Archief in kronkels: superpersoonlijk

Voor Wannes

Je hebt meer zilveren haren dan vorig jaar rond deze tijd. Vooral dat geitensikje dat net onder je onderlip ontstaat als je je te lang niet scheert: blinkend zilver. Ukkie, noem ik je wel eens, omdat je het mooi Amsterdams vindt en omdat je acht maanden jonger bent dan ik. Maar ik kijk naar je en ik denk: ik heb je oud gemaakt.

Ik heb mezelf ook oud gemaakt. Je kunt niet straffeloos maandenlang wanhopig zijn. Dat moet je bekopen. Met deukjes in je wangen, lijnen, grijze dreads. Maar ik ben welopgevoed. Wat ik met mezelf doe, moet ik zelf weten, maar een ander maak je niet oud.

Dus pel ik sinaasappels voor je, ik fluister je in slaap en ik wil je redden. Ik wil de grijze haren terugdringen, omdat bedanken niet volstaat. ‘Het doet niks’, zeg je. Maar het doet wel wat.

‘Ik zorg graag voor je’, zei je toen je me in Frankrijk naar een dokter reed. ‘Kom maar bij me’, toen ik meer dan eens bevend op het muurtje voor het ziekenhuis zat. ‘Ik leid je wel’, toen ik maandenlang de wereld op de tast betrad.
‘Het doet niks’, zeg je. Maar ik kan weer zien en ik zie de lijnen, de zilveren haren.

‘Doe eens zo.’ Ik vouw mijn onderlip over mijn tanden.
De tondeuse maakt een schrapend geluid.
Het zilveren geitensikje valt op de krant.
Omdat bedanken niet volstaat.

Vandaag verbrak ik een vriendschap

Ze had me al eens verlaten.
‘Ik ga weg’ zei ze. ‘Maar je mag niet weten waar naartoe.’
‘Waarom niet?’ vroeg ik. Ik hield van haar. Al jaren.
‘Dat is gevaarlijk.’
Ik kreeg buikpijn en knikte.
Een waaromvraag bleek moeilijk te vergeten.
‘Ik weet waar ze is, maar ik mag het niet zeggen’, zei iemand later.
Ik kreeg buikpijn, knikte en duwde de waaromvraag weg.
Het duurde en ik vergat.
Een beetje.
Tot ze terugkwam.
Ze gaf een feestje en ik ging. Waarom wist ik niet.
‘Ik wist waar ze was, maar ik mocht het niet zeggen’, zei iemand.
Ik knikte, kreeg buikpijn en vertrok.
Twintig jaar later klikte ik Add friend.
Ze leefde. Mooi en gevaarlijk.
Ze ‘likete’ me, ik ‘likete’ haar.
Tot ze weg was.
Ik vroeg me af waarom. Maar besloot te vergeten.
Tot ze terugkwam.
Ik klikte Add friend en hoorde niks.
We hadden zeven mutual friends.
Ik was de buikpijn beu en annuleerde het verzoek.

De middelvinger tegen de heel erge shit

Meermaals dacht ik de afgelopen maanden: wat nou als dit zo blijft? Met die ogen. Wat als ik nooit meer uit het duister raak? Wat als ik alleen nog in donkere kamers naar stemmen kan luisteren? Wat als ik voor altijd de hand van Wannes moet vasthouden? Wat als ik niet meer echt kan schrijven, lezen en tekenen? Wat als ik de zon nooit meer zal zien?

Ik kon de vragen niet bevatten, laat staan ze beantwoorden. Voor mijn geestesoog doemde ik op met hond en stok. De hond zag ik nog wel zitten, de stok niet. De cliché’s in mijn hoofd waren verstikkend. Ik zag mezelf lotgenotencontact zoeken, braille leren en ‘dan maar’ van muziek genieten. Ik zag me met mijn hoofd tegen de muur bonken en de tafel door de kamer smijten, maar ik deed het niet.
Tweeënhalve maand duisternis zijn genoeg om argwanend te worden. Ik zie de cursor knipperen, ik kan naar het woord ‘knipperen’ kijken zonder te knipperen, ik hoef naar schatting pas over een half uurtje weer te druppelen, ik haal waarschijnlijk het einde van dit stukje en toch ben ik op mijn hoede.

Shit happens vaker wel dan niet, staat er in grote graffitiletters op mijn innerlijke muur gespoten. Twee weken beterschap blijken niet genoeg om de superslimme golden retriever in een tuigje uit mijn vooruitzicht te bannen. Mensen die zeggen dat ik mijn portie nu heus wel heb gehad, wil ik in het gezicht spugen. Ik wil uitschreeuwen dat ik mijn portie al lang en breed had gehad en dat het enige dat telt, is hoe je ermee omgaat, met die porties, ongeacht de hoeveelheid. En dan zie ik die golden retriever goedmoedig door mijn beeld sjokken en dan besef ik dat ik me aan hem ben gaan hechten en dat hij het toonbeeld is van hoe ik er niet mee om moet gaan. Ksjt, hond, ksjt.

Want ja, shit happens, en ja, heel erge shit happens ook, en nee, die wordt niet eerlijk verdeeld, dus ja, misschien gaat er morgen iemand dood, of zo, of misschien ben ik over een maand alsnog veroordeeld tot een superslimme hond in een tuigje.
Maar als ik ’s ochtends wakker word, zie ik dit:

Ik kan dat gewoon ZIEN. Ik kan er naar kijken, met open ogen, zonder te tranen, zonder mijn ogen direct weer dicht te doen. En dan laat ik de opluchting toe. Van die diepe, dikke opluchting, die zijn middelvinger opsteekt tegen de heel erge shit. Nu even niet.

Jaaroverzicht
Horen, Zien en Zwijgen: Zwijgen

In dezelfde serie: deel 1, Horen, en deel 2, Zien.

Om dit stukje te kunnen begrijpen, is dit stukje misschien nodig. (En eventueel dit en dit.)

*
‘Dat ik al mijn tanden kwijtraak, is mijn ergste nachtmerrie.’ Deze zin is in 2011 het meeste tegen mij uitgesproken. Door vreemden op internet, door mijn moeder aan de telefoon, door long lost friends op facebook, door opdrachtgevers en cursisten, en door mijn schoonfamilie.
Als ik het niet tot me liet doordringen, knikte ik glazig en mompelde ik iets van ‘Ja, vreselijk, die dromen.’ Als ik het wel tot me liet doordringen, sprongen de tranen me in de ogen. Mijn werkelijkheid was andermans doemscenario.

*
Kiespijn en oorpijn zijn erger. Dat was mijn mantra gedurende de eerste 37 jaar van mijn leven. Dan had ik een gescheurde knieband of een weggesneden blinde darm en dan was het een verzachtend idee. Het afgelopen jaar werkte het niet meer. Ik had kiespijn, voor het trekken, na het trekken, altijd maar kiespijn. Tegen jezelf zeggen: ‘Je hebt het ergste dat er is.’ Nee, dat is niet vol te houden.

*
Het afgelopen jaar at ik in kruimels en teugen. Elke hap legde ik langs mijn pijngrens. Maandenlang kon ik alleen met twee hoektanden eten, en vervolgens een periode alleen vloeibare dingen. Ik draaide de avocado grijs, putte de yoghurt uit en gooide kilo’s korstjes weg. Drie kledingmaten lager ging ik bevend door het leven van gebrek aan energie.

*
Je spiegelbeeld zonder tanden is afschrikwekkend. Intiem ook. En verbijsterend plat. Ik laat nog liever mijn tieten zien op het Ladeuzeplein dan dat ik ’s avonds zonder tanden in bed kruip naast de man die ik met heel mijn hart wil imponeren. Drie maanden lang heb ik elke avond gehuild. Nu zeg ik alleen nog sorry voordat ik ga slapen.

