Archief in kronkels: drie keer krabben

Hoop

Ik pak mijn All Stars en pleur ze midden in de kamer naast de poef. Nog half slapend laat ik me door mijn knieën zakken. Voet in de schoen, neus tussen mijn knieën, veters strikken. Een bobbel. Onder mijn zool. Ik trek mijn voet omhoog. Een bruine muis op de bruine vloer. Dood. Plat. Het All Star-motiefje in zijn zij gekerfd.

Een dag later trippel ik zonder bril (-12) op blote voeten naar de badkamer. Trap af, gang door, deur open, deur dicht en vice versa. Als ik weer in bed lig, staat Wannes op. ‘Djiez!’ zegt hij.
‘Wat?’
‘Dat spoor van kots in de gang!’
Ik pak mijn bril en tuur over de trapleuning naar beneden. Er ligt een okergeel spoor in de gang dat er niet uitziet alsof je er blind langs zou kunnen lopen. Toch is me dat kennelijk gelukt.

Al tien dagen hangt het leven van mijn jongste poes aan een zijden draadje. Omdat het thema van deze week ‘poezen en onwaarschijnlijke dingen’ is, heb ik nog immer hoop.

Spiegelneuronen

Advies: zet het geluid aan.

Perikel (1): Choco (slot)

Jullie vonden dat ’sorry’ maar gelul en jullie hadden natuurlijk gelijk. Dit soort cliffhangers hoor je niet twee weken te laten liggen. Ik heb allemaal goede excuses van heel hard werken en veel pijn in mijn linkerheup, maar daar hebben jullie niets aan. Ook al om dat de kattenhaters dit weblog vast allang niet meer lezen. Dus wat blijft er over? Een bulk kattenvrouwtjes die ik met buikpijn opzadel, omdat ik mijn cliffhangers over verloren poezen zo lang uitsmeer. Daar past maar een woord (daar gaan we weer): sorry!

Okee, maar nu dan toch echt: hoe het afliep.
(voor de inleiding, deel 1, 2 en 3 kun je hier terecht.

Ik herhaal voor het gemak even de laatste alinea van het vorige stukje:
Toen we voor poging 7 teruggingen, hadden we een plan de campagne. We hadden bedacht dat we een zo normaal mogelijke situatie moesten creëren, waarin onze gesprekken niet om háár zouden draaien maar gewoon ‘gewoon’ zouden zijn. En als ze zich eenmaal liet zien (vingers gekruist) dan zouden we nog zeker een half uur aaien, spelen en koesteren. Want als Choco ons eenmaal vertrouwt, vertrouwt ze ons helemaal. Dat wisten we zeker. Het had dus vooral tijd nodig, gokten we.

Met een zwaar gemoed betraden we het oude huis. Toen we de huiskamer in stapten, zagen we Choco op het grasveld in de tuin zitten. De opluchting van haar na twee dagen eindelijk terug te zien, werd gelijk teniet gedaan toen Choco onze galmende voetstappen hoorde. Ze spitste haar oren en vlóóg naar de tuin van de buren.

Mijn hart klopte in mijn keel. Als Choco eenmaal bij de buren was, waren er weinig opties. Maar we mochten de moed niet verliezen. Dat was de essentie van ons plan: geduld, geduld, geduld.

Dus we gingen in de tuin zitten. Zoals afgesproken. Over alles pratend, behalve over Choco. We staken zelfs een sigaret op, terwijl we al drie maanden niet meer rookten. We praatten wat over koetjes, kalfjes, koopjes en klusjes. En we vermeden nauwgezet haar naam en het woord poes, zodat ons gesprek in niets zou lijken op alle pogingen van de afgelopen drie dagen.

Ik vond het moeilijk om ‘normaal’ te doen. ik wilde niets liever dan hysterisch door de tuin struinen en haar naam roepen. ik wilde smakken, tsjirpen en klakken om haar tevoorschijn te toveren. ik wilde dat ze zou galopperen over het gazon en mij luid miauwend in de armen zou vallen.

Na tien minuten praten liet Choco zich warempel zien. Op het dakje van de buren, nog immer haar middelvinger paraat. Ze ging op de nok zitten, op het oog onverschillig voor wat er beneden gebeurde. Maar ik wà­st dat ze niets liever wilde dan naar ons toe komen. Alleen ze deed het niet.

Toch was het feit dat ze zich liet zien een bewijs dat ons plan klopte: we hadden haar niet groepen en ze was gekomen. De afgelopen dagen hadden we haar alleen maar geroepen en toen had ze zich niet laten zien.

Maar goed, het dakje van de buren. We waren nog niet echt gevorderd.
Dus we staken nog maar een sigaret op, sneden nog eens een onderwerp aan en we deden keihard alsof we Choco niet zagen. Het leek een beetje op een situatie waarin gijzelaars moeten overleggen zonder dat de gijzelnemer het hoort. Niet kijken, haar naam niet noemen en een zo neutraal mogelijk gezicht trekken.

Het werkte. Ze werd nieuwsgierig en sprong na een tijdje van het dakje. Een meter of vijf van ons af ging ze zitten. Het leek ons niet slim gelijk al te breken met onze tactiek, dus we zetten door. We negeerden haar, deden alsof we haar niet zagen. We schonken onszelf een colaatje in, gingen naar de wc, kwamen terug, babbelden nog wat, bewonderden voor het laatst de Begijnhofvleermuizen die elke dag met de invallende schemering door de tuin scheerden.

