Archief in kronkels: whatever happens

‘O, maar hier staat dat u daar
prima bereik heeft hoor’

Woorden als ‘kafkaësk’ en ‘bureaucratie’ komen veelvuldig voor in stukjes op mijn oude en nieuwe weblog. Al zeven jaar lang schijf ik mijn frustraties over onwillige bedrijven van me af. Maar voor de actie van Youp van ‘t Hek vond ik deze goldenoldie het beste.

‘Met T-Mobile’
‘Dag mevrouw, u spreekt met Maartje, ik heb een klacht over mijn bereik.’
‘Pardon? Wat zegt u?’
Ik buig wat verder over de balkonrand.
‘Met Maartje. Ik heb een klacht over mijn bereik.’
‘U bent moeilijk te verstaan, mevrouw Maartje.’
‘Ja, daar bel ik juist over.’
Ik val inmiddels bijkans óver de balkonrand.
‘Waar woont u, mevrouw Maartje.’
‘In de Pijp in Amsterdam.’
‘Ik zal even voor u kijken.’
Ze blijft even stil.
‘O, maar hier staat dat u daar prima bereik heeft hoor.’
Ik blijf even stil.
‘Maar u heeft toch net gehoord hoe mijn bereik is?’
‘Ach, ja, er kan wel eens iets in de weg staan. ‘
‘Maar mevrouw ik kan geen enkel fatsoenlijk gesprek voeren. Ik moet verplicht paaldansen op de balkonrand en als ik twee meter de kamer inloop, wordt de verbinding verbroken. Ik woon notabene midden in Amsterdam, niet op een Waddeneiland of zo.’
‘Hier staat dan ook dat u prima bereik heeft, mevrouw Maartje.’
‘Ja maar dat is dus niet zo!’
‘Wat zegt u?’
‘Dat dat dus niet zo is.’
‘O, maar wacht, ik zie hier wel dat u in juni 2006 een nieuwe mast krijgt.’
‘Ah, dus ik krijg een nieuwe mast terwijl ik al prima bereik héb?’
‘Ja, wij zijn voortdurend bezig de service aan onze klanten te verbeteren.’

Goedgemutst (geitenwol)

Huurrechten bestaan in België eigenlijk niet. Leuke dingen, zoals niet uit je huis gezet kunnen worden na een jaar of drie, of een puntensysteem waarop je je kunt beroepen, daarover fronsen ze hier hevig de wenkbrauwen.
Ons vorige huis bood zekerheid voor telkens één jaar, in dit huis is de kans aanwezig dat we er minstens drie jaar kunnen blijven. En dat heet dan luxe.
Dus bakten wij een brood, voordat de huisbaas vorige week zijn stapel stenen kwam inspecteren. Zo proberen ze je bij Albert Heijn immers ook goedgemutst te krijgen.
Ook poetsten we de kranen op, verstopten we de uitbijtvlekken van te lang gelegen kattenkots en verzonnen we een goed verhaal over de half-gestorven druivelaar.
Hij kwam, dronk thee, stond met Wannes een half uur naar een vollopende spoelbak te staren en zei toen: ‘Geven jullie de katten kraantjeswater?’
Ik bestudeerde zijn sokken. Geitenwol.
‘Natuurlijk niet. Wij filteren het in de Brita-kan’, zei ik.
Daarna stak hij zijn hand uit. ‘Tot volgend jaar.’

Een verantwoordelijke taak in
een jong en dynamisch bedrijf

Ik heb te veel films gezien en zodoende heb ik een verwrongen beeld van alarminstallaties. Alarminstallaties are there to get you en dat zal mij dus mooi niet gebeuren. Zoiets. Tegelijkertijd kom ik als freelancer vaak bij de mensen thuis. Wat betekent dat men mij zo nu en dan een alarmcode toestopt en me een gigantische sleutel geeft met de mededeling dat het ongeveer 400 euro kost om die na te laten maken. O ja, en veel succes.

Die combinatie, ik kan ‘m niemand aanraden. In mijn perceptie is ‘het alarm aanzetten’ een verantwoordelijke taak in een jong en dynamisch bedrijf, maar met heel mijn hart weet ik: het kan alleen maar fout gaan. Net als in de film.

Dus bereid ik het allemaal zorgvuldig voor. Als eerste buig ik me uitgebreid over de vraag: heb ik alles? Maar dan ook écht alles? Meestal krijg ik namelijk wel de handleiding voor het aanzetten van het alarm als ik wegga, maar niet voor het uitzetten, mocht ik onverhoopt iets vergeten zijn. Iets laten liggen is dus tijdelijk definitief en dat moeten we niet hebben. Vervolgens sluit ik deuren en ramen, omdat elk windvlaagje het alarm kan activeren (tenminste in de films die ík heb gezien). En ten slotte zorg ik dat ik mijn sleutel paraat heb, zodat ik niet aan de deur hoef te morrelen als het alarm eenmaal aanstaat. Voor je het weet staat er een heel politiekorps op de stoep om te constateren dat je nog niet eens in staat ben om een luizig alarm aan te zetten.

Een onwrikbaar systeem, dacht ik. Tot ik het systeem ging verfijnen, want ik werd elke keer zo zenuwachtig als ik het sleutelgat nog moest zoeken. Een beetje alarm merkt het natuurlijk als je aan het sleutelgat morrelt, tenminste zo gaat dat in James Bond. Dat moest beter kunnen.
Dus had ik bedacht dat ik de sleutel niet alleen paraat moest houden, maar dat ik hem als de deur nog open was al in het sleutelgat moest steken. Good thinking!