*
Ik ben van de snufjes. Een druppeltje gembersiroop hier, wat fijngesneden kapperappels daar, wat citroenschil, een paar walnootkruimels en een rozijn.
Ik had me mentaal op allerlei dingen voorbereid, maar niet op smaakverlies. Een kunstgebit is a whole lotta plastic going on. Eigenlijk zijn alleen je tong en de binnenkant van je lippen nog beschikbaar, en dan proef je dus maar bitter weinig.
De arts bevestigde dat: je tandvlees en je verhemelte hebben een belangrijke taak bij het proeven, en die delen zijn bij mij volledig ingepakt. Dus nu hou ik alleen nog van lobbige en luchtige dingen waar je je tong in kunt steken. En snufjes zijn snuffen geworden.

*
In je mond lijkt alles gigantisch. Neem ‘n afgebroken hoekje: met je tong voel je een enorm gat, maar in de spiegel is het nauwelijks zichtbaar. Ik denk ook bij elke verandering dat ik er nóóit aan zal wennen, zoals bij van die kiezen die iets te hoog gevuld zijn en waar je dagenlang met je tong langswrijft.
28 gaten in je mond is bijna niet te bevatten en een kunstgebit is een mega-gehaktbal die je in één keer moet opeten. Elke ochtend opnieuw. De rest van je leven.
Omdat afgebroken hoekjes uiteindelijk wennen, ga ik er vanuit dat dat met zo’n bonk plastic ook gebeurt, maar nu, na vier maanden, begin ik de dag nog altijd kokhalzend.

*
Straffeloos in de aluminiumfolie rond de kebab kunnen bijten, enorme happen ijs kunnen nemen, ijskoude McDonalds-cola en iets te hete thee met gemak kunnen drinken: mijn verhemelte is afgesloten en ik heb geen vullingen meer, dus de wereld ligt voor me open.

*
Ik slis nog wel. Men zegt dat niet te horen, maar misschien wil men gewoon lief zijn.

*
Lesgeven, telefoneren, uit eten gaan en voorlezen voor publiek. Ik heb het allemaal al gedaan de afgelopen maanden en het ging goed, dank u. Maar of de angst dat het gebit gaat klapperen of -bewaar me- eruit valt ooit over gaat? Ik betwijfel het.

*
Als je geen tanden hebt, kan je mond niet meer dicht. Je lippen kunnen op elkaar, maar je kaken niet. Er zit een gewricht dat in principe die beweging kan maken, maar dat de afstand van twee rijen tanden niet kan overbruggen. De allereerste nacht dat ik zonder gebit sliep, had ik ’s ochtends het gevoel alsof ik de hele nacht in skistand boven een heel smerige wc had gestaan. Mijn kaak had spieren aangesproken, waarvan ik het bestaan niet kon bevroeden.

*
Valt het mee, vroegen mensen. Nee, zei ik. Ik kon werkelijk niets verzinnen dat meeviel. Vooral mentaal niet, zei ik. Om vervolgens niet onder woorden te kunnen brengen waarom niet. En nog steeds kan ik dat niet. Het is te groot.

*
‘Dat ik al mijn tanden kwijtraak, dat is mijn grootste nachtmerrie.’ Deze zin is in 2011 het meeste tegen mij gezegd. Mijn nachtmerries gaan tegenwoordig als volgt: ik ben ergens en ik heb mijn gebit niet in.
Laatst wilde ik ’s ochtends iemand bellen, maar gelukkig hing ik net op tijd weer op. Ik was iets vergeten die ochtend.

*
Andere jaaroverzichten gaan over boeken en cd’s, mijn jaaroverzicht ging over kwaaltjes. In 2011 had mijn lijf me zodanig bij mijn pietje dat er weinig anders overbleef. Maar omdat ik hoop peur uit het feit dat ik al voor de derde dag op rij een uurtje naar een wit schermpje kan turen (zie ook Horen, Zien en Zwijgen: Zien), en uit het feit dat ik de afgelopen maand al vol overtuiging een paar zwart-op-witballen kapotbeet, en omdat ik mezelf 2011 heb doorgemantraad met ‘alles went’, wens ik mezelf dat in 2012 daadwerkelijk álles went.

Jaaroverzicht
Horen, zien en zwijgen: Zien

Zie ook deel 1 van het jaaroverzicht: Horen.

Ik wilde een stukje schrijven over hoe het is om zo goed als blind te zijn maar ik was zo goed als blind, dus het ging niet.
Nog steeds tuur ik naar u door een vaselinelens, ik knipper op het ritme van de cursor en mijn neus raakt op een haar na mijn scherm in een kamer waarin een 500 watt-bouwlamp het licht zodanig egaliseert dat ik mijn ogen nét open kan houden.
Hoe wordt een mens halfblind? Welaan, ik weet het niet; als u feiten wilt, moet u niet bij mij zijn. Ik heb alleen ervaringen, in allerlei variaties. En emoties, heel veel emoties.

Hoewel ik het woord nog niet kende, werd ik in augustus lichtschuw. Ik bricoleerde een blauw lichtdempend papier om de lamp boven de tafel, omdat dat kan sinds de uitvinding van de spaarlamp, ik zette het scherm van mijn MacBook op de laatste stand voor het zwart wordt, schoof de gordijnen dicht en schreef al knipperend verder aan mijn boek.

Het was de natste augustusmaand in decennia, dus ik miste niks, maar het was dodelijk vermoeiend. Eén van de kenmerken van lichtschuwheid is namelijk dat je steeds bijna moet niezen. Zoals vrijwel iedereen zijn nies op gang kan helpen door in een felle lichtbron te kijken, zo is voor een lichtschuwe elke vorm van reflectie een felle lichtbron die een niesprikkel veroorzaakt. Je hebt dus de godganse dag de niet-ingeloste belofte van een ferme nies. Do-de-lijk vermoeiend.

Omdat de huisarts er niet uit kwam, werd ik doorverwezen naar een oogarts. Ze zag een verkoudheidsvirus. ‘Ja, daar zit het hoor’, zei ze opgetogen toen ik mijn kin in de houder legde. Ik had me een iets exotischer probleem voorgesteld bij drie weken kluizenaren in het duister, en ik dacht: nou, geef mij dan voortaan maar weer gewoon een snotneus. Maar tegelijkertijd was ik opgelucht, een verkoudheidsvirus klinkt alsof het overgaat. Ze schreef me wat middeltjes voor, en jawel, na twee dagen kon ik zonder enig probleem door de Velux naar de grijswitte luchten boven Leuven kijken. Ik ontspande mijn schouders en stelde vast: het duurde lang en het was tamelijk ondermijnend, al dat duister, maar mocht ik het ooit nog eens krijgen, dan is er een middeltje dat me in twee dagen op de been brengt. No worries.

Dus toen mijn ogen begin november automatisch dicht gingen als ik ’s ochtends een streep licht langs het rolgordijn ontwaarde, belde ik vol vertrouwen de huisarts: schrijf me even dat en dat spulletje voor, dan kan ik gewoon doorwerken. Little did I know.

Ik spoot het spulletje en werkte zo goed en zo kwaad als het ging door. Ik probeerde op onopvallende wijze mijn lokalen wat te verduisteren, gaf staand les, omdat vloeren voor lichtschuwen fijner zijn dan plafonds, ik reisde met gesloten ogen en hield bij elk gesprek mijn hand boven mijn wenkbrauwen, terwijl de tranen over mijn wangen biggelden. Soms ging het een dagje wat beter, soms wat slechter, maar nooit ging het over. Na twee weken eiste ik een spoedafspraak. ‘26 januari’, stelde de mevrouw aan de andere kant van de lijn voor. Het was half november. ‘Ik stel me iets anders voor bij spoed’, zei ik teleurgesteld. Twee dagen onderhandelen later had ik een afspraak over drie weken bij een oogarts op een half uur rijden van Leuven.

Toen begon het slikken, het doorzetten. Een paar columns nakijken, om vervolgens weer een paar uur met een theedoek over mijn ogen op de bank te liggen, starend naar de nareflectie.

