Archief in kronkels: Zezunja's Niet Lief Collectie

De Niet Lief Collectie:
Waar is de strijkplank als je ‘m nodig hebt?

Dit stukje verscheen op 14 september 2007 op nietlief.com. Esther zwengelde het aan met de volgende inleiding:
“Nietliefjes, zouden jullie iets aan je lichaam willen doen, nu of in de toekomst? Indien nee, waarom niet en zoja, waarom wel? En, beste lezer, hoe denkt u over uw lichaam? Wilt u er iets aan veranderen of is het goed zoals het is?”

Opdracht: Botox ja of nee?
Geschreven door: Zezunja

De strijkplank als niet bestaand product in mijn huishouden.
Ooit had ik er wel een, die stond ergens in een hoek te verstoffen, met handtasjes eraan, en dusters. Maar ik ben de plank onderweg al boedelscheidend ergens verloren en ik moet zeggen: de neiging om iets te strijken steekt slechts één keer per jaar de kop op, en die valt best te onderdrukken.
Botox is van hetzelfde laken een pak. Ik weet pas sinds kort wat het precies is en ik weet al sinds lang dat het zonde is om gezichtsuitdrukkingen weg te spuiten. De neiging om zo nu en dan mijn frons glad te strijken, kan ik best onderdrukken.

De strijkplank als schouderophalenswaardig product.
Men vraagt mij wel eens: ‘Maar strijk jij dan niet?’ (met de intonatie van boven naar beneden). Nou nee, ik strijk dus niet. Ik heb nauwelijks kleren die gestreken moeten worden en als er een keer iets is, dan strijk ik op tafel. Who needs een strijkplank?
Mijn uiterlijk is iets waar ik in grote lijnen eveneens mijn schouders over ophaal. Ik streef naar onderhoudsvrij, ik had niet voor niets dreads en nu vlechtjes. Vergelijk het maar met een strijkvrije garderobe. Als je eenmaal washandjes gaat strijken, is het einde zoek. Kijk, als de nood hoog is, piep ik wel anders – zie verder het op tafel strijken. Maar streven naar de ideale kreukelzone, of überhaupt, het ideale uiterlijk: dat heb ik al opgegeven toen ik nog een beugelbekkie en een stomme pestbril had.

De strijkplank als statussymbool.
Het hebben van een strijkplank is misschien niet zo statusverheffend, maar het niet hebben van een strijkplank is wel uitermate statusverlagend. Men schaamt zich plaatsvervangend voor mij en men is waarschijnlijk oprecht bezorgd over mijn voorkomen op officiële (burp) gelegenheden.
En terecht, ik ben een sloddervos. Een gestreken t-shirt is voor mij net zo bizar als een grote cosmetische ingreep. Ik probeer schoon te zijn, en soms ook mooi, en daarmee houdt het wel zo’n beetje op.

De strijkplank als teken van jeugdigheid.
Toen ik jong was, turnde ik veel en gedisciplineerd. Jaren achtereen. Op mijn vijftiende stopte ik met turnen met een lijf als een strijkplank. Ik kon elke spier spannen als een boomstammetje. Vervolgens heb ik vijftien jaar sportloos geteerd op mijn vliegende start als strijkplank. Ik was een gezegend mens, maar ik ben nu in de dertig en ik moet me geen illusies maken. Die strijkplanktijd botox ik niet meer terug.

De strijkplank als rolmodel in een tietloos bestaan.
Er zijn maar weinig turnsters met echt dikke borsten. Bovendien heb ik mijn genen niet mee. Ik wacht al sinds mijn twaalfde op die bos hout voor de deur en het is ongelooflijk, maar waar: ik heb het opgegeven. Ik wacht niet meer. En ik ga ook niet sparen om met allerlei operaties mijn wachttijd alsnog te gelde te maken. Ze kunnen de boom in met hun bos hout.

De strijkplank als uitstervend deel van mezelf.
Mijn turntijd is definitief voorbij. Alle vormpjes waardoor men nog jarenlang dacht dat ik een atletisch type was, zijn langzaam uitgelubberd. Het voordeel is dat je borsten ook groeien als je dikker wordt, het nadeel is dat de strijkplank definitief verleden tijd is. Afscheid nemen van een strijkplank die je niet eens had, ga er maar eens aan staan.