De eerstvolgende keer propte ik mijn rugzak vol met alles wat ik mogelijkerwijs kon vergeten, ik repeteerde de alarmcode drie keer, ik sloot alle ramen en deuren, stak de sleutel in het slot, deed het alarm aan en zwiepte, BENG, de deur dicht. En toen zat mijn sleutelbos tussen de deur. Niet mijn jas, of een kartonnen sleutelhanger, maar mijn godganse sleutelbos.
De deur zat dicht, het alarm stond aan en de sleutel was ondraaibaar geworden.

In al mijn verbazing vroeg ik me af wat Bruce Willis in zo’n geval zou doen, waarna ik de sleutelbos een snok gaf, constateerde dat niet alle sleutels het hadden overleefd en het op een rennen zette.

The Zaventem Triangle

17:00
Ik: ‘Tot hoe laat is IKEA open?’

17:03
Hij: ‘Op internet staat tot negen uur.’
Ik: ‘Okee, let’s go.’

17:15
Ik: ‘Blij dat we niet de andere kant op moeten. Kijk die file!’

17: 16
Hij: ‘Ik moet geloof ik afrit 21 of 22.’
Ik: ‘Maar dit is al 22.’
Hij: ‘Dan moet ik deze.’

17:17
Ik: ‘Herken je dit?’
Hij: ‘Hm.’

17:19
Hij: ‘Jaja, nu herken ik het, we hadden die andere afrit moeten hebben, maar deze kan ook.’

17:24
Hij: ‘Hm.’

17:30
Hij: ‘Hm.’

17:35
Hij: ‘Hmmm.’

17:40
Ik: ‘Herken je het nog?’
Hij: ‘Uh.’
Ik: ‘Zaventem valt net van de kaart.’
Hij: ‘O, maar wacht even, dit herken ik.’

17:50
Hij: ‘Kun je even vegen, de voorruit beslaat.’
Ik: ‘Ik doe de raampjes wel open.’

18:00
Ik: ‘Ik doe de raampjes weer dicht, want ik ben drijfnat.’

18:01
Hij: ‘Ik denk dat het hier om de hoek is.’
Ik: ‘Maar dit ziet eruit als het vliegveld.’

18:08
Ik: ‘Anders moeten we misschien toch de file terug nemen en de vorige afslag pakken.’
Hij: ‘Het raampje moet echt weer open hoor.’

18:18
Ik: ‘Kom op, laten we naar de autostrade gaan.’
Hij: ‘Eerst nog even op dat stadsplan kijken.’

18:28
Hij: ‘Het is dus heel gemakkelijk, hier naar boven, links aanhouden en dan twee keer rechts.’
Ik: ‘Stom hè, dat we het net niet gezien hadden.’

18:38
Ik: ‘Volgens mij hebben we een rondje gereden.’
Hij: ‘Ja, daar is het stadsplan weer.’

18:40
Ik: ‘Laten we het gaan vragen.’

18:52
Ik: ‘Moeten we nog voorbij Nossegem?’
Hij: ‘Ik heb geen idee.’

19:00
Hij: ‘Wat zal ik doen?’
Ik: ‘Hm.’

19:05
Ik: ‘Volgens mij zijn we nu weer bij het vliegveld.’
Hij: ‘Ik kan niks meer zien.’

19:10
Ik: ‘Probeer de autostrade maar weer te vinden.’

19:16
Ik: ‘Ik geloof dat je nu de autostrade Gent/Antwerpen hebt.’
Hij: ‘Is ‘t echt?’
Ik: ‘Ja, kijk maar daar is Leuven/Brussel.’
Hij: ‘Hm.’

19:19
Ik: ‘Dus nu staan we in een file in een richting die we niet uit moeten?’
Hij: ‘Hm.’

19:34
Ik: ‘Hier is weer een afslag Zaventem, neem die maar.’

19:38
Hij: ‘Hee, daar is het stadsplan weer.’
Ik: ‘Het regent nu wel serieus in.’
Hij: ‘Ja, veeg de ruit ook nog maar eens.’

19:46
Ik: ‘Hier zijn we net ook langsgekomen.’
Hij: ‘Het moet rechts van ons liggen.’
Ik: ‘Je kunt hier rechts.’
Hij: ‘Waar?’

19:55
Ik: ‘Gaan we het nog redden?’
Hij: ‘Ik geloof dat we nu goed zitten.’

20:00
Hij: ‘Ja, hier rechts is het.’

20:02
Ik: ‘Herken je het nog?’
Hij: ‘Hm.’

20:05
Ik: ‘Ik geloof niet dat het hier is.’

20:15
Ik: ‘Als we het nu nog vinden hebben we geen tijd meer om te winkelen.’

20:20
Ik: ‘Ga maar terug.’

20:25
Ik: ‘Volgens mij zijn we naar Brussel aan het rijden. Dit ziet er heel Brusselig uit.’

20:35
Hij: ‘Daar is de autostrade.’
Ik: ‘Ja, maar dat is weer die naar Gent en Antwerpen.’

20:45
Ik: ‘Als je nu links aanhoudt, zitten we op een weg naar Leuven.’
Hij: ‘Ik zie bijna niks meer.’

21:10
Ik: ‘Leuven.’
Hij: ‘Ja, Leuven.’
Ik: ‘Hm.’
Hij: ‘Hm.’

Lees ook het handboek dat ik schreef na mijn IKEA-vuurdoop, vijf jaar geleden.

Ze willen godverdomme mijn boek uitgeven!

Het begon in november vorig jaar met een simpele, vermoedelijk uit opperste verveling geboren twittercampagne van @aliefka voor mij.
‘Volg @zezunja, volg @zezunja, volg @zezunja‘, schreef ze.
‘Schrijf jij ook een bestseller, net als Aliefka?’ vroeg ene @jeltenieuwhuis me, terwijl hij mij gedwee ging volgen.
‘Ik heb al meer dan 4000 tweets geschreven, dan is een bestseller een eitje’, bralde ik.
‘Maar serieus’, schreef hij en hij dm’de* me zijn e-mailadres.
Waarna ik toch maar even naar zijn bio ging kijken.

