Archief in kronkels: superpersoonlijk

Wat ik nooit zou vertellen (3):
Het verhaal van de tepelmoraal

Dit is het derde hetebrijstukje (een stukje waar ik eigenlijk niet klaar voor ben) van de #blogrevival. Het eerste hetebrijstukje staat hier en het tweede hier.

Ik draag geen beha meer.
Zo. Nu kunnen jullie allemaal even oh-en en ah-en en dan zal ik vertellen waarom ik dit vertel. En leuker: dan mogen jullie je ermee bemoeien.

Toen ik klein was, wilde ik graag zo snel mogelijk tieten. Liever gisteren dan vandaag, dat werk. Dus toen ik op mijn elfde voor het eerst ongesteld werd, dacht ik: jajajippiejippiejee hiephoi! Die blijde verwachting hield negen jaar aan. Op mijn twintigste besefte ik dat het vermoedelijk nooit meer zou worden dan een vrouwenhand vol.

Meer massa
Wat te doen? Ik ging met mijn borst vooruit lopen, in de hoop dat het meer zou lijken. Ik keek uit naar het moment dat ik kinderen zou krijgen, in de hoop dat het meer zou lijken. In bed ging ik nooit op mijn rug liggen, in de hoop dat het meer zou lijken. Ik droeg beha’s, want hee, stof is ook massa, in de hoop dat het meer zou lijken. Ik droeg iets te grote beha’s, want iets meer stof is iets meer massa, in de hoop dat het meer zou lijken en ik droeg voorgevormde beha’s, in de hoop dat mensen erin zouden trappen.

Tot ik op een helder moment vaststelde dat beha’s extreem oncomfortabel zijn. Het zijn tuigjes, die alleen steun geven omdat die bandjes die steun uit jouw lichaam halen. Druk dus, altijd een lichte druk. En waar had ik in hemelsnaam steun voor nodig? Het woord pront was voor mijn borsten uitgevonden. Bovendien was het de vraag of mensen erin trapten. Op dat heldere moment besloot ik geen beha’s meer te dragen.

Not done
Maar, en nu komen we bij de hete brij: kan dat wel? Zonder beha? Zoals het in deze maatschappij heel erg not done is om met ongeschoren benen over straat te gaan, is het in veel gevallen niet aanvaard om zonder beha op je werk te verschijnen.

In eerste instantie wuifde ik die moraal weg: dat geldt alleen voor mensen met een meer dan gemiddeld decolleté, voor mensen met hevig wiegende borsten, mensen met een anatomie die de aandacht trekt. Mijn borsten zijn te klein om de aandacht te trekken.

Vlak na mijn heldere moment kleedde ik me aan om les te geven aan mensen met een belangrijkere positie dan ik, met een hoger salaris, met meer gevoel voor protocol. Ik zwierde een zwart jurkje over mijn hoofd, trok het recht en keek in de spiegel. Twee kapstokjes priemden in mijn spiegelbeeld. Tepels. O ja, die waren er ook nog. Met een beha camoufleer je die, omdat de stof wat van de scherpe randjes haalt, omdat ze soms een platgedrukt worden of omdat ze simpelweg verdwijnen in het malletje van de voorgevormde cup. Nu waren ze luid en duidelijk aanwezig. Klaar om je jas aan op te hangen.
Ik dacht aan de mannen in pakken die de hele dag naar mij moesten kijken en trok vliegensvlug alsnog een beha aan.

Hier zijn we dan
Een week later moest ik lesgeven aan zestienjarigen. Hetzelfde verhaal: strak truitje over mijn hoofd, een blik op de spiegel en een allesverzengende twijfel. Zou ik hiermee de hormoonspiegel van mijn kroost omhoog jagen? Gaf ik nog wel het goede voorbeeld? En weer wurmde ik me toch maar in een tuigje.

De laatste paar weken ben ik streng voor mezelf: ik heb comfort nodig, mijn leven is bij tijd en wijlen al oncomfortabel genoeg. Ik kan geen druk gebruiken, geen strings attached, geen tuigjes. Dus ga ik al priemend de deur uit. Met twee haakjes die ‘Hier zijn we dan’ lijken te zeggen. Mijn tepels zijn zichtbaar, om niet te zeggen: je kunt er met geen mogelijkheid omheen kijken.

En nu is mijn vraag: wat vinden jullie? Kan dat eigenlijk wel?
(voor mij is de mening van de Belgen ook érg belangrijk, ik werk immers in België)

Wat ik nooit zou vertellen (2):
Niemand weet of ik het wel kan

Dit is het tweede hetebrijstukje (een stukje waar ik eigenlijk niet klaar voor ben) van de #blogrevival. Het eerste hetebrijstukje staat hier.

‘Je mag een boek uitzoeken’, zei mijn moeder aan de telefoon. ‘Weet je er een?’
‘Ja’, zei ik, ‘maar je mag het tegen niemand zeggen. Een bestseller schrijven voor dummies.’
Het bleef even stil. ‘O, nou, oké.’
*
‘Fictie schrijven’ typte ik in de zoekmachine van de bieb. Negentien boeken.
Drie dagen sloot ik me op. Ik las adviezen die ik zelf doceer, ik las baarlijke nonsens en ik las nuttige tips die ik nu alweer vergeten ben.
Daarna wist ik nog steeds niet hoe ik een boek moest schrijven.
*
De eerste versie was af.
‘Waarover gaat je boek?’
‘Ja, uh, nou, uh.’
*
‘Lees dan ook ’schrijver die en die’, zeggen mijn mede-schrijvers op Twitter.
‘En als je die goed vindt: schrijver zus en zo is eigenlijk nog beter.’
‘Ik ga nog naar literaire avond traliela.’
‘Ah, vorige week was ik daar met beroemde schrijver jeweetwel.’
Tot mijn vijftiende las ik drie bibliotheken uit (die in de Danie Theronstraat, op de Polderweg en in de Molukkenstraat), daarna las ik vier boekenkasten van mijn ouders uit en toen werd het stil. Of beter gezegd: daarna was het nooit meer stil.
Niet stil genoeg om meer dan tien boeken per jaar te lezen.
Niet stil genoeg om mee te praten.
*
Stel mij eens een vraag.’
‘Een vraag?’
‘Ja, alsof je me interviewt over mijn boek.’
‘Waar gaat je boek over?’
‘Nee, niet die vraag.’
‘Wat dan?’
‘Ja, weet ik veel, wat vragen ze aan schrijvers? Wie hun inspiratiebronnen zijn of zo.
‘Wie zijn je inspiratiebronnen?’
‘Ja, kijk, dat weet ik dus al gelijk niet.’
*
Mijn vader belde.
‘Je gebruikte het woord proza verkeerd.’
Ik had net een interview gegeven voor about:blank en het was het eerste wat hij zei. Gelukkig ken ik mijn vader.
‘Je zegt dat je nooit proza hebt geschreven, maar journalistiek is ook proza.’
‘Maar ze zullen wel begrijpen wat ik bedoel, toch’, probeer ik.
Het gevoel een beetje dom te zijn verdwijnt niet.
*
Voor me ligt een manuscript dat herschreven moet worden.
Tussen nu en eind juli.
Niemand weet of ik dat wel kan.