En Choco werd alleen maar nieuwsgieriger. Misschien wel verontwaardigd dat we ons zo weinig van haar aantrokken. Ze kwam steeds dichterbij.

Toch was het nog geenszins ‘kat in het bakkie’, want ze zat nog een paar meter van ons af en wij zaten nog meters van de beruchte wasmand op het terras. Maar mijn hartkloppingen verdwenen: we hadden al meer bereikt dan in alle andere pogingen bij elkaar.

Nadat we ongeveer drie kwartier ins Blaue hinein hadden geluld, besloot Choco ons te begroeten. Wij groetten haar terug en aaiden wat. We doken weer in onze gijzelaarsrol en overlegden in versleutelde taal over de rest van het plan. We zouden haar nu een tijdje aaien en vervolgens naar het terras verhuizen. Het terras waar ze vermoedelijk sinds ze met haar kop door het luikje ramde niet meer geweest was.

Zo gezegd, zo gedaan. We stelden haar gerust door haar te aaien en door heel rustig een beetje tegen haar te sissen. Ze stonk erin: ze gaf kopjes alsof haar leven er vanaf hing, ze kwispelde als een hond en ze had niet door wat haar boven het hoofd hing.

En toen kwam eigenlijk het huzarenstukje: niet gelijk toeslaan, maar de situatie nóg normaler maken. Terwijl ze ons al vertrouwde, terwijl ik een tamelijk ongeduldig type ben, terwijl ik de dagen ervoor meer tijd in het oude huis door had gebracht dan normaal is als je een nieuw huis hebt én terwijl ik doodmoe en stikkapot was van al het geëmmer met die poezen.

Maar we hielden vol. We schonken op het terras nog maar eens een colaatje in, we rookten nog een sigaret, we waren inmiddels wel uitgepraat, maar we hielden het gesprek toch maar gaande. We moesten erom lachen en Choco lachte mee – zij het van een afstand; dat enge terras met die enge wasmand was nog een stap te ver.

Na opnieuw drie kwartier van engelengeduld – we zaten er inmiddels bijna twee uur – zette Choco haar eerste stap op de tegels. We probeerden niet te juichen, dus zeiden we op neutrale toon tegen elkaar:
‘Jeuj, ze komt.’
‘Ja, ze komt.’

En opnieuw begonnen we aan een welness-sessie, met in de hoofdrollen Wannes als masseur, ik als sirene en Choco als verwend nest. We aaiden wat, piepten wat , zorgden dat ze op haar rug krioelend de wereld vergat.

Natuurlijk dachten we duizend keer: is dit niet hét moment? Hebben we onze kans niet al gemist? Neemt ze niet zo weer de benen? Maar we hielden ons strak aan onze strategie: geduld, geduld, geduld.

Toen het echt bijna donker was, besloten we dat het tijd was om de moeilijkste stap te zetten: Choco pakken. Choco gaf de wasmand een kopje. Dat was een goed teken.

‘Ik ga het doen’, zei Wannes op zo neutraal mogelijke toon.
‘Is goed’, zei ik, terwijl ik de kabelbinders pakte.

En jawel! Het lukte. Omdat ze zo relaxt was, had ze pas door wat er gebeurde toen ze al in de wasmand zat, Wannes het deksel dichtdeed en ik de rambokes er omheen trok.

Ik kan niet beschrijven hoe opgelucht ik was, maar die opluchting was maar van korte duur. Choco begon met haar kop tegen de deksel te beuken en nu was het zaak haar in die wasmand te houden. Ik kneep met beide handen het deksel goed dicht. En hoewel die kabelbinders ervoor gemaakt zijn om nooit meer open te gaan (dat zijn die dingen die je alleen dicht kunt doen) leek het erop dat het Choco toch zou lukken.

De rit in de auto was een helletocht. Choco zette al haar kracht in om op de plekken waar ik geen handen had te ontsnappen, en in mijn hoofd verschenen visioenen van twee zwaargewonde mensen en een ontsnapte, wilde, zwarte kat in een Volkswagen Polo.

Om een lang verhaal op het allerlaatste moment toch nog kort te maken: we kwamen thuis, mijn handen beurs van een beukende Choco en veel bloed van alle nagels die ze door de wasmand én drie afdekdoeken in de muis van mijn hand had gehengst. Maar we kwamen thuis, met de derde poes. Ruim een dag voor we de sleutel terug moesten geven. En dat was het belangrijkste.

Perikel 1: Choco (3)

Voor de inleiding, deel 1 en deel 2 kun je hier terecht.

De tweede nacht in ons nieuwe huis verstreek en wederom had ik sluimerende buikpijn. Mike en Sjeik deden het goed in hun nieuwe omgeving. Eerst waren ze schuimbekkend op hun buik over de grond gekropen. Allebei. Bellenblazend van angst, maar retenieuwsgierig. Later ontdekten ze dat houten vloeren in het hele huis gelijk staat aan het kattenparadijs. Dus vonden we ze na verloop van tijd languit in deuropeningen, op de wc, op de trap en onder ons bed.