Redacteur uitgeverij L.J. Veen stond er in zijn bio. Amstel Uitgevers in zijn e-mailadres.
Okee, dacht ik, ik heb nu als een aap staan kraaien tegen iemand die mij deze vraag serieus stelde.
Schrijf jij ook een bestseller?
Mwah, ik schrijf 4000 tweets.
Juist.

Maar aangezien ik bij die miljoen Nederlanders hoor die graag ‘ooit’ een ‘boek’ zou willen ‘uitgeven’* leek het me stom om het erbij te laten. Edoch, ik durf het geluk zelden te geloven, dus vroeg ik – als een gewiekste vrouw die versierd wordt door de man van haar leven, maar zich niet in de luren wil laten leggen door een Casanova die in elke haven een ander liefje heeft: ‘Vraag je dat aan al je tweeps?’*
Uiteraard was een ferm ‘nee’ voldoende. Zo zijn wij, de gewiekste vrouw en ik.

Goed, dus ik was in de wolken: joepiejoepiejoepie, ik heb een ‘belangrijk’ contact en dat ik ga ik bij deze eventjes warm houden. Maar daar popte nog even een ieniemienie probleempje op: ik had nog nooit een letter proza geschreven. Gedichtjes: ja, journalistiek: in overvloed, columns: een paar handen vol, maar proza: echt – nog – nooit.
Ik schreef terug. Dat ik dolgraag een bestseller wilde schrijven, maar dat ik alleen maar soep in de aanbieding had. Soep in mijn hoofd, soep in mijn portfolio, soep in mijn plannen.
Gelukkig hield hij van soep.

Daar zit je dan met je koude soep en je warme contact. Nog geen letter op papier en er als rechtgeaarde gewiekste vrouw niet helemaal gerust op dat de man in kwestie zijn heil niet toch nog elders zou gaan zoeken. Er restte mij niets anders dan een bestseller te schrijven.
Gelukkig had ik wel een idee. Een idee dat Jelte ’spannend, slim en veelzeggend’ vond.
We spraken een deadline af. Voor een eerste aanzet.

Ik schoof de gordijnen dicht, dwong mezelf een waxinelichtje uit te schrijven. En nog een. En nog een.
En toen mailde ik een eerste deel. Zenuwachtig. Bang dat hij het ‘uit zou maken’.

Maar dat deed hij niet. Hij mailde.
‘Het komt niet vaak voor dat ik na lezing van zo’n eerste stuk tekst zo enthousiast ben als nu.’
Toen viel ik van mijn stoel.

Dat was het startschot om eindeloos veel waxinelichtjes ‘op’ te schrijven, vol te houden, alle onzekerheid in de ogen te kijken en door te zetten.
Het ging goed. Het ging beter. Alweer een kilometer.
De plot kwam niet rond, maar het verhaal werd ‘ronder’. Ik stuurde deel 2 en Jelte bleef blij. Het was goed, maar gewoon goed was niet goed genoeg, zei hij. En natuurlijk had hij gelijk.

Een fijne hypotheek op mijn schouders. Goed moest briljant worden.
Dat werd een leuke aprilmaand, waarin ik de raarste dingen deed, zoals van een stuk of honderd scènes opschrijven wie erin voor kwamen en waarom. En alle stront-, snot- en plasscènes tellen. Vraag me niet waarom (ik heb daar overigens wel een theorie over, maar dat is iets voor een ander stukje), het was vrijwel allemaal zinloos, maar ik had het nodig om van een goed boek een briljant boek te maken.

De deadline voor deel drie naderde met rasse schreden. Ik schreef door, maar vreesde met grote vrezen. Ik had nog niet de plotwending to end all plotwendingen en ik had het idee dat wat ik schreef wel weer behoorlijk goed was, maar ik herinnerde me vaagjes dat dat niet genoeg was.

Ik goot deel drie in pdf, schreef dat ik nog steeds niet wist hoe het moest aflopen, deed mijn ogen dicht en drukte op send.
Daarna dook ik een week onder op Utah Beach aan de Normandische kust.

Toen ik terugkwam lag er een mail.
‘Om dat geloof te onderstrepen, willen we je graag een uitgeefovereenkomst aanbieden. (…) Ik hoor graag van je of we je inderdaad een contractvoorstel kunnen doen.’

Dus nu moet ik even een einde verzinnen.


* Dm is een privébericht op Twitter, dat alleen zender en ontvanger kunnen lezen.
*Zie hier item over die miljoen schrijvers op Nova van vrijdag.
*Tweeps zijn je volgers of de mensen die je volgt op Twitter.

Hoe ik langzaam waanzinnig werd, of: Immuun argumenteren voor dummies

Dit is een vervolg op Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik een dierenvriend ben en Hoe ik langzaam waanzinnig werd terwijl ik het zo goed bedoelde.

De jongen deed open zonder petje en capuchon.
En toen was alles anders.
Hij was niet langer de schappelijke jongen die we onderschat hadden. Hij was niet langer de beminnelijk glimlachende meedenker, hij was niet langer de jongen die zou helpen de schutting omhoog te houden. Hij was een jongen die ons geïrriteerd in de ogen blikte en begon te zuchten toen hij ons zag staan.

Omdat het gesprek zich nog het beste laat samenvatten als een lesje Immuun argumenteren voor Dummies, volgt hier een uittreksel dat binnenkort in boekvorm zal verschijnen.

