Archief in kronkels: whatever happens

Vandaag verbrak ik een vriendschap

Ze had me al eens verlaten.
‘Ik ga weg’ zei ze. ‘Maar je mag niet weten waar naartoe.’
‘Waarom niet?’ vroeg ik. Ik hield van haar. Al jaren.
‘Dat is gevaarlijk.’
Ik kreeg buikpijn en knikte.
Een waaromvraag bleek moeilijk te vergeten.
‘Ik weet waar ze is, maar ik mag het niet zeggen’, zei iemand later.
Ik kreeg buikpijn, knikte en duwde de waaromvraag weg.
Het duurde en ik vergat.
Een beetje.
Tot ze terugkwam.
Ze gaf een feestje en ik ging. Waarom wist ik niet.
‘Ik wist waar ze was, maar ik mocht het niet zeggen’, zei iemand.
Ik knikte, kreeg buikpijn en vertrok.
Twintig jaar later klikte ik Add friend.
Ze leefde. Mooi en gevaarlijk.
Ze ‘likete’ me, ik ‘likete’ haar.
Tot ze weg was.
Ik vroeg me af waarom. Maar besloot te vergeten.
Tot ze terugkwam.
Ik klikte Add friend en hoorde niks.
We hadden zeven mutual friends.
Ik was de buikpijn beu en annuleerde het verzoek.

De middelvinger tegen de heel erge shit

Meermaals dacht ik de afgelopen maanden: wat nou als dit zo blijft? Met die ogen. Wat als ik nooit meer uit het duister raak? Wat als ik alleen nog in donkere kamers naar stemmen kan luisteren? Wat als ik voor altijd de hand van Wannes moet vasthouden? Wat als ik niet meer echt kan schrijven, lezen en tekenen? Wat als ik de zon nooit meer zal zien?

Ik kon de vragen niet bevatten, laat staan ze beantwoorden. Voor mijn geestesoog doemde ik op met hond en stok. De hond zag ik nog wel zitten, de stok niet. De cliché’s in mijn hoofd waren verstikkend. Ik zag mezelf lotgenotencontact zoeken, braille leren en ‘dan maar’ van muziek genieten. Ik zag me met mijn hoofd tegen de muur bonken en de tafel door de kamer smijten, maar ik deed het niet.
Tweeënhalve maand duisternis zijn genoeg om argwanend te worden. Ik zie de cursor knipperen, ik kan naar het woord ‘knipperen’ kijken zonder te knipperen, ik hoef naar schatting pas over een half uurtje weer te druppelen, ik haal waarschijnlijk het einde van dit stukje en toch ben ik op mijn hoede.

Shit happens vaker wel dan niet, staat er in grote graffitiletters op mijn innerlijke muur gespoten. Twee weken beterschap blijken niet genoeg om de superslimme golden retriever in een tuigje uit mijn vooruitzicht te bannen. Mensen die zeggen dat ik mijn portie nu heus wel heb gehad, wil ik in het gezicht spugen. Ik wil uitschreeuwen dat ik mijn portie al lang en breed had gehad en dat het enige dat telt, is hoe je ermee omgaat, met die porties, ongeacht de hoeveelheid. En dan zie ik die golden retriever goedmoedig door mijn beeld sjokken en dan besef ik dat ik me aan hem ben gaan hechten en dat hij het toonbeeld is van hoe ik er niet mee om moet gaan. Ksjt, hond, ksjt.

Want ja, shit happens, en ja, heel erge shit happens ook, en nee, die wordt niet eerlijk verdeeld, dus ja, misschien gaat er morgen iemand dood, of zo, of misschien ben ik over een maand alsnog veroordeeld tot een superslimme hond in een tuigje.
Maar als ik ’s ochtends wakker word, zie ik dit:

Ik kan dat gewoon ZIEN. Ik kan er naar kijken, met open ogen, zonder te tranen, zonder mijn ogen direct weer dicht te doen. En dan laat ik de opluchting toe. Van die diepe, dikke opluchting, die zijn middelvinger opsteekt tegen de heel erge shit. Nu even niet.

Jaaroverzicht
Horen, Zien en Zwijgen: Zwijgen

In dezelfde serie: deel 1, Horen, en deel 2, Zien.

Om dit stukje te kunnen begrijpen, is dit stukje misschien nodig. (En eventueel dit en dit.)

*
‘Dat ik al mijn tanden kwijtraak, is mijn ergste nachtmerrie.’ Deze zin is in 2011 het meeste tegen mij uitgesproken. Door vreemden op internet, door mijn moeder aan de telefoon, door long lost friends op facebook, door opdrachtgevers en cursisten, en door mijn schoonfamilie.
Als ik het niet tot me liet doordringen, knikte ik glazig en mompelde ik iets van ‘Ja, vreselijk, die dromen.’ Als ik het wel tot me liet doordringen, sprongen de tranen me in de ogen. Mijn werkelijkheid was andermans doemscenario.

*
Kiespijn en oorpijn zijn erger. Dat was mijn mantra gedurende de eerste 37 jaar van mijn leven. Dan had ik een gescheurde knieband of een weggesneden blinde darm en dan was het een verzachtend idee. Het afgelopen jaar werkte het niet meer. Ik had kiespijn, voor het trekken, na het trekken, altijd maar kiespijn. Tegen jezelf zeggen: ‘Je hebt het ergste dat er is.’ Nee, dat is niet vol te houden.

*
Het afgelopen jaar at ik in kruimels en teugen. Elke hap legde ik langs mijn pijngrens. Maandenlang kon ik alleen met twee hoektanden eten, en vervolgens een periode alleen vloeibare dingen. Ik draaide de avocado grijs, putte de yoghurt uit en gooide kilo’s korstjes weg. Drie kledingmaten lager ging ik bevend door het leven van gebrek aan energie.

*
Je spiegelbeeld zonder tanden is afschrikwekkend. Intiem ook. En verbijsterend plat. Ik laat nog liever mijn tieten zien op het Ladeuzeplein dan dat ik ’s avonds zonder tanden in bed kruip naast de man die ik met heel mijn hart wil imponeren. Drie maanden lang heb ik elke avond gehuild. Nu zeg ik alleen nog sorry voordat ik ga slapen.

*
Ik ben van de snufjes. Een druppeltje gembersiroop hier, wat fijngesneden kapperappels daar, wat citroenschil, een paar walnootkruimels en een rozijn.
Ik had me mentaal op allerlei dingen voorbereid, maar niet op smaakverlies. Een kunstgebit is a whole lotta plastic going on. Eigenlijk zijn alleen je tong en de binnenkant van je lippen nog beschikbaar, en dan proef je dus maar bitter weinig.
De arts bevestigde dat: je tandvlees en je verhemelte hebben een belangrijke taak bij het proeven, en die delen zijn bij mij volledig ingepakt. Dus nu hou ik alleen nog van lobbige en luchtige dingen waar je je tong in kunt steken. En snufjes zijn snuffen geworden.