Wat ik nooit zou vertellen (1):
Het afscheid van mijn tanden

Dit is het eerste hetebrijstukje van de #blogrevival Morgen weer een.
Het is een lang stukje. Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb.

‘En dan stopt u met roken en dan verzinnen wij een behandeling en dan kunt u uw tanden nog vijf jaar houden.’
Ik knik.
Houden. Dat lijkt me goed. Ik hou graag. Ik kan moeilijk weggooien. Houden, daarvan weet ik hoe het moet.
‘De meeste mensen zeggen: hop, alles eruit, maar uw leeftijd hè, daarom hebben we dit bedacht. Het zal geen prettige behandeling zijn, maar dan houdt u ze wel vijf jaar langer. Met de mate waarin u aan die ziekte lijdt, is vijf jaar het maximum.’
Vijf jaar. Dan ben ik 42. Ik knik nog eens.
‘Wanneer spreken we weer af? Over twee weken? Kunt u dan gestopt zijn? Want die behandelingen kunnen niet als u nog rookt.’
Twee weken. Dat is twee weken voor de deadline van mijn boek. Dan is zitvlees geboden. Zitvlees en stoppen met roken. Ik veeg het zweet uit mijn handen.
‘Kan het ook iets later?’ piep ik.
‘Half maart?’
‘Half april?’
‘Begin april.’
Ik reken. Een maand na de deadline. Maar dan moet ik nog wel herschrijven. En dat vereist ook zitvlees. Ik voel de behaagzucht oprukken.
‘Oké’, zeg ik. Een witte vlek maakt zich meester van mijn hersenkwab met goede voornemens. Wat heb ik zojuist beloofd? Dat ik stop met roken in de periode dat ik mijn boek moet herschrijven? Dat ik de onrust flink opstook door mijn nicotineverslaving aan te pakken in de veronderstelling dat ik vervolgens een paar weken op een stoel zal blijven zitten? Ik voel de verdringing oprukken.
‘Oké’, zeg ik nog eens.

*
‘Hoe gaat het met uw boek?’
‘Goed’, zeg ik.
‘En?’
Ik tuur naar het houdertje met papieren handdoeken. Ik weet wat hij vraagt, ik weet alleen niet wat ik zal antwoorden. Even overweeg ik te jokken. Lees meer… »

Ik zou het niet doen, maar ik doe het wel

‘Ik zou het niet doen hoor, zoveel persoonlijke informatie op internet zetten.’
Het was 2003, de tijd dat bloggen nog voorbehouden was aan mensen die het niet erg vonden dat Adam Curry de grote aanjager was, de tijd dat de grote massa het internet betrad via startpagina.nl, de tijd dat je bij het bouwen van je website nog rekening moest houden met Netscape-browsers, de tijd dat we nog allemaal grote, lelijke tellers onderaan ons weblog zetten waarop stond dat we al 700 bezoekers hadden gehad. De tijd dat vrienden en familie het maar dom vonden dat we zoveel over onszelf openbaar maakten.

Het is 2011. Ik klik wat rond op facebook en ik zie badkamerfoto’s met anti-conceptiepillen, rommelige woonkamers, blote buiken en dronken mensen. Ik zie klaagberichten, zeurberichten, berichten met spelfouten. Ik zie wel en wee, met datum, tijdstip en soms ook een locatie. Ik zie wat voor vlees ik in de kuip heb.

Hete brij
In 2003 schreef ik vage berichtjes onder een schuilnaam op mijn weblog. Ik draaide rond de pot en om de hete brij heen. Ik noemde weinig beestjes bij de naam, weinig feiten, weinig cijfers. Ik zette elk verhaal naar mijn hand. Ik kuiste en stileerde tot bloedens toe. Soms gaf ik een mijlpaal prijs: ik ben gescheiden, ik ga naar België, ik vrees de toekomst. Maar zelden gaf ik het hele verhaal, zelfs niet in stukjes.
Inmiddels kun je een deel van mijn levensverhaal sinds 2003 aan elkaar breien, op basis van mijn online-aanwezigheid. Toch ben ik ervan overtuigd dat ik mijn verhaal meer in de hand heb dan veel facebookers met hun dagelijkse oprispingen. Ze zeggen ook nooit meer: ‘Ik zou dat nooit doen.’

Vandaag begint op initiatief van Esther en Logpoes de Blogrevivalweek, of Blog Revival-week, of kortweg #blogrevival, die bedoeld is om de dinosauriërs onder de bloggers tot leven te wekken. Veel bloggers uit 2003 gingen liggen op een steen en verwerden zo tot fossiel. Die proberen we er deze week uit te bikken. En hoewel ik nooit echt gestopt ben, heb ik dit weblog de laatste drie jaar wel een beetje laten versloffen. Dus voelde ik me aangesproken. Het idee van de blogrevival is dat je elke dag een stukje op je weblog plaatst. Dat ga ik proberen, niet alleen deze week, maar het liefst altijd. Ook als ik aan mijn boek aan het schrijven ben, ook als ik de benen onder mijn lijf vandaan werk, ook als ik moe ben. Gewoon. Elke. Dag. Een. Stukje. Zo moeilijk kan dat toch niet zijn?

Controlfreak
Edoch, ik wilde goed beginnen. Toen popte die zin op: ‘Ik zou het niet doen hoor, zoveel persoonlijke informatie op internet zetten.’ Waarop ik me afvroeg: ja, wat zijn eigenlijk míjn anti-conceptiepillen, míjn blote buiken? Wat is míjn hete brij? Welk verhaal heb ik jullie geheel onthouden?

Ik weet al langer: als het te dichtbij komt, schrijf ik er niet over. Ik probeer het wel hoor, omdat ik zelf graag midden in iemand anders’ consternatie gegooid word, maar mijn hetebrijstukjes staan meestal wekenlang als klad te wachten op publicatie, om vervolgens nooit langs de ballotage te raken. De ballotagecommissie bestaat uit één persoon: de controlfreak in mij. De controlfreak in mij geeft pas prijs wat er aan de hand is als de probleemoplosser en de opperverwerker hun taak hebben volbracht. Als ik het zelf kan plaatsen, weet wat ik ervan moet vinden en weet hoe ik moet omgaan met de reacties, de kritiek of de goedbedoelde adviezen die je ongetwijfeld krijgt als je iemand je hete brij presenteert. En dan zijn we meestal alweer op het punt dat ik het verhaal heb gestileerd en dat ik alle pijnlijke momenten weggrap.

Mijn blogrevival
Ziedaar een briljant onderwerp voor mijn Blogrevivalweek: mijn hete brij vóór het weggrapmoment. Ik zou het niet doen, maar ik doe het wel, dat idee. Niet alleen is de hete brij spannender dan de afgekoelde, ook ben ik benieuwd of ik op kousenvoeten de ballotage voorbij weet te sluipen, of ik de controlfreak buitenspel weet te zetten.
Of ik het durf.