Immuun argumenteren voor Dummies, les 1

Stelling 1a. ‘Hee, joh, we kwamen nog eens melden dat het toch wel weer behoorlijk erg is met de honden.’
Immuun argument 1a: ‘Da kan nie.’
Stelling 1b: ‘Maar het is toch echt zo. Gisteren sloegen ze om de zeven minuten aan.’
Immuun argument 1b: ‘Ik vertrek om zes uur ’s morgens en ik kom om zes uur ’s avonds thuis. As ik thuis ben, blaffe ze nooit, zenne.’

Stelling 2a. ‘Dat is juist het punt, ze blaffen omdat jij er zo lang niet bent.’
Immuun argument 2a: ‘Ik moet toch werke om eten voor die beeste te kope?’
Stelling 2b: ‘Maar die honden zijn hartstikke ongelukkig als je twaalf uur per dag weg bent.’
Immuun argument 2b: ‘Oke, als gij da wilt, ga ik doppe, dan doe ik da hè. Dan ga ik niet werke zulle, is da wa ge wilt?’ (Voor NL’ers: doppen is uitkeringtrekken)

Stelling 3. ‘Maar jij had gezegd dat we het moesten zeggen als we ergens last van hadden. En nu blaffen ze weer zoveel dat we er zot van worden.’
Immuun argument 3: ‘Hee Peter, kom es!’ – vriend komt achter hem in de gang staan – ‘Blaffen die honden wel us?’ Peter: ‘Neuh.’ ‘Ziet ge: ze blaffen helemaal nie. Ge overdrijft.’

Stelling 4a: ‘Die honden zijn de hele dag alleen in een grote tuin. Juist als jij er niet bent, blaffen ze.’
Immuun argument 4a: ‘Wat wilt ge daarmee zeggen?’
Stelling 4b: ‘Dat we heel goed begrijpen dat jij denkt, dat ze niet blaffen, maar dat wij je nu komen vertellen dat ze wel blaffen. Veel. En hard.’
Immuun argument 4b: ‘Maar het zijn heel lieve honde, zulle.’

Stelling 5a: ‘Dat is juist het punt, ze zijn ook heel lief. Ze willen graag mensen om zich heen. Als ze contact met ons hebben, zijn ze inderdaad stil. Daarom willen ze die schutting weg hebben. Ze willen naar ons toe.’
Immuun argument 5a: ‘Ze trekke aan de schutting, omdat ulle katte daar de ganse dag staan te schuren. Die lopen ze gewoon te treiteren hè.’
Stelling 5b: ‘Onze katten zijn vrijwel nooit meer buiten, sinds die honden er zijn. Dat durven ze helemaal niet.’
Immuun argument 5b: ‘Dit is mijn huis, dat is uw huis. Ziet dat ge weg zijt of ik doe u iets aan.’

Goed, tot zover les 1.
Tijdens les 1 kwam ook nog het immune argument ‘Ge kunt m’n huisbaas bellen’ voorbij. Dat was een immuun argument, omdat zijn huisbaas zijn moeder is en we vermoedden dat die het voor haar zoon zou opnemen.

Dat bleek. De volgende ochtend kwam Mama Petjecapuchon langs en toen begon…

Immuun argumenteren voor Dummies, les 2

Stelling 1a. ‘Ja, we hebben inderdaad gisteren bij uw zoon geklaagd.’
Immuun argument 1a: ‘Maar ‘t is zo ne goeie jongen, hij bedoelt het niet slecht, ze. Hij woont hier maar tijdelijk. ‘t Is zo ne goeie jongen.’

Stelling 2a. ‘Dat snappen we wel. Maar wij werken thuis en we kunnen gewoon nauwelijks doorwerken met al dat geblaf.’
Immuun argument 2a: ‘Ja zeg, nie iedereen kan thuis werke.’

Stelling 3a. ‘Dat klopt, maar die honden zitten hier altijd alleen. Twaalf uur per dag, en soms is er dagenlang ook ’s avonds niemand.’
Immuun argument 3a: ‘Sommige honden zijn nog veel meer alleen.’
Stelling 3b. ‘Maar ze hebben niets te doen. Die beesten moeten hun energie kwijt. Die moeten rennen, uitgelaten worden, aandacht krijgen.’
Immuun argument 3b: ‘Sommige honden zitten altijd in ne kennel hè.’
Stelling 3c. ‘Maar deze honden moeten duidelijk hun energie kwijt.’
Immuun argument 3c: ‘Hij brengt ze wel es mee als ‘m bij mij komt ete, ze. Dat is tien minuten wandelen, ze.’

Stelling 4a: ‘Maar ze zijn duidelijk ongelukkig.’
Immuun argument 4a: ‘Zal ik u es iets zegge; ik was ook ongelukkig van ulle katten, ze. Ik ging hier mijn hele leven blijven wonen, maar door ulle katten zen ik verhuisd. En ik heb toch ook nie gereclameerd’
Stelling 4b: ‘U heeft daar nooit iets van gezegd. Was iets komen zeggen.’
Immuun argument 4b: ‘Jamaja, ge woont in een stad hè, dan moet ge daar nie over zagen.’
Stelling 4c: ‘Was het komen zeggen! Uw welzijn is belangrijker dan onze katten.’
Immuun argument 4c: ‘Jomme, ik zeg ‘t toch: ik kom toch ook nie klage.’

Stelling 5a: ‘Maar wij proberen er juist samen met de buren uit te komen. Daarom komen we ook met u praten.’
Stelling 5b: ‘Mor ik reclameer toch ook nooit. ‘t Is toch waar zeker.’

Uiteindelijk heeft de dame in kwestie de les Immuun argumenteren voor Dummies 2 vier keer voor ons herhaald, waarna wij de deur dicht deden.