*
In je mond lijkt alles gigantisch. Neem ‘n afgebroken hoekje: met je tong voel je een enorm gat, maar in de spiegel is het nauwelijks zichtbaar. Ik denk ook bij elke verandering dat ik er nóóit aan zal wennen, zoals bij van die kiezen die iets te hoog gevuld zijn en waar je dagenlang met je tong langswrijft.
28 gaten in je mond is bijna niet te bevatten en een kunstgebit is een mega-gehaktbal die je in één keer moet opeten. Elke ochtend opnieuw. De rest van je leven.
Omdat afgebroken hoekjes uiteindelijk wennen, ga ik er vanuit dat dat met zo’n bonk plastic ook gebeurt, maar nu, na vier maanden, begin ik de dag nog altijd kokhalzend.

*
Straffeloos in de aluminiumfolie rond de kebab kunnen bijten, enorme happen ijs kunnen nemen, ijskoude McDonalds-cola en iets te hete thee met gemak kunnen drinken: mijn verhemelte is afgesloten en ik heb geen vullingen meer, dus de wereld ligt voor me open.

*
Ik slis nog wel. Men zegt dat niet te horen, maar misschien wil men gewoon lief zijn.

*
Lesgeven, telefoneren, uit eten gaan en voorlezen voor publiek. Ik heb het allemaal al gedaan de afgelopen maanden en het ging goed, dank u. Maar of de angst dat het gebit gaat klapperen of -bewaar me- eruit valt ooit over gaat? Ik betwijfel het.

*
Als je geen tanden hebt, kan je mond niet meer dicht. Je lippen kunnen op elkaar, maar je kaken niet. Er zit een gewricht dat in principe die beweging kan maken, maar dat de afstand van twee rijen tanden niet kan overbruggen. De allereerste nacht dat ik zonder gebit sliep, had ik ’s ochtends het gevoel alsof ik de hele nacht in skistand boven een heel smerige wc had gestaan. Mijn kaak had spieren aangesproken, waarvan ik het bestaan niet kon bevroeden.

*
Valt het mee, vroegen mensen. Nee, zei ik. Ik kon werkelijk niets verzinnen dat meeviel. Vooral mentaal niet, zei ik. Om vervolgens niet onder woorden te kunnen brengen waarom niet. En nog steeds kan ik dat niet. Het is te groot.

*
‘Dat ik al mijn tanden kwijtraak, dat is mijn grootste nachtmerrie.’ Deze zin is in 2011 het meeste tegen mij gezegd. Mijn nachtmerries gaan tegenwoordig als volgt: ik ben ergens en ik heb mijn gebit niet in.
Laatst wilde ik ’s ochtends iemand bellen, maar gelukkig hing ik net op tijd weer op. Ik was iets vergeten die ochtend.

*
Andere jaaroverzichten gaan over boeken en cd’s, mijn jaaroverzicht ging over kwaaltjes. In 2011 had mijn lijf me zodanig bij mijn pietje dat er weinig anders overbleef. Maar omdat ik hoop peur uit het feit dat ik al voor de derde dag op rij een uurtje naar een wit schermpje kan turen (zie ook Horen, Zien en Zwijgen: Zien), en uit het feit dat ik de afgelopen maand al vol overtuiging een paar zwart-op-witballen kapotbeet, en omdat ik mezelf 2011 heb doorgemantraad met ‘alles went’, wens ik mezelf dat in 2012 daadwerkelijk álles went.

Jaaroverzicht
Horen, zien en zwijgen: Zien

Zie ook deel 1 van het jaaroverzicht: Horen.

Ik wilde een stukje schrijven over hoe het is om zo goed als blind te zijn maar ik was zo goed als blind, dus het ging niet.
Nog steeds tuur ik naar u door een vaselinelens, ik knipper op het ritme van de cursor en mijn neus raakt op een haar na mijn scherm in een kamer waarin een 500 watt-bouwlamp het licht zodanig egaliseert dat ik mijn ogen nét open kan houden.
Hoe wordt een mens halfblind? Welaan, ik weet het niet; als u feiten wilt, moet u niet bij mij zijn. Ik heb alleen ervaringen, in allerlei variaties. En emoties, heel veel emoties.

Hoewel ik het woord nog niet kende, werd ik in augustus lichtschuw. Ik bricoleerde een blauw lichtdempend papier om de lamp boven de tafel, omdat dat kan sinds de uitvinding van de spaarlamp, ik zette het scherm van mijn MacBook op de laatste stand voor het zwart wordt, schoof de gordijnen dicht en schreef al knipperend verder aan mijn boek.

Het was de natste augustusmaand in decennia, dus ik miste niks, maar het was dodelijk vermoeiend. Eén van de kenmerken van lichtschuwheid is namelijk dat je steeds bijna moet niezen. Zoals vrijwel iedereen zijn nies op gang kan helpen door in een felle lichtbron te kijken, zo is voor een lichtschuwe elke vorm van reflectie een felle lichtbron die een niesprikkel veroorzaakt. Je hebt dus de godganse dag de niet-ingeloste belofte van een ferme nies. Do-de-lijk vermoeiend.

Omdat de huisarts er niet uit kwam, werd ik doorverwezen naar een oogarts. Ze zag een verkoudheidsvirus. ‘Ja, daar zit het hoor’, zei ze opgetogen toen ik mijn kin in de houder legde. Ik had me een iets exotischer probleem voorgesteld bij drie weken kluizenaren in het duister, en ik dacht: nou, geef mij dan voortaan maar weer gewoon een snotneus. Maar tegelijkertijd was ik opgelucht, een verkoudheidsvirus klinkt alsof het overgaat. Ze schreef me wat middeltjes voor, en jawel, na twee dagen kon ik zonder enig probleem door de Velux naar de grijswitte luchten boven Leuven kijken. Ik ontspande mijn schouders en stelde vast: het duurde lang en het was tamelijk ondermijnend, al dat duister, maar mocht ik het ooit nog eens krijgen, dan is er een middeltje dat me in twee dagen op de been brengt. No worries.

Dus toen mijn ogen begin november automatisch dicht gingen als ik ’s ochtends een streep licht langs het rolgordijn ontwaarde, belde ik vol vertrouwen de huisarts: schrijf me even dat en dat spulletje voor, dan kan ik gewoon doorwerken. Little did I know.

Ik spoot het spulletje en werkte zo goed en zo kwaad als het ging door. Ik probeerde op onopvallende wijze mijn lokalen wat te verduisteren, gaf staand les, omdat vloeren voor lichtschuwen fijner zijn dan plafonds, ik reisde met gesloten ogen en hield bij elk gesprek mijn hand boven mijn wenkbrauwen, terwijl de tranen over mijn wangen biggelden. Soms ging het een dagje wat beter, soms wat slechter, maar nooit ging het over. Na twee weken eiste ik een spoedafspraak. ‘26 januari’, stelde de mevrouw aan de andere kant van de lijn voor. Het was half november. ‘Ik stel me iets anders voor bij spoed’, zei ik teleurgesteld. Twee dagen onderhandelen later had ik een afspraak over drie weken bij een oogarts op een half uur rijden van Leuven.

Toen begon het slikken, het doorzetten. Een paar columns nakijken, om vervolgens weer een paar uur met een theedoek over mijn ogen op de bank te liggen, starend naar de nareflectie.