De strijkplank als paradox
En dan maar hopen dat je blijft schouderophalen. In een wereld van bruiloften en begrafenissen, waar een strijkplank noodzakelijk lijkt. Met een zelfbeeld dat plots vier maten groter is. Quote mijn moeder: ‘Jij moet eens van het idee af dat je je hele leven maat 36 zult blijven houden.’ Wat?! En maar schouderophalen. En maar volhouden dat je geen strijkplank hebt, en dat je die ook niet hoeft. En als de nood echt hoog is, gewoon, schouderophalend, wat op tafel strijken. Een spek en boneningreep. Botox als liktatoeage. Ja. Nee. Een beetje. Zoiets.

De Niet Lief Collectie:
De Grote Overschreeuw

Dit stukje verscheen op 1 september 2007 op nietlief.com. Polle zwengelde het aan met de volgende inleiding:
“(niet)Liefjes,
Onder het motto gedeelde smart is halve smart, is mijn opdracht voor jullie: Schrijf een verhaal over jouw onzekerheid of zekerheid.”

Onderwerp: Zekerheid/Onzekerheid
Geschreven door: Zezunja

Ik ben bang. Voor snelle attracties, grote hoogten en mooie mensen. Voor controleverlies, verantwoordelijkheid en alleen zijn. Voor imperfectie, nieuwe dingen en op een podium staan. Voor vorsende blikken, vreemde geuren en vliegtuigen. Voor fascisten, lange reizen en mijn spiegelbeeld. Voor dwangneuroses, soa’s en spijt. Voor camera’s met flits, kanker en mensen met veel geld. Voor doodgaan, falen en liefdesverdriet. Voor andere vrouwen, zingen en post ontvangen. Voor verslaving, grote spinnen en nachtmerries. Voor openheid, isolement en oorlog. Voor autorijden, mislukkingen en seks. Voor de toekomst, mijzelf en afwijzingen. Voor lelijk schrijven, te veel meningen en de eerste indruk. Voor verwijten, sleur en harde praters. Voor Windows, de belastingdienst en mijn slaapgewoonten. Voor onomkeerbare dingen, patstellingen en impasses. Voor vreemde steden, volgzame mensen en verveling. Voor ouderdom, game over en De Telegraaf. Voor bijna alles.

En dus rook ik, neem ik autorijles, praat ik hard, loop ik naar het randje van elke rots, word ik journalist, tart ik het lot, ga ik op mijn zestiende het huis uit, verdiep ik me in extreem-rechts, reis ik veel, vrij ik onveilig, ga ik in over-de-kop-dingen, verlaat ik mijn vrienden, zet ik mijn foto op internet, ga ik vrijwel zeker dood, lift ik op mijn vijftiende het land uit, hang ik spiegels op, ga ik spinnen te lijf, word ik lead singer, trouw ik en scheid ik, koop ik huizen, verhuis ik naar een ander land, doe ik investeringen, ben ik onbesuisd, laat ik me fotograferen, ben ik slordig, ga ik op een podium staan, heb ik duizendeneen relaties, dweep ik met mooie mensen, wil ik veel geld, neem ik te veel hooi op mijn vork, zoek ik vriendinnen, ontvang ik veel post, verf ik mijn haar, ben ik ambitieus, laat ik steken vallen, maak ik het altijd uit, gebruik ik drugs, neem ik ontslag, word ik ouder.

Ik kan namelijk veel harder schreeuwen dan mijn angst.

De Niet Lief Collectie:
De Ondraaglijke Lichtheid Van Vandaag

Dit stukje verscheen op 25 augustus 2007 op nietlief.com. Kaat zwengelde het aan met de volgende inleiding:
“Lieve collectiefgenoten,
Hieronder vinden jullie het, wat ik zelf het mooiste logje vind, dat ik ooit heb geplaatst. Jullie voelen hem vast al aankomen… Wat vinden jullie je mooiste log? Ik ben benieuwd.”

Opdracht: Wat is het mooiste weblogstukje dat je ooit schreef?
Geschreven door: Zezunja

Het is misschien niet het mooiste, maar wel de eerste mooie die ik ooit schreef.