Stand van zaken sindsdien:
Ik schreef een susbrief waarin ik de honden de hemel inprees – wat niet moeilijk was, want hee, ik ben een dierenvriend – maar waarin ik ook niet naliet erop te wijzen dat we echt veel last hadden van het geblaf en dat ze een oplossing moesten bedenken.
Sindsdien is er een wankel evenwicht. De buurvrouw zwaaide een keer naar me, in die zin had de susbrief geholpen. Maar de honden blaffen nog steeds. Edoch: omdat ze elke duif die langskomt inmiddels wel kennen, wordt het minder en dat geeft ons de kans om onze volgende strategische zet op de lange baan te schuiven. Want de kans op een gevalletje Rijdende Rechter is nog steeds levensgroot en als ik kan voorkomen dat ik Immuun argumenteren voor Dummies les 3 moet doorstaan, dan doe ik dat.

Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik het zo goed bedoelde

Vervolg op (klik) Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik een dierenvriend ben.

Als je wilt klagen bij de buren over geblaf, is het wel handig als je buren thuis zijn. En dat was het hele probleem: die honden blaften, omdát er nooit iemand thuis was. Zodra Wannes of ik ons hoofd over de schutting staken, begonnen de beesten te kwispelen als een lassozwaaier. En als we dan olijk ‘hallooo’ zeiden, dan waren ze ook een half uurtje stil. Kortom: als er ooit iemand naar ze zou omkijken, was er helemaal geen probleem geweest. Ik voorzag een vicieuze cirkel: geen mensen – geblaf – willen klagen – geen mensen – geblaf – willen klagen – geen mensen – geblaf – enzovoort – et cetera

Nadat we een paar keer voor de vorm hadden aangebeld, gingen we naar de andere buren van de honden, in de hoop dat we een front konden vormen van stapelgek wordende buren. En warempel, dat lukte. ‘Niet te doen hè?’, was het eerste dat buurvrouw 2 zei. Via haar kwamen we erachter dat de vroegere buurvrouw 1 inderdaad verhuisd was en dat haar zoon nu naast ons woonde, met die twee bullbeesten. We wisselden wat frustratie uit en deden wat aan buurtbonding toen er een auto voor onze neus stopte. ‘Daar heb je hem’, fluisterde de buurvrouw. Uit de auto kwam een jongen met een capuchon én een petje.

Of het de druk was van vier omringende buren op de stoep, of dat hij per ongeluk een goed humeur had: ik weet het niet, maar hij beloofde er iets aan te doen en drukte ons op het hart dat we altijd naar hem toe mochten komen als er nog eens iets was. Het was zoveel meer dan we hadden verwacht van een capuchon én een petje dat we opgetogen terugkeerden van onze missie.

Een week lang ging het fantastisch, we werkten grotendeels in stilte en de opluchting kwam in grote bulken naar buiten.
En ik met mijn goede gedrag en jarenlange didactische ervaring dacht dat ik er goed aan deed om te vertellen dat er resultaat was behaald. ‘Hee joh, ze zijn veel stiller. Fijn!’
‘Ja’, zei hij, ‘Ik heb ze zo’n blafband aangedaan, maar die heb ik er gisteren weer afgehaald, zijn ze nog steeds stil?’
Ik dacht na. Ik had ze niet gehoord. ‘Ja.’

Thuis ging ik googelen op blafband. En aiaiai, u wilt niet weten in welk dilemma ik toen verzeilde. Een blafband is zo’n halsband die stroomstoten geeft als de hond blaft. Wilt u zich er iets bij voor kunnen stellen: kijk hier. Kortom: de hond blaft niet meer, omdat dat pijn doet. Verteerd werd ik. Door schuldgevoel. Alsof ik die blafband persoonlijk had aangebracht. Als ik niet had geklaagd, had die hond niet een week lang stroomstoten gehad. Man, ga dan nog maar eens lekker slapen.

Natuurlijk ging de wet van Murphy in werking: de dag nadat ik had gezegd dat het zo lekker stil was geweest, begon het blafconcert opnieuw. En het gegraaf onder de schutting door. En het getrek aan de schutting (‘Hee Wannes, hij gaat óm hoor!’)
En ik kon het me zo goed voorstellen. Twee mensen die olijk hallo zeiden, die wel altijd thuis waren, die drie leuke poezen hadden om mee te spelen… Als je slechts één schuttinkje hoeft om te trekken voor een beter leven, zou ik het ook wel weten.

Dus we dubden. Klagen zou misschien weer de blafband betekenen, niet klagen zou betekenen dat we niet alleen waanzinnig werden van het geblaf, maar ook dat we binnenkort, als de schutting eindelijk tegen de vlakte lag, een iets grotere tuin zouden delen met twee honden. Maar we waren nog onder de indruk van de meevaller van de vorige keer: het petje met de capuchon stond altijd open voor onze klachten, dus we moesten niet talmen, maar we moesten klagen en vragen. En op slinkse wijze zorgen dat hij iets anders zou weten te bedenken dan die blafband. Kortom: we moesten weer even met onze nieuwe buurjongen in conclaaf.

Haha.
Hahahahaha.
Hahahahahahaha.
Dat hadden we gedacht.

(Wordt vervolgd)

Hoe ik langzaam waanzinnig werd, terwijl ik een dierenvriend ben



In het begin was het gewoon een vaststelling: hee, de buren hebben vrienden die hun pitbull hebben gedropt voor hun skivakantie. En die hond blaft nogal veel. Hee, het zijn er twee. O, nee, die ander is een bullterriër. En ze zitten de hele dag in de tuin. En ze worden nooit uitgelaten. Nou ja, hopen dat ze gauw weer weg zijn.

Maar toen de krokusvakantie was afgelopen, waren ze er nog steeds. Ik twitterde toen: ‘Zijn er ook mensen die twee weken krokusvakantie hebben?’ Dat was een soort wishful thinking. De honden blaften vrolijk voort.