De nareflectie is misschien wel het ergste. Iedereen kent de vlekken die felle lichtbronnen, zoals de zon, achterlaten op je netvlies. De vlek die nog even na blijft schitteren als je je ogen dichtdoet. Bij een lichtschuwe kunnen die vlekken uren duren, ze kunnen flitsen als een stroboscoop en werkelijk élk lichtgekleurd object is aanleiding voor zo’n vlek. Op de ergste momenten bleef een witte papiersnipper op de grond een half uur naflitsen aan de binnenkant van mijn oogleden. Zelfs geen rust hebben als je je ogen dichtdoet, is een van de ergste dingen die ik ooit heb meegemaakt.

Na vijf weken afzien (hm) stapte ik in een auto (van vier kanten licht!), zodat ik een half uur verderop mijn kin in de houder kon leggen. ‘Wondjes’, zei ze. ‘Een heleboel wondjes. Zoals bij lasogen. En droge ogen. Maar geen virus.’
Ze schreef een berg middeltjes voor, die weinig deden. Ik werkte door, afgewisseld met wat staren naar de stroboscoop aan de binnenkant van mijn hoofd. Ik las voor onder podiumspots, om daarna noodgedwongen, en vast ook voor straf, twee dagen lang de knoesten van de vloer te moeten bekijken. En ik stelde vast: dit gaat zo niet langer.

Ik zegde al mijn werk voor december af en begon de oogarts te stalken, ik liet me er nog twee keer naartoe rijden en belde haar drie keer per week op, net niet huilend. Ze schreef me andere middeltjes voor, zei dat het erg lang kon duren en beloofde me stopjes voor in mijn ogen, om te voorkomen dat ze droog zouden worden. En ze wenste me prettige feesten, want ze zou met verlof gaan.

Al zes weken balanceerde ik op de rand van paniek, maar nu viel ik erin. De oogarts met verlof. Ik huilde al maanden elke dag (zie ook het deel van het jaaroverzicht dat nog volgt: Zwijgen), wat op zich goed was, want huilen heeft als voordeel dat je ogen er erg vochtig van worden. Maar een groot nadeel is dat je daarna alleen nog maar naar bed wil. En je loopt al niet over van energie als halfblinde, want door gebrek aan prikkels van buitenaf verveel je je dood. Ik vroeg op Twitter of mensen ideeën hadden voor een leven zonder ogen. De audiolinks en -downloads waren niet van de lucht, maar ik kon de pagina’s waar ze op stonden niet bekijken. En hoewel Wannes de meeste taken van mijn ogen de afgelopen maanden heeft waargenomen, was het ondoenlijk om bij elke link aan hem te vragen: wat is dat voor een link? Kun je die downloaden? Kun je het programma waarmee ik het moet afspelen instellen?

Zo zat ik wekenlang opgesloten in mijn eigen hoofd, met stroboscopisch licht, een shitload aan zelfmedelijden en nauwelijks afleiding. Probeer dan maar ‘ns geen wezensvragen te stellen.

Gelukkig had Wannes de laatste paar dagen van het jaar vrij: afleiding! Hij quizmasterde mij met liefde door de donkere dagen na kerst en toen de klok twaalf sloeg, fluisterde hij: ‘2011 is nu echt voorbij, liefje.’ Waarop ik nog maar eens een potje begon te janken.

Op 1 januari kreeg ik zo’n eurekagloeilampje boven mijn hoofd. ‘Wij hebben toch zo’n soort bouwlamp van 500 watt?’ vroeg ik aan Wannes. We hadden net twee dagen een iPhone en ik had me voorafgaand aan oud en nieuw, met Wannes als rood-witte stok, naar Amsterdam gemanoeuvreerd. Ik was bekaf, van alle lichten, al het vuurwerk en alle voeten in mijn anders zo stille blikveld, maar het nieuwe telefoontje en de noodgedwongen lichttraining hadden mijn lichtschuwheid duidelijk wat verminderd.

Wannes zette de bouwlamp tegen het plafond en het egale licht was een weldaad voor mijn ogen. Het was duidelijk nog lang niet normaal, maar mijn hemel! ‘Ik kan je aankijken!’ riep ik uit. Waarop we gezamenlijk nog maar eens een potje jankten.

Nu, zes dagen later, ben ik nederig. Het was maar een vinger, de hele hand laat op zich wachten. Ik mag dan misschien mijn blik eindelijk kunnen oprichten van vloerhoogte tot kruishoogte (sorry heren!), ik kan nog altijd niet weg bij mijn bouwlamp, ik kan nog steeds niet veel meer dan vier centimeter licht (iPhone) en een half uur per dag een scherm verdragen (zie ook dit stukje), waardoor ik al mijn werk in januari ook maar weer heb afgezegd. Na twee maanden niesprikkels en huilbuien ben ik uitgeput. Mijn nek zit helemaal vast van met gebogen hoofd leven, en de reflectieveling in mij is me kots- en kotsbeu. Mijn werk en financiën lopen in het honderd, mijn boek raakt niet af, al mijn opruim-, opstart-, en andere plannen bleken onhaalbaar. Intussen zit ik op de bank naar de knoesten in de vloer te staren.

En toch: de oogarts is terug van verlof en ik heb haar nog maar één keer gebeld. Ook ween ik nog maar ééns in de twee dagen.
Met iets meer energie richt ik me op de kruizen van de heren en nu al een uur op de tekst van dit stukje. Gisteren keek ik zelfs een half uur tv. De nareflectie onderging ik met een zekere rust.

Dat is misschien wel de grootste winst van de afgelopen tijd: dat ik weet dat zelfs radeloosheid went.

(Wordt vervolgd)

Jaaroverzicht
Horen, zien en zwijgen – Horen

Op 1 januari 2011 was ik me nog van geen kwaad bewust

Het zou het jaar to end all jaren worden, ik zou zo veel geld verdienen dat ik zes maanden kon schrijven, ik zou een prachtig boek afleveren en ik zou in alle andere opzichten ook benijdenswaardig zijn. Ongetwijfeld.

Tot er iets begon te woekeren in mijn hoofd. Het kraakte en kreunde. En toen werd het stil.
Zo stil dat de structuur van wat ik in mijn mond stopte het enige was dat ik hoorde. En soms een geluid in de verre verte.

Vanaf het eerste moment beviel het me. Als ik schreef, hoorde ik alleen mijn personages, met zo nu en dan een kraakje of kreuntje tussendoor. Naast me werd een huis gestript, aan de overkant werd een huis gestript en de kinderen op het schoolplein achter mijn tuin slachtten elke pauze een krijsend speenvarken, maar ik schreef rustig door. Het was zelfs zo comfortabel dat ik de gang naar de dokter nog even uitstelde. Laat mij maar even alleen, in mijn hoofd. Ik heb het goed hier. Spiedend van achter mijn ogen.

Na mijn slome doktersgang was het gedaan met de stilte. Hij spoot mijn oren uit, fronste toen hij hoorde hoe lang ik er al mee liep en praatte plotseling HEEL HARD. Weg rust.

In 2011 was ik doof, blind en tandenloos. Doof was het leukste.

(wordt vervolgd)

De Inwijkeling: Amsterdam
klopt steeds minder

‘Ik weet nooit welke de Haarlemmerstraat is en welke de Haarlemmerdijk’, zei @ongast op Twitter.
Mijn eerste innerlijke reactie was: o, maar dat kan ik je wel vertellen. Mijn hersens kraakten en de inktkop schoot naar de Haarlemmerbuurt, begon een kaartje te tekenen en maakte de vonk voor mijn volgende reactie: euhm, hoe zat het ook alweer na de Nieuwendijk? Er werden stukjes opengelaten, er werd een tweedehandsklerenwinkel getekend, een Oost-Indisch huis en een kruising met om het hoekje coffeeshop Siberië. Maar tussen al die highlights zaten witte vlekken, straten die ineens ophielden, grachten die in het niets eindigden en kruispunten waar ik de naam niet van wist.