We dronken er een kopje koffie op en praatten elkaar moed in. We fluisterden, lachten, keken en zuchtten. De zon scheen al. We reden en vonden een parkeerplaats. Natuurlijk. En voor de deur. Natuurlijk. Er was markt. Net als vier jaar geleden. We kenden de man nog. Van vier jaar geleden. We tekenden iets. We waren man en vrouw af. We bonkten elkaar op de schouder. ‘Hee, geregistreerd partner’. De man wenste ons een prettige dag. We konden nog de zon in, zei de man bij ons vertrek vrolijk. Ja, zeiden wij vrolijk. Bijna echt. We vermurwden voor de deur een agent. Hij verscheurde de bon. De zon verwarmde de dag. We knepen onze ogen toe. We kochten de zin ‘The only way out is through’ op muziek en we genoten. We lieten ons in de auto vermaken door Hans Teeuwen. Opgelucht lachen. Vijfenveertig kilometer verderop liet de man met stropdas ons iets tekenen. Hij wenste ons een prettige dag. We konden nog de zon in, zei hij vrolijk. Ja, zeiden we vrolijk. Bijna echt. We deden onze ringen af. We aten een verrukkelijke salade en proostten op de toekomst. We kochten de zin ‘Want niets is zo ingewikkeld als niet dood zijn’ en de zin ‘Laat mijn verdriet altijd groter zijn dan het jouwe, zodat het eromheen kan liggen als armen’ op papier. We zagen de eenden in Vinkeveen en constateerden kou op het water. We dronken er nog een biertje op. De zon bleef nog even staan en wij ook. We vergeleken onze kale vingers. Kus. En we gingen ieder ons weegs.
Au!

Zezunja, 19 mei 2004

De Niet Lief Collectie:
O-kut-o-kut-o-kut-
o-shit-o-shit-o-shit

Dit stukje verscheen op 2 augustus 2007 op nietlief.com. Ik zwengelde het zelf aan. Zie mijn vraag onder het stukje.

Opdracht: Heb je een rijbewijs  – waarom wel/niet?
Geschreven door: Zezunja

Belgen komen met één voet op het gaspedaal ter wereld en ik ben een alien. Tenminste, in de ogen van alle Belgen en bijna alle Nederlanders. Ik groeide op zonder auto, ik haalde geen rijbewijs toen ik achttien was en nu, op mijn drieëndertigste, ben ik voor het eerst in mijn leven van plan een rijbewijs te gaan halen.

Vol ongeloof kijken ze me doorgaans aan, die Belgen. Vol verbijstering. Meestal volgt dan eerst nog een moment waarop ze denken me verkeerd begrepen te hebben. ‘O, ge hebt genen auto, maar wel een rijbewijs?’, zeggen ze dan, vooral zichzelf geruststellend. En dan komt dat moment van ongeloof en een wankelend wereldbeeld. ‘Wat?! Ook geen rijbewijs?!’ Het is dat die Belgen tamelijk gereserveerd zijn, want anders was mij zeker meermaals gevraagd waar het mis is gegaan.

En ja, waar is het mis gegaan? Op vijf momenten in mijn leven, denk ik.
Allereerst het belangrijkste: mijn ouders reden geen auto. We gingen met de slaaptrein op vakantie en in Amsterdam had je geen auto nodig. Als ik ernaar vroeg, zeiden ze steevast: niet nodig, heel duur, slecht voor het milieu en nog wat van die dingen die je als kind gelijk gelooft.

Het tweede moment was mijn achttiende levensjaar. Ik had net een boedelscheiding en mijn eindexamen achter de rug. Niets in mij had eraan gedacht ook nog te sparen voor een rijbewijs, en ik kocht nog fietsen van junks in die tijd, dus aan vervoer geen gebrek. Ongemerkt ging het uitgelezen moment om te leren autorijden voorbij.

Het derde moment was met mijn ex-echtgenoot. Die was dol op autorijden. En omdat hij zo’n fervent chauffeur was, bleef mijn motivatie om te gaan autorijden nihil. Hij reed me van Firenze naar Oporto en van Venetië naar de Algarve, van Deventer naar Harlingen en van Pernis naar Appingedam. En ik zat intussen lekker ceedeetjes te luisteren met mijn voeten uit het raam. Een rijbewijs was erg ver weg.

Het vierde moment was toen ik en mijn ex op de A2 naar Utrecht in een file stonden. We stonden stil in de meest linkse rijbaan, de file loste in een mum van tijd op, iedereen karde alweer met een kilometertje of zeventig per uur over de A2 en wij… wij stonden nog steeds stil. De motor was afgeslagen en weigerde verdere dienst. Toen ik doorkreeg hoe de zaken ervoor stonden – wij stonden stil en rechts van ons raasde iedereen in hoge snelheid langs ons – verstijfde ik van angst. En hoewel haast geboden was, het was immers een kwestie van seconden voordat men in de linkerrijbaan onze stilstaande auto voor zich zou zien opdoemen, sloeg ik mijn handen voor mijn ogen en jammerde ik monotoon ‘o-kut-o-kut-o-kut-o-shit-o-shit-o-shit-o-kut-o-kut-o-shit’. Haha, hoezo oplossingsgericht?

