Archief in kronkels: De Inwijkeling

Ik kan geen Belg zijn, en geen mietje

‘Belgen zijn soms zo ontzéttend Belgisch!’ schreef ik op Twitter.
Men wilde weten wat ik bedoelde, en terecht, het klinkt op de een of andere manier niet heel aardig.
‘Ik zat te janken bij een arts en hij negeerde dat VOLKOMEN’, legde ik uit.
Er volgde wat instemmend geknik, ja, zo zijn de Belgen, ik kreeg wat adviezen over goede artsen en er klonk wat afkeurend gehum – veel Belgen die mij op Twitter volgen, zouden mijn gejank nooit negeren (waarvoor dank).

Ik voel me altijd een beetje schuldig als ik afgeef op de Belgen. Ik woon hier graag en ik word door een deel van de Belgen heel hartelijk ontvangen. Maar ik ben kritisch. Voor mijn gevoel net zo kritisch als voor de Nederlanders, maar door de nieuwe rituelen, gedragingen en conventies waarmee ik word geconfronteerd, ben ik verwonderd in plaats van het ingebakken alledaagse pessimisme dat je over je eigen volk hebt. Op de golven van verbazing komt mijn kritiek op de Belgen dus vaker naar buiten.

Wat de Belgen zo Belgisch maakt, is hun terughoudendheid als het moeilijk wordt. Wat dat betreft zijn Japanners eigenlijk de beste Belgen. De arts die negeert dat ik zit te huilen is een voorbeeld, maar ik kan tal van voorbeelden bedenken waarin de Belgen hun vingers liever niet branden aan echte emoties, echt contact en harde waarheden.

Sommige Nederlanders zijn ook heel Belgisch, dus ook in Nederland voelde ik me soms een buitenbeentje met mijn motto ‘laten we elkaar geen mietje noemen’. Maar ik woonde in Amsterdam (een van de meest on-Belgische steden van Nederland) en ik verzamel doorgaans on-Belgische vrienden, dus ik had niet zoveel last van de Belgische Nederlanders.

In België voel ik me een beetje eenzaam. Omdat moeilijke dingen niet ter sprake komen, heb ik heel vaak het gevoel dat ik de enige ben die het niet allemaal voor elkaar heeft. De enige met financieel gekut, medisch gedoe, wezensvragen en zo nu en dan zin om gewoon een potje te janken. Statistisch gezien is het onmogelijk dat ik de enige ben, en in mijn heel nabije omgeving (een enkele on-Belgische Belg) hoor ik wel eens van een probleempje hier of daar. Maar over het algemeen voel ik me hier dat meisje dat maar niet weet te verbergen dat haar leven soms veel wegheeft van een teringzooi.

Ik voel me kwetsbaar, omdat ik van alles vertel: taboe, knuppel, hoenderhok en dan nog een potje janken bij een arts. Ik gooi hete hangijzers in de groep en word daar zelden voor beloond. Terwijl ik met heel mijn hart geloof dat ik niemand, mezelf evenmin, een mietje moet noemen. Dat zorgt alleen maar voor veel tijdverlies en verwarring. In relaties, werk, alles: ik trek de pleister er in één ruk af. Je weet wat je aan mij hebt.

In de meeste dingen in België pas ik me aan. Ik verdiep me in de gewoontes, probeer ze te begrijpen en doe een poging om mee te doen. Maar hierin voel ik verzet. Ik kan geen Belg zijn, en geen mietje. En ik wil zo graag weten wat ik aan jullie heb.

Waarom houden Vlamingen hun plas op?

Ik krijg wel eens Vlamingen over de vloer. Sommige zijn goede of minder goede vrienden, anderen zijn opdrachtgevers, en af en toe komt er een huisbaas, een wijkagent of een collega. De bezoekjes zijn heel verschillend: soms wordt er gewerkt, soms gebabbeld, vaak wordt er veel gegeten en gedronken.
Toch hebben al deze Vlaamse bezoekers één ding gemeen: ze gaan niet naar de plee! Nooit. Elke keer als er iemand komt, maak ik braaf de hele badkamer schoon: vloer, pot, kranen, bril, you name it, I schrob it. En elke keer overvalt me een lichte teleurstelling als blijkt dat er wéér niemand naar de wc is geweest. Al zes jaar lang.
Zelf ga ik ook niet graag bij een ander naar de wc, maar als ik ergens drie uur werk of een rijk besprenkeld diner verorber, dan is het vaak geen kwestie van willen. Dus nu vraag ik me af hoe, maar bovenal waarom houden Vlamingen hun plas op?

NB Mijn schoonfamilie gaat wel. Goddank.