Mijn wieg stond in Amsterdam-Oost. Ik kende de Transvaalbuurt, de Indische buurt, de Watergraafsmeer, Diemen, de Plantagebuurt en de Rivierenbuurt op mijn duimpje. Artis, dwarsfluitles, de orthodontist, de 5e Montessorischool en mijn oma kon ik als ik flink doortrapte zonder volwassene vinden. Maar Amsterdam-West was een gapend gat op de kaart van mijn netvlies. Alsof de ui, waarvan de grachten de ringen zijn, een volledige zijde miste. Bij de brandweerkazerne in de Marnixstraat, de uitgang van het Vondelpark aan de Amstelveenseweg, en aan de westzijde van het Centraal Station ging het kaartje van Amsterdam over in een foto van een staatsgeheim. Amsterdam-West was voor mij jarenlang een wazige en vormeloze uitloop van het echte Amsterdam.

Tot mijn zus in de Staatsliedenbuurt ging wonen, ik het tweehandsklerenwinkeltje op de Haarlemmerdijk ontdekte (of was het nou de Haarlemmerstraat?), er een schoonmoeder in beeld kwam die in Geuzenveld resideerde en mijn moeder beroepsmatig neerstreek in de Baarsjes. Toen ik op mijn achttiende ook nog een paar maanden thuiszorg in Osdorp/Slotervaart deed en dagelijks acht kruislingse routes langs meren en flats fietste, was Amsterdam eindelijk af. De lijntjes die mijn hele jeugd richting het Westen uitrafelden, werden aan elkaar geknoopt en naadloos afgewerkt. Amsterdam klopte.

Donderdag zat ik op een terras in Oost. ‘Ik had een afspraak op de Zoutkeetsgracht’, zei mijn gezelschap. ‘O, helemaal bij het eindpunt van lijn 10? Of was het lijn 3?’ Mijn mond werd droog. Ik schoof het plattegrond van Amsterdam over mijn netvlies, legde er een tramkaartje overheen en zag het niet. Lijn 3 eindigde in een wazig beeld in de Bilderdijkstraat en lijn 10 werd blurry ter hoogte van, jawel, daar was-ie weer, de brandweerkazerne in de Marnixstraat. Ik slikte.

Toen ik naar huis liep, stopte er een auto. ‘Kunt u mij vertellen waar de Wijttenbachstraat is?’ Achter hem toeterde iemand.
De druk was hoog, maar hee, de Wijttenbachstraat is Amsterdam-Oost! Eitje! ‘Doorrijden en bij het tweede stoplicht rechts’, riep ik naar hem.
Hij gaf gas en ik kuierde door naar huis. Toen ik op de hoek van de straat van mijn ouders stond, realiseerde ik me dat er op de kruising met de Pretoriusstraat geen stoplicht staat. Ik voelde me schuldig dat ik iemand de verkeerde weg had gewezen, maar ik wist dat ik daarmee iets veel ergers verdrong: met mijn emigratie staat het mes weer in de ui. En deze keer wordt er aan alle kanten iets weggesneden. Ook uit het oosten. Amsterdam klopt steeds minder.

De Inwijkeling: hoe ik Nederlander werd

Sinds ik niet meer in Nederland woon, ben ik een Nederlander.
De 32 jaar daarvoor was ik bij tijd en wijle een Nederlander. Als ik een hotel in het buitenland reserveerde, als ik een ultra-officieel document moest invullen of als ik me identificeerde met de koppen in de krant (‘Nederlander wil meer vakantie’). Zoals ik ook bij tijd en wijle een Amsterdammer, een roker of een wispeltuur was. Mijn land was niet meer of minder mij dan de rest van mijn onhebbelijkheden.

De eerste mail naar mijn Vlaamse man maakte me op slag een Nederlandse vrouw. Ik was al veel geweest: een ongeduldige vrouw, een getrouwde vrouw, een gescheiden vrouw, een leuke vrouw, maar ik kon mij niet herinneren ooit een Nederlandse vrouw te zijn geweest. In elk geval niet zo uitdrukkelijk. Edoch, ik had nog geen argwaan.

Het betitelen begon pas echt toen ik besloot mijn dozen met rotzooi over de grens te zetten. Was ik de weken voor mijn vertrek nog een emigrant, nadat ik twee keer met mijn ogen knipperde, was ik ineens een immigrant, een inwijkeling. Inmiddels ben ik ‘onze dochter die in België woont’, ik heb een aandeel in ‘15% buitenlanders in Leuven’, ik hoor bij de ‘tsunami van nieuwkomers’ en ik schaar mezelf onder de ‘immigranten binnen de EU’. Mijn hart maakt een sprongetje als ik mezelf weer eens in een nieuwe statistiek kan vinden. Zelden had ik zoveel keuze.

Maar een ding heb ik niet te kiezen: in de ogen van de Belg ben ik altijd allereerst een Nederlander. De leuke vrouw, de journalist en de wispeltuur mogen nog zo hard met hun handen wapperen, de Nederlander in mij ontneemt elke Belg het zicht op de rest. En wat blijkt: betitelen is alleen leuk als de connotatie oké is. Het heeft met een beetje goede wil wel iets stoers om emigrant, wispeltuur of een gescheiden vrouw te zijn. En ook journalist, schrijver, zangeres en pulpkijkster klinken nog best te doen. Maar zoals je in Nederland geen Marokkaan wil zijn, wil je in België geen Nederlander zijn. Ik had niet verwacht mij ooit een Marokkaan te voelen, maar ik ben er verdomd dichtbij.

Ik doe voortdurend pogingen om de Nederlander die tussen mij en de Belg in staat onzichtbaar te maken. Ik praat inmiddels redelijk zacht, met een niet eens zo harde g, ik stel vragen niét die ik wel zou willen stellen, ik reageer gelaten op de gelatenheid van een ander en ik praat nauwelijks over de eerste 32 jaar van mijn leven. Maar het mag niet baten. De Belg heeft het gewoon niet zo op mij.
‘Zou je je in Nederland meer thuis voelen?’ vroeg mijn moeder gisteren.
‘Nee’, zei ik. ‘Ik vind Nederlanders en hun maatschappij meedogenloos, gehaast, luidruchtig en arrogant.’
Ik voelde me op slag Belg, maar ik wist dat het niks op zou lossen.

De Inwijkeling: afdalen
in de cultuurkloof

Omdat ik precies vijf jaar, twee maanden en 25 dagen in België woon een nieuwe serie: De Inwijkeling.

Het woord woordenboekrelatie nam ik op in mijn actieve woordenschat toen ik in 1992 verkering had met een Engelsman. Dat het woord dertien jaar later nog veel meer van toepassing zou zijn op mijn relatie met iemand die theoretisch dezelfde taal spreekt, zag ik niet aankomen. De eerste maanden gingen zo.
Hij: ‘Mag ik uw tas?’
‘Ik vind het zo raar dat je u tegen me zegt.’ Ik geef mijn tas.
‘Nee, niet uw sakosj, uw tas.’
‘Zeggen jullie geen tas tegen een tas?’
Hij pakt mijn koffiekopje. ‘Dit ís een tas.’
En dat om de drie zinnen. Ik geef grif toe: dat schept geen band.

Maar gelukkig hadden we onze leeftijd mee. Geboortejaar 1974. Hij was ooit ook een jojoër, hij neuriede soms per ongeluk The Final Countdown en hij wist exact hoe snel de DeLorean moest gaan op het moment dat de kerktoren geraakt werd (88 miles per hour). Dat schiep een band. Na een huwelijk met iemand die twintig jaar ouder was, wist ik dat op waarde te schatten.

En zo lieten we ons met onze klimgear zakken in het cultuurkloofje. ‘Wat zeg je, een sjabrang?’ En het dan weer goed maken door samen luchtgitaar te spelen op The Last Splash van de Breeders. ‘Jullie zeggen soms wel drie keer ‘gaan’ in een zin!’ En dan zand erover door samen uit te rekenen in welk jaar we onze eerste ET-action man kregen. ‘Da ga nie me mij. Jullie hebben de t gewoon afgeschaft!’ En dan toenadering zoeken door te schetsen hoe we ooit rondliepen met hetzelfde haar (lang bruin), dezelfde bril (rond, groot) en de zelfde trui (zwart, slobber).