De nareflectie is misschien wel het ergste. Iedereen kent de vlekken die felle lichtbronnen, zoals de zon, achterlaten op je netvlies. De vlek die nog even na blijft schitteren als je je ogen dichtdoet. Bij een lichtschuwe kunnen die vlekken uren duren, ze kunnen flitsen als een stroboscoop en werkelijk élk lichtgekleurd object is aanleiding voor zo’n vlek. Op de ergste momenten bleef een witte papiersnipper op de grond een half uur naflitsen aan de binnenkant van mijn oogleden. Zelfs geen rust hebben als je je ogen dichtdoet, is een van de ergste dingen die ik ooit heb meegemaakt.

Na vijf weken afzien (hm) stapte ik in een auto (van vier kanten licht!), zodat ik een half uur verderop mijn kin in de houder kon leggen. ‘Wondjes’, zei ze. ‘Een heleboel wondjes. Zoals bij lasogen. En droge ogen. Maar geen virus.’
Ze schreef een berg middeltjes voor, die weinig deden. Ik werkte door, afgewisseld met wat staren naar de stroboscoop aan de binnenkant van mijn hoofd. Ik las voor onder podiumspots, om daarna noodgedwongen, en vast ook voor straf, twee dagen lang de knoesten van de vloer te moeten bekijken. En ik stelde vast: dit gaat zo niet langer.

Ik zegde al mijn werk voor december af en begon de oogarts te stalken, ik liet me er nog twee keer naartoe rijden en belde haar drie keer per week op, net niet huilend. Ze schreef me andere middeltjes voor, zei dat het erg lang kon duren en beloofde me stopjes voor in mijn ogen, om te voorkomen dat ze droog zouden worden. En ze wenste me prettige feesten, want ze zou met verlof gaan.

Al zes weken balanceerde ik op de rand van paniek, maar nu viel ik erin. De oogarts met verlof. Ik huilde al maanden elke dag (zie ook het deel van het jaaroverzicht dat nog volgt: Zwijgen), wat op zich goed was, want huilen heeft als voordeel dat je ogen er erg vochtig van worden. Maar een groot nadeel is dat je daarna alleen nog maar naar bed wil. En je loopt al niet over van energie als halfblinde, want door gebrek aan prikkels van buitenaf verveel je je dood. Ik vroeg op Twitter of mensen ideeën hadden voor een leven zonder ogen. De audiolinks en -downloads waren niet van de lucht, maar ik kon de pagina’s waar ze op stonden niet bekijken. En hoewel Wannes de meeste taken van mijn ogen de afgelopen maanden heeft waargenomen, was het ondoenlijk om bij elke link aan hem te vragen: wat is dat voor een link? Kun je die downloaden? Kun je het programma waarmee ik het moet afspelen instellen?

Zo zat ik wekenlang opgesloten in mijn eigen hoofd, met stroboscopisch licht, een shitload aan zelfmedelijden en nauwelijks afleiding. Probeer dan maar ‘ns geen wezensvragen te stellen.

Gelukkig had Wannes de laatste paar dagen van het jaar vrij: afleiding! Hij quizmasterde mij met liefde door de donkere dagen na kerst en toen de klok twaalf sloeg, fluisterde hij: ‘2011 is nu echt voorbij, liefje.’ Waarop ik nog maar eens een potje begon te janken.

Op 1 januari kreeg ik zo’n eurekagloeilampje boven mijn hoofd. ‘Wij hebben toch zo’n soort bouwlamp van 500 watt?’ vroeg ik aan Wannes. We hadden net twee dagen een iPhone en ik had me voorafgaand aan oud en nieuw, met Wannes als rood-witte stok, naar Amsterdam gemanoeuvreerd. Ik was bekaf, van alle lichten, al het vuurwerk en alle voeten in mijn anders zo stille blikveld, maar het nieuwe telefoontje en de noodgedwongen lichttraining hadden mijn lichtschuwheid duidelijk wat verminderd.

Wannes zette de bouwlamp tegen het plafond en het egale licht was een weldaad voor mijn ogen. Het was duidelijk nog lang niet normaal, maar mijn hemel! ‘Ik kan je aankijken!’ riep ik uit. Waarop we gezamenlijk nog maar eens een potje jankten.

Nu, zes dagen later, ben ik nederig. Het was maar een vinger, de hele hand laat op zich wachten. Ik mag dan misschien mijn blik eindelijk kunnen oprichten van vloerhoogte tot kruishoogte (sorry heren!), ik kan nog altijd niet weg bij mijn bouwlamp, ik kan nog steeds niet veel meer dan vier centimeter licht (iPhone) en een half uur per dag een scherm verdragen (zie ook dit stukje), waardoor ik al mijn werk in januari ook maar weer heb afgezegd. Na twee maanden niesprikkels en huilbuien ben ik uitgeput. Mijn nek zit helemaal vast van met gebogen hoofd leven, en de reflectieveling in mij is me kots- en kotsbeu. Mijn werk en financiën lopen in het honderd, mijn boek raakt niet af, al mijn opruim-, opstart-, en andere plannen bleken onhaalbaar. Intussen zit ik op de bank naar de knoesten in de vloer te staren.

En toch: de oogarts is terug van verlof en ik heb haar nog maar één keer gebeld. Ook ween ik nog maar ééns in de twee dagen.
Met iets meer energie richt ik me op de kruizen van de heren en nu al een uur op de tekst van dit stukje. Gisteren keek ik zelfs een half uur tv. De nareflectie onderging ik met een zekere rust.

Dat is misschien wel de grootste winst van de afgelopen tijd: dat ik weet dat zelfs radeloosheid went.

(Wordt vervolgd)

Jaaroverzicht
Horen, zien en zwijgen – Horen

Op 1 januari 2011 was ik me nog van geen kwaad bewust

Het zou het jaar to end all jaren worden, ik zou zo veel geld verdienen dat ik zes maanden kon schrijven, ik zou een prachtig boek afleveren en ik zou in alle andere opzichten ook benijdenswaardig zijn. Ongetwijfeld.

Tot er iets begon te woekeren in mijn hoofd. Het kraakte en kreunde. En toen werd het stil.
Zo stil dat de structuur van wat ik in mijn mond stopte het enige was dat ik hoorde. En soms een geluid in de verre verte.

Vanaf het eerste moment beviel het me. Als ik schreef, hoorde ik alleen mijn personages, met zo nu en dan een kraakje of kreuntje tussendoor. Naast me werd een huis gestript, aan de overkant werd een huis gestript en de kinderen op het schoolplein achter mijn tuin slachtten elke pauze een krijsend speenvarken, maar ik schreef rustig door. Het was zelfs zo comfortabel dat ik de gang naar de dokter nog even uitstelde. Laat mij maar even alleen, in mijn hoofd. Ik heb het goed hier. Spiedend van achter mijn ogen.

Na mijn slome doktersgang was het gedaan met de stilte. Hij spoot mijn oren uit, fronste toen hij hoorde hoe lang ik er al mee liep en praatte plotseling HEEL HARD. Weg rust.