Na drie weken blafconcert, opperde ik tegen Wannes: ‘Misschien hebben we nieuwe buren. Met honden.’ ‘Neuh’, zei Wannes, ‘dan hadden we heus wel iets gezien of gehoord.’ We bestudeerden de tuin van de buren. Binnen vier weken was het keurige gazonnetje veranderd in een modderig rally-terrein voor uit de kluiten gewassen honden. Ze hadden veel voor hun logeerhonden over, constateerden we.

De deels doorzichtige schutting was voor de honden een venster op de wereld. Een wereld die dag in dag uit luid becommentariëerd moest worden. Onze poezen durfden nauwelijks nog naar buiten, met als gevolg dat ik dagelijks de vloer afspiedde op zoek naar per ongeluk binnen gepleegde plasjes. Elke rikketik van het kattenluikje leidde tot een hels gegrom en geblaf en zelfs als de katten zich binnen voor het raam lieten zien, kregen ze er auditief van langs.

‘Ik denk toch dat er nieuwe buren zijn’, zei ik ergens in maart. Ik hapte inmiddels al naar adem als ik het over de honden had. Het scheelde niet veel of ik werd waanzinnig van het blafdieet van 120 x daags 3 minuten. ‘Zou het?’ zei Wannes en hij keek me nog steeds ongelovig aan. ‘Ja, want ik hoor haar nooit meer ruzie maken en ik hoor ook die zoon nooit meer. Ik hoor alleen nog maar geblaf.’

Omdat de hoop dat het slechts logeerhonden waren definitief vervlogen was, bedekten we de schutting met rieten matten om te voorkomen dat elke beweging die we binnen maakten ons op geluidsoverlast kwam te staan. Ons kantoor grenst aan de tuin en het was me een lieve duit waard als ik mijn kop koffie kon oppakken zonder uitgeblaft te worden.

Hoewel de honden inderdaad minder aansloegen door wat er bij ons gebeurde, sloegen ze nu aan van alles wat ze hoorden en wat ze in de lucht zagen: duiven, eksters, kraaien, mussen, merels, mezen, lijsters, borende buren, windvlagen, aanslaande geisers en vollopende spoelbakken, you name it. De beesten waren aan vier kanten ommuurd, met de blauwe lucht als spannendste uitzicht. Gekooid in de saaiste omgeving ever. Ik kon begrijpen dat elk teken van leven een reden was om hun stembanden nog eens te testen.

Maar mijn begrip kende grenzen. Denk aan de grens van een eindredactiedeadline. Kauwen op een zin. Blafblafblafgromblaf. Klopt die zin? Gromblafblaf. Shit. Nog een keer lezen. Blafblafblaf. Kut. Ik moet nu echt opschieten. Wat staat er nu eigenlijk? Blafblafblafgrom. Verdomme.
Of de grens van lepeltjelepeltje liggen en willen wegzakken in de koestering van de nacht. Kaikaigromblafblaf. Blafblafblaf. ‘Lief?’ ‘Ja?’ ‘Het is toch al half een of zo?’ ‘Ja.’
Of de grens van ‘Wacht even mam. Ik kan je niet verstaan. Zeg dat nog eens. Wacht ik neem je wel even mee naar boven, want hier kan ik je niet verstaan.’
Of de grens van: godverdomme we zijn toch niet acht maanden geleden verhuisd naar een huis waar acht maanden later de rust voorgoed verpest zou zijn?
Of de grens van ‘Fuck! Wannes, ze zijn de schutting omver aan het trekken.’

En toen die grenzen stuk voor stuk werden bereikt, togen we naar de buren.

Wordt vervolgd (klik), met in het volgende deel interessante kwesties als: hoezeer ik de haan mis, de argumentatieleer van de buren en de susbrief.

Ooit schreef ik: Dag meneer Bos

In 2005 correspondeerde ik met Wouter Bos. Het ging over mijn lidmaatschap, zijn kontje en de chemie met Balkenende. In die briefwisseling nam ik al afscheid van hem.
Nu hij aftreedt als lijsttrekker en vertrekt uit de politiek, plaats ik de briefwisseling opnieuw.

Destijds verscheen de briefwisseling hier (klik, klik, klik).

23 februari 2005

Dag meneer Bos

Beste meneer Bos,

U bent mij kwijt. Misschien wel voorgoed. De tijd zal het leren. Maar in elk geval voor nu.

U moet weten, ik was al op oneigenlijke gronden lid geworden. Het zat namelijk zo: u kunt zich het jaar 2002 vast nog wel herinneren. U was toen staatssecretaris van Financiën. Pim Fortuyn dreigde premier te worden. Het was een raar jaar.
Ik werkte nog als journalist en vond dat ik eigenlijk geen lid mocht worden van een politieke partij. Met lede ogen zag ik toe dat kranten kopten dat de LPF zo’n gestaag groeiend ledenaantal had.

Ik ben erg anti-LPF. En ik ben erg anti-VVD, die vermaledijde wolf in schaapskleren. Dus vroeg ik mij af hoe ik in hemelsnaam een tegengeluid kon laten horen. Ik piekerde me suf, meneer Bos, dat moet u geloven.

Een jaar later was ik ineens in de gelegenheid. Ik freelancete nauwelijks nog en ik vond dat ik als docent best lid mocht worden van een politieke partij. Maar welke? Welke, meneer Bos? Dat was helemaal zo makkelijk nog niet.
Ik besloot pragmatisch te redeneren: geen van alle staan me helemaal aan, dus welke partij waar ik achter kan staan (en hier zit hem de kneep, let maar op) kan het meest uithalen?
Nou, meneer Bos: dat was uw partij. Ik had natuurlijk geheel buiten chemie en andere zweverige onzin gerekend. Ik was van mening dat alleen uw partij het cluster van het CDA, de VVD en de LPF kon stoppen.
Maar… ik wist ook dat ú dat moest doen. Niet Jeltje van Nieuwenhoven. In het Pim Fortuyn-tijdperk draaide de wereld om kontjes en U2-muziek. Niet om integere vrouwen met jarenlange politieke ervaring.