De taal moest van mij worden, dus ik moest de kloof aftasten. Het leek me onmogelijk om met mijn talige hoofd en werk te integreren zonder elke maffe verbuiging even vast te houden, om te draaien en te beoordelen; wil ik dit overnemen of niet? Met als gevolg dat ik mijn nieuwe vriendje op dagelijkse basis uitlachte en voortdurend zijn verhalen onderbrak. Ik verdwaalde in de vertaling.

Maar taal went; ik betrap mezelf soms al op drie keer ‘gaan’ in een zin. Wat overblijft is samen Op een onbewoond eiland zingen alsof er nooit 31 jaar en 220 kilometer tussen zaten.

Lieve Johan en Karen,

Ik zou jullie een brief schrijven, maar mijn vulpen is zoek en ik geloof niet dat ik al ooit een brief zonder vulpen schreef. Maar zelfs als ik mijn vulpen in de aanslag zou hebben, was het een beroerd plan. Ooit schreef ik: ‘De strategie van mijn innerlijke contactgestoorde is er meestal een in de categorie, ‘als de intentie maar goed is’. De uitvoering: een boomerangkaartje schrijven, te lui zijn om postzegels te kopen, de kaart zó lang op de schoorsteen laten staan dat het gênant wordt om ‘m nog te versturen, weggooien. In de tussentijd doe ik dan leuke dingen.’ Et voilà: echte, tastbare, fysieke brieven zijn een slecht plan. Ziehier het alternatief, geen postzegels involved: aankomst gegarandeerd.

Ik zou jullie een brief schrijven. Waarom weet ik al niet meer. Hadden we het over handschriften? Hier kun je mijn handschrift zien. Of hadden we het over brieven, gedachten, mijmeringen, contact? Welnu, daar komt-ie.

Ik hou niet van niet-reflectieve brieven. Voor koetjes en kalfjes heb je op zijn minst een naambordje, een glas champagne en schaal bitterballen nodig. Voor reflectieve brieven heb je vrienden nodig. Of in elk geval het gevoel vrienden te willen worden. Ik heb dat niet vaak.
Vroeger had ik dat alleen maar. Ik wilde vriendin genoemd worden, het liefst ‘beste vriendin’. Ik wilde een uitnodiging voor elk partijtje en ik wilde bij de mensen horen die veel vrienden hadden. In de tijd van de telefoon met draaischijf wist ik met gemak honderd telefoonnummers uit mijn hoofd en toen ik mijn eerste eigen eettafel kreeg, organiseerde ik elke avond een etentje of een Risk-toernooi. Nu vraag ik me soms af waar de vriendin in mij gebleven is.

De vriendin in mij schreef brieven. De vriendin in mij deelde zich suf. De vriendin in mij gaf zich over en nam op sleeptouw. De vriendin in mij zat op een dag thuis, aan tafel, en stelde vast dat de schaal bitterballen niet veraf was. Vol overgave stortten mijn vrienden zich op mijn eettafel, ze lieten zich bellen en noemden me hun vriendin. Onderwijl had ik het idee dat ik niet verder kwam dan een poging The Queen of the Small Talk te worden.

‘Ik kom nog elke maand terug hoor’, drukte ik mijn vrienden op het hart. ‘Zo ver is het niet.’ Ik was zelfs van plan mijn bandje voort te zetten toen ik in 2006 naar België verhuisde. Dit jaar was ik twee keer in Amsterdam, ik bezocht één vriend. Als je afstand neemt, begint het herijken. Onherroepelijk. Voor wie wil ik drie uur reizen? Wie mag een heel weekend komen slapen? Aan welke ‘we houden contact’-belofte zal ik nog voldoen? Ik heb alle bitterbalvrienden geschrapt en dat ruimt op.

Ik zou jullie een brief schrijven. Maanden stond het in mijn agenda. Maanden vroeg ik me af waarom ik een brief zou schrijven aan twee wildvreemden als ik nog niet eens een brief aan een bitterbalvriend schreef. Maar toen wist ik het: van bitterbalvrienden verwacht je dat ze de bitterbal op een dag ontstijgen. En dat het moment van wederkerigheid dan aanbreekt. Van vreemden niet.
Misschien is dat wel de zuiverste vorm van overgave, als je er vanuit gaat dat je er niets voor terugkrijgt. Dat zou betekenen dat contact niet van twee kanten hoeft te komen en dat is BREAKING, zou ik zeggen.

Maartje

Als de controlfreak moet gaan slapen

‘Wat wil je doen?’ vroeg hij.
‘De logeerkamer schilderen’, zei ik.
Hij fronste, en terecht. Het was tien uur ’s avonds, een schilderbeurt zou uren voorbereiding kosten en we moesten weer vroeg op. Bovendien hadden we geen verf.
‘Ik weet het niet’, zei ik. ‘Ik weet niet wat ik wil doen. Iets nuttigs of zo.’ Misschien kon ik die zwarte kast in de veranda onder handen nemen, of de overige tweeduizend cd’s uitpakken, de keukenkast herindelen. Ik was bekaf, ik had die dag een plan waar ik drie dagen over mocht doen in één dag afgemaakt; qua nuttigheid had ik mezelf al meer dan bewezen. ‘Laten we een wandelingetje maken.’
‘Goed’, zei hij en hij kuste me op mijn hoofd.
We liepen langs de school, de flat, het fonduehuisje. Het stormde. Door het verlaten winkelcentrum. Daar was het stil. ‘Ik krijg mezelf niet rustig.’ De zwarte kast spookte door mijn hoofd, rekeningen die betaald moesten worden, opdrachtgevers die antwoord wilden. De avond ervoor was ik in die stemming aan mijn tweede boek verdergegaan. ‘Anders word ik niet rustig’, was mijn verklaring. Nu liep ik op straat met van die wind die alles optilt, meesleurt en weer neerknalt. Ik wilde het vastpakken, alles. Zorgen dat het rustig ging liggen. Liefst op een rijtje, in het gelid. ‘Laten we naar huis gaan.’
Binnen ging ik zitten.
‘Zal ik je anders masseren?’ vroeg hij.
‘Mijn moeder zei dat mijn rugpijn pas weg zal gaan als ik een reactie heb.’
Hij knikte. Dat ik me moest ontspannen, dat ik moest loslaten, dat het wel goed zou komen: dat zei hij allemaal niet. En dat was misschien nog wel het allerliefste.

Hoe het met mij gaat

Hoe het met mij gaat, vroeg @karenvdslikke.

Dinsdag zag ik voor het laatst iemand anders dan Wannes. Dat was de caissière van de Bioplanet. Ik geloof niet dat ze iets anders tegen me zei dan de prijs van de boodschappen. Ze nam niet de moeite me aan te kijken. Omdat ik al twee dagen lichtschuwe ogen had, droeg ik ook binnen een zonnebril.
Zaterdag zag ik voor het laatst iemand die ik ken. Het was @DeHuisvrouw. Omdat ze trouwde kwam ik uit mijn hol. Er waren mensen. Veel mensen. Meer mensen dan ik sinds half juni had gezien. Na een uur zette ik het op een lopen. Toen ik thuiskwam gaven mijn kegeltjes het op en werd ik lichtschuw.
Twee weken geleden sprak ik voor het laatst met iemand af. Mijn schoonouders kwamen eten. Zonder kiezen en met ontstoken ogen en een kop vol personages schoof ik aan. Ik herinner me er niet veel van.
Vier weken geleden kwam ik terug van een vakantie waarin ik met Wannes ronddoolde door verlaten dorpen, op stille campings en langs uitgestorven kustlijnen. Een vakantie waarin ik dankzij een welwillende dokter en een dosis opiaten voor het eerst sinds een jaar pijnloos door het leven kon. Toen de toeristen kwamen, haakten we af.
Zeven weken geleden stierf mijn poes. Het was een poes die me uit mijn concentratie haalde, zeker toen hij ziek was. Maar dood is ook weer zo wat.
Het is nu vrijdag. Ik schrijf al een maand aan een stuk door en ik moet nog een paar weken, ik vervloek mijn lichaam en de eenzaamheid, maar ik ben tevreden. Het wordt mooi.