Maar Choco… Als ik aan haar dacht kromp ik ineen. Het allerbangste poesje dat ik ooit had gehad, was, nu al twee nachten moederziel alleen geweest, in een leeg huis dat galmt als ze met haar nageltjes over de tegels trippelt. Choco, die eigenlijk alleen maar rustig kon worden als wij bij haar in de buurt waren.

Maandag moest ik werken, maar Wannes zou het oude huis schoonmaken, dus er was die dag veel kans op een goede vangst.
‘Bel je me meteen als er nieuws is?’, vroeg ik toen ik voor dag en dauw naar Gent vertrok. Hij beloofde dat.

Ik hoorde niets.
’s Ochtends niets, ’s middags niets, op de terugweg niets.
Ik belde zelf.
‘Nog niks’, zei Wannes.
‘Hebben jullie haar al wel gezien?’
‘Nee, ze heeft zich nog niet vertoond.’
‘Ook niet op het dakje van de buren?’
‘Nee, ook niet op het dakje van de buren.’

De moed zakte me in de schoenen. Van deze dag moesten we het hebben. Wannes van negen tot vijf aanwezig. Zijn vertrouwde stem, zijn aanwezigheid in de tuin.
Maar tegelijkertijd werd ook het huis geschrobd, gestofzuigd en van een geheel nieuw geurtje voorzien. En alles klonk vier keer zo hard, omdat het huis leeg was. Misschien was het wel logisch dat ze zich schuil hield.

’s Avonds togen Wannes en ik voor de derde keer rond de schemering naar het oude huis. Het was schoon, de ramen waren gelapt, de vloeren gedweild. Voor Choco was er weinig dat nog veilig zou ruiken, behalve het slaapdekentje en het eten dat we hadden achtergelaten.

Maar Choco was er niet. En ze kwam ook niet. Zelfs niet op het dak van de buren met haar middelvinger omhoog. Na ruim een uur rondhangen in een huis waar we niks meer te zoeken hadden, vertrokken we somber naar het nieuwe adres. Na vijf pogingen waren radeloos. We hadden nog twee dagen voordat we de sleutel van het oude huis moesten teruggeven en Choco liet zich niet meer zien.

Dinsdag gingen we wederom ’s ochtends vroeg naar het oude huis. Het oude huis had inmiddels een waas van negativiteit. We konden het alleen nog maar als een heel erg kutklotetyfushuis zien.

Het was tijdens de verhuizing al warm geweest, maar nu, drie dagen later was het echt verzengend heet. We stonden wat op het gras in de zon. Geen Choco. We zaten wat op de grond in de koele keuken. Geen Choco. We schroefden nog wat lampjes van de muur. Geen Choco. We reden nog eens naar de stort en toen we terugkwamen was er nog steeds geen Choco. We emmerden, lummelden en wachtten wat. Maar na een halve dag was er in de wijde omtrek geen Choco te bekennen.

We besloten de zon uit te gaan en eens te kijken hoe het met de andere twee katten gesteld was. Het was de vraag of Choco met haar zwarte vacht midden op zo’n hete dag tevoorschijn zou komen, dus we zetten al onze kaarten maar weer in op de schemering.

De dag was klote. Gelukkig had de huiseigenaar gebeld om te zeggen dat ze pas een dag later kon afspreken om de sleuteloverdracht te doen, dus we hadden nog een dag respijt. Maar omdat we Choco sinds zondagavond helemaal niet meer hadden gezien, was het niet helemaal duidelijk wat de strategie voor die extra dag moest worden.

Tijdens het eten konden we het niet laten talloze doemscenario’s de revue te laten passeren, variërend van posters in de buurt verspreiden (‘Maar waar in al die 80 dozen is de printer?’), tot stiekem een sleutel houden en nog wekenlang elke avond terugkomen voor Choco (‘Bizar plan!’) en het numero uno doemscenario: met slechts twee poezen verdergaan (‘Pfff’ ‘Ja, pffff.’).

Toen we voor poging 7 teruggingen, hadden we een plan de campagne. We hadden bedacht dat we een zo normaal mogelijke situatie moesten creëren, waarin onze gesprekken niet om háár zouden draaien maar gewoon ‘gewoon’ zouden zijn. En als ze zich eenmaal liet zien (vingers gekruist) dan zouden we nog zeker een half uur aaien, spelen en koesteren. Want als Choco ons eenmaal vertrouwt, vertrouwt ze ons helemaal. Dat wisten we zeker. Het had dus vooral tijd nodig, gokten we.

(Sorry: wordt opnieuw vervolgd)

Perikel 1: Choco (2)

Deel 1 vind je hier.

Goed, waar waren we gebleven.
Bij onze eerste nacht in het nieuwe huis. Het huis waar de zon opkomt aan de keukentafel, het huis waar de slaapkamer voelt als de kajuit van een mooie boot, het huis waarin we in onze dromen al weken wakker werden.

Nu werden we er echt wakker. Zonder Choco. Zonder Sjeik. En ook al waren we pas om drie uur gaan slapen na een dag waarop we vier verdiepingen huisraad door onze handen lieten gaan, om half zeven stonden we weer naast ons matrasje. Moe en ongerust.

De autoloze zondag zou om negen uur beginnen, dus we hadden nog tweeëneenhalf uur de tijd om de poezen te vangen en ze naar het nieuwe huis te brengen.