De Inwijkeling: Amsterdam
klopt steeds minder

‘Ik weet nooit welke de Haarlemmerstraat is en welke de Haarlemmerdijk’, zei @ongast op Twitter.
Mijn eerste innerlijke reactie was: o, maar dat kan ik je wel vertellen. Mijn hersens kraakten en de inktkop schoot naar de Haarlemmerbuurt, begon een kaartje te tekenen en maakte de vonk voor mijn volgende reactie: euhm, hoe zat het ook alweer na de Nieuwendijk? Er werden stukjes opengelaten, er werd een tweedehandsklerenwinkel getekend, een Oost-Indisch huis en een kruising met om het hoekje coffeeshop Siberië. Maar tussen al die highlights zaten witte vlekken, straten die ineens ophielden, grachten die in het niets eindigden en kruispunten waar ik de naam niet van wist.

Mijn wieg stond in Amsterdam-Oost. Ik kende de Transvaalbuurt, de Indische buurt, de Watergraafsmeer, Diemen, de Plantagebuurt en de Rivierenbuurt op mijn duimpje. Artis, dwarsfluitles, de orthodontist, de 5e Montessorischool en mijn oma kon ik als ik flink doortrapte zonder volwassene vinden. Maar Amsterdam-West was een gapend gat op de kaart van mijn netvlies. Alsof de ui, waarvan de grachten de ringen zijn, een volledige zijde miste. Bij de brandweerkazerne in de Marnixstraat, de uitgang van het Vondelpark aan de Amstelveenseweg, en aan de westzijde van het Centraal Station ging het kaartje van Amsterdam over in een foto van een staatsgeheim. Amsterdam-West was voor mij jarenlang een wazige en vormeloze uitloop van het echte Amsterdam.

Tot mijn zus in de Staatsliedenbuurt ging wonen, ik het tweehandsklerenwinkeltje op de Haarlemmerdijk ontdekte (of was het nou de Haarlemmerstraat?), er een schoonmoeder in beeld kwam die in Geuzenveld resideerde en mijn moeder beroepsmatig neerstreek in de Baarsjes. Toen ik op mijn achttiende ook nog een paar maanden thuiszorg in Osdorp/Slotervaart deed en dagelijks acht kruislingse routes langs meren en flats fietste, was Amsterdam eindelijk af. De lijntjes die mijn hele jeugd richting het Westen uitrafelden, werden aan elkaar geknoopt en naadloos afgewerkt. Amsterdam klopte.

Donderdag zat ik op een terras in Oost. ‘Ik had een afspraak op de Zoutkeetsgracht’, zei mijn gezelschap. ‘O, helemaal bij het eindpunt van lijn 10? Of was het lijn 3?’ Mijn mond werd droog. Ik schoof het plattegrond van Amsterdam over mijn netvlies, legde er een tramkaartje overheen en zag het niet. Lijn 3 eindigde in een wazig beeld in de Bilderdijkstraat en lijn 10 werd blurry ter hoogte van, jawel, daar was-ie weer, de brandweerkazerne in de Marnixstraat. Ik slikte.

Toen ik naar huis liep, stopte er een auto. ‘Kunt u mij vertellen waar de Wijttenbachstraat is?’ Achter hem toeterde iemand.
De druk was hoog, maar hee, de Wijttenbachstraat is Amsterdam-Oost! Eitje! ‘Doorrijden en bij het tweede stoplicht rechts’, riep ik naar hem.
Hij gaf gas en ik kuierde door naar huis. Toen ik op de hoek van de straat van mijn ouders stond, realiseerde ik me dat er op de kruising met de Pretoriusstraat geen stoplicht staat. Ik voelde me schuldig dat ik iemand de verkeerde weg had gewezen, maar ik wist dat ik daarmee iets veel ergers verdrong: met mijn emigratie staat het mes weer in de ui. En deze keer wordt er aan alle kanten iets weggesneden. Ook uit het oosten. Amsterdam klopt steeds minder.

De Inwijkeling: hoe ik Nederlander werd

Sinds ik niet meer in Nederland woon, ben ik een Nederlander.
De 32 jaar daarvoor was ik bij tijd en wijle een Nederlander. Als ik een hotel in het buitenland reserveerde, als ik een ultra-officieel document moest invullen of als ik me identificeerde met de koppen in de krant (‘Nederlander wil meer vakantie’). Zoals ik ook bij tijd en wijle een Amsterdammer, een roker of een wispeltuur was. Mijn land was niet meer of minder mij dan de rest van mijn onhebbelijkheden.

De eerste mail naar mijn Vlaamse man maakte me op slag een Nederlandse vrouw. Ik was al veel geweest: een ongeduldige vrouw, een getrouwde vrouw, een gescheiden vrouw, een leuke vrouw, maar ik kon mij niet herinneren ooit een Nederlandse vrouw te zijn geweest. In elk geval niet zo uitdrukkelijk. Edoch, ik had nog geen argwaan.