Over overeind blijven

‘Half zeven, fris gewassen, goed gemoed, geen pijn en ruim op tijd voor de trein. Niks wijst erop dat ik met draadjes aan elkaar hang’, schrijf ik vol optimisme op Twitter.
Maar dan: spulletjes pakken. Woei, te snel opgestaan. Rugzak optillen. Mag ik je even vasthouden? Ik moet nu echt weg. Diep ademhalen. ‘Gaat het wel lukken schanul?’ Ja, het gaat lukken. De paraplu weegt kilo’s. De auto’s golven in mijn blikveld. Overeind blijven. Acht minuten is het naar het station. Zeven als ik een beetje doorloop. Ik moet even zitten. Geen bankje. Op de stoeprand. Een minuutje, want ik mag mijn trein niet missen. Ik mis mijn trein niet. Antwerpen Centraal voelt groter dan ooit. Ik trek mijn tenen krom. Ik blijf overeind. Op de tramhalte, in de tram, in de lift. Acht uur geef ik les. Acht uur blijf ik overeind. De contouren van mijn cursisten vervagen. Focus, Maartje, focus! In de tram is geen zitplaats. Ik denk het bloed naar mijn hoofd en zweef naar perron 23 en tot ik thuis ben. Thuis laat ik los. Mijn adrenalinepeil raakt de bodem. Onder de dekens bereken ik de afstand van de twintig verdovingsspuiten en de oorlogswonden tot waar mijn mentaliteit zich vermoedelijk bevindt. We staan oog in oog. Ik verlies.

Tafeltje

‘Als u eenmaal ligt, mag u niets met uw handen uitleggen, want we gebruiken u als tafeltje.’
Ik knik. Mijn tong is te dik om de j van ja te zeggen.
De stoel zoemt en het bloed loopt naar mijn hoofd. De wereld op zijn kop. Daar had ik niet op gerekend.
‘Wilt u nog iets zien?’
Ik ken de tangen. Notenkrakers zijn het. Ik ken mijn kiezen. Daar mis ik niks aan. Ik schud mijn hoofd.
De wereld wordt blauw, het laken ruikt naar vluchtige stoffen. Als ik mijn best doe, kan ik langs mijn neus nog iets zien, maar ik wil het niet. Ze keilen tangetjes in mijn hals. Met mijn adamsappel kan ik ze laten rinkelen. De rechterarts legt haar elleboog in mijn contactlens. Ik wil roepen dat er een oogbol onder het laken ligt, maar in plaats daarvan knijp ik mijn oogleden toe.
Ze praten over me. ‘Heeft mevrouw [moeilijk medisch woord]? Hebben jullie mevrouw [moeilijk medisch woord] al voorgesteld?’ Op dertig centimeter van mijn oor doen ze alsof ik er niet ben. ‘Ja, maar dan moest mevrouw stoppen met roken en dat kon mevrouw niet.’
Ik wil mijn handen gebruiken, om te zeggen dat ik geen tafeltje ben en dat ik het misprijzen en de teleurstelling hóór. En of we even één ding tegelijk kunnen doen. Eerst de fysieke mishandeling en dan de mentale, of andersom voor mijn part.
Iemand trekt mijn mondhoek ruw opzij. ‘We kunnen dit ook doen. Dat kunnen we even vragen aan mevrouw.’
‘Ja, vraag maar.’
‘MEVROUHOUW?’ Hij roept. Alsof hij me door te brullen weer mens maakt. Alsof ik even niet langer een tafeltje ben.
Het onmogelijke gebeurt. Ik moet lachen. Mijn mondhoek scheurt.

Wat ik nooit zou vertellen (4):
Be careful what you wish for

Dit is het laatste hetebrijstukje (een stukje waar ik eigenlijk niet klaar voor ben) van de #blogrevival. Het eerste hetebrijstukje staat hier, het tweede hier en het derde hier.

Ik schreef een verhaaltje waarin ik doodging. Vijftien was ik. Ik liet het aan mijn toenmalige vriendje lezen.
‘Dus je sterft aan een nog onbekende ziekte?’ vroeg hij.
‘Ja’, zei ik.
‘Welke dan?’
‘Ja, die is dus nog onbekend.’
‘Je lijkt mijn moeder wel’, zei hij.
Zijn moeder was astroloog.

Destijds vroeg ik me geen moment af waarom ik mezelf liet doodgaan aan een onbekende ziekte. Nu wel.
Was het uit eergevoel? Hoopte ik op een paar minuutjes roem aan het einde van mijn leven? Op onafwendbare exclusiviteit? Een status die me nooit meer afgenomen zou worden?

De eerste keer.
‘Het is heel zeldzaam, dus er wordt nauwelijks onderzoek naar gedaan’, zei de huisarts toen ze me vertelde van de auto-immuunziekte. ‘Tot op heden is het onbehandelbaar, maar je kunt er niet aan doodgaan.’ Na afloop googelde ik me een beeld van verhoogde kans op kanker en onvruchtbaarheid, een aantal delen van mijn lichaam die volkomen voor zichzelf zouden beginnen en patiënten die hun dagen doorbrachten met pijnbestrijding.

‘Waar blog je niet over?’, vroeg de Esta in 2009. Over medische kwesties, antwoordde ik. De vijftienjarige pr-manager in mij ging mokkend akkoord.

De tweede keer.
‘De ziekte is zeer zeldzaam, dus er is weinig onderzoek naar gedaan. Het is niet behandelbaar, tenzij het ontstaat als gevolg van een andere aandoening. Dan kun je de onderliggende ziekte behandelen’, stond er in een van de weinige artikelen die ik kon vinden. Aha. Dus nu had ik een tweede zeer zeldzame ziekte die – gelukkig – behandelbaar was, omdat die ontstaan was door een andere ziekte. Maar wat als de onderliggende aandoening een onbehandelbare auto-immuunziekte was? ‘Tsja’, zei mijn huisarts. Daarna googelde ik me een beeld van een patiëntenpopulatie waarin een vijfde zelfmoord pleegde of daar een poging toe deed omdat de pijn niet te verdragen was.

Waar blog je niet over? vroeg ik me maandag af.
Over medische kwesties, dacht ik.
‘Waarom niet?’ vroeg de vijftienjarige pr-manager in mij.
Omdat het me kwetsbaar maakt.
‘Is dat zo?’ zeurde ze.

Dat weet ik eigenlijk niet.

Wat ik nooit zou vertellen (3):
Het verhaal van de tepelmoraal

Dit is het derde hetebrijstukje (een stukje waar ik eigenlijk niet klaar voor ben) van de #blogrevival. Het eerste hetebrijstukje staat hier en het tweede hier.

Ik draag geen beha meer.
Zo. Nu kunnen jullie allemaal even oh-en en ah-en en dan zal ik vertellen waarom ik dit vertel. En leuker: dan mogen jullie je ermee bemoeien.

Toen ik klein was, wilde ik graag zo snel mogelijk tieten. Liever gisteren dan vandaag, dat werk. Dus toen ik op mijn elfde voor het eerst ongesteld werd, dacht ik: jajajippiejippiejee hiephoi! Die blijde verwachting hield negen jaar aan. Op mijn twintigste besefte ik dat het vermoedelijk nooit meer zou worden dan een vrouwenhand vol.