De perfecte punt is tijdloos voor een ander, zelf ga je door

Op 1 maart rondde ik mijn manuscript voor de eerste keer af. Gedurende de twaalf maanden die eraan vooraf gingen, verzon ik een verhaal zonder te weten of het ooit rond zou komen. Turend naar het avondlicht voerde ik de personages door mijn hoofd in de hoop dat ze vorm zouden geven aan de witte vlek aan de horizon van mijn geestesoog. Maandenlang gebeurde dat niet, maar ik wist: ik heb nog even.

Tot december hield ik tegelijkertijd Het Eiland Neus – tekst, beeld en theater in de lucht. Ondanks de personages in mijn hoofd ontwikkelde ik tal van cursussen, ik schreef en redigeerde me rot en bleef op stel en sprong beschikbaar voor late beslissers en trouwe klanten. Tegelijkertijd werkte ik vooruit. Ik spaarde geld zodat ik drie maanden vrij kon maken, opdat niet al het denkwerk in het avondlicht hoefde te gebeuren.

Op 27 december ging ik zitten, geflankeerd door drie zakken waxinelichtjes. Mijn stoel had inmiddels het perfecte kussen, mijn voeten het juiste voetenbankje en mijn laptop de beste helling. Het eerste wat ik deed was de helft weggooien. Negen maanden werk gedeeld door twee. Ik schoof wat ongemakkelijk op mijn stoel heen en weer, knipperde een paar keer met mijn ogen op het ritme van de cursor en tikte vervolgens met twee vingers door tot een paar dagen voor de deadline die in mijn contract stond: 1 maart 2011.

Toen de punt er uiteindelijk stond, moest ik denken aan wat mijn ex-man zei bij het inleveren van mijn examen Journalistiek. ‘Het is het beste wat je NU kunt doen. Over twee maanden vind je het sowieso al niet goed genoeg meer.’ Mijn maag draaide zich destijds om. Ik had al die tijd het idee gehad dat ik een tijdloos en perfect werk kon maken. Dat ik de perfecte punt kon zetten. Ik was een naïef schaap dat windmolens najoeg. Twee maanden later kreeg ik inderdaad kriebel bij mijn eigen werk. Toen ik een jaar later een cd maakte: van hetzelfde laken een pak. De perfecte punt is tijdloos voor een ander, zelf ga je door.

Met die ervaring in mijn achterhoofd bekeek ik op de dag voor 1 maart de laatste punt in mijn manuscript nog eens. Wat zou ik over twee maanden van die punt vinden? Zou ik terugdenken aan het perfecte voetenbankje, maar ontevreden zijn over die punt? Waarschijnlijk wel.
Met het indrukken van de send-knop zette ik op 1 maart de tijd stil. Zelf ging ik door.

Vandaag is het 1 mei. Gisteren las ik wat fragmenten in mijn manuscript. Ze moeten anders.

Gelukkig kan dat nog. Maar ergens in juni zet ik opnieuw de tijd stil.
Definitief.
Daar zie ik enorm tegenop.

An Eyeful of Sound: door de ogen van een synestheet

Een filmpje dat wonderlijk goed laat zien wat synestheten zien. Draai dit sterk vertraagd af en je hebt een beetje zicht op mijn dag. Eindelijk iemand die mijn neurologische aandoeninkje goed in beeld heeft gebracht.

Lenteles

In de trein naar Genk heb ik een wagon voor me alleen; de onderste achterste. De laagstaande zon flitst door de fruitbomen in het Limburgse glooiende land. Als ik uitstap klinkt er muzak door de luidsprekers die overal in het centrum van Genk hangen. Binnen kijk ik stukken na met mijn zonnebril op.
Het is gelukkig nog geen strandweer als ik de andere kant op ga. Vanaf twintig graden is de trein van Leuven naar Gent ’s ochtends en ’s avonds het domein van schepjes, emmertjes en gestapelde mensen. Met 16 graden is het nog gezellig druk.
De zon duwt lange schaduwen uit mijn benen als ik via de Antwerpsesteenweg naar mijn lokaal loop. Op het koereke aan de voorkant sneeuwt het. In de tuin achter ook. Daar staat de boosdoener. Een boom met twijgjes in de vorm van kromme, wollige rupsjes puft talloze witte pluisjes de wereld in.
Ik laat de harige kristallen in mijn wimpers vallen, sluit mijn ogen in de zon en wacht tot mijn leerlingschrijvers rode konen hebben. Als ze aan het einde van de middag hun werk voorlezen, staar ik naar de pluisjes in hun haar.
Ik vind het mooi.

Gisteren tuurde ik langs mijn borsten

De kleren van de dood koester ik. Zeven jaar geleden schreef ik al eens over het herenkostuum van mijn opa, gisteren lag ik in bed en keek ik naar mijn buik. Zwart. Glimmend. Prima truitje. Iets te wijd. Iets te los. Iets te flubberig. Nu.
Toen iets te duur. Maar beknibbelen op een outfit voor een begrafenis kwam niet in me op. Ik kocht het truitje met een broek. Ook glimmend. Ook strak. Zwart met krijtstreepjes. Daar stond ik, 22 jaar. Dankzij mijn 12 centimeter hoge hakken kwam de rand van het katheder slechts tot mijn dijen. Ik kneep mijn ogen samen om mijn tekst te kunnen lezen. De zaal lachte toen ik vertelde over haar gesnurk, over hoe ze eieren bakte, over hoe ze snooker keek. Daarna kwamen de zakdoeken. Ik tuurde langs mijn glimmende borsten naar de tekst op de lessenaar en wist dat ik er goed aan had gedaan, die veertig gulden voor dat truitje. Oma zou gevraagd hebben: ‘Is dat nieuw?’
Gisteren tuurde ik opnieuw langs mijn borsten. Tot het dekbed en terug. Oma zou gevraagd hebben: ‘Is dat nog steeds dat truitje van zeventien jaar geleden?’
Ik zou knikken.
Glimlachen.
En niet verklappen dat het nu als pyjama diende.

Interview met mij op about:blank


Klik op het plaatje om naar het interview te gaan.

Vijf jaar lang legde ik mezelf vast

Mijn leven in België bestaat iets langer dan mijn iMac , die weer iets langer bestaat dan mijn bedrijfje, Het Eiland Neus.
Dit voorjaar draag ik een feestneus ter ere van de vierde verjaardag van Het Eiland Neus, deze zomer moet ik mijn vijf jaar geldige verblijfsvergunning verlengen en dit najaar begeeft mijn iMac het waarschijnlijk. Daarom een serie voorjaarsfoto’s, gemaakt sinds ik mijn iMac aanschafte, sinds ik Het Eiland Neus oprichtte en sinds ik in België woon.

voorjaar 2007

“Mijn belastingen zijn ingewikkeld. Ik ben gemengd btw-plichtig, ik werk in twee landen, ik werk in het schemergebied van vorming, kunst, journalistiek en copywriting en ik heb de ballen verstand van Belgische belastingen. Ik heb een boekhouder, een btw-inspecteur en een startersconsulent met wie ik een warm contact onderhoud en ik zou baat hebben bij een financieel plan. Poepoeh. Tsjongejonge. Nounou.”
Uit: Gezocht: de ondernemer in mij, Zezunja’s Zotisch Weblog, 12 april 2007.