Het betitelen begon pas echt toen ik besloot mijn dozen met rotzooi over de grens te zetten. Was ik de weken voor mijn vertrek nog een emigrant, nadat ik twee keer met mijn ogen knipperde, was ik ineens een immigrant, een inwijkeling. Inmiddels ben ik ‘onze dochter die in België woont’, ik heb een aandeel in ‘15% buitenlanders in Leuven’, ik hoor bij de ‘tsunami van nieuwkomers’ en ik schaar mezelf onder de ‘immigranten binnen de EU’. Mijn hart maakt een sprongetje als ik mezelf weer eens in een nieuwe statistiek kan vinden. Zelden had ik zoveel keuze.

Maar een ding heb ik niet te kiezen: in de ogen van de Belg ben ik altijd allereerst een Nederlander. De leuke vrouw, de journalist en de wispeltuur mogen nog zo hard met hun handen wapperen, de Nederlander in mij ontneemt elke Belg het zicht op de rest. En wat blijkt: betitelen is alleen leuk als de connotatie oké is. Het heeft met een beetje goede wil wel iets stoers om emigrant, wispeltuur of een gescheiden vrouw te zijn. En ook journalist, schrijver, zangeres en pulpkijkster klinken nog best te doen. Maar zoals je in Nederland geen Marokkaan wil zijn, wil je in België geen Nederlander zijn. Ik had niet verwacht mij ooit een Marokkaan te voelen, maar ik ben er verdomd dichtbij.

Ik doe voortdurend pogingen om de Nederlander die tussen mij en de Belg in staat onzichtbaar te maken. Ik praat inmiddels redelijk zacht, met een niet eens zo harde g, ik stel vragen niét die ik wel zou willen stellen, ik reageer gelaten op de gelatenheid van een ander en ik praat nauwelijks over de eerste 32 jaar van mijn leven. Maar het mag niet baten. De Belg heeft het gewoon niet zo op mij.
‘Zou je je in Nederland meer thuis voelen?’ vroeg mijn moeder gisteren.
‘Nee’, zei ik. ‘Ik vind Nederlanders en hun maatschappij meedogenloos, gehaast, luidruchtig en arrogant.’
Ik voelde me op slag Belg, maar ik wist dat het niks op zou lossen.

De Inwijkeling: afdalen
in de cultuurkloof

Omdat ik precies vijf jaar, twee maanden en 25 dagen in België woon een nieuwe serie: De Inwijkeling.

Het woord woordenboekrelatie nam ik op in mijn actieve woordenschat toen ik in 1992 verkering had met een Engelsman. Dat het woord dertien jaar later nog veel meer van toepassing zou zijn op mijn relatie met iemand die theoretisch dezelfde taal spreekt, zag ik niet aankomen. De eerste maanden gingen zo.
Hij: ‘Mag ik uw tas?’
‘Ik vind het zo raar dat je u tegen me zegt.’ Ik geef mijn tas.
‘Nee, niet uw sakosj, uw tas.’
‘Zeggen jullie geen tas tegen een tas?’
Hij pakt mijn koffiekopje. ‘Dit ís een tas.’
En dat om de drie zinnen. Ik geef grif toe: dat schept geen band.

Maar gelukkig hadden we onze leeftijd mee. Geboortejaar 1974. Hij was ooit ook een jojoër, hij neuriede soms per ongeluk The Final Countdown en hij wist exact hoe snel de DeLorean moest gaan op het moment dat de kerktoren geraakt werd (88 miles per hour). Dat schiep een band. Na een huwelijk met iemand die twintig jaar ouder was, wist ik dat op waarde te schatten.

En zo lieten we ons met onze klimgear zakken in het cultuurkloofje. ‘Wat zeg je, een sjabrang?’ En het dan weer goed maken door samen luchtgitaar te spelen op The Last Splash van de Breeders. ‘Jullie zeggen soms wel drie keer ‘gaan’ in een zin!’ En dan zand erover door samen uit te rekenen in welk jaar we onze eerste ET-action man kregen. ‘Da ga nie me mij. Jullie hebben de t gewoon afgeschaft!’ En dan toenadering zoeken door te schetsen hoe we ooit rondliepen met hetzelfde haar (lang bruin), dezelfde bril (rond, groot) en de zelfde trui (zwart, slobber).

De taal moest van mij worden, dus ik moest de kloof aftasten. Het leek me onmogelijk om met mijn talige hoofd en werk te integreren zonder elke maffe verbuiging even vast te houden, om te draaien en te beoordelen; wil ik dit overnemen of niet? Met als gevolg dat ik mijn nieuwe vriendje op dagelijkse basis uitlachte en voortdurend zijn verhalen onderbrak. Ik verdwaalde in de vertaling.

Maar taal went; ik betrap mezelf soms al op drie keer ‘gaan’ in een zin. Wat overblijft is samen Op een onbewoond eiland zingen alsof er nooit 31 jaar en 220 kilometer tussen zaten.