Meer massa
Wat te doen? Ik ging met mijn borst vooruit lopen, in de hoop dat het meer zou lijken. Ik keek uit naar het moment dat ik kinderen zou krijgen, in de hoop dat het meer zou lijken. In bed ging ik nooit op mijn rug liggen, in de hoop dat het meer zou lijken. Ik droeg beha’s, want hee, stof is ook massa, in de hoop dat het meer zou lijken. Ik droeg iets te grote beha’s, want iets meer stof is iets meer massa, in de hoop dat het meer zou lijken en ik droeg voorgevormde beha’s, in de hoop dat mensen erin zouden trappen.

Tot ik op een helder moment vaststelde dat beha’s extreem oncomfortabel zijn. Het zijn tuigjes, die alleen steun geven omdat die bandjes die steun uit jouw lichaam halen. Druk dus, altijd een lichte druk. En waar had ik in hemelsnaam steun voor nodig? Het woord pront was voor mijn borsten uitgevonden. Bovendien was het de vraag of mensen erin trapten. Op dat heldere moment besloot ik geen beha’s meer te dragen.

Not done
Maar, en nu komen we bij de hete brij: kan dat wel? Zonder beha? Zoals het in deze maatschappij heel erg not done is om met ongeschoren benen over straat te gaan, is het in veel gevallen niet aanvaard om zonder beha op je werk te verschijnen.

In eerste instantie wuifde ik die moraal weg: dat geldt alleen voor mensen met een meer dan gemiddeld decolleté, voor mensen met hevig wiegende borsten, mensen met een anatomie die de aandacht trekt. Mijn borsten zijn te klein om de aandacht te trekken.

Vlak na mijn heldere moment kleedde ik me aan om les te geven aan mensen met een belangrijkere positie dan ik, met een hoger salaris, met meer gevoel voor protocol. Ik zwierde een zwart jurkje over mijn hoofd, trok het recht en keek in de spiegel. Twee kapstokjes priemden in mijn spiegelbeeld. Tepels. O ja, die waren er ook nog. Met een beha camoufleer je die, omdat de stof wat van de scherpe randjes haalt, omdat ze soms een platgedrukt worden of omdat ze simpelweg verdwijnen in het malletje van de voorgevormde cup. Nu waren ze luid en duidelijk aanwezig. Klaar om je jas aan op te hangen.
Ik dacht aan de mannen in pakken die de hele dag naar mij moesten kijken en trok vliegensvlug alsnog een beha aan.

Hier zijn we dan
Een week later moest ik lesgeven aan zestienjarigen. Hetzelfde verhaal: strak truitje over mijn hoofd, een blik op de spiegel en een allesverzengende twijfel. Zou ik hiermee de hormoonspiegel van mijn kroost omhoog jagen? Gaf ik nog wel het goede voorbeeld? En weer wurmde ik me toch maar in een tuigje.

De laatste paar weken ben ik streng voor mezelf: ik heb comfort nodig, mijn leven is bij tijd en wijlen al oncomfortabel genoeg. Ik kan geen druk gebruiken, geen strings attached, geen tuigjes. Dus ga ik al priemend de deur uit. Met twee haakjes die ‘Hier zijn we dan’ lijken te zeggen. Mijn tepels zijn zichtbaar, om niet te zeggen: je kunt er met geen mogelijkheid omheen kijken.

En nu is mijn vraag: wat vinden jullie? Kan dat eigenlijk wel?
(voor mij is de mening van de Belgen ook érg belangrijk, ik werk immers in België)

Wat ik nooit zou vertellen (2):
Niemand weet of ik het wel kan

Dit is het tweede hetebrijstukje (een stukje waar ik eigenlijk niet klaar voor ben) van de #blogrevival. Het eerste hetebrijstukje staat hier.

‘Je mag een boek uitzoeken’, zei mijn moeder aan de telefoon. ‘Weet je er een?’
‘Ja’, zei ik, ‘maar je mag het tegen niemand zeggen. Een bestseller schrijven voor dummies.’
Het bleef even stil. ‘O, nou, oké.’
*
‘Fictie schrijven’ typte ik in de zoekmachine van de bieb. Negentien boeken.
Drie dagen sloot ik me op. Ik las adviezen die ik zelf doceer, ik las baarlijke nonsens en ik las nuttige tips die ik nu alweer vergeten ben.
Daarna wist ik nog steeds niet hoe ik een boek moest schrijven.
*
De eerste versie was af.
‘Waarover gaat je boek?’
‘Ja, uh, nou, uh.’
*
‘Lees dan ook ’schrijver die en die’, zeggen mijn mede-schrijvers op Twitter.
‘En als je die goed vindt: schrijver zus en zo is eigenlijk nog beter.’
‘Ik ga nog naar literaire avond traliela.’
‘Ah, vorige week was ik daar met beroemde schrijver jeweetwel.’
Tot mijn vijftiende las ik drie bibliotheken uit (die in de Danie Theronstraat, op de Polderweg en in de Molukkenstraat), daarna las ik vier boekenkasten van mijn ouders uit en toen werd het stil. Of beter gezegd: daarna was het nooit meer stil.
Niet stil genoeg om meer dan tien boeken per jaar te lezen.
Niet stil genoeg om mee te praten.
*
Stel mij eens een vraag.’
‘Een vraag?’
‘Ja, alsof je me interviewt over mijn boek.’
‘Waar gaat je boek over?’
‘Nee, niet die vraag.’
‘Wat dan?’
‘Ja, weet ik veel, wat vragen ze aan schrijvers? Wie hun inspiratiebronnen zijn of zo.
‘Wie zijn je inspiratiebronnen?’
‘Ja, kijk, dat weet ik dus al gelijk niet.’
*
Mijn vader belde.
‘Je gebruikte het woord proza verkeerd.’
Ik had net een interview gegeven voor about:blank en het was het eerste wat hij zei. Gelukkig ken ik mijn vader.
‘Je zegt dat je nooit proza hebt geschreven, maar journalistiek is ook proza.’
‘Maar ze zullen wel begrijpen wat ik bedoel, toch’, probeer ik.
Het gevoel een beetje dom te zijn verdwijnt niet.
*
Voor me ligt een manuscript dat herschreven moet worden.
Tussen nu en eind juli.
Niemand weet of ik dat wel kan.

Wat ik nooit zou vertellen (1):
Het afscheid van mijn tanden

Dit is het eerste hetebrijstukje van de #blogrevival Morgen weer een.
Het is een lang stukje. Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb.

‘En dan stopt u met roken en dan verzinnen wij een behandeling en dan kunt u uw tanden nog vijf jaar houden.’
Ik knik.
Houden. Dat lijkt me goed. Ik hou graag. Ik kan moeilijk weggooien. Houden, daarvan weet ik hoe het moet.
‘De meeste mensen zeggen: hop, alles eruit, maar uw leeftijd hè, daarom hebben we dit bedacht. Het zal geen prettige behandeling zijn, maar dan houdt u ze wel vijf jaar langer. Met de mate waarin u aan die ziekte lijdt, is vijf jaar het maximum.’
Vijf jaar. Dan ben ik 42. Ik knik nog eens.
‘Wanneer spreken we weer af? Over twee weken? Kunt u dan gestopt zijn? Want die behandelingen kunnen niet als u nog rookt.’
Twee weken. Dat is twee weken voor de deadline van mijn boek. Dan is zitvlees geboden. Zitvlees en stoppen met roken. Ik veeg het zweet uit mijn handen.
‘Kan het ook iets later?’ piep ik.
‘Half maart?’
‘Half april?’
‘Begin april.’
Ik reken. Een maand na de deadline. Maar dan moet ik nog wel herschrijven. En dat vereist ook zitvlees. Ik voel de behaagzucht oprukken.
‘Oké’, zeg ik. Een witte vlek maakt zich meester van mijn hersenkwab met goede voornemens. Wat heb ik zojuist beloofd? Dat ik stop met roken in de periode dat ik mijn boek moet herschrijven? Dat ik de onrust flink opstook door mijn nicotineverslaving aan te pakken in de veronderstelling dat ik vervolgens een paar weken op een stoel zal blijven zitten? Ik voel de verdringing oprukken.
‘Oké’, zeg ik nog eens.