In 2011 was ik doof, blind en tandenloos. Doof was het leukste.

(wordt vervolgd)

10 jaar dreadlocks
Of: hoe ik mijn haar werd

Ik was een vrouw met moeilijk haar. Of, nou ja, als ik de foto’s bekijk: een meisje met moeilijk haar. 27 lentes in de benen, nog voldoende babyvet in de wangen, maar dus wel moeilijk haar.


Klik voor meer dan een fragment.

Ze was lay-outer, ze was mooi en ze had geen moeilijk haar. Als eindredacteur keek ik vaak over haar schouder. Zo ook die dag. Dikke dreads bungelden in het raster. ‘Hier moet wat uit’, zei ze, terwijl ze met haar cursor in een kolom kraste. Ik tuurde. ‘Hoe kom je eraan? Die dreads? Is het gemakkelijk? Is het duur?’ Een uur later schrapte ik iets uit de kolom. Een week later kreeg ik van mijn toenmalige echtgenoot dreadlocks kado. Op 5 december 2001.



Klik voor meer dan een fragment.
In het begin waren het rommelige sliertjes. Dure rommelige sliertjes. Zes uur lang had een hippe kapper zich het schompes gewerkt om mijn haar om zeep te helpen en mijn echtgenoot honderden gulden afhandig te maken. Maar het werkte meteen. Ook dure rommelige sliertjes kunnen je zelfbeeld ten goede beïnvloeden.



Klik voor meer dan een fragment.
Mijn leven veranderde in razend tempo en mijn zelfbeeld ook. Om mijn huwelijk niet te laten mislukken, breide ik er een einde aan. Ik kocht een eigen appartement in Amsterdam, bracht door allerlei omstandigheden mijn werkzaamheden tot een minimum terug, maakte muziek en smeet mijzelf in een emotionele roetsjbaan van heb ik jou daar. Intussen waren mijn dreads geloofwaardig genoeg om voortdurend nagesist te worden ‘Hee! Rasta! Lady!’ Mijn zelfbeeld spiegelde niet langer een meisje met babyvet en moeilijk haar, maar een gescheiden vrouw van de wereld.



Klik voor meer dan een fragment.
Alles is perceptie. Voor mij was moeilijk haar: peper en zout-kleurig, steil, loslatend haar, dat elk kwartier aandacht behoeft. De lay-outer had me verteld dat dreadlocks ‘heel gemakkelijk’ waren en de luilak in mij vond een leven lang een bad hair day onwerkbaar en zag wel graten in ‘heel gemakkelijk’. En wat bleek: de lay-outer had niks te veel gezegd. Je harkt ’s ochtends twee keer met je vingers door je dreads en ze hangen weer even recht als voor je ging slapen.
MAAR. (rust) Er is méér. (rust)
In die tien jaar heb ik 3500 keer een touwtje of mini-elastiekje om een dread gebonden. Ik heb 500 uur besteed aan wassen of verven en ik heb zeker 480 dagen met nat haar gelopen, omdat dreadlocks er twee dagen over doen om helemaal droog te worden. Alles is perceptie. Moeilijk haar is dat ook, verzucht de luilak.



Klik voor meer dan een fragment.
Mijn leven nam, evenals mijn haar, grillige vormen aan. Een gescheiden vrouw van de wereld mag dan een plezieriger zelfbeeld zijn dan een meisje met babyvet en moeilijk haar, het is wel dodelijk vermoeiend. Op de plek van het babyvet ontstonden groeven, mijn zelfbeeld was getekend.
Het internet bracht uitkomst: In 2003 begon ik een weblog en in 2004 presenteerde ik mezelf als de dame met nasispotentie, maar zonder de vermoeide blik die een vrouw van de wereld mee torst. Ik werd mijn silhouet.



Klik voor meer dan een fragment.
Hoe beter ik leerde knutselen, hoe beter ik een karikatuur van mezelf wist te maken. Mijn weblogheader werd zo een weerslag van hoe ik de scherven van mijn leven aan elkaar plakte. Mijn gezicht zat vol groeven, voor elk obstakel een lijn, maar ik poetste de scheuren in mijn liefdesleven, de haperingen van mijn gezondheid en de aarzelende antwoorden op wezensvragen weg met mooie stukjes en de laatste versie van Photoshop.



Klik voor meer dan een fragment.
Het werkte: naarmate ik meer poetste, was mijn ster rijzende. En omdat de weblogreacties in die tijd vooral bestonden uit zalvende complimentjes, kon het gebeuren dat mijn zelfbeeld verwerd tot ‘Zezunja, de Egyptische prinses die zo mooi kan schrijven’. ’s Ochtends harkte ik twee keer door mijn haren en dan vergat ik dat ik een gescheiden vrouw met schuldgevoel, gebrekkig stressmanagement en overweldigende emigreerplannen was. Ik negeerde de lijnen en staarde naar het silhouet van mezelf.



Klik voor meer dan een fragment.
De naam Zezunja bedacht ik ver voor mijn dreads, in 1998, toen ik in een ouderwets internetspel een virtuele koningin met moeilijk haar was. Toen ik het naambordje afstofte en op de deur van mijn weblog spijkerde, bleek het te kloppen. Het silhouet, Zezunja: niks meer aan doen.
Zezunja kreeg enige bekendheid in het sijberse en ik, de vrouw van de wereld, werd overklast door mijn alter-ego. Toen ik langzaam mijn echte naam begon prijs te geven, lachte het volk me uit. ‘Haha, Maartje, dat past helemaal niet bij je.’



Klik voor meer dan een fragment.
In het najaar van 2005 besloot ik naar België te verhuizen en in 2006 zat ik daar in een huis vol dozen. Dat ik een fijn zelfbeeld overhield aan mijn virtuele bestaan als Zezunja de Egyptische prinses die zo mooi kan schrijven bracht me nog geen vaste job, en je had ook niks aan die hele Zezunja als het ging om dozen uitpakken. Van een vrouw van de wereld die wordt overklast door haar alter-ego, werd ik een onthechte inwijkeling die in alle opzichten niet echt ‘mengde’.
Omdat ik op dat moment niets liever wilde dan opgaan in mijn omgeving, haalde ik mijn dreads eraf en drong ik mijn virtuele publiek de naam Maartje op. Brave Maartje, zonder babyvet en silhouet.



Klik voor meer dan een fragment.
Acht maanden probeerde ik het als brave Maartje zonder babyvet en silhouet. Ik vond geen job, de dozen raakten niet sneller uitgepakt en ook als dreadloze schoot ik niet bijster snel wortel. Ik had niet alleen mijn moederland verlaten, ik had ook mijn zelfbeeld onbestaande gemaakt.

Onder het motto: liever een Egyptische prinses waar je niks aan hebt dan een brave bast waar je niks aan hebt, draaide ik eigenhandig zeventig dreadlocks én de tijd terug. Ik werd eerst Frank Rijkaard en toen Ruud Gullit.


Klik voor meer dan een fragment.