Hoe dan ook: ik wist al dat ik een bange poeperd was en dat was ook een van de redenen dat ik niet zo happig was op een rijbewijs – autorijden is en blijft immers een gevaarlijk spelletje – maar nu zag ik mijn bange vermoeden ook nog bevestigd: ik zou een waardeloze chauffeur zijn die haar passagiers gewoon zou laten verpletteren op de A2, onderwijl o-kut-o-kut jammerend.

En tot slot: het vijfde moment was vergelijkbaar. Ik speelde op een playstationracespel met zo’n stuurtje als console. Elke keer als ik crashte deed ik mijn ogen dicht en liet ik het stuur los. Kijk, ik ben niet gek. Ik weet heus wel dat een computerspelletje niet het echte leven is, maar ik meende toch ook hierin een bevestiging te zien: als het te moeilijk en te onoverzichtelijk wordt, laat ik het stuur los. Zoek dekking, zou ik zeggen.

Dat laatste zou ik maar letterlijk nemen, want tatatataaa: deze maand is het zover. Ik ben namelijk gezegend met een schoonmoeder die, jawel!, rij-instructrice is. En aangezien ook aliens af en toe een beetje moeten inburgeren, ga ik er nu echt aan geloven. Als alles volgens planning verloopt, heb ik in 2008 een rijbewijs.

Welnu, nietliefjes, mijn vraag aan jullie is: hoe rijvaardig zijn jullie? En hoe zijn jullie zo ver gekomen? Enne… hebben jullie nog tips voor mij?
Liefs, Zezunja

De Niet Lief Collectie:
Het jongetje, de logikwis
en de gemorste melk

Dit stukje verscheen op 29 juli 2007 op niet lief.com. Octavie zwengelde het aan met de volgende inleiding:
“Lieve niet-liefjes, mijn vraag voor jullie is de volgende:
Hebben jullie spijt van iets in jullie leven? Hadden jullie dingen graag anders zien lopen? Anders aangepakt? Anders beleefd?”

Opdracht: Waar heb je spijt van?
Geschreven door: Zezunja

Wat spijt betreft ben ik net een jongetje: ik ben veel te oplossingsgericht voor spijt. Spijt is een paternalistische emotie, een strafbankje waarop je je eigen en andermans ellende overdenkt en waarbij de schuldige al vast staat nog voor er een rector aan te pas is gekomen: jij. Jijzelf bent de schuldige.

Dat klinkt allemaal wat heftig, maar ik kan er niks anders van maken: het gaat om schuld en boete. Spijt is het besef dat je iets verkeerd hebt gedaan. En vervolgens dien je daar dan enigszins in blijven hangen. Kijk, en daar ben ik dus veel te oplossingsgericht voor. Ik ben allang een stap verder tegen de tijd dat ik aan mijn eigen spijt toekom. Mijn eerste vraag bij onheil is namelijk niet: moet ik hier spijt van hebben? Maar: wat gaan we eraan doen?

De meeste gevallen van spijt in mijn leven zijn gevallen van niet jammeren om gemorste melk. De tijd valt nou eenmaal niet terug te draaien en met een optimistische levenshouding valt overal wel een louterend effect uit te halen. Van fouten kun je leren en doorredenerend kun je dus maar beter veel fouten maken om ontiegelijk wijs te worden – en als ik echt in een soepele bui ben, beweer ik daarbovenop nog eens dat fouten niet bestaan.

Geen tijd voor spijt dus. Wat niet wil zeggen dat ik niet leer van momenten van schaamte, van momenten dat ik met mijn vuist op tafel sla door gemiste kansen, van momenten dat ik kamp met een haperend geweten. O nee, ik ontwikkel me rot. Eerst denk ik: oei, dat was niet zo handig. En daarna: wat gaan we eraan doen? Tijdens dat proces voel ik in al mijn vezels dat ik slimmer word. Maar spijt? Nee.