Nou wil het geval dat ik mijn beslissing om lid te worden van uw partij net nam op de dag dat de stembiljetten voor de nieuwe lijsttrekker op de deurmat vielen. Daarvoor was ik dus te laat. En met alle respect: met Jeltje zouden jullie het niet redden, dus ik heroverwoog mijn lidmaatschap gelijk dezelfde dag nog. Ik kon ook nog een ander plan bedenken, een andere partij desnoods.

Welnu, meneer Bos, ik bedacht iets. Mijn moeder is namelijk al jarenlang lid van uw partij. Ze was ook actief en bezoekt nog steeds keurig vergaderingen. Ze hangt zelfs posters voor de ramen. Mijn moeder dus. U zult dat vast fijn vinden om te horen.
Maar mijn moeder was niet zo dol op u. Te weinig inhoud, vond ze. Te weinig duidelijkheid over uw politieke koers. Mijn moeder is geen product van het kontjestijdperk, zoals u hieruit zult begrijpen. Mijn moeder is een generatiegenoot van Jeltje. Mijn moeder heeft meer op met integere vrouwen met jarenlange politieke ervaring, dan met pr-hoofden en kontjes die zich beroepen op chemie en zaken als ‘eerst opruimen, alvorens een politieke koers uit te zetten’.
Maar ik ken mijn moeder, meneer Bos. Mijn moeder kun je best overtuigen. Dus ik overtuigde haar. Mama, zei ik, luister. Met goede ideeën win je de verkiezingen niet anno 2003. En als je de verkiezingen niet wint dan weet je wat er gebeurt. Ik schetste het doemscenario van nog een periode LPF, of misschien wel CDA en VVD.
U moet weten, meneer Bos, mijn moeder had veel nodig om zich te laten overtuigen. U had op haar nog weinig indruk gemaakt. Zelfs mijn doemscenario, waar ze wel éven van moest slikken, was niet voldoende. Mijn volle gewicht erin en nóg zei ze steeds ‘Maar Jeltje..’.
Gelukkig, meneer Bos, bedacht ik een list.
Mama, zei ik, als ik nou lid word van de PvdA, stem jij dan op Wouter Bos?
Nou, de stilte die toen viel, meneer Bos, die hoor ik nú nog.
Die stilte werd gevuld met gedachten over haar PvdA-nest van vroeger eens en over hoe ze haar dochter in dat nest kon trekken. Met gedachten over Jeltje en over uw kontje. Dat weet ik zeker. Mijn moeder heeft vast gedacht aan dat gedoe rond uw kontje. Dat heeft u niet geholpen, meneer Bos. Dat weet ik ook zeker. Dat heeft u niet geholpen.
Maar ze stemde toe. Toch. Zij zou op u stemmen en ik zou lid worden.
Nou is mijn moeder een onbetrouwbaar sujet, meneer Bos. Tenminste daar kwam ik toen achter.
Ik was lid geworden. Braaf.
Zij had op Jeltje gestemd.

Maar, meneer Bos, gelukkig kwam het goed. Kontjesminnend partijpubliek stemde u rechtstreeks naar de top. En ik was lid. Met dank aan mijn moeder.

Ik wachtte met spanning af of mijn theorie zou kloppen. Ik had dan wel geen enkele bijdrage geleverd aan uw benoeming tot lijsttrekker (met dank aan mijn moeder, meneer Bos, met dank aan mijn moeder), maar ik kon nu wel met recht en reden duimen dat mijn veronderstelling zou kloppen.
En jawel hoor. You beat them all, meneer Bos.
Ik zag het al helemaal voor me, helaas met dat CDA , maar toch.
Ik besloot lid te blijven. Vol verwachting klopte mijn hart.

Nou ja en toen kwam dat van die chemie. Mijn theorie stortte als een kaartenhuis in elkaar. U wordt bedankt, meneer Bos. Hadden we van Jeltje en JP wel een plezierig scheikundig mengsel kunnen maken?
Ik vroeg mij dat af ten behoeve van het overeind houden van mijn theorie. Ik wist het niet. In elk geval kwam mijn ergste nachtmerrie uit en kregen we een CDA/VVD-regering (Wat zegt u, meneer Bos? D66? Daar lach ik om).

Nou ja. Ik kon toen natuurlijk al vaststellen dat mijn lidmaatschap een aanfluiting was. Maar dat deed ik niet. Ik geloofde in een sterke oppositie, meneer Bos, in linksig geluid. En ik rekende op spoedige verkiezingen. Ik dacht dat u daar ook in geloofde, meneer Bos. Ik had dan wel niet meer hoogte van u dan tot uw middel, maar ik geloofde dat u hetzelfde voor ogen had, meneer Bos. Heus.

Nou, meneer Bos: u en ik kunnen vaststellen dat ik de ballen verstand heb van politiek. Niks linksig geluid. Niks sterke oppositie. En sterker: het zinnetje “…waar ik achter kan staan…” kwam danig in het geding.

Door de jaren stond ik al steeds minder achter van alles en nog wat. Het spijt me, meneer Bos, ik heb niet alles onthouden, maar er kwam behoorlijk wat langs dat mij nauwelijks ruimte bood erachter te gaan staan.
Maar de laatste tijd. Tsjongejonge, meneer Bos. U maakt er een potje van.