voorjaar 2008

“De heer des huizes zoent mij als hij opstaat, als hij weggaat en als hij onverwacht van mij houdt. Hij zoent me bij het binnenkomen, bij het oppeppen en hij zoent de tranen van mijn wang. Hij zoent mij. Vaak. Genoeg.”
Uit: De Zoenevolutie, VPRO’s Cafe De Liefde 18 april 2008.

voorjaar 2009

“Als er ook maar een beetje sprake is van ‘dingen die ertussendoor komen’ dan moet ik alle zeilen bijzetten. Drie jaar van mijn leven had de stress mij eronder en dat gaat mij dus no fucking way nog ‘ns gebeuren. Maar als beginnend zelfstandige is dat nog een extra dagtaak erbij: zorgen dat je niet scheel gaat kijken van de hoeveelheid contacten en contracten, van de hoeveelheid moeilijke vragen en eerste keren, en van de hoeveelheid zelfvertrouwen die nodig is om als een stofzuigerverkoper langs de deuren te gaan. Tot nu toe doe ik het aardig, maar ik kan niet ontkennen dat ‘de dingen die tussendoor komen’ leiden tot een onbedoelde sixpack, wegens altijd mijn buikspieren aanspannen.”
Uit: De roetsjbaan is still going strong, Zezunja’s Zotisch Weblog, 29 april 2009.

voorjaar 2010

“En dat is precies de reden dat ik nooit freelancer wilde worden. Ik vreesde een enorme kluwen van klusjes, taakjes en dingen die ik niet zou moeten vergeten. En ik wist dat ik nooit zou accepteren dat die kluwen een kluwen zou blijven. Ik zou nooit meer vrij hebben, want ik zou eeuwig proberen om mijn freelancebestaan de kadans van een vaste job te geven. Ik zou eeuwig proberen overzicht te kweken, de kluwen te ontwarren.
Dus werd ik freelancer (daar zat nog wel iets tussen, want hee, ik draai heus niet zomaar als een blad aan de boom, maar dat is een ander verhaal). En jawel, ik ging als een gek agenda’s invullen, kladblokken reserveren voor overleg, mapjes maken en vaste dagen voor kutklusjes inplannen. En daar is dus inderdaad geen lol aan, want het is retehard werken.”
Uit: Waarom het me niet lukt om zomaar een stukje te schrijven, Zezunja’s Zotisch Weblog, 15 mei 2010

voorjaar 2011

“De strategie van mijn innerlijke contactgestoorde was er meestal een in de categorie, ‘als de intentie maar goed is’. De uitvoering: een boomerangkaartje schrijven, te lui zijn om postzegels te kopen, de kaart zó lang op de schoorsteen laten staan dat het gênant wordt om ‘m nog te versturen en dan weggooien. In de tussentijd deed ik leuke dingen.”
Uit: Scheetkussens in de wensput, Zezunja’s Zotisch Weblog, 28 maart 2011

Mannen weten maar weinig over mannen

Mannen weten maar weinig over mannen. Geen vrouw die verbaasd reageert als ik vertel over de gigantische hoeveelheid opdringerige mannen, goedkope mannen, agressieve mannen, gevaarlijke mannen, banale mannen en mannen die simpelweg hun handen niet thuis kunnen houden.
Mannen reageren eigenlijk altijd verbaasd op die verhalen.
Mijn mannen dan.
Doen ze dat? Zeggen ze dat echt? Flikken ze zulke dingen?
Ja, zulke dingen flikken ze.
Massaal.
Ik krijg daar een droge mond van.
Van het idee dat mannen zulke dingen doen, maar dat andere mannen niet weten dat ze zulke dingen doen.

Scheetkussens in de wensput

Ik ben een slechte degroetendoener. Noem het blasé, onattent, slecht opgevoed, mag allemaal, feit blijft dat ik zelden de groeten doe. Ook ben ik een slechte verjaardagonthouder. Men heeft mij al talloze keren een verjaardagskalender cadeau gedaan in de hoop dat ik me eindelijk eens van mijn meest belangstellende kant zou laten zien, maar het mocht niet baten. Een verjaardagskalender ondergaat hetzelfde lot als de post-its op de onderkant van mijn iMac en de knopen in mijn zakdoek: na een half uurtje zijn ze part of the furniture. Ik kijk thuis nauwelijks om me heen.

Jarenlang had ik geen idee hoe schril ik afstak bij getalenteerde degroetendoeners. Wist ik veel hoe vaak andere mensen elkaar beterschap wensten, kaartjes stuurden en kleine attenties toefluisterden. Ik herinner me vaagjes dat ik vroeger wekelijks talloze kaartjes op de bus deed, maar vroeger is ruimschoots in staat van ontbinding. Ik weet ook dat mijn moeder fanatiek elk belangrijk moment in het leven van een ander decoreert met een handgeschreven kaartje. Maar niet al mijn genen zijn van haar. Voor het overige wentelde ik mij in de gelukzalige onverschilligheid van iemand die haar neus ophaalt voor indirecte smalltalk.

Tot Twitter. Als je zoals ik bijna 600 mensen op dagelijkse basis in de smiezen hebt, dan wordt het ineens pijnlijk duidelijk dat er een heleboel mensen heel goed zijn in de telekinetische versie van de klapzoen. Twitter is een wensput en elke wens van een ander echoot na in mijn geestesoor. Gefeliciteerd, gecondoleerd, zet ‘m op, sterkte, ik denk aan je, je kunt het -et-et-et.

De strategie van mijn innerlijke contactgestoorde was er meestal een in de categorie, ‘als de intentie maar goed is’. De uitvoering: een boomerangkaartje schrijven, te lui zijn om postzegels te kopen, de kaart zó lang op de schoorsteen laten staan dat het gênant wordt om ‘m nog te versturen, weggooien. In de tussentijd deed ik dan leuke dingen.

En daar zit ‘m de crux. Op Twitter steek je al snel schril af als je een beetje leuke dingen gaat zitten doen, terwijl een ander een mijlpaal slaat. Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet het type dat je feestje komt verpesten door alle feestgangers om mij heen te verzamelen alvorens ik mijn broek laat zakken, maar ik ben wel het soort bezoeker dat de ‘hoe is het nou met jou’-gesprekjes probeert te vermijden door met de neef van de bruidegom schuine moppen te tappen in een hoekje van de zaal.

Dat is me op Twitter tot op heden niet gelukt. Ik zit in negentig Twitterlijsten en geen van die lijsten heet ‘het hoekje van de zaal’. Als apathische veelpleger valt het me zwaar om mijn manieren te houden. Klik. Twitterprogrammaatje openen. Timeline vol met gefeliciteerds en sterktes. Geen idee waar het over gaat. Zin om iets leuks te doen. Schril contrast.

Ik kan mijn goede gedrag niet langer laten verstoffen op de schoorsteen, terwijl ik leuke dingen doe, want ik ben op een feestje beland waar de ene bruidegom de ander aanstoot en zegt: ‘Bij jou kwam ze wel in de rij staan om een handje te geven, bij mij is ze slechts bezig om scheetkussens op de stoelen van de gasten te leggen.’

Het prettige van contactgestoord zijn is dat je geen contact maakt. Die tijd is door Twitter voorgoed voorbij.