Dat klinkt wat vrijblijvend, geen boete willen doen omdat het niet praktisch is. Maar ik ben – vrees ik – tamelijk praktisch, tot op het gratuite af. Spijt als genoegdoening voor het slachtoffer vind ik slechts nuttig als het een directe bijdrage levert aan de oplossing voor een situatie (daar gaan we weer). Zo heb ik in mijn tienerjaren eens fink wat geld gestolen van mijn ouders. Mijn spijtbetuiging van toen droeg op allerlei manieren bij aan een oplossing. Mijn ouders konden proberen mij weer te vertrouwen, ik had publiekelijk ethisch inzicht getoond en ik ging zó door de grond van schaamte dat ik het later nooit meer in mijn hoofd haalde iets te stelen.

Toen had het dus wel degelijk zin om spijt te hebben, maar spijt verjaart, zie verder the spilt milk. Nu is het zinloos om spijt te hebben van mijn spaak gelopen geweten van toen. De oplossing heeft gewerkt, spijt is een gepasseerd station. Op naar de volgende logikwis van oei, dat was dus onhandig en wat gaan we eraan doen? - want de aanwas van logikwissen stopt nimmer.

En ik ben o zo blij dat ik er zo lankmoedig over denk, want als ik in mijn onstuimige leven op alle momenten dat ik dacht ‘oei, dat was niet zo handig’ verteerd had moeten worden door schuldgevoel, schaamte en gewetenswroeging, dan droeg ik nu de wereld op mijn schouders. Terwijl ik maar een heel klein, oplossingsgericht jongetje ben, met heel ranke schoudertjes.

De Niet Lief Collectie: Mijn Schrijfstijl

Dit stukje verscheen op 7 juli 2007 op nietlief.com. Octavie zwengelde het aan met de volgend tekst:
“Niet-liefjes, ik heb twee opdrachten voor jullie:
1. Omschrijf je visie op schrijfstijl. Hoe schrijf je en waarom doe je dat zo? Komt je schrijfstijl overeen met je karakter? Van welke stijl hou je en van welke juist niet?
2. Schrijf een stukje van ongeveer 10 tot 15 regels over het onderwerp ‘Mijn fijnste plekje op deze wereld’.
Beide onderwerpen plak je in één logje en je schrijft er niet je naam onder. En u, lieve lezer, mag gaan raden wie welk logje schreef. Hoe uitdagend kan loggen zijn.”

Onderwerp: Schrijfstijl
Geschreven door: Zezunja (maar dat werd pas een paar dagen later bekend gemaakt)

1. Mijn visie op schrijfstijl.

In mijn teen-age-ik-ben-zo-verschrikkelijk-op-zoek-naar-mezelf-jaren en de jaren die daarop volgden, heb ik het me vaak afgevraagd: hoe leer ik mooi praten? Ik groeide op met een neerlandicus als vader, met veel boeken, veel taal, veel schrijven. Maar meer dan een keurig en braaf vocabulaire had ik daar niet aan overgehouden. Ik viel niet op als ik mijn mond open deed of een stukje schreef.

In de jaren daarna kwam ik erachter dat het een kwestie was van leren door te kopiëren – tot die tijd dacht ik dat je alles zelf moest bedenken en daar was ik veel te onzeker voor. Door me zoveel mogelijk te omringen met mensen die mooi konden denken, mooi konden spreken en mooi konden schrijven, leerde ik zelf ook af en toe verrassend uit de hoek te komen. Ik leerde dat schrijven hardop denken was – met een doel. En als je mooi kunt denken, kun je ook mooi schrijven. Kortom: ik zette de sluizen open. Mooi denken was het doel.

Dankzij mijn vrienden, boeken, media en internet raakt mijn reservoir aan stijlvolle zegswijzen, originele gedachten en mooie woorden langzaamaan steeds voller. Met dank aan mezelf is mijn wil om mijn eigen malletje uit de inhoud van dat reservoir te stansen met de dag intenser. Met dank aan die wonderlijke vergaarbak ben ik nu een half-gestanste schrijver die soms mooi kan denken.

Tussen die grijze garnaal die ik toen was en de schrijver nu ligt meer durf en doelbewustzijn, maar ik ben nog steeds een schrijver op zoek naar stijl en briljante ideeën. Mijn stijl is in ontwikkeling. Een stijl die evolueert, doordat ik andere mensen lees, spreek, zie, en hoor. Een stijl die alle geleende woorden en gedachten die ik de afgelopen jaren heb verzameld in inkt of enen en nullen omzet – aaneen gebreid door mijn eigen soms chaotische en dan weer uiterst precieze hersenpan.