In het oude huis heerste een diepe zondagochtendrust toen we er aankwamen. Binnen was er niks. Buiten ook niet. Leek het. Tot Choco zich even liet zien. Op het terras. We aaiden haar. Ze miauwde. De zon scheen. Alles leek goed.

‘Ik ga haar pakken, goed?’, zei Wannes.
‘Goed’, zei ik.
En toen ging alles heel snel.
Choco zette haar nagels in Wannes’ pols, in zijn borst, in zijn been en wrong zich in een soort s-bocht, maakte haar nekvel ongrijpbaar en draaide in een driedubbele schroef uit zijn handen. Vervolgens vluchtte ze door de open tuindeur naar binnen.
‘Doe de deur dicht’, riep ik, ‘dan sluit ik het luikje van buiten!’
Wannes gooide de deur dicht, en probeerde intussen Choco te kalmeren die binnen aan de grond genageld haar vlaag van verstandsverbijstering te boven stond te komen.
Buiten deed ik het kattenluikje dicht en ik slaakte een zucht van verlichting. De poes was binnen. Nu was het slechts een kwestie van tijd.

Maar dat was iets te vroeg gejuicht. Binnen was Wannes Choco lieflijk aan het toespreken, terwijl hij haar in een hoek dreef toen er ineens een luid bangkletsboemdengdengdeng klonk. Choco probeerde te vluchten, maar omdat het luikje gesloten was, beukte ze zich een onvermijdelijke hersenschudding tegen de binnenkant van het luikje.
Ten slotte roste ze met een keihard KEDENG het luikje uit zijn sponningen. Ze rende voor haar leven naar het Jip Janneke-gat dat naar de buurtuin leidt. Ons hevig bevend achterlatend.

We keken naar Wannes’ pols, naar zijn borst, naar zijn been. En naar de bloeddruppels op de grond. Er was nog ruim een uur over om een list te bedenken, pas daarna zou de stad voor auto’s afgesloten worden. Maar misschien was een ontsmettingsmiddel op dit moment iets urgenter dan een nieuwe poging om een nog opgefoktere kat te vangen.

Het ontsmetten van de schrammen kreeg voorrang en zo begonnen we onze eerste zondag in het nieuwe huis. Een hete dag met één kat in het nieuwe huis en twee katten die elkaar niet kunnen uitstaan in het oude lege huis.

Zo goed en zo kwaad als het ging probeerden we de dag door te komen. Zoeken naar alledaagse dingen (‘Waar zijn de handdoeken?’, ‘Heb jij mijn oplader nog ergens gezien?’, ‘Die doos waar de suikerpot in zat, waar is die?’), pijn hebben in alledaagse spieren (‘Ik ga nooit meer verhuizen!’ ‘Dus we blijven hier ons hele leven wonen?’ ‘Dat weet ik niet, maar ik ga in elk geval nooit meer verhuizen.’) en gek worden van de logikwissen die in de soep liepen.

’s Avonds na negen uur was de stad weer begaanbaar voor auto’s en aangezien katten doorgaans erg actief worden rond de schemering was dat eigenlijk een prima moment.

In het oude huis was geen enkel geluid te horen, geen poes te zien. Niets te beleven.
We begonnen met tsjirpen, smakken en sissen en al gauw kwam Sjeik klagelijk miauwend op ons af.

Het was ons gegund: Sjeik liet zich – hoppakee – zó in de wasmand stoppen.

Choco was inmiddels op het dak van de schuur van de buren gaan zitten. Achterin de tuin. Ze negeerde onze smakjes en tsjirpjes en stak ter verduidelijking nog even haar middelvinger omhoog.

Omdat we het liedje inmiddels kenden (poes gaat klagelijk miauwen-> andere poes krijgt alleen maar meer wasmandargwaan), vertrokken we gelijk met Sjeik naar het nieuwe huis. De zoveelste keer over de ring van Leuven, de tweede keer met een poes. En hopelijk niet de laatste keer.

In het nieuwe huis bespraken we het geval Choco. Wannes’ schrammen zagen er gelukkig niet ontstoken uit, maar ze waren wel immens groot en diep. En ons lichaam wilde eigenlijk niet nog een keer in een lege tuin op de grond zitten. Om twee uur later af te druipen. Met elk spiertje stijf, elk plekje beurs. En totaal ontgoocheld door het gebrek aan medewerking van Choco.

We besloten ook de tweede dag Choco achter te laten op het dak van de schuur van de buren. Bij het afscheid zwaaiden we nog eens. Zij stak haar middelvinger omhoog.

(volgende keer: Hoe het afliep…)

Perikel 1: Choco (deel 1)

De inleiding vind je hier.

Dus we vulden logikwissen in. Tientallen. Zo gaat dat bij verhuizingen. Je probeert een schema te maken waarin je 4 camionettes met je levenswerk, evenzoveel vuil en minstens zoveel emoties in goede banen probeert te leiden. Met als grootste risico dat je een lijntje verkeerd trekt en er een datum, locatie, persoon of geldbedrag niet op het juiste moment op de juiste plek is.