Klik voor meer dan een fragment.
Een Egyptische prinses werd ik niet meer, daarvoor was mijn ware aard te veel ontsluierd, maar mijn dreads groeiden, en mijn verschrompelde zelfbeeld ook. Ik richtte Het Eiland Neus op, pakte de laatste dozen uit en wachtte geduldig tot de Belgen me een kans gaven. Het wachten werd beloond. Het Eiland Neus kreeg kansen, ik kreeg kansen, ook als ontwortelde vrouw met zelfgemaakte dreadlocks en een gekunsteld zelfbeeld.



Klik voor meer dan een fragment.
Alles is perceptie, zelfs een gekunsteld zelfbeeld. Dus besloot ik met open ogen in de val te lopen: ik zou wederom mijn silhouet in de strijd gooien, met de laatste versie van Photoshop. Ik zou uit een foto van Maartje die een boekcontract tekent de lijnen zichtbaar weg shoppen, zodat iedereen kon zien dat ik iets te verbergen had, namelijk: dat ik het allemaal ook niet meer wist. Dat werd de header die je nu bovenaan dit weblog ziet.



Klik voor meer dan een fragment.
De luilak in mij vindt dreadlocks ontiegelijk veel werk, de integere zelfbewuste in mij vindt dreadlocks een lepe truc om te maskeren dat je geen zelfvertrouwen hebt, de interim-manager in mij vermoedt dat ik zonder dreadlocks meer goedbetaalde opdrachten van jasjedasjebedrijven zou kunnen krijgen en de liefhebber van hoofdmassages mist een harde douche op haar hoofdhuid. Toch hou ik mijn dreads.



Klik voor meer dan een fragment.
Het duizelt me wel eens. Heb ik die dreadlocks omdat ze gemakkelijk zijn? Of om te maskeren dat ik het ook allemaal niet weet? En: doet het ertoe?
De personal brand manager in mij schudt het hoofd. Het doet er niet toe. Het werkt: mijn dreads, mijn silhouet en de naam Zezunja zijn een huisstijl.
De spiegelkijker in mij harkt demonstratief twee keer met haar vingers door de kluwen en voilá, een good hair day.
De schrijver in mij schrijft een boek over jezelf zijn en dat dat niet bestaat.
En in mijn zelfbeeld hangen slingers aan het plafond.

Wat de eenzaamheid verdreef

Dit is het vervolg op Hoe de eenzaamheid begon.
Toen Wannes mij in 2005 op basis van een paar mails uitnodigde om naar Leuven te komen, schreef hij: ‘Kom asjeblief, dan doen we enkel leuke dingen.’ Zelfs de eenzaamheid zette geen streep door dat motto.



Klik voor meer dan een fragment.
Ik ben een kijker, een loerder, een tuurder. Geef mij een mooi uitzicht op een ander en ik vermaak me wel. Maar omdat we levende zielen probeerden te mijden, kwam die hobby wat in het gedrang deze vakantie. Daarom richtte ik mij op de campingdecoratie. Zij zijn groot en ik is klein. Pardon? Wat is groot? En wat is er met de witte poes gebeurd?



Klik voor meer dan een fragment.
Ook de raamdecoratie van stokbroden in klederdracht was om over naar huis te schrijven. De mevrouw naast me wilde ook graag op de foto. (Irún, Spaans-Baskenland)



Klik voor meer dan een fragment.
Ik kijk graag, maar ik maak ook graag vriendjes. Gelukkig kon ik zo nu en dan mijn stemgeluid testen op een van de Hitlerkatten die ons pad kruisten. Deze ontmoette ik in Hondarribia, Spaans-Baskenland. De scheiding mag nog iets meer naar links, maar voor het overige…



Klik voor meer dan een fragment.
Hitlerkat 2, Saint Cirq, Frankrijk. Hoeveel Hitlerkatten is normaal, per vakantie?



Klik voor meer dan een fragment.
Er was maar één kat stoerder dan alle Hitlerkatten bij elkaar. Dat was de dorpspoes van Le Bugue. Die leefde op een klein rondpunt waar gigantische vrachtwagens de hele dag onvoorstelbaar kleine draaicirkels maakten. Ze mocht nergens naar binnen, maar ze had overal een eigen plekje. Bij het café een stoel (zie foto), bij de supermarkt een doos en bij de oude mannetjes een plaatsje op het bankje. Alle honden van het dorp waren bang voor haar.



Klik voor meer dan een fragment.
Qua aanspraak heb je er niet veel aan, maar mooi was het wel, de zwerm roofvogels boven de weg naar Pamplona.



Klik voor meer dan een fragment.
De kans dat je vriendjes maakt wordt groter als je het raam van je hotelkamer open laat. (Pamplona, Spaans-Baskenland)



Klik voor meer dan een fragment.
En de kans dat je vriendjes maakt wordt ook groter als je kookt. (Bidart, Frans-Baskenland)



Klik voor meer dan een fragment.
Dus kookte ik. (Hondarribia, Spaans-Baskenland)



Klik voor meer dan een fragment.
Ik hield niet meer op met koken (Saint Cirq, Frankrijk).



Klik voor meer dan een fragment.
Maar het werkte. Wannes en ik werden dikke maatjes.



Klik voor meer dan een fragment.
Onmiskenbaar dikke mik.



Klik voor meer dan een fragment.
En zo werd het toch nog gezellig.

Hoe de eenzaamheid begon

De eenzaamheid begon met zijn tweeën. In juni verlieten we Het Eiland Neus en reden we met een rotgang naar het zuiden. We streken onder het laatste donkerblauwe wolkje op de weerkaart in de Sud-Ouest neer. We hadden potentiële mede-toeristen achtergelaten in hun werkende bestaan en waanden ons tweeënhalve week in een wereld zonder mensen.



Klik voor meer dan een fragment.
Omdat het de eerste dagen waren en we nog mensen en lelijke landschappen gewend waren, vonden we dit zicht op zee al fantastisch en die caravan-met-gepensioneerde-Brit vonden we nog pretty quiet. We aten eendjes, zagen Bayonne, Biarritz en een paar surf-dudes en we probeerden de vakantieloze jaren die achter ons lagen los te laten in het zand van de Frans-Baskische kust.



Klik voor meer dan een fragment.
Om uit te suizen is de Atlantische kust altijd prijs: de wind waait met gemak acht vakantieloze jaren uit je hoofd. Wannes zag zijn eerste ansichtkaartzonsondergang en ik probeerde met zijn blik te kijken. Samen zagen we hoe de zon een hapje uit de horizon nam.



Klik voor meer dan een fragment.
Die boom lijkt wel gephotoshopt, zei Wannes. Ook als de zon je werk wegsmelt en de wind alle kernel panics heeft meegenomen, is je hoofd niet helemaal vrij. Blijkt.



Klik voor meer dan een fragment.
Eenzame wc’s all over the place. Eigenlijk een voorwaarde voor een fijne vakantie. Hoe kan een mens ooit loskomen van het hectische bestaan, als-ie steeds moet kijken of er geen pis op de bril ligt?