En wát ik ook lees: poëzie van langvervlogen dichters, sms’jes van talige mensen of een mooi geconstrueerd verhaal in de krant: ik neem het met me mee, ik vergruis het in mijn adaptatiesysteem en vervolgens weef ik het zo naadloos mogelijk in mijn ratjetoe van taalgebruik en woordenschat.

Wees dus op uw hoede als u zich woordelijk tegen mij uitdrukt: ik heb het op uw stijl gemunt.

2. De fijnste plek op de wereld.

Het fijnste plekje op de wereld is daar waar het tintelt. Waar mijn tong tintelt van zachte geitenkaas en wijn, of waar ik mijn ogen bijeen moet knijpen wegens zon en wind. Daar waar de taal in je oren klatert. Muziek. Vertier. Daar waar je op blote voeten kunt lopen, en waar snorharen en vingertoppen de dienst uitmaken. Daar waar zijn handen komen – en waar mijn handen gaan. Het moment dat mijn dromen de werkelijkheid kietelen. Tot het tintelt. Daar is het.

Nou? Wie ben ik?

De Niet Lief Collectie:
Zezunja’s Zeven Zonden

Dit stukje verscheen op 21 juni 2007 op niet lief.com. Luna zwengelde het aan met de volgende inleiding:
“Dus nietlief-jes, mijn vraag aan jullie: aan welk van de 7 zonden ergeren jullie je het meest? En aan welke maak je je het meest schuldig?
1. Superbia (hoogmoed – hovaardigheid – ijdelheid – trots)
2. Avaritia (hebzucht – gierigheid)
3. Luxuria (onkuisheid – lust – wellust)
4. Invidia (nijd – gramschap – jaloezie – afgunst)
5. Gula (onmatigheid – gulzigheid – vraatzucht)
6. Acedia (gemakzucht – traagheid – luiheid – vadsigheid)
7. Ira (woede – toorn)”

Onderwerp: De zeven hoofdzonden
Geschreven door: Zezunja

Zonden klinken mij als geboren agnost meestal bijzonder aanlokkelijk in de oren. Als God iets heeft verboden, ben ik er doorgaans als de kippen bij. Maar nu moet ik daar dus over nadenken. Of ik het goed vind dat ik in zonde leef. En of het erg is dat andere mensen zich bezondigen aan een of meer van de zeven. En welke zonde dan het ergst is. Hemel!

Om eerlijk te zijn: ik vind alle zonden normaal. Het zijn alledaagse menselijke eigenschappen die ik de moeite van het verfoeien niet waard vind. Mag iemand kwaad zijn? Tuurlijk. Mag iemand onkuis zijn? Uiteraard, graag zelfs. Mag iemand ijdel en trots zijn? Waarom niet?

Ik ben nogal gematigd in mijn oordelen. Leven en laten leven. Zo word ik zelf ook het liefst benaderd. Het wordt pas hinderlijk als zonden tot principes verheven worden. Zoals sommige politieke partijen een gebrek aan solidariteit tot wet verheffen. Dat vind ik hebzuchtig en hovaardig en daar erger ik me aan. Ook stoort het me als mensen een of meer zonden cultiveren tot een dagelijkse staat van zijn. Iemand die zich altijd kwaad maakt, irriteert mij. Iemand die altijd gierig is ook. Altijd lui, altijd jaloers: yuk! Trop is te veel, zegt men. En dat is.

Dus waar erger ik me aan bij anderen? Aan situaties van ‘altijd’ en ‘nooit’. Ik kende iemand die altijd kwaad was als hij geen parkeerplaats kon vinden. Altijd. Nooit niet. In Amsterdam in de jaren negentig! Get real! Die energie was een betere zaak waardig. Of een bandlid dat nooit bier of sigaretten meenam, maar wel vijf jaar lang elke week mijn sigaretten oprookte. Niet leuk.

Maar wat vind ik de ergste zonde? Misschien in het verlengde van mijn gematigdheid: jaloezie en afgunst. Wees jij lekker wie je bent, met wat je hebt en wat je wilt, dan ben ik ook wie ik ben, met wat ik heb en wat ik wil. Lijkt me geen speld tussen te krijgen. Toch ben ik in dit leven al vaak opgebotst tegen mensen die daar heel anders over denken.

Zo ontving ik ooit per post een doormidden gescheurde trouwfoto van mijn toenmalige geliefde en zijn ex, met achterop geschreven: ‘Bedankt voor het ruïneren van mijn huwelijk’. En hoewel het iets was waar ik mijn schouders bij optrok, kon ik de afgunst in die woorden niet uitstaan. Als mijn toenmalige vriendje bij haar had willen blijven, dan had hij dat wel gedaan, niet?