De poezen hadden een eigen schema. Er waren namelijk vier factoren die zeer van belang waren: 1. Tijdens een verhuizing is het in geen van beide huizen leuk voor poezen, maar het oude huis was beter, want daar mochten ze nog buiten, dus daar konden ze een rustig plekje zoeken. 2. We moesten de poezen pas verhuizen als al het hulpvolk weg was, onze poezen zijn namelijk nogal eenkennig en weigeren zich in het feestgedruis te storten, zelfs al is dat voor hun eigen bestwil. 3. De dag na onze eendaagse verhuizing zou het voor het eerst in de geschiedenis van Leuven autoloze zondag zijn, dan zouden we de katten dus sowieso moeilijk kunnen ophalen. Het moest dus liefst nog op de dag van onze verhuizing gebeuren. 4. Alle spullen konden het beste al verhuisd zijn om te voorkomen dat de poezen in het nieuwe huis ook in lawaai en lopende mensen terecht zouden komen, terwijl ze daar nog niet buiten mochten en dus moeilijk een rustig plekje zouden vinden.

So far so good. We hadden met een ballpoint een logikwisje ingevuld. Om half zes zaterdagavond moest de camionet al terug zijn. Daarna zou het werkvolk langzaam vertrekken. ’s Avonds zouden wij met drie wasmanden richting oude huis trekken en getweeën met ons eigen ôtootje de poezen verhuizen.

Dus daar stonden we om negen uur ’s avonds met drie wasmanden en honderd rambokes (kabelbinders) in een huis dat tot in al zijn voegen galmde van leegheid. We waren nog heel optimistisch en inmiddels doodmoe van de vier verdiepingen huisraad die we door onze handen hadden laten gaan. We spankerden wat door de tuin, maakten wat zoengeluidjes en zagen toen uit allerlei bomen in de wijde omtrek poezen tevoorschijn komen. Mike kwam als eerste en ging, boem, in het gras liggen. Sjeik kwam luid miauwend iets later en Choco zat op het keukendak te miauwen dat ze na drie jaar nog steeds niet wist hoe ze eraf moest.

So far so good. Mike had zijn buik al in de lucht gegooid, dus daar was sprake van totale overgave.
‘Ik ga Mike nu pakken’, zei Wannes.
‘Is goed’, zei ik.
Hij pakte Mike en aaide hem wat. Hij deed hem, hop, in de wasmand. Ik trok met de kabelbinders zoveel mogelijk lusjes. En voilà , het was gefikst.

En toen begon Mike te loeien. Als een gecastreerde koe. Als een transseksuele wolf. Als een poes die in een wasmand wordt gestopt.
Sjeik en Choco spitsten hun horen.
What the fuck?
En weg waren ze.

We besloten Mike in zijn wasmand bij de voordeur te zetten, in de hoop dat de andere twee zijn geweeklaag niet zouden horen, maar het was ijdele hoop. Het huis was zó leeg dat zijn gemiauw galmde en echode tot ver in de tuin.

Sjeik en Choco lieten zich niet meer zien. Na twintig minuten vonden we het zo zielig voor Mike in zijn wasmand in de gang dat we hem maar vast naar het nieuwe huis hebben gebracht.

En hoewel we totaal kapot waren zijn we daarna toch voor de duizendste keer die dag de ring van Leuven afgereden om te kijken of we de andere twee te pakken konden krijgen. We maakten wederom zoengeluidjes, we rammelden met wat voedsel, we riepen, fleemden, slijmden en gaven het om een uur of half twaalf op. Bekaf.

De eerste nacht in ons nieuwe huis had niet de sfeer van een eerste nacht in een nieuw huis.
Het huis was mooi, Mike lag op het nieuwe bed, maar twee poezen in een totaal leeg huis met een totaal lege tuin aan de andere kant van de stad was voldoende om met een glimp van buikpijn te gaan slapen.

(wordt vervolgd)

Perikel 1: Choco (inleiding)

Om het perikel over Choco en de verhuizing begrijpelijk te maken, moet ik eerst Choco wat typeren.
Choco is een zwart vrouwtje met groene kraalogen en een overspannen zenuwstelsel. Bij elk geluid, elke beweging, elke geur zet Choco zich schrap. Ook als dat geluid of die beweging iets is dat dagelijks terugkeert (wij die lopen, de andere poezen die binnenkomen, enzovoort).

We hebben besloten dat Choco een persoonlijkheidsstoornis heeft, maar omdat we er niet voor geleerd hebben, weten we niet precies welke.
Eén van de opties is in elk geval ’stemmen in haar hoofd’. Choco kan soms uren roerloos naar je zitten staren. Met xtc-ogen. Op ‘n meter afstand. Zonder knipperen. Ik denk dan dat er iets is dat op haar inpraat, op fluistertoon, dreigend. Iets dat haar vertelt dat ze haar blik geen moment mag loslaten.
Want ze laat nooit los.


Verder denken we dat ze een trauma heeft opgelopen, omdat ze ooit veel te laat is gesteriliseerd, met als gevolg dat het uitdraaide op een schrijnend late abortus. Aai Choco over haar buik en je weet waar zwarte katten hun imago vandaan hebben.

Tot slot denken we dat Choco een zwaar vertekend zelfbeeld heeft. Enerzijds laat ze zich enorm ringeloren door de twee heren in huis. Als zij hun buikje rond hebben, mag Choco de kruimels komen eten. Anderzijds bijt ze van zich af als beschermde ze een nest met dertien jonge katjes. Sjeik hoeft maar om het hoekje van de deur te kijken als ik haar aai of ze blaast hem al terug het keldergat in.