Klik voor meer dan een fragment.
Toen het donkerblauwe wolkje op de weerkaart van de Sud-Ouest steeds dichterbij kwam, zetten we ons barrel schuin tegen de Pyreneeën. We gingen naar de leukste stad van Europa, Pamplona, waar de eenzaamheid ver te zoeken was, maar daarover meer in het volgende stukje. Na twee dagen hotelraamzicht op Pyreneeën-onweer trokken we naar Hondarribia waar we heel hard moesten lachen om het uitzicht van een paar dagen daarvoor. Dit was pas zicht op zee.



Klik voor meer dan een fragment.
Aan dit mooi Spaans-Baskische baaitje aten we elke dag asperges, we kochten een paraviento, want Atlantische golven zijn niet zomaar zo hoog en we reden voor de gein af en toe even op en neer naar Frankrijk (3 km). Het tentje dat je rechtsonder ziet, is het onze. Niemand durfde tussen onze tent en onze parasol in te gaan staan. Eenzaamheid moet je soms afdwingen.



Klik voor meer dan een fragment.
Zag je Wannes op de vorige foto? Hij fotografeerde mij.



Klik voor meer dan een fragment.
Ik had dertien boeken in de auto liggen. Ik las er anderhalf. Hier ben ik bezig in De Kleine Keizer van Martin Bril. Een rommelboekje, maar uiterst vermakelijk.



Klik voor meer dan een fragment.
Het uitzicht was idyllisch, de soundtrack minder. We hadden welgeteld één buurtent (zie ook een van de vorige foto’s) bewoond door een Spaanse familie met aan het hoofd een vader met losse handjes. We staarden vanuit onze tent naar de kleuren van de eenzaamheid en we hoorden het ruisen van de zee. Pets!



Klik voor meer dan een fragment.
In een leeg hoofd zijn slaande vaders niet welkom. We vertrokken. Ook omdat de donkerblauwe wolkjes op de weerkaart van El Diario Vasco ons omsingelden. We gooiden het barrel het dal in en karden door tot de Dordogne waar tot onze grote schrik mensen waren. Niet zomaar mensen: Nederlanders! Heel. Veel. Nederlanders. We reden door tot we op een berg alleen nog de echo van de Telegraaflezers hoorden. Daar lag de Vézère.



Klik voor meer dan een fragment.
Een Franse dokter stopte me vol met pijnstillers waar je vrolijk van werd. Ik was zo slap als een vaatdoek, dus hier fake ik met verve een inspanning. Feitelijk werd ik door Wannes van niemand naar nergens gepeddeld. We kwamen die dag één andere boot, een visser en een landbouwaggregaat tegen.



Klik voor meer dan een fragment.
Ik bezocht het huisje waar ik tussen mijn achtste en mijn dertiende vaak kwam en zag dat de eenzaamheid daar ook had toegeslagen.



Klik voor meer dan een fragment.
We hadden een bos voor ons alleen. Soms hoorden we iets. De meeste foto’s van die week zijn momenten dat we de camera gebruikten als verrekijker. ‘Hee, hoorde jij ook iets? Zoom eens in? ‘



Klik voor meer dan een fragment.
Op 1 juli kwam ik tot de schokkende ontdekking dat er iemand op mijn wc was geweest. Omdat ik de enige op de camping was, had ik mijn eigen plee, vond ik, en iemand had het maandverbandbakje opengezet. In de verte hoorde ik een stem. Dat deed de deur dicht. Op 3 juli reden we in één dag terug naar Leuven.

(wordt vervolgd)

Heimweedistributie

‘En ze hebben NRC én de Volkskrant van dezelfde dag. Hier aan het einde van de straat!’ zei ik tegen mijn vader toen ik 2006 in een zijstraat van de Naamsestraat in Leuven (België) kwam wonen. De sigarenwinkel had een grote stinkhond. Als je er binnenkwam moest je het klepje achterin je keel sluiten om niet kokhalkzend je bestelling te plaatsen. Maar ze hadden wel NRC en de Volkskrant van dezelfde dag.

We hadden een abonnement op De Morgen, een verfrissende krant op een prachtig formaat, met veel moderne cultuur, veel goede columnisten en een frisse nieuwskeuze. Maar ik miste voorkennis, ik wilde me slim voelen als ik de krant las, ik wilde het gevoel hebben dat ik de achtergronden kende, de oorzaken, de mensen over wie het ging. Om dat gevoel op te roepen, kocht ik eens per week een Nederlandse krant, meestal op zaterdag.

‘U heeft zo vaak geen Volkskrant’ klaagde ik in 2008 tegen de meneer van de stinkhond. ‘Nee, ze gaan met de distributie niet meer verder dan het station’, was zijn antwoord. Omdat mijn redenen om Nederlandse kranten te lezen een fietstocht van een kwartier nooit zouden overleven, las ik vanaf dat moment alleen Nederlandse kranten als ik toevallig op het station moest zijn.

Toen De Morgen er op een dag een potje van maakte, zei ik tegen Wannes: ‘We gaan ons abonnement opzeggen.’ And so we did, waarna we dus en geen Nederlandse kranten en geen Vlaamse kranten meer lazen. Wij lazen het internet.

‘Dan zitten we om de hoek bij het station’ juichte ik toen we in 2009 gingen verhuizen. ‘En dan kan ik elke zaterdag te voet een verse krant gaan halen. Een Nederlandse!’ Wannes was blij voor me, die twee keer dat het lukte.

‘U heeft zo vaak geen Volkskrant’ klaagde ik twee maanden later tegen de meneer op het station. ‘Ze gaan met de distributie niet verder dan de grote steden’, was zijn antwoord. Hij wees op de Telegraaf. ‘Neem die.’ Ik trok mijn neus op.

In 2010 haalde ik vijf weken lang mijn hart op in Gent, vijf dikke zaterdagkranten lang leek het allemaal weer even als vanouds.

‘Ik moet binnenkort een paar zaterdagen in Gent zijn. Dan kan ik weer eens een Volkskrant kopen!’ Er was sprake van serieuze voorpret begin 2011. ‘Heeft u geen Volkskrant?’ vroeg ik verbijsterd aan de meneer op station Gent Sint-Pieters. ‘Nee die gaan maar tot de grote steden.’

Over twee weken is het vijf jaar geleden dat ik in België kwam wonen, drie maanden geleden dat Gent geen grote stad meer was, en een kwestie van tijd voor ik losgezongen ben.

Hoop

Ik pak mijn All Stars en pleur ze midden in de kamer naast de poef. Nog half slapend laat ik me door mijn knieën zakken. Voet in de schoen, neus tussen mijn knieën, veters strikken. Een bobbel. Onder mijn zool. Ik trek mijn voet omhoog. Een bruine muis op de bruine vloer. Dood. Plat. Het All Star-motiefje in zijn zij gekerfd.

Een dag later trippel ik zonder bril (-12) op blote voeten naar de badkamer. Trap af, gang door, deur open, deur dicht en vice versa. Als ik weer in bed lig, staat Wannes op. ‘Djiez!’ zegt hij.
‘Wat?’
‘Dat spoor van kots in de gang!’
Ik pak mijn bril en tuur over de trapleuning naar beneden. Er ligt een okergeel spoor in de gang dat er niet uitziet alsof je er blind langs zou kunnen lopen. Toch is me dat kennelijk gelukt.