De Blije Bukster is nu 6 jaar oud

Omdat ik de herinnering koester, plaats ik het verhaal van De Blije Bukster nog een keer.

Vandaag een jaar geleden was ik in staat van ex (let op, dit is een herhaling, het is al zes jaar geleden, u kunt niet meer bellen of sms’en). En als ik ergens geen zin in had, was het wel om in staat van ex zijn. Ik wilde wilde romances, hete hartstocht en bakken vol aandacht. Maar goed, als je nog niet zo lang in staat van ex bent, dien je wat geduld te hebben.

En daarvoor moet je dus niet bij mij zijn. Geduld. Ik weet niet eens hoe je het schrijft. Ik kan bijzonder slecht afwachten. Mijn handen zijn voor het heft gemáákt.
Dus terwijl ik in alle staten van ex was, brak er ineens een Valentijnsdag aan. Doorgaans vergeet ik Valentijnsdag keihard, maar nu was er werk aan de winkel. Ik heb geen Valentijnsdag nodig om verleidelijke briefjes te schrijven, ik kan immers erg slecht afwachten, zodoende neem ik regelmatig zelf het heft in handen. Maar een dag dat je zonder humbug al je poet kunt inzetten op wilde romances en bakken vol aandacht laat ik in staat van ex liever niet voorbij gaan.

Daar zat ik, 14 februari 2005, met werk aan de winkel. Het was al laat in de avond, de tijd drong. En aangezien ik nog nooit eerder een Valentijnsproject ten uitvoer had gebracht, begon ik ‘m toch wel te knijpen; ik had geen routine. Mijn eerste probleem was: wie o wie? Ik was in staat van ex en nog niet verliefd geworden, zelfs niet stiekem. Er was niemand die ik stilletjes minde en ik had along the way geen lekkere dingen gespot die ik op een Valentijnsgeheim wilde trakteren.

Alleen leuke mensen kwamen in aanmerking. Een beetje leuke mensen, half leuke mensen en misschien leuke mensen vielen af, ik moest immers nog geïnspireerd worden. Binnen twee uur een Valentijnstruc in elkaar draaien, kan alleen als leuk ook echt leuk is.

En toen belandde ik bij Yuri (klik). Ik ben een fervent aanhanger van het toeval, dus ik zal niet bij u aankomen met ‘voorbestemd’ en ‘hoger hand’, maar ik weet toeval wel op waarde te schatten. Bij deze. Dit was mooi toeval.

Ik kwam niet vaak bij Yuri, eens in de paar weken, maar áls ik er kwam was ik altijd gecharmeerd. Door zijn twisted mind, door de lay-out van zijn website – met de toen nog handgeschreven linkjes – en door zijn waanzinnig romantische inborst.

Hij moest het zijn, besloot ik. Naarstig begon ik zijn laatste stukjes te lezen. Ik zocht een aanknopingspunt, een Valentijns-cue, iets waarop ik mijn kunstje kon baseren. Mijn ogen bleven hangen bij het zinnetje ‘Blij bukken maakt mensen blij. Mij in elk geval.’ (klik). En toen nam ik een merkwaardig besluit.

Ik besloot als Blije Bukster actie te ondernemen. Op zich nog niet zo raar, het is immers des Valentijns om je niet uit te geven voor wie je werkelijk bent. Maar ten eerste is zijn stukje een ode aan het driehoekje van een andere vrouw; het is maar wat je een Valentijns-cue noemt. En ten tweede: als u het stukje van Yuri heeft gelezen, zult u begrijpen dat er toch minimaal een decolleté aan te pas moet komen, alvorens er gesleed kan worden. En daarover kan ik in het geheel niet meepraten. Ik stond niet vooraan toen de driehoekjes werden uitgedeeld, zullen we maar zeggen.

Maar ik ben een lefgozer en dacht kennelijk niet aan de verwachtingen die ik bij mijn Valentijn zou kunnen wekken. Verwachtingen die ik geenszins zou kunnen inlossen – in mijn decolleté kun je hoogstens langlaufen. En en passant negeerde ik die vrouw over wie het stukje gà­ng ook nog even.

Kortom: in weerwil van alles zette ik mij aan het briefje van de Blije Bukster. Ik maakte een e-mailadres aan, deblijebuksteretdjziemeeldotkom, knipte mijn hoofd van een bukfoto en stuurde de onthoofde bukfoto naar meneer Maanzand. ‘Omdat blij bukken mensen blij maakt’, schreef ik eronder.

Het duurde een week en tientallen e-mails voor Yuri erachter kwam wie de Blije Bukster was (klik). Dat had niet zozeer met beroerd detectiveschap te maken, als wel met het feit dat hij het stiekem wel leuk vond om in het ongewisse te verkeren. Toen ik hem na een paar dagen op de man af vroeg of hij eigenlijk wel wilde weten met wie hij te maken had, erkende hij dat hij daar niet echt haast mee had.
Tsja, kijk, en dát was natuurlijk niet de bedoeling. Een beetje Valentijn hoort als een gek te gaan gissen, graven en vragen, want dan heb je pas eer van je werk. Deze Valentijn ging doodleuk op zijn lauweren zitten rusten, de buit was immers binnen.

En wat wás die buit binnen zeg. Het e-mailverkeer zinderde dat het een lieve lust was. Een dag of vijf na mijn ontmaskering schreef hij:
kom morgen
asjeblief
ik wacht je op
en we doen enkel fijne dingen

Ik kocht een retourtje Leuven en ik kwam (zie klik en klik).
En nu, een jaar later, weet ik niet hoe ik dit stukje moet eindigen.
Omdat het niet eindigt.
Omdat het gewoon
echt
niet
eindigt.

Kijk ook bij mijn favourite work of art: KLIK

Mijn jaaroverzicht

Naar de parodontoloog

Vandaag zou ik gewoon werken. Om acht uur zou ik beginnen, zodat ik om een uur al vijf uur gewerkt zou hebben.
Ik zou me niet laten afleiden, ik zou me gedisciplineerd opstellen en keurig doen wat ik van me verwachtte. Ik zou mezelf geen mietje noemen, want dat is voor mietjes.
Ik zou na afloop vaststellen dat ik er ondanks alles toch een nuttige dag van had gemaakt, dat het ook eigenlijk allemaal wel meeviel en dat ik blij was dat ik ’s ochtends nog zo veel gedaan had. Ik zou het gevoel hebben dat de dag niet voor niks was geweest.
Door dit soort momenten zou ik mezelf prijzen, omdat ik het leven aankon, omdat ik me niet klein liet krijgen, omdat ik een bikkel was.
Ik zou nog lang teren op de overwinning op mezelf.

Digitalisering: gevolgen voor vingertoppen zijn ronduit gunstig

Een vraag in mijn mailbox. Of ik iets wilde schrijven voor de nieuwe site voor alumni van de SvJ. Gewoon wat anekdotes, of een mooie herinnering. Ik draaide nonchalant halve rondjes in mijn bureaustoel, bekeek mijn nagels uitvoerig en tikte vervolgens ‘Maar natuurlijk. Dat doe ik wel even.’