Ons vorige huis was van binnen ongeschikt voor poezen met een eeuwigdurende machtsstrijd. Onze woonkamer was zo smal dat elke poes die passeerde een guerillaoorlog veroorzaakte. Daardoor sliep Choco nooit. En dat verontrustte ons.

Zodoende zijn we vorig jaar begonnen met het Project Choco. Het Project Choco hield in dat we haar minimaal een half uur per dag in een aparte kamer – zonder andere poezen, zonder vreemde geluiden en zonder onverwachte bewegingen – exclusieve aandacht gaven. Elke avond mocht ze bij ons op de slaapkamer om bij te tanken, te ontspannen en zich geliefd te voelen.
Het hielp. Mijn zus kwam op bezoek en zei: “Choco lijkt wel een… uhm… ‘normale’ poes.”
En dat was zo. Soms leek ze ineens een normale poes. Ze staarde minder, lag steeds vaker eindeloos te slapen op de bank en liet passerende poezen regelmatig ongemoeid. Zo nu en dan was ze zelfs de leukste poes ter wereld. Hulde aan Project Choco.

En toen kwam de verhuizing.

(wordt vervolgd)

Wat Sjeik denkt op zondag

Wie is wie op de ti-ta-tekeningetjes?

Zoals u kunt lezen in ‘De Manische Meubelschuiver verantwoordt zich‘ was het de bedoeling dat al ons poezenmateriaal op één site zou verschijnen (Drie keer krabben), maar een mens bedenkt zich wel eens en dus moet onze verzameling kattencuriosa hier een plaatsje vinden.
Aangezien er drie hoofdrolspelers zijn die elk uitblinken in een aantal zeer specifieke theatrale eigenschappen leek het mij handig het poezenprofiel van Drie keer krabben hier door te plaatsen. Mocht u willen weten waarom die grote dikke altijd ligt op foto’s en filmpjes en waarom die zwarte altijd zo hysterisch uit haar ogen kijkt? Hieronder vindt u het antwoord in een korte profielschets.

Raam

Raam? Raam? Ik zie geen raam.

(let op de plotwending 1.20 min.)

Wat er gebeurt als ‘n kat je doorheeft

180 lodderige oogjes moeten we inspuiten
180 keer die klauwen in bedwang houden
180 keer die angst in dat lijf
180 keer die verontwaardigde blik achteraf

30 pilletjes moeten we tegen het strottenhoofd mikken
30 keer bekbreken
30 keer die klauwen in bedwang houden
30 keer proberen te misleiden
30 keer over het strottenhoofd wrijven

210 keer is genoeg voor katten om je door te hebben
210 keer is genoeg om feilloos al het pilgruis uit het eten te filteren
210 keer is genoeg om te weten dat je de pil in je mondhoek kan bewaren
210 keer is genoeg om te leren hoe je je kaken zo op elkaar houdt dat er van kordaat bekbreken geen sprake kan zijn
210 keer is genoeg om je ogen dicht te houden als er zalf in moet
210 is hopelijk genoeg om beter te worden

3 katten die elkaar hebben aangestoken met een virus, zorgen ervoor dat wij de komende 10 dagen 210 stressmomenten hebben van het kaliber: ik weet echt niet meer hoe we dit voor elkaar gaan krijgen

Kijk omhoog Sammy

Sammy is blind. Maar Sammy is dan ook al 20. Hij behoort zo’n beetje tot de onsterfelijken.

Sammy is de broer van Zoë en Zoë was mijn eerste eigen poes. Sammy woont bij mijn ouders. Wat er van Zoë is geworden weet niemand, want Zoë liep weg. Laten we hopen dat Zoë een huis vond en net als Sammy de herfst van haar leven tot op het bot heeft uitgebuit.

Want hoewel Sammy blind is, lijkt hij niet ongelukkig. Okee, okee, hij is te oud om zijn eigen nagels te scherpen, dus hij loopt als een hooggehakte travestiet te tikken op het parket. En zijn actieradius is wat kleiner geworden, want voor een blinde poes speelt het leven zich meer en meer af op de begane grond. Je neemt wat minder makkelijk een schuttinkje mee als je in het duister tast, zullen we maar zeggen. Maar verder is Sammy een gezapige kater, die met zijn rafelige oren – Sammy was een vechterbaas – kan terugkijken op een leven met kippen, kikkers en kroelende vingers in zijn vacht.

Sammy’s eerste schreden op het blindenpad waren hartverscheurend. Ooit een blinde poes gezien? Nee? Stel u voor wat er gebeurt in een wereld zonder wit- rode blindenstokken. Een wereld waarin de blinde zijn handen achter zijn rug gebonden krijgt. Een wereld waarin vooruit tasten onmogelijk is. Het is ‘boem of niet’, meer opties bestaan er niet. In die wereld leeft Sammy.

Gevolg is dat Sammy de hele dag botst en weer terugdeinst, botst en weer terugdeinst en botst en weer terugdeinst. Er komt geen einde aan.

In het begin sloeg ik telkens mijn handen voor mijn mond. Niets zieliger dan een poes die tegen een muur/deur/tafelpoot botst en daarna even niet meer verder durft, uit angst voor weer een muur/deur/tafelpoot.

