van de auto en hoe Paris Hilton niet te vertrouwen is
Het verhaal van het gehaalde theorie-examen dat niet meer geldig is

Morgen: het verhaal van mijn rijexamen en de zonnebril op het dak.

Het verhaal van de herfst en de naar binnen groeiende druivelaar

Dit huis is om een druivelaar heen gebouwd (of om een wijnrank, zoals ze Nederland zeggen). Dat klinkt vreemd, en dat is het ook. De veranda (serre voor Nederlanders) die aan ons bureel vastzit heeft een naar binnen groeiende druif.

Kijk maar op de foto: de stam en de wortels staan buiten, de druiven hangen binnen. De huiseigenaar heeft bij de bouw van de serre de stam keurig in een uitsparing bij de dakbalken gemanoeuvreerd. De druiven die eraan groeien zijn heel zoet en sappig, omdat het in de serre natuurlijk altijd luw en zonnig is.



Klik voor de hele foto.

Een trosje druiven kunnen plukken als je hard aan het werk bent, is tof. De bladeren horen vallen als je hard aan het werk bent, is ook tof.
Maar als het echt herfst wordt, is het toch iets minder tof. Kijk maar op de foto.



Klik voor de hele foto.

Maar het valt op te lossen, kijk maar op de foto.



Klik voor de hele foto.

We zouden ‘m ook niet kwijt willen. Zicht op de tuin terwijl je stukjes tikt, is één ding, maar een beetje natuur in huis is de kers op de taart. Dus we zullen keihard dealen met het gebladerte. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de condens die zo’n boom produceert in de zomer. Een goed onderwerp voor ooit: Het verhaal van de druppelende muren. Maar dat is niet de volgende stukje, want er moeten eerst nog heel wat perikelen afgehandeld worden.

Het verhaal van het onverwachte bureel

We wilden ons werk achter ons laten als we klaar waren, we wilden niet per ongeluk de bliepjes van de mail horen, we wilden dat Het Eiland Neus een eiland werd en niet langer verlengstuk was van onze woonkamer. We wilden verhuizen.

Toen we dit huis zagen, waren we op slag verkocht. Al het hout, al die kamers, al die mogelijkheden. Maar er was één probleem: geen van de kamers was groot genoeg voor een bureel met twee driftig knutselende mensen. De woonkamer was dik in orde als woonkamer, de logeerkamer was dik in orde als logeerkamer, de badkamer als badkamer, de inloopkast, de slaapkamer, en nog ‘n ongebruikte kamer: allemaal dik in orde. Drie etages met een keur aan toffe kamers… maar geen bureel.

Tot ons oog viel op de kelder. Aan de straatkant is de kelder een echte kelder, maar aan de tuinkant is de kelder eigenlijk de begane grond, want straat en tuin verschillen enorm in hoogte. In die kelder is een grote kamer, die aansluit bij een serre (voor Vlamingen: veranda) die grotendeel bestaat uit glas. En die kamer was eigenlijk groot genoeg voor Het Eiland Neus.

De studenten die in ons huis hadden gewoond, hadden de kelder ingericht als een thuisbar, met okergeel op de muren en blauw op het plafond. Daardoor moesten we langdurig onze ogen sluiten, want anders was het in al die lelijkheid onmogelijk om je voor stellen dat daar ooit een plezierige werkplek zou kunnen ontstaan.

De kamer zoals die was.


Klik voor de hele foto.

De veranda zoals die was.


Klik voor de hele foto.

Maar een paar uur in in lotushouding was voldoende om het toekomstige bureel aan de binnenkant van onze oogleden te projecteren.
En zo sloegen wij – en enkele lieftallige vrienden en familieleden – aan het schilderen en inrichten. De bar werd een bureau, het oker werd rood en wit, en de veranda werd het perfecte uitzicht voor een creatief bureau.

Zo ziet het er nu uit.

Mijn kant.


Klik voor de hele foto.

De hele ruimte.


Klik voor de hele foto.

Wannes’ kant.


Klik voor de hele foto.

De veranda.


Klik voor de hele foto.

En de laatste foto biedt gelijk een aanknopingspunt voor het volgende stukje: Het verhaal van de herfst en de naar binnen groeiende druivelaar.

MAAR-WIE-BEN-IK-IN-HEMELSNAAM-?

Dus ik word op een dag wakker en ik denk: IK-MOET-NU-MIJN-WEBSITE-VERBOUWEN. Dat ik midden in de drukste periode van het jaar zit, maakt niet uit, dat ik bijna in het vliegtuig naar Barcelona stap, doet niet ter zake en dat ik zo overspannen als een ei ben: so be it. IK-MOET-MIJN-WEBLOG-VERANDEREN.
NU.

Dus mijn lief wordt wakker en kijkt niet begrijpend naar mijn maintenance-pagina. Hij zegt niks, want hij is allang blij dat ik in mijn veranderwoede niet mijn biezen pak. IK-WIL-HET-HE-LE-MAAL-ANDERS, zeg ik dwingend. Uh, ja, ik weet het niet, zegt hij, nauwelijks onder de indruk. Hij weet ook dat ik in het 6-jarig bestaan van mijn website al 17 x alles HE-LE-MAAL-ANDERS wilde.

Dus ik zet een asbak tussen ons in op de keukentafel. En ik steek van wal. Ik wil dat die website helemaal uitdraagt wie ik ben. MAAR-WIE-BEN-IK-IN-HEMELSNAAM-? vraag ik hem. Uh, ja, stamelt hij. NOU-?, vraag ik ongeduldig. Uh, ja, zegt hij weer. IK-HEB-EEN-BRILJANT-IDEE-NODIG, zeg ik. Om de druk wat te verlagen.