Een ander moment dat afgunst mij trof, was toen ik klein was en in een vriendinnenwereld leefde. De vraag wie je beste vriendin was, was toen nog van levensbelang. Op een dag vertelde mijn ‘beste vriendin’ dat een van haar andere vriendinnen haar had verboden nog langer met mij om te gaan. Pardon? Verbijstering was mijn deel. Gelukkig slaagde het secreet nauwelijks in haar opzet. We zagen elkaar stiekem en uiteindelijk werd í­k uitverkoren om met mijn ‘beste vriendin’ mee naar een ver buitenland te gaan en niet het secreet. Wie de bal kaatst valt er zelf in.

Tot slot nog een anekdote uit een wereld waar wij hier allemaal mee te maken hebben: het weblogwereldje. Ooit legde ik het aan met een weblogger. Wat ik niet wist, is dat een andere weblogster de ex was van die weblogger. Wat ik ook niet wist, is dat zij mij als splijtzwam zag. Maar mijn onwetendheid duurde niet lang. Middels een hatemail naar mij en een kettingbrief naar alle destijds bekende webloggers werd haar jaloezie uit de doeken gedaan. Ik kreeg de zwarte piet toegespeeld en mijn naam verdween uit alle denkbare linklijstjes. Toen wist ik het dus wél. En hoe!

Nu ik zo hovaardig ben geweest anderen te betichten van zondig gedrag, moet ik zelf ook maar even op de slachtbank. Wat vind ik mijn ergste zonde? Ik kan die hele riedel van leven en laten leven weer opnieuw afsteken, maar dat deuntje veronderstel ik als bekend.

Misschien is het mijn onmatigheid waaraan ik mij soms stoor. En dan heb ik het niet over de consumptie van voedsel, drank en drugs, daarin ben ik redelijk matig. Goed, ik rook en soms rook ik onmatig veel, maar dat is ook het enige. Bovendien vind ik van mijzelf dat ik mijn best doe daarin matiger te worden.

Nee, mijn onmatigheid zit ‘m in het leven zelf. Ik wil altijd alles en meteen. En vooral avontuur en liefde. Om de NS maar even te citeren: ik ga ervoor. Voor alles. Ik ben ongeduldig en rigoureus. Ik investeer al mijn poet op elk moment in alles. Ben ik verliefd, dan geef ik me helemaal over. Niks afwachten, niks nadenken. Ik kijk niet naar links, naar rechts en dan weer naar links. Ik steek over, met ware doodsverachting. Hier! Je mag me hebben!

Ik stootte daardoor al een paar keer mijn neus. Ik gaf mij over in relaties die vanaf dag één gedoemd waren te mislukken. Ik stak mij diep in de schulden voor bezit dat ik nu al niet meer heb, terwijl ik nog wel aan het afbetalen ben. Ik neem risico’s als waren het koekjes: hopla, de hele trommel in één keer. Leeg moet-ie.

Maar tegelijkertijd is dat mijn kracht. De overgave en de concentratie die zich van mij meester maken als ik een doel heb, hebben mij gebracht waar ik ben. En dat stemt tot tevredenheid.

En zo is het ook met die andere zonden. Luiheid is een zegen als je ooit overspannen bent geweest van een gebrek daaraan. Woede is je redding als je ooit over je hebt laten lopen. IJdelheid is de perfecte oplossing voor mensen als ik, met een slonzige inborst. Gierigheid en hebzucht zijn een ander woord voor ’spaarzaam’ in tijden dat je zojuist hebt boedel gescheten. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Kortom: zeven zonden? Doe mij er maar acht. No objection, Your Honor.

De Niet Lief Collectie:
Zezunja als Zomergast

Dit stukje verscheen op 14 juni 2007 op nietlief.com. Polle zwengelde het aan met de volgend inleiding:
“Ik bijt het spits af in de zomergastenreeks. We hebben afgesproken maximaal vijf fragmenten uit te kiezen. Geen gemakkelijke opgave, toch een poging. Zet de olijven, het stokbrood en de pesto op tafel. Ontkurk de wijn. Kijk en geniet mee.”