Maar na een tijdje werd het grappig, want zelfs het mensonwaardige bestaan van een poes went namelijk. En Sammy roepen en dan gauw weglopen zodat hij in het verkeerde deel van de kamer tegen een muurtje botste, was toch wel een dijenkletser van jewelste.

En het moet gezegd: de conditionering van zo’n poes is ook niet mis. Niet lang nadat hij volledig blind was, wist hij de belangrijkste routes zonder brokken af te leggen. Het kattenvoer, het luikje en mijn moeders knieën kon Sammy nog steeds zonder veel problemen bereiken.

Maar daar ging het fout. Als je zonder ogen – met als enige hoop je conditionering – op de tast door het leven moet, dan is een verbouwing funest. En zo gebeurde het dat blinde Sammy, totaal gedesoriënteerd door het leeghalen der huiskamer, op trot ging door woelig Amsterdam. Luister en huiver: de avonturen van bejaarde Sammy in het Amsterdamse verkeer volgen spoedig in ‘Kijk omhoog Sammy 2′.

Mike in schaapskleren

Hij leek zo onschuldig. (klik op het plaatje)

Maar hij bleek in staat tot een zeer laffe daad. (klik op het plaatje)

Meer poezenvangsten: zie hier en hier.

Zoek de Sjeik (2)

Een nieuw zoekplaatje. Klik op de foto. Mike zit vooraan in het gras – die zoeken we niet.

Voor de mensen die Sjeik in de vorige Zoek de Sjeik nog niet hadden gevonden, is hier de oplossing.

Nog wat kleine Sjeik


Om de herinnering levend te houden. Zie ook dit.

Sjeik doet het verdomme toch, hij groeit!

Om de herinnering levend te houden, nog wat kleine Sjeik.
Zie ook dit – is – een – poezenlog.
En de eerste dag van Sjeik.

C.S.I. Zezunja

Dus er lag bloed. Een spoor van bloed. Van het etensbakje naar het kattenluikje naar het aanrechtblad (foei! daar mogen jullie helemaal niet komen!). We wisten niet wie het slachtoffer en wie de dader was.

Toen kwam het onderzoek. Eerst de dader. Dat kon iedereen zijn. Dan het slachtoffer. Dat kon ook iedereen zijn. Ik checkte of ik ongesteld was. Niet. Yuri checkte of hij zijn teennagels te kort had geknipt. Ook niet.

Er bleven drie mogelijkheden over: Mike, Choco en Sjeik el Moko. Motieven te over, want de sfeer hier in huis is al dagen om te snijden. Buikgeluiden, hoge ruggen, dikke staarten en geblaas uit de mondhoeken zijn aan de orde van de dag. Maar helaas geldt dat voor alledrie de verdachten.

Dus het is niet zo dat Sjeik buiten elke verdenking valt omdat-ie zo schattig is of zo. Nee, ook Sjeik loopt als een ware bullebak wijdbeens, hooggerugd en dikgestaart rond. Daarbij moet worden aangemerkt dat hij dat alleen maar doet als de anderen gemeen tegen hem zijn, maar niettemin moet ook Sjeik zich dus opstellen in de rij met mogelijke daders.

En Mike. Tsja, Mike. Zijn bijnaam is Loebas Boem, omdat hij om de vijf stappen op zijn rug gaat liggen om even uit te rusten. Je zou dus zeggen dat Mike veel te lui is om een serieus geweldsdelict te plegen. Maar Mike is wel de grootste, de sterkste en de oudste. En als Sjeik té dichtbij komt, is Mike heel erg not amused. We weten allemaal wat daarvan kan komen.

Ten slotte Choco. Ik noem haar vaak Coko wegens ogen op schoteltjes bij elke onverwachte beweging van zijn gezelschap. Voor háár onverwacht, bedoel ik, want ik vind het heel normaal dat ik, als ik naar de keuken loop, naar de keuken loop, maar Coko vind dat nog elke dag een daad die met de nodige argwaan bekeken moet worden.

Om dus nog maar niet te spreken van de bewegingen van onze nieuwe aanwinst Sjeik. Die zijn namelijk állemaal onverwacht. Niet alleen voor Choco, maar ook voor mij en ik durf te wedden dat ook Sjeik zelf telkens enorm verbaasd is dat hij achterpoten heeft. Tenminste dat maak ik op uit het feit dat het spelen-met-het-balletje niet alleen wordt afgewisseld met het als een tierelier ronddraaien om zijn eigen staart te pakken te krijgen, maar dat het balletje ook wordt vergeten als hij ineens zijn eigen achterpoot in het vizier krijgt. Hee, een achterpoot. Laat ik die eens pakken. Choco vindt dat helemaal niks en laat dat duidelijk merken. De geluiden die dan uit Choco komen, vallen nog het meest te vergelijken met de geluiden die mijn buik maakt na het nuttigen van een pan uiensoep of chili con carne.

Eigenlijk was Choco dus de hoofdverdachte. Choco haat Sjeik tot in het diepste van haar genen en zodra ze Sjeik ziet naderen, maakt ze een driedubbele salto uit het kattenluikje. Weeralarm of niet. Tot overmaat van ramp nadert Sjeik voortdurend, want hij is hardleers. Hij blijft maar denken: hee, een andere poes, leuk! En dan schrikt hij zich de tyfus als Choco daar heel anders over denkt.