Dus ik begin wat te knutselen. Tong tussen mijn tanden, voortdurend het spoor bijster. ER-KLOPT-IETS-NIET, zeg ik tegen hem. DIT-BEN-IK-HELEMAAL-NIET. Maar het is toch mooi?, zegt hij. Ik val stil. Voor even. NEE-HET-MOET-HE-LE-MAAL-ANDERS. En ik zwijg.


Klik voor een groter exemplaar.

Dus ik begin helemaal opnieuw. In de drukste periode van het jaar, met een half been in Barcelona. HET-IS-EEN-LASTIG-WORDPRESS-THEMA, roep ik uit. Het is inderdaad geen eenvoudig Wordpress-thema, stelt hij vast. Maar hij is de redder in de nood. Eentje die ik nauwelijks verdien. HET-MOET-WEL-HELEMAAL-KLOPPEN, zeg ik, terwijl ik hem de losse eindjes geef.

Dus het is meer dan een maand later en nog klopt niet alles. En hoewel ik alles zelf bedacht en gemaakt heb, wil ik nog immer uitroepen DIT-BEN-IK-TOCH-NOG-NIET-HELEMAAL-HOOR. Want, tja, je zult maar ambitieus zijn.

Dus ik heb ineens heel lange haren, en een heel bleke huid. En u weet: DAT-BEN-IK-HELEMAAL-NIET, want mijn haar is nu ongeveer zo lang:


Klik voor een groter exemplaar.

EN-DAT-BEN-IK-DUS-WEL. Gewoon een 35-jarige, die met haar nichtje door een Spaans museum wandelt (zie foto). Met helemaal niet zulke lange haren.

Dus als ik uitriep dat ik het ALLEMAAL-NIET-MEER wist, zei hij: heb vertrouwen! Vertrouw erop dat het hoe-dan-ook wordt zoals jij bent en dat je schrijfstijl voldoende is.

MAAR-HOE-DOE-JE-DAT-DAN-?, zei ik terwijl ik mijn handen ten hemel hief.
Uh, ja, zei hij. Gewoon. Je website online zetten en schrijven.

O ja.
Okay.

Het verhaal van de altijd zichtbare toren

U wilde perikelen (dat bleek hier) maar u wilde ook het verhaal van altijd warme voeten en de daarbij behorende foto’s.
Welaan, bij deze.



Klik voor een grotere foto.
Het verhaal van de… altijd zichtbare toren

Toen ik voor het eerst in Leuven kwam, vond ik het een schattig stadje. Mooi, levendig, maar niet echt serieus te nemen als stad. Een ring waar je maar 50 mag, geen buitenzwembad en in vakanties maar 60.000 inwoners, neuh, dat viel niet serieus te nemen.
Het allerschattigst vond de enige wolkenkrabber die Leuven rijk was: Sint-Maartensdal.
Sint-Maartensdal is in meerdere opzichten schattig. Ten eerste is het een flat met een futuristische barbecuespies op het dak, waarschijnlijk om daadwerkelijk de wolken te krabben. Dat heeft iets over-ambitieus, wat het gebouw in het geheel niet waarmaakt.
Want het is een flatje van niets. Zoals de naam al zegt: hij staat in een dal, waardoor de toren nog niet eens een vliegtuiglichtje nodig heeft. Daar is weinig wolkenkrabben aan, me dunkt.
En dan de kleuren, die zijn wel het allerschattigst. In België hebben ze de neiging om – net als in Frankrijk – de pijn van armoede te verzachten door de getto’s zalmroze te schilderen. Sint Maartensdal is naar Leuvense maatstaven zo’n getto: het handjevol allochtonen dat Leuven rijk is woont daar, aangevuld met wat opgeschoten jeugd en wat laagopgeleide kansarmen. Als getto op zich niet serieus te nemen, en daarom zo geschikt als achterstandswijk voor Leuven. En ook die hebben ze dus zalmroze geschilderd, zodat de armoede er minder rauw uit zou zien.

In ons vorige huis hadden we zicht op de Begijnhofkerk (klik), maar dan moesten we wel in de tuin gaan staan. In dit huis hebben we altijd uitzicht, op elk van de vier etages.
Uitzicht op de zalmroze staf met barbecuespies die ik bij mijn kennsimaking zo schattig vond. Pathetisch zelfs.
Inmiddels ben ik blij dat het geen grauwe grotestadsflat is, maar een Eftelingwolkenkrabbertje – waardoor ik telkens weer besef dat ik in het rustige en gezapige stadje Leuven woon.
Laat dit het eerste verhaal van altijd warme voeten zijn: het uitzicht bevalt me.



Klik voor een grotere foto.

Heeft Matthijs misschien tóch gelijk?



Klik op het plaatje voor de hele timeline.

Je zou zeggen dat Esther gelijk heeft als ze verzucht dat Matthijs van Nieuwkerk er in De Wereld Draait Door doorgaans wel een erg ouderwetse visie op Twitter op na houdt. Alsof het altijd gaat over ‘ik eet nu een appel’. Maar op het moment dat ze het zei waren er nog tien andere tweets zichtbaar in mijn timeline in Tweetie. Allemaal berichten die op datzelfde moment door Jan en alleman geplaatst waren. En zie: van de tien gingen er vier op de een of andere manier over eten (zie de roze gemarkeerde tweets). Zou Matthijs toch gelijk hebben?