Weet u wat lastig is? Dit. Dit is lastig. Fragmenten verzinnen met een gatenkaasgeheugen en een sluimerende tv-verslaving. Er is zoveel moois en tegelijkertijd is mijn harde schijf van tv-momenten korzakovachtig leeg. Ik had graag gehad dat de redacteur van Zomergasten bij me langs was gekomen. Met een lijst, zoals ze dat naar verluidt bij de echte Zomergasten doen. Een lijst met wat er zoal te zien was toen je jong was, met suggesties en fragmenten die aansluiten bij je werk of je hobby’s, met spectaculaire, spraakmakende tv-fragmenten die niemand ooit zal vergeten. Maar nee, er kwam niemand langs met een lijst.

Geen mietje
Dus ik heb mijzelf geen mietje genoemd en ben wat gaan verzinnen. Het eerste dat ik bedacht toen ik mijzelf geen mietje noemde, was J.J. De Bom voorheen De Kindervriend. Ik was fan. Maar helaas was daar niets van te vinden in de youtubewinkel. Domper.

Zodoende ben ik doorgezapt naar toen ik al tien was. Een hele meid. Met tientallen Doe Maarposters boven mijn bed. Met Doe Maarzweetbandjes, -zonnekleppen, -buttons, -tasjes, -plakboeken en wat dies meer zij. Ik wachtte al sinds mijn zevende tot het moment dat ik oud genoeg was dat ik naar een concert van ze mocht. Groot was dan ook mijn verdriet toen ze ermee ophielden nog voor ik de wettelijke leeftijd van Doe Maarconcerten mogen bezoeken had bereikt. Op de dag dat het afscheidsconcert werd uitgezonden, moest ik naar een familiefeest en ik herinner me dat ik mijn vader eindeloos aan zijn kop heb gezeurd om een videoband van vier uur om het op te nemen. Want op een twee-uursband zou het niet passen.

Good ol’ Diewertje Blok
In die vermaledijde youtubewinkel was ook geen fragment van het concert te vinden, maar wel een interview van good ol’ Dieuwertje Blok met de heren, vlak voordat ze het podium opgingen. Het slechtste interview uit de tv-geschiedenis welteverstaan. Maar goed. Nostalgie boven alles.
(Update – Filmpje lijkt in 2008 niet meer beschikbaar… that sucks.)

Mijn tweede fragment is een stukje uit een interview dat Jeremy Paxman van de BBC had met voormalig minister Michael Howard. Ik hou van interviews, ik hou van praatprogramma’s en ik hou van geneuzel. U begrijpt: ik kan mijn lol niet op met de hedendaagse tv-cultuur. Dit fragment heb ik jaren getoond in de lessen Interview die ik gaf. Omdat het zo mooi duidelijk maakt wat doorvragen eigenlijk is. Omdat het zo mooi duidelijk maakt wat doorvragen kan doen met een gesprek. En omdat het zo mooi duidelijk maakt hoe gezagsdragers rond de pot kunnen draaien. (Let niet op het muziekje.)

En dan, tatatataaaaa, mijn lievelingsseries. Eerst dacht ik: hmz, beetje flauw om twee actuele series te nemen, maar als ik denk aan wat ik écht, écht mooi vind, dan kom ik altijd hierop. Altijd.
Eerst Six Feet Under. Prachtvol. Wonderschoon. Jarenlang ben ik er langsgezapt zonder het een blik waardig te keuren, maar toen de dvd-box voorhanden was, was het gebeurd. Ik was verkocht. Ik hield van de familie Fisher als geen ander. De schoonheid van ellende. De tragiek van taboes. De lyriek van de leugen. En huilen toen het afgelopen was. Dit fragment is een van de vele scenes die ik nooit zal vergeten.

En dan The Soprano’s. Waarom The Soprano’s zo’n waanzinnige serie is? Het is een straatschoffiessoap met de diepgang van Plato. Het is poëzie van het fuck this fuck that-kaliber (zie de quotes in de imdb). Het is comedy met karakterontwikkelingen zoals je zelf zou willen ontwikkelen: geloofwaardig, stoer en ontroerend. Het is gewoon fucking cool.

Als film kon ik kiezen uit duizend dingen. Films van heel vroeger, zoals De Reddertjes en The Dark Crystal. Of uit de tijd dat films echt veel impact hadden: toen ik tiener was en verliefd op Rob Lowe. Of iets later toen ik Betty Blue twintig keer zag in de Amsterdamse bioscoop Kriterion. Maar ik koos een film van de laatste jaren. Magnolia. Omdat ik de hele film, maar bovenal dit fragment hartverscheurend mooi vind. Tranen.