Maar goed, we leven in een rechtsstaat waarin niemand schuldig wordt bevonden, totdat het tegendeel bewezen is. Dus Choco is weliswaar uitermate verdacht, toch moeten we haar behandelen als elke andere burger. En als de rechter-commissaris vindt dat er niet voldoende bewijs is voor de verdenking, dan gaat Choco vrijuit. Niets aan te doen.

Het slachtoffer hebben we inmiddels gevonden. Mike heeft een snee in zijn poot en dat maakt hem minder verdacht. Hoewel je vaak hoort over automutilatie, maar ik vermoed dat Mike daar veel te lui voor is.

De grote vraag blijft dus de komende dagen: wie heeft Mike ‘besneden’. De verhoren zijn nog niet allemaal afgerond, omdat de verdachten steeds in slaap vallen. Maar we zullen de bankschroeven dit weekend een beetje aandraaien. We zullen het etensbakje net iets te hoog zetten, zodat ze er niet bijkunnen. We zullen het kattenluikje op slot doen en op een zeurtoontje zeggen dat ze dat geheel en al aan zichzelf te danken hebben. We zullen met onze vuist op tafel slaan. We zullen de lichten ’s nachts aanlaten. We halen Lynndie England erbij en we verstoppen al het speelgoed.
Tot ze breken.

U kunt de foto voor deze ene keer niet vergroten door erop te klikken. Het is namelijk écht bloed en geen ketchup, en dat is best wel goor.

Chic Sjiek en Sjeik

Vandaag komt er een chique meneer. Zo’n meneer die zó chic is dat-ie wel eens in pak op tv verschijnt. Hij komt bij mij als opdrachtgever en ik ga ‘m binnenlaten. Als-ie binnen is, krijgt-ie koffie en dan gaan we aan de keukentafel zitten praten.

Simpel. Tenminste, zo lijkt het. Maar die meneer is dus zó chic dat ik er zenuwachtig van word. Want zo’n meneer kun je natuurlijk niet binnenlaten in een ranzig huis. Een huis waar Sjeik zo nu en dan in de hoek bij de deur zijn behoefte doet. Een huis waar de katten wegens heel erg leuk papieren zakdoekjes in duizend snippers scheuren. Een huis waar gisteravond wegens te moe de afwasmachine niet is ingeruimd, waardoor de hutspot alom aanwezig is. Een huis waar een der bewoners te lui is haar schoenen naar boven te brengen, waardoor er rijendik afgetrapt materiaal in de gang staat. Een huis waar de walk-in closet naar de woonkamer is verplaatst, omdat de kachel in de officiële inloopkast het niet deed en het dus te koud was om ons daar aan te kleden.
Zo’n huis dus.

Welnu, om te voorkomen dat ik hier later met een getraumatiseerde minipoes zit, breng ik Sjeik zo naar de slaapkamer en ga ik met de stofzuiger de vogeltjesdans doen. Waarna ik Sjeik weer van de slaapkamer haal en hem vertel dat alle papieren zakdoekjes ver, ver, ver opgeborgen zijn en dat dat niet persoonlijk bedoeld is. En waarna ik Sjeik vertel dat er expres overal schoteltjes met eten staan, omdat mij ter ore is gekomen dat poezen niet piesen op de plek waar hun eten staat. En waarna ik Sjeik vertel dat-ie niet nét onder de voetzool van de chique meneer moet gaan lopen, omdat ik echt een heel keurige, goede indruk wil maken en niet wil hebben dat de chique meneer denkt dat ik een bag-lady met onaangepaste katten ben.

Sjeik zal gedwee ja knikken en hij zal beloven gedurende het gesprek met de chique meneer niet hartverscheurend te gaan miauwen, zoals hij sinds hij hier is, placht te doen wanneer ik even uit het zicht verdwenen ben. Sjeik zal zeggen dat-ie best alleen kan zijn en dat-ie niet op de jas van de chique meneer zal plassen. Ik zal ‘m verliefderig aankijken, omdat ik niet anders kan en ik zal zeggen: ‘Okee, Sjeik, dat is dan afgesproken’.

Als de chique meneer weg is, zal ik een perfect uit onderhandelde opdracht hebben binnengesleept en Sjeik zal voor mij applaudiseren. De chique meneer zal thuiskomen en tegen zijn vrouw zeggen: ‘Wij moeten eigenlijk ook nog maar eens een klein poesje nemen’.
En ik zal nog eens overwegen een schoonmaakster in dienst te nemen van mijn zojuist binnengesleepte mega-opdracht.

Mag ik u even voorstellen


Dit is Sjeik El Moko I (roepnaam: Sjeik, tenzij ik Mike ook net heb geroepen, dan is het Sjaik).
Sjeik is het nieuwe vriendje van Mike en Choco (alleen hebben M en C dat nog niet zo goed door, dat vriendschappelijke).
Maak uw borst maar nat. Er volgt meer.

Zie ook: IK – HEB – EEN – POEZENLOG

Denkt u wel eens dat uw
kat een hersentumor heeft?

Ter voorbereiding op ons nieuwe poesje las ik wat stukjes op poezenfora.
Het werd een sombere dag.