*
‘Hoe gaat het met uw boek?’
‘Goed’, zeg ik.
‘En?’
Ik tuur naar het houdertje met papieren handdoeken. Ik weet wat hij vraagt, ik weet alleen niet wat ik zal antwoorden. Even overweeg ik te jokken. Lees meer… »

Ik zou het niet doen, maar ik doe het wel

‘Ik zou het niet doen hoor, zoveel persoonlijke informatie op internet zetten.’
Het was 2003, de tijd dat bloggen nog voorbehouden was aan mensen die het niet erg vonden dat Adam Curry de grote aanjager was, de tijd dat de grote massa het internet betrad via startpagina.nl, de tijd dat je bij het bouwen van je website nog rekening moest houden met Netscape-browsers, de tijd dat we nog allemaal grote, lelijke tellers onderaan ons weblog zetten waarop stond dat we al 700 bezoekers hadden gehad. De tijd dat vrienden en familie het maar dom vonden dat we zoveel over onszelf openbaar maakten.

Het is 2011. Ik klik wat rond op facebook en ik zie badkamerfoto’s met anti-conceptiepillen, rommelige woonkamers, blote buiken en dronken mensen. Ik zie klaagberichten, zeurberichten, berichten met spelfouten. Ik zie wel en wee, met datum, tijdstip en soms ook een locatie. Ik zie wat voor vlees ik in de kuip heb.

Hete brij
In 2003 schreef ik vage berichtjes onder een schuilnaam op mijn weblog. Ik draaide rond de pot en om de hete brij heen. Ik noemde weinig beestjes bij de naam, weinig feiten, weinig cijfers. Ik zette elk verhaal naar mijn hand. Ik kuiste en stileerde tot bloedens toe. Soms gaf ik een mijlpaal prijs: ik ben gescheiden, ik ga naar België, ik vrees de toekomst. Maar zelden gaf ik het hele verhaal, zelfs niet in stukjes.
Inmiddels kun je een deel van mijn levensverhaal sinds 2003 aan elkaar breien, op basis van mijn online-aanwezigheid. Toch ben ik ervan overtuigd dat ik mijn verhaal meer in de hand heb dan veel facebookers met hun dagelijkse oprispingen. Ze zeggen ook nooit meer: ‘Ik zou dat nooit doen.’

Vandaag begint op initiatief van Esther en Logpoes de Blogrevivalweek, of Blog Revival-week, of kortweg #blogrevival, die bedoeld is om de dinosauriërs onder de bloggers tot leven te wekken. Veel bloggers uit 2003 gingen liggen op een steen en verwerden zo tot fossiel. Die proberen we er deze week uit te bikken. En hoewel ik nooit echt gestopt ben, heb ik dit weblog de laatste drie jaar wel een beetje laten versloffen. Dus voelde ik me aangesproken. Het idee van de blogrevival is dat je elke dag een stukje op je weblog plaatst. Dat ga ik proberen, niet alleen deze week, maar het liefst altijd. Ook als ik aan mijn boek aan het schrijven ben, ook als ik de benen onder mijn lijf vandaan werk, ook als ik moe ben. Gewoon. Elke. Dag. Een. Stukje. Zo moeilijk kan dat toch niet zijn?

Controlfreak
Edoch, ik wilde goed beginnen. Toen popte die zin op: ‘Ik zou het niet doen hoor, zoveel persoonlijke informatie op internet zetten.’ Waarop ik me afvroeg: ja, wat zijn eigenlijk míjn anti-conceptiepillen, míjn blote buiken? Wat is míjn hete brij? Welk verhaal heb ik jullie geheel onthouden?

Ik weet al langer: als het te dichtbij komt, schrijf ik er niet over. Ik probeer het wel hoor, omdat ik zelf graag midden in iemand anders’ consternatie gegooid word, maar mijn hetebrijstukjes staan meestal wekenlang als klad te wachten op publicatie, om vervolgens nooit langs de ballotage te raken. De ballotagecommissie bestaat uit één persoon: de controlfreak in mij. De controlfreak in mij geeft pas prijs wat er aan de hand is als de probleemoplosser en de opperverwerker hun taak hebben volbracht. Als ik het zelf kan plaatsen, weet wat ik ervan moet vinden en weet hoe ik moet omgaan met de reacties, de kritiek of de goedbedoelde adviezen die je ongetwijfeld krijgt als je iemand je hete brij presenteert. En dan zijn we meestal alweer op het punt dat ik het verhaal heb gestileerd en dat ik alle pijnlijke momenten weggrap.

Mijn blogrevival
Ziedaar een briljant onderwerp voor mijn Blogrevivalweek: mijn hete brij vóór het weggrapmoment. Ik zou het niet doen, maar ik doe het wel, dat idee. Niet alleen is de hete brij spannender dan de afgekoelde, ook ben ik benieuwd of ik op kousenvoeten de ballotage voorbij weet te sluipen, of ik de controlfreak buitenspel weet te zetten.
Of ik het durf.

De perfecte punt is tijdloos voor een ander, zelf ga je door

Op 1 maart rondde ik mijn manuscript voor de eerste keer af. Gedurende de twaalf maanden die eraan vooraf gingen, verzon ik een verhaal zonder te weten of het ooit rond zou komen. Turend naar het avondlicht voerde ik de personages door mijn hoofd in de hoop dat ze vorm zouden geven aan de witte vlek aan de horizon van mijn geestesoog. Maandenlang gebeurde dat niet, maar ik wist: ik heb nog even.

Tot december hield ik tegelijkertijd Het Eiland Neus – tekst, beeld en theater in de lucht. Ondanks de personages in mijn hoofd ontwikkelde ik tal van cursussen, ik schreef en redigeerde me rot en bleef op stel en sprong beschikbaar voor late beslissers en trouwe klanten. Tegelijkertijd werkte ik vooruit. Ik spaarde geld zodat ik drie maanden vrij kon maken, opdat niet al het denkwerk in het avondlicht hoefde te gebeuren.

Op 27 december ging ik zitten, geflankeerd door drie zakken waxinelichtjes. Mijn stoel had inmiddels het perfecte kussen, mijn voeten het juiste voetenbankje en mijn laptop de beste helling. Het eerste wat ik deed was de helft weggooien. Negen maanden werk gedeeld door twee. Ik schoof wat ongemakkelijk op mijn stoel heen en weer, knipperde een paar keer met mijn ogen op het ritme van de cursor en tikte vervolgens met twee vingers door tot een paar dagen voor de deadline die in mijn contract stond: 1 maart 2011.

Toen de punt er uiteindelijk stond, moest ik denken aan wat mijn ex-man zei bij het inleveren van mijn examen Journalistiek. ‘Het is het beste wat je NU kunt doen. Over twee maanden vind je het sowieso al niet goed genoeg meer.’ Mijn maag draaide zich destijds om. Ik had al die tijd het idee gehad dat ik een tijdloos en perfect werk kon maken. Dat ik de perfecte punt kon zetten. Ik was een naïef schaap dat windmolens najoeg. Twee maanden later kreeg ik inderdaad kriebel bij mijn eigen werk. Toen ik een jaar later een cd maakte: van hetzelfde laken een pak. De perfecte punt is tijdloos voor een ander, zelf ga je door.

Met die ervaring in mijn achterhoofd bekeek ik op de dag voor 1 maart de laatste punt in mijn manuscript nog eens. Wat zou ik over twee maanden van die punt vinden? Zou ik terugdenken aan het perfecte voetenbankje, maar ontevreden zijn over die punt? Waarschijnlijk wel.
Met het indrukken van de send-knop zette ik op 1 maart de tijd stil. Zelf ging ik door.

Vandaag is het 1 mei. Gisteren las ik wat fragmenten in mijn manuscript. Ze moeten anders.

Gelukkig kan dat nog. Maar ergens in juni zet ik opnieuw de tijd stil.
Definitief.
Daar zie ik enorm tegenop.