Al tien dagen hangt het leven van mijn jongste poes aan een zijden draadje. Omdat het thema van deze week ‘poezen en onwaarschijnlijke dingen’ is, heb ik nog immer hoop.

Tafeltje

‘Als u eenmaal ligt, mag u niets met uw handen uitleggen, want we gebruiken u als tafeltje.’
Ik knik. Mijn tong is te dik om de j van ja te zeggen.
De stoel zoemt en het bloed loopt naar mijn hoofd. De wereld op zijn kop. Daar had ik niet op gerekend.
‘Wilt u nog iets zien?’
Ik ken de tangen. Notenkrakers zijn het. Ik ken mijn kiezen. Daar mis ik niks aan. Ik schud mijn hoofd.
De wereld wordt blauw, het laken ruikt naar vluchtige stoffen. Als ik mijn best doe, kan ik langs mijn neus nog iets zien, maar ik wil het niet. Ze keilen tangetjes in mijn hals. Met mijn adamsappel kan ik ze laten rinkelen. De rechterarts legt haar elleboog in mijn contactlens. Ik wil roepen dat er een oogbol onder het laken ligt, maar in plaats daarvan knijp ik mijn oogleden toe.
Ze praten over me. ‘Heeft mevrouw [moeilijk medisch woord]? Hebben jullie mevrouw [moeilijk medisch woord] al voorgesteld?’ Op dertig centimeter van mijn oor doen ze alsof ik er niet ben. ‘Ja, maar dan moest mevrouw stoppen met roken en dat kon mevrouw niet.’
Ik wil mijn handen gebruiken, om te zeggen dat ik geen tafeltje ben en dat ik het misprijzen en de teleurstelling hóór. En of we even één ding tegelijk kunnen doen. Eerst de fysieke mishandeling en dan de mentale, of andersom voor mijn part.
Iemand trekt mijn mondhoek ruw opzij. ‘We kunnen dit ook doen. Dat kunnen we even vragen aan mevrouw.’
‘Ja, vraag maar.’
‘MEVROUHOUW?’ Hij roept. Alsof hij me door te brullen weer mens maakt. Alsof ik even niet langer een tafeltje ben.
Het onmogelijke gebeurt. Ik moet lachen. Mijn mondhoek scheurt.

Hooikoortswindhoos en pluistuinrupsjes

Zaterdag gaf ik wederom les in het lokaaltje waar ik vorige week de visuele hooikoortswindhoos filmde, bij Wisper in Gent. Deze week zwaaide ik de deur open en zag ik dit:



Klik voor een groter exemplaar.
Een prachtige tuin waar het heerlijk schrijven en werken is.



Klik voor een groter exemplaar.
Een uitgestrekt tapijt.



Klik voor een groter exemplaar.
Tal van kleine rupsjes.



Klik voor een groter exemplaar.
Rupsjes die heel wat visuele hooikoorts op hun geweten hebben.

Die visuele hooikoorts doet rare dingen

Hoe leuk is mijn leven eigenlijk

Je zoekt met je neus, zei mijn moeder altijd en dat maakte mij kwaad. Niet kunnen zoeken, dat leek me iets voor heel domme mensen.
Maar mijn moeder had gelijk. Ik ben een waardeloze zoeker. Terwijl ik bezig ben, denk ik dat ik grondig zoek, als ik aarzelend een huisgenoot roep om te helpen, begin ik daar al aan te twijfelen, en als die huisgenoot binnen twee minuten mijn zo naarstig gezochte attribuut in handen heeft, voel ik me de slechtste zoeker op aarde.

De kwaadheid heeft jaren aangehouden – ik bén geen domme Maartje, ik kan wél zoeken, het was púúr toeval dat jij het kon vinden en ik niet – maar inmiddels heb ik me erbij neergelegd: als zoeker stel ik niets voor. Nu roep ik Wannes er al bij als ik ook maar het geringste vermoeden heb dat ik in de toekomst iets kwijt zal zijn. Werkt uitmuntend.

Tot ik ontdekte dat ik ook een andere vorm van zoeken niet beheers: dubbele woorden, ontbrekende woorden en plots opduikende woorden. Als eindredacteur is dat op zijn zachtst gezegd onhandig. Ik ben heel sterk in het ontdekken van taalfouten, kromme zinnen, omslachtige formuleringen en ambtenarentaal, maar een een simpele en en zie over het hoofd.

Opnieuw begon ik keurig met een ontkenningsfase: ik maak heel soms een een foutje, maar doet niet iedereen dat? Vult niet iedereen in wat hij denkt dat er staat? Kan dat niet de beste overkomen?

Mijn eerste fase van rouw werd keihard gelogenstraft door Wannes die in steeds meer stukjes die ik hem liet nalezen tal van verstekelingen en haperingen ontdekte. Weer was hij het die wat verloren dreigde te gaan, opdiepte. Weer was hij het die mij de ogen opende.

De parallel was niet te missen. Ik vul in wat er niet is en denk weg wat er te veel staat. Ik kijk niet, ik anticipeer. Ik toets de werkelijkheid niet af, maar ik vertrouw op mijn invullingsvermogen. Mijn hoofd is voor zichzelf begonnen en daarbij is de werkelijkheid een hinderlijk obstakel dat het kloppende verhaal in de weg staat. Maar de acceptatiefase is ingetreden. Tegenwoordig vraag ik de paginachecker om mijn anticipatiedrift in zijn achterhoofd te houden.

Niettemin ben ik bang dat ik een alom geldend karaktertrekje heb ontdekt. Zelfs als ik weet dat ik invul en oversla, ja, zelfs als ik naarstig zoek, ben ik overgeleverd aan de stilering van mijn brein. Verloren spullen en dubbele woorden zijn er niet als ik ze niet verwacht – en wat ontbreekt, denk ik erbij. Waarmee alles wat ik in orde vind een verzinsel kan zijn. Alles wat in mijn ogen klopt, klopt misschien wel niet.

Mijn mooie tuin met vergeet-me-nietjes, mijn lieve man met uitzonderlijk fijn karakter, mijn goede jeugd met liefhebbende ouders, mijn ervaring en talent waardoor ik mag doen wat ik doe: wat is waar? Welke butsen trek ik glad zonder het te zien? Welke hobbels verklaar ik ongemerkt nietig? Hoe leuk is mijn leven eigenlijk?

Interview met mij op about:blank


Klik op het plaatje om naar het interview te gaan.