Daar ging het fout. Dat doe ik wel even. Even een derde van mijn leven in een gevatte tekst in websiteformaat gieten. Laat me niet lachen. Van 1994 tot 2006 was de SvJ de plek waar ik regelmatig binnenkwam als het nog donker was en waar ik pas weer wegging als de duisternis was gevallen. Als student én als docent. Onder de tl-lichten van John VDB transformeerde ik van een onbesuisde griet in een enigszins weldenkend mens. Op de SvJ zette ik voor het eerst driehoekige haken op het internet, waarmee ik vormgaf aan mijn eigen digitalisering. Op de SvJ werd ik voor het eerst betaald voor twintig regels platte tekst. Op de SvJ was ik me voor het eerst bewust van die halve wereld die voor het grijpen lag, als je maar brutaal was. Waarmee de vraag of ik iets over de SvJ wilde schrijven, uitdraaide op een zaterdagochtend mezelf van de divan schrapen.

Mijn jaren op de SvJ waren jaren van overgang, omslag, schoksgewijze en geleidelijke veranderingen. Jaren waarin niet alleen mijn wereldbeeld veranderde – omdat ik door trial en error volwassen werd – maar ook het wereldbeeld van de rest van de wereld, door nine-eleven, Netscape, Quark Express, Metro International en tal van andere ontwikkelingen. En ziedaar de onmogelijkheid om mijn jaren op de SvJ samen te vatten, want alles is anders en achteraf is niets wat het leek. Maar ik ben de beroerdste niet, dus ik zal een poging wagen.

Met het geratel van de telex op de achtergrond
Om te beginnen was de wereld toen ik als student op de SvJ kwam een stuk onhandiger. Om mijn reisroute uit te stippelen, belde ik nog naar de NS met een vaste telefoon in een telefoonhok met volgedoedelde telefoonboeken. We kregen in 1994 al een e-mailadres van Hogeschool Midden Nederland, maar de rest van de wereld had er nog geen, dus daar had je niet veel aan. Ik nam mijn floppy mee naar school om daar, met het geratel van de telex op de achtergrond, erachter te komen dat de Macintosh Classic geen kaas had gegeten van het formaat waarin het document door mijn vaders oude DOS-pc was opgeslagen. En voor het telefoonnummer van een bekende Nederlander pakte ik op goed geluk het telefoonboek; zelden leverde dat het gewenste resultaat op. Ik herinner me ook dat ik tijdens m’n stage bij – wijlen – Magazine Hervormd Nederland bonuspunten kreeg, omdat ik e-mailadressen en een domeinnaam voor de redactie regelde. Niemand durfde zich tot dan toe te verdiepen in die paperassen met al dat ingewikkelde jargon.

Toen ik in 2006 vertrok, kreeg ik van de allerliefste Kitti – ik mis haar – een computermuis met diamantjes. En hoewel de wereld er sinds mijn vaders pc niet per se mooier op was geworden, symboliseerde het cadeau onbedoeld mijn tijd op de SvJ. Bij het tentamen Nieuwsbericht was het niet langer de vraag of iedereen zich met zijn oude Remmington onder de arm op tijd in de Vechtse Banen of de All Inn wist te vervoegen, maar of er niet toevallig voorbeeldberichten op internet stonden en of ze niet intussen zaten te MSN’en – hoewel Dick zijn documenten in de jaren tweeduizend nog immer in WP 5.1 aanleverde, maar dat terzijde.
En research stond voor studenten niet langer gelijk aan doorzettingsvermogen. Waar ik mij nog moest inschrijven bij slecht toegankelijke archieven, en waar ik dagen bezig kon zijn om het telefoonnummer van iemand te achterhalen, dacht mijn laatste lichting studenten dat goede research bestond uit het zonder spelfouten intikken van een zoekopdracht in Google.

Ah! De waxmachine!
Die digitalisering van alles en iedereen leidde ook tot een andere verhouding tussen student en docent. Zaten we half jaren negentig en petit comité in Willem Slok en de Vingerhoed de roddels van de school door te nemen; Rob, André, Remko, the usual suspects. Twaalf jaar later googelde ik vanaf de Uithof mijn naam en kwam ik erachter dat een studente mij op haar weblog een ‘tof wijf’ noemde. ‘Niks mis mee, alleen is ze er nooit.’ Waarmee ik door een toch al niet zo leuke periode ziekteverlof voor de rest van mijn leven te boek zal staan als een onbetrouwbaar figuur. De muren van Willem Slok hadden de tand des tijds niet doorstaan.

Maar om de negatieve saus eraf te halen, het was fijn om op de Ravellaan kantinedame Bep als Best Female Friend te hebben, maar Michel en Gert-Jan als redders in de regelmatig terugkerende iMac-nood waren ook niet te versmaden. Bovendien zorgde de digitalisering voor veel minder ritjes naar de Eerste Hulp van het UZ. Door de schermopmaak was het in mijn laatste jaren niet meer nodig om bij het vak Deadline met stanleymes de nieuwsberichten uit te snijden en door de waxmachine te halen (Ah! De waxmachine!); de gevolgen voor de vingertoppen van de studentenpopulatie waren ronduit gunstig te noemen. En hoewel studenten in de ‘nieuwe tijd’ soms wat ver gingen in hun Word-Art-ijver – ik bedoel: nee, geen kolommen in je huiswerk Nieuwsbericht, nee, liever geen Comic Sans in je rechtbankverslag en nee, doe maar niet, die rainbow-style in je afstudeerwerk – onze journalistieke producten werden door de voortschrijdende techniek met het jaar mooier en professioneler. We hadden de stencilmachine voor goed achter ons gelaten.

Niet alleen was er een omslag in hoe we werkten, ook was er een omslag in hoe we dachten. Die omslag was natuurlijk al jaren gaande. Mijn voorgangers konden er zonder problemen elf jaar over doen om hun diploma te halen, en dan ook nog met het welluidende keuzevak Biljarten voor vrouwen op hun cv. Wij werden half jaren negentig al geacht keiharde resultaten voor spellingtesten af te leveren en het was duidelijk dat het keuzevak Freelancen voor beginners niet voor de gein was bedacht. De boodschap was duidelijk: het leven was geen lieverdje en de banen lagen niet voor het oprapen. Er waren in mijn tijd zelfs al vrij veel studenten die er openlijk voor uitkwamen dat ze niet links stemden. Om maar aan te geven dat SvJ allang niet meer was wat het geweest was.

Een postvak van anderhalve kubieke meter
Maar door de geïsoleerde ligging van het gebouw aan de Ravellaan, door de mogelijkheid om te roken in het ZIP-lokaal, door de betrekkelijk kleine groepen voor betrekkelijk veel docenturen (Marjolein die alleen maar ZIP hoefde te doen!) en door samen te kijken naar de strafschoppen van Ajax tegen Gremio in 1995 heb ik toch nog iets geproefd van de SvJ oude stijl. De tijd waarin men nog protesteerde tegen de komst van de extreem-rechtse Hans Janmaat naar Ontmoetingen, de tijd dat je een postvak had van maar liefst anderhalve kubieke meter, waarin je eigen beker stond, de tijd dat we nog keihard het beeld van de rokende en drinkende journalist in de avonduren achter de typmachine probeerden te bevestigen.