Vijf jaar lang legde ik mezelf vast

Mijn leven in België bestaat iets langer dan mijn iMac , die weer iets langer bestaat dan mijn bedrijfje, Het Eiland Neus.
Dit voorjaar draag ik een feestneus ter ere van de vierde verjaardag van Het Eiland Neus, deze zomer moet ik mijn vijf jaar geldige verblijfsvergunning verlengen en dit najaar begeeft mijn iMac het waarschijnlijk. Daarom een serie voorjaarsfoto’s, gemaakt sinds ik mijn iMac aanschafte, sinds ik Het Eiland Neus oprichtte en sinds ik in België woon.

voorjaar 2007

“Mijn belastingen zijn ingewikkeld. Ik ben gemengd btw-plichtig, ik werk in twee landen, ik werk in het schemergebied van vorming, kunst, journalistiek en copywriting en ik heb de ballen verstand van Belgische belastingen. Ik heb een boekhouder, een btw-inspecteur en een startersconsulent met wie ik een warm contact onderhoud en ik zou baat hebben bij een financieel plan. Poepoeh. Tsjongejonge. Nounou.”
Uit: Gezocht: de ondernemer in mij, Zezunja’s Zotisch Weblog, 12 april 2007.

voorjaar 2008

“De heer des huizes zoent mij als hij opstaat, als hij weggaat en als hij onverwacht van mij houdt. Hij zoent me bij het binnenkomen, bij het oppeppen en hij zoent de tranen van mijn wang. Hij zoent mij. Vaak. Genoeg.”
Uit: De Zoenevolutie, VPRO’s Cafe De Liefde 18 april 2008.

voorjaar 2009

“Als er ook maar een beetje sprake is van ‘dingen die ertussendoor komen’ dan moet ik alle zeilen bijzetten. Drie jaar van mijn leven had de stress mij eronder en dat gaat mij dus no fucking way nog ‘ns gebeuren. Maar als beginnend zelfstandige is dat nog een extra dagtaak erbij: zorgen dat je niet scheel gaat kijken van de hoeveelheid contacten en contracten, van de hoeveelheid moeilijke vragen en eerste keren, en van de hoeveelheid zelfvertrouwen die nodig is om als een stofzuigerverkoper langs de deuren te gaan. Tot nu toe doe ik het aardig, maar ik kan niet ontkennen dat ‘de dingen die tussendoor komen’ leiden tot een onbedoelde sixpack, wegens altijd mijn buikspieren aanspannen.”
Uit: De roetsjbaan is still going strong, Zezunja’s Zotisch Weblog, 29 april 2009.

voorjaar 2010

“En dat is precies de reden dat ik nooit freelancer wilde worden. Ik vreesde een enorme kluwen van klusjes, taakjes en dingen die ik niet zou moeten vergeten. En ik wist dat ik nooit zou accepteren dat die kluwen een kluwen zou blijven. Ik zou nooit meer vrij hebben, want ik zou eeuwig proberen om mijn freelancebestaan de kadans van een vaste job te geven. Ik zou eeuwig proberen overzicht te kweken, de kluwen te ontwarren.
Dus werd ik freelancer (daar zat nog wel iets tussen, want hee, ik draai heus niet zomaar als een blad aan de boom, maar dat is een ander verhaal). En jawel, ik ging als een gek agenda’s invullen, kladblokken reserveren voor overleg, mapjes maken en vaste dagen voor kutklusjes inplannen. En daar is dus inderdaad geen lol aan, want het is retehard werken.”
Uit: Waarom het me niet lukt om zomaar een stukje te schrijven, Zezunja’s Zotisch Weblog, 15 mei 2010

voorjaar 2011

“De strategie van mijn innerlijke contactgestoorde was er meestal een in de categorie, ‘als de intentie maar goed is’. De uitvoering: een boomerangkaartje schrijven, te lui zijn om postzegels te kopen, de kaart zó lang op de schoorsteen laten staan dat het gênant wordt om ‘m nog te versturen en dan weggooien. In de tussentijd deed ik leuke dingen.”
Uit: Scheetkussens in de wensput, Zezunja’s Zotisch Weblog, 28 maart 2011

Wat we leerden van Uki

We leerden er veel van.
Zo weten we nu dat vallende blaadjes rode vlekken bezorgen bij tekenaars, omdat ze moeilijk te animeren zijn.
We leerden dat het verdomd lastig is om angst voor water duidelijk te maken zonder woorden.
We staken op dat tweejarigen nog niet weten wat smelten is.
We vonden uit dat dieren een karakterontwikkeling kunnen doormaken.
We kwamen er door schade en schande achter dat je zonder tekst wel erg veel moet wijzen.
We ontdekten dat vallen te eng kan zijn voor tweejarigen.

In 2009 en 2010 schreven Wannes en ik mee aan scripts voor Uki.
Tegenwoordig is Uki elke dag te zien op Ketnet, RTL8 en youtube:

Heb jij eigenlijk nog foto’s gemaakt?

Dat had hij:



Klik voor de hele foto.
We trokken naar Blankenberge. Omdat er zee was. Verder wisten we er vooraf niets van, en dat was maar goed ook.



Klik voor de hele foto.
We trapten in toeristenfuiken, golfden midget, en stelden vast dat er weinig bijzondere schelpen op het strand lagen.



Klik voor de hele foto.
We leerden de West-Vlaamse volksaard kennen en vochten er een robbertje mee.



Klik voor de hele foto.
We aten bij Porto Bello en omdat we het zo lekker vonden, aten we er de volgende dag gewoon weer.



Klik voor de hele foto.
We hadden twee balkons, met ochtendzon, we hadden een zakje goede paaseitjes, we hadden nog een halve fles Torres en we hadden goed gezelschap.



Klik voor de hele foto.
Ik moest aan K. Schippers denken. ‘Mag ik als je terugkomt het zand uit je schoenen voor de bodem van mijn aquarium?’

Hier zijn we dan, mijn debuutroman

Met trots presenteer ik het omslag van mijn debuutroman Hier zijn we dan. In september is het boek verkrijgbaar, tot die tijd hou ik jullie hier op de hoogte.
Mijn roman wordt uitgegeven door Uitgeverij L.J. Veen, het omslag is ontworpen door Roald Triebels en de auteursfoto (klik) is genomen door Ilja Meefout.
Hoe het zo gekomen is, kun je hier lezen.
Mocht je op de hoogte willen blijven van alle faits divers rondom het boek, laat een reactie achter met je e-mailadres (wordt niet getoond), dan voeg ik je te zijner tijd toe aan de mailinglijst.

De (voorlopige) flaptekst:

Hier zijn we dan
Here we are now. Entertain us

Drie dagen voordat Nirvana zijn bekendste concert in Nederland geeft, in november 1991, hoort de zeventienjarige Noor dat haar klasgenoot Izzy zelfmoord heeft gepleegd. Het nieuws komt hard aan in het café in de Amsterdamse Pijp waar Noor met andere spijbelaars van het Montessorilyceum haar dagen slijt. In de achtenzeventig uren die volgen worden de grondvesten onder Noors wereldje weggeslagen. De dood van haar klasgenoot werpt een ander licht op haar leven en haar vrienden.

Als Balsemien Noor in verband brengt met Izzy’s dood en het ook nog eens aanlegt met Noors stille liefde Sven, moet Noor zichzelf een spiegel voorhouden: wat is in vredesnaam háár verhaal?

Hier zijn we dan schetst een even liefdevol als onthutsend beeld van een cultuur die begin jaren negentig tot bloei kwam. Een cultuur waarin zelfontplooiing en keuzevrijheid heilig zijn en waarin je alleen meetelt als je jezelf bent. Maar wat als je niet weet wie dat is?

Hoe bij ons thuis de
verhoudingen liggen

Tip: zet het geluid aan.