In de onderwijsfabriek de Uithof was alles anders. De knusheid werd gedwarsboomd door afspraken met de andere opleidingen, de architectuur en de onontkoombare schaalvergroting. Niks was nog exclusief SvJ en alles was gericht op zoveel mogelijk studenten zo snel mogelijk door de opleiding loodsen. Ook versnelde ik hoogstpersoonlijk de invoering van het rookverbod in het nieuwe gebouw door op een avond vlak na de verhuizing toen bijna iedereen al naar huis was, een prullenbak in het ZIP-lokaal in de fik te steken door het klassieke ‘asbak legen’. Ik stond net met de koffiekan van ZIP, die toen nog net niet omwille van inkomstenderving door de cateraar was verboden, de prullenbak te doven, toen John VDB in de deuropening stond en vroeg wat ik aan het doen was, want de hele bovengang stond blauw. Niet lang daarna werd in het wilde weg roken verboden. Het laatste vleugje Ravellaan werd door een sticker met een rode rand erom tenietgedaan.

Nog even een smeuïge anekdote
De nieuwe wereld zette pas goed in na mijn vertrek. Van mobiel internet altijd en overal was in mijn tijd immers nog geen sprake en ik printte al het huiswerk nog steeds uit. Om een idee te geven: toen het eerste vliegtuig zich op 11 september 2001 in het WTC boorde, zat ik na te kijken in de 2f-gang op de Uithof. Een student kwam het melden en het eerste waar ik aan dacht, waren de vele eerstejaars groepen die in die tijd op dinsdagmiddag het vak Actualiteitwerkgroep hadden in – o ironie – lokalen zonder internet en zonder kabel-tv. Als ik niks ging zeggen, konden die daar nog minutenlang zitten zonder te weten dat de actualiteit op dat moment keihard aan het gebeuren was. Ik deed vlug een rondje langs die groepen en ging pas daarna naar het Deadlinelokaal, waar wel kabel-tv was. Daar zag ik dat het tweede vliegtuig zich in de tweede toren boorde. Ik ga er vanuit dat zo’n waarschuwingssysteem nu, alweer bijna tien jaar en vele technische ontwikkelingen later, niet meer van een toevallig nakijkende docent afhangt.

Ik zou kunnen afsluiten met de vaststelling dat de SvJ in de afgelopen jaren zowel ten goede als ten kwade veranderd is, maar dat zou saai zijn. Beter is het om toch nog even een smeuïge anekdote te serveren, zoals eigenlijk de bedoeling is in dit soort stukjes. Voorjaar 1998. André geeft Tijdschriftdenken bij ZIP. Hij gooit een plastic tasje voor ons neer. In de handvaten zit een knoop. ‘Als jullie goede journalisten zijn, weten jullie binnen vijf minuten wat erin zit’, zegt hij. We mogen het tasje niet openmaken, maar we mogen wel voelen, kijken en vragen stellen. Hij zal alleen ja en nee antwoorden. Na een kwartier raden is nog niemand erachter. ‘Jullie hebben een waardeloze attitude’, zegt hij. ‘Wat was het?’ vraagt iemand. ‘Het was mijn volgescheten onderbroek. Ik heb zojuist in mijn broek gepoept. Die onderbroek heb ik uitgedaan en in een plastic tasje gestopt.’

11 december 2010
Maartje Luif was student van 1994 tot 1998, docent Geschreven Pers van 1998 tot 2006.
Nu is ze schrijver, journalist en docent in Leuven, België.

Iedereen die Kolonisten van Catan heeft gespeeld, weet dat je niet hardop moet zeggen dat je alleen nog de langste handelsroute nodig hebt om te winnen

Deel 1
Ik werd geboren als pacifist. Zoals de meeste kinderen was ik tegen het doodmaken van mensen, dieren en planten. Het was een overzichtelijke tijd. De informatiestroom was nog niet op gang en de beelden die ik had van oorlog en geweld kon je onderverdelen in vier categorieën.

Ten eerste de ratelende zwart-witbeelden van de wereldoorlogen met snel lopende mensjes in grijstinten. Een wereld zonder lichtreclames, gymschoenen en geluid.
De tweede categorie was de Vietnam-categorie. De wereld van de Unicef-kalender. Een wereld waar mijn moeder naar verwees als ik mijn bord moest leegeten. Een wereld met kindjes met spleetogen, die ik alleen kende als zogenaamde ‘adoptiekinderen’. We hadden er drie op school.
Dan de categorie Opland. Begin jaren tachtig werd de dreiging van geweld voor mij verbeeld door de inktzwarte kruisraketten van tekenaar Opland. Zijn wapens tekende hij altijd alleen in essentie. Zwaardjes, bommen en raketten waren een mes met een heft, een bol met een lont of een projectiel met vervaarlijke punten onderaan. Niet moeilijk om daar tegen te zijn.
En de laatste categorie: journaalbeelden. Er ontploften soms bommen op tv. Meestal in Libanon. Van grote afstand, van achter een muur. In mijn beleving ontploften bommen niet midden in je gezicht. Nooit.

Dus het was simpel: dat moest zo blijven. We moesten de bommen op afstand houden. Uit ons gezicht. Geweld hoorde bij de snelwandelaars in grijstinten, bij de adoptiekinderen. Je moest geweld kunnen dichtklappen tussen de pagina’s van de krant. Het kon eigenlijk niet eenvoudiger.

Ergens tussen Caesar III for PC, colleges internationale politiek van de School voor Journalistiek en Le Monde Diplomatique is er iets gebeurd. Als iemand mij vroeg of ik tegen geweld was, riep ik dat ik realist was. Pacifisten waren mietjes, mensen die met een broodtrommeltje tegen een boom toekeken hoe anderen hun legertenten over de grens zetten. Maar je mocht me niet verkeerd begrijpen, ik was wel voor ‘geoorloofd geweld’, voor ‘rechtvaardig geweld’ en ik was heel erg voor het naleven van het ‘humanitaire oorlogsrecht’. Ik geloofde heilig in Geneefse conventies en VN Volkerenrecht. Collateral damage moest je zoveel mogelijk beperken.

Edoch, dat was buiten computergames en mijn Olympische Gedachte-fobie gerekend. Dus je hebt besloten dat het niet slim is om met je boterham met leverpastei in de hand de bezetter, de plunderaar of de spion te begroeten en je huurt wat soldaten, koopt wat vliegtuigen en kweekt wat draagkracht. Dan wil je toch niet verliezen? Ik waande me een generaal in een veldslag. De centrale vraag was: wat stond me te doen? Het enig mogelijke antwoord was: beter zijn dan de tegenstander. Natuurlijk zou het mooi zijn als je je straaljager kon besturen met je dagelijks pakketje normen en waarden – variërend van solidariteit tot barmhartigheid – in de hand, maar dat was niet het doel, dan had ik ontwikkelingssamenwerker moeten worden. Ik was een generaal, dus ik moest winnen. En als ik alleen kon winnen met behulp van collataral damage, onrechtvaardig geweld en, tsja, gewoon een asshole zijn, dan moest dat maar.

Ik kon het maar moeilijk verkroppen dat er een grote norse machtswellusteling in mij was neergedaald. Van de geboren pacifist was niets meer over. Nog een tijdje deed ik amechtige pogingen er een speld tussen te krijgen, maar ook die tijd is voorbij. Ik kom steeds weer tot de vaststelling: als je een oorlog niet wil winnen, moet je er niet aan beginnen. Daarvoor is het te gruwelijk. Ervanuit gaande dat je tegenstander geen lieverdje is, zit er niets anders op dan zelf nog geen schim van een lieverdje te zijn.

Deel 2
Voor diplomatie geldt hetzelfde. Het heeft geen zin om mee te doen in het spel van de internationale diplomatie als je van plan bent je als een korstige hond in de hoek te laten drijven. Dan kun je net zo goed thuis blijven en gewoon op kantoor lunchen. Schakend tegen je secretaresse, hopend dat ze het herdersmatje over het hoofd ziet. Wachtend tot de rest van de wereld bedenkt hoe het verder moet.

Als je wél meedoet, moet je het spel spelen. Harder, slimmer en, waar nodig, vuiler dan de tegenstander. Alles voor de winst. Dan moet je zorgen dat je jouw belangen met scud-raketten verdedigt en dat je slinkse acties ondervangt met nog slinksere acties.

In de discussie rond WikiLeaks hoorde ik het argument ‘diplomatie is gebaat bij geheimhouding en DUS mogen de documenten niet openbaar gemaakt worden’. Ik waande me weer even generaal. Ik trok mijn mannen camouflagepakjes aan, want hee, het belangrijkste bij een oorlog is geheimhouding. Ik codeerde mijn interne berichten en ik liet mijn vertrouwelingen samenkomen in een zwaarbewaakte bunker. Alles voor de winst. Vervolgens gaf ik duizenden mensen toegang tot de coördinaten van mijn wapenopslagplaats, ik liet weten hoe laat ik mijn kwartiermakers op pad zou sturen, waar ik de frontlinie zou plaatsen en welke route mijn manschappen zouden nemen.
Game Over zou Caesar III for PC zeggen.

Als geheimhouding een essentieel onderdeel van je strategie is, dan is het stom om daar zo lichtzinnig mee om te springen. Iedereen die wel eens Kolonisten van Catan heeft gespeeld, weet dat je niet hardop moet zeggen dat je alleen nog de langste handelsroute nodig hebt om te winnen. Sterker: er hoeft maar één persoon aan tafel te zitten die al starend naar het bord zegt: ‘Hee, zij is de langste handelsroute aan het halen en … dan heeft ze gewonnen!’ en het is voorbij, dan kun je de winst op je buik schrijven. Dat is niet omdat mijn medespeler zo lullig is geweest om te zeggen dat ik bijna zou winnen, nee, dat is omdat ik niet voldoende moeite heb gedaan om te voorkomen dat zij dat zou zeggen.

Ik ben een links meisje. Ik geef hoog op van humanisme, diervriendelijkheid, solidariteit en verdraagzaamheid, maar als je niet onderaan het scorebord wil bungelen, moet je net iets gewiekster uit de hoek komen dan je tegenstander. Medelijden, knus gedachtengoed en de mooie dingen des levens zijn daarvoor vaak niet de beste middelen. Ongeacht de motieven van mijnheer Assange kunnen we vaststellen dat de Amerikaanse diplomaten slechte spelers waren. Dat ze beter thuis hadden kunnen blijven. In de hoop dat iedereen het herdersmatje over het hoofd zou zien.

The making of mijn schrijverke

Mijn schrijverke.
Ik weet niet wanneer hij het voor het eerst zei. Het zal een jaar geleden geweest zijn.

Ik was al journalist. Een schrijvende. Ik gaf les in schrijven. Creatief schrijven, journalistiek schrijven. En ik schreef. Alles wat los en vast zat. Scripts, webpagina’s, boekdelen vol.
Toch zei hij het niet eerder.

Mijn schrijverke.
Wanneer begon hij het te zeggen? Toen mij was gevraagd een boek te schrijven. Ik nestelde me in de warmte van de woonkamer. Asbak, laptop, kladblok. Hij gaf me een kus en zei het.

Wanneer ben je een schrijver?
Als je schrijft? Als je iemands schrijverke bent? Of pas als je je eigen schrijverke bent?

Ik dacht laatst: ik ben een schrijver in het diepst van mijn gedachten.
Maar ik wist niet of het waar was.
Sindsdien wacht ik op de dag dat ik een teken krijg.

Zou het het omslag zijn? De drukinkt? Een opdracht boven mijn naam? De eerste reactie van een vreemde?
Of zou ik het niet merken?
Ben ik gewoon ineens een schrijver.
Dat ik wakker word en mijn Twitterbio ga herschrijven.
Schrijverke.

Update: ik blijk het erg leuk te vinden om te horen wanneer je volgens jullie een schrijver bent. Het reactieveld is hongerig!

In de categorie Sinterklaas

Dingen die mij onlangs van mijn geloof deden vallen.

1. Het gorgelende doucheputje draait op het andere halfrond NIET de andere kant op.
Ik geloof dat ik het zag in een Twitterlesje van @govertschilling. Ik vond dat een bittere teleurstelling. Altijd had ik gevoel dat ik getuige was van een natuurwet in actie als ik het water weg zag draaien. Maar de invloed van de aarde schijnt te klein te zijn. Domper.

2. Je kunt WEL muizen hebben als je drie katten hebt.
‘Een muis!’ zeiden we in koor toen we een grijs beestje langs het bed zagen trippelen. Óp het bed lagen drie poezen doodgemoedereerd te slapen. We maakten ze wakker. Verdwaasd keken ze op, waarna ze hun kin weer op hun poten legden. Neem van mij aan: Tom en Jerry dat is niet echt, dat is alleen maar voor de film.

3. Spaarlampen. Dus.
Dit jaar zijn vier spaarlampen binnen drie maanden na aankoop overleden. 36 euro. En nee, die ticketjes bewaar ik niet, dus ik kan geen verhaal halen.

4. Zonnebloemen zijn niet per se geel.
Het lag voor de hand, en toch was ik verbaasd toen dit ineens in mijn tuin opdook.

5. Testaankoop: ‘een halve eeuw consumentenbescherming’. Haha.
Testaankoop wordt wel eens vergeleken met de Nederlandse Consumentenbond. Ik ging daarin mee tot bleek dat de Belgische ‘consumentenbond’ je enveloppen stuurt met teksten als ‘Open deze envelop direct! U bent één van de 25.000 winnaars!’ Om over de internetspam nog maar te zwijgen. Een wrange deceptie en een merkwaardige club.

Hij kon het eigenlijk niet goed doen

Ik was wantrouwig.
De man koos een plaatsje in mijn blikveld, terwijl het hele onderste deel van deze dubbeldekswagon leeg was.
Hij deed zijn jas uit, zijn sjaal af, ging zitten en richtte zijn ogen vooruit.
Hij zag mij.
Daarna stond hij op, hij deed zijn jas aan en zijn sjaal om en hij vertrok naar boven.
Ik was beledigd.