Die discussie over godslastering. Schokkend bijna.
Kijk, ik ben het er best mee eens dat Donner een Pinkeltje-achtig wereldbeeld tentoonspreidde toen hij na de moord op Theo van Gogh die discussie opende. En dat die discussie daarmee dus al een flutdiscussie was, want in de verkeerde context gevoerd.
Maar weet u, meneer Bos. Ik ben ik. Ik ben gewoon maar een dertiger met een mening.
U bent volksvertegenwoordiger van de PvdA, meneer Bos, dus zodra die discussie aan de orde komt, heeft u zich niet te bedienen van pr-praat in de trant van ‘niet het juiste moment’. Dat is het soort damage-management waar de RVD nog een puntje aan kan zuigen.
Snapt u wat ik bedoel, meneer Bos? Kijk, dat die wet sluimerend bestaat, is al een beetje gek. Maar als zo’n rechtse regering hem aan de orde stelt en dus eigenlijk opnieuw de vraag voorlegt of we god wettelijk meer rechten moeten geven dan pak ‘m beet homo’s, zwarten en gehandicapten, dan moet u als PvdA-vertegenwoordiger natuurlijk gewoon zeggen: hebbes! Die wet moet weg. Niks ‘niet het juiste moment’. Een kwestie van principes, meneer Bos. Prin-ci-pes.

En dan dat puntenplan van een linkse coalitie, meneer Bos. Dat vond ik ook erg. Dat u dat afwees.
Ook hierin kon ik nog een heel eind begrip opbrengen. Ik vond het niet voor niets moeilijk om te kiezen van welke partij ik lid zou worden, meneer Bos. Dat moet u van me aannemen. Ik zou ook twijfelen bij bepaalde voorstellen van GroenLinks en de SP. Dus tot zover begrijp ik uw aarzeling.
Maar… als u even later wel met zoveel woorden wilt zeggen dat u een coalitie met Wilders ‘niet uitsluit’, dan bent u mij kwijt. Dan zakt mijn broek af, om niet meer omhoog te komen, meneer Bos. Dat is toch onbegrijpelijk?

Tot slot: de terrorismediscussie.
Ik had van u wel wat tegengeluid verwacht, meneer Bos. Ik kijk om me heen en zie geen terrorisme in Nederland. Nu zult u zeggen: ja, maar jij bent maar een gewone dertiger met opvattingen. En daar heeft u gelijk in, meneer Bos. Die heeft u wel niet van uzelf, maar het is wel waar.
Maar ik kan wel zien dat er heel rijke mensen zijn die hypotheekrente-aftrek hebben, ik weet dat er veel kinderen zijn die zonder te eten naar school gaan. En zonder lunchpakket. Ik weet dat Nederland over vijftig jaar zeer waarschijnlijk tot aan de Utrechste Heuvelrug onder water staat.
Als dertiger met opvattingen mag ik best constateren dat u meewaait in de waan van terrorisme, terwijl u de rest op uw dooie akkertje eens gaat overdenken. Vindt u ook niet? Meneer Bos?
Dit zijn slechts een paar voorbeelden, maar voldoende om alle ruimte die er was om achter u en uw partij te staan teniet te doen.

Om het kort te houden: u bent mij kwijt.
Vaarwel, meneer Bos.
Vaarwel.

Zezunja

24 februari 2005

En toen was er antwoord…

Beste meneer Bos,

Bedankt voor uw snelle reactie terug. U mag best weten dat ik onder de indruk was van het feit dat u binnen 24 uur zo’n uitgebreide mail terugstuurde. En zo serieus. Ik vond dat sportief. Vooral omdat ik u flink plaagde in mijn brief. Met dat kontje en met dat ge-meneer Bos. Ik had mij best kunnen voorstellen dat u zou denken: nou ja, als we aan elke plagerige dertiger met een mening een mail terug moeten sturen, kunnen we wel aan de gang blijven.
Maar u dacht dat niet. U ging in op alle concrete punten die ik noemde. En u was zo vriendelijk mijn moeder erbuiten te laten.

Omdat ik het niet kies vind uw brief op mijn site te plaatsen, zal ik u slechts parafraseren.
U vindt het net als ik jammer dat de formatie destijds mislukte, maar u schrijft dat het eigenlijk niet uitmaakte of u en meneer Balkenende chemie hadden. Het CDA was achter de coulissen allang bezig met lijntjes uitrollen naar de VVD en D66.
Ik weet het, meneer Bos. Ik weet het. En dat was een rattenstreek van ze. Echt een luizige actie. Dat had nooit onder de zachte zomeravondnoemer ‘chemie’ naarbuiten gebracht mogen worden. Maar goed, misschien wist u toen nog niet dat ze er zulke sluwe praktijken op nahielden.
Blijft natuurlijk overeind dat mijn reden om lid te worden (welke partij kan dat blok vormen tegen LPF, VVD en CDA? de PvdA) daarmee al in rook opging.

U gaat ook in op mijn aantijging over het gebrek aan oppositie, aan links geluid, aan tegenwicht. U zegt dat u niet schreeuwerig oppositie wilt voeren, omdat u zich realiseert dat u sommige problemen aan uzelf te danken hebt. Dat vind ik nobel, en zelfs een beetje ontwapenend.
Maar ik herneem mij: u moet harder schreeuwen. Echt. Zelfs al is het uw eigen schuld. Zo ging dat vroeger ook, meneer Bos. Op het schoolplein. Je kreeg pas aandacht als je heel hard ging huilen, meneer Bos. Als je met een smak uit het klimrek viel, kon je wel denken: eigen schuld, maar de oplossing voor je tranen kwam pas als je kabaal maakte. Eigen schuld of niet.

Dan zegt u dat u probeert voor onder meer die gemiste kansen reële oplossingen te zoeken, waardoor de oppositie niet altijd even sterk overkomt. Denk aan het schoolplein, meneer Bos. Want als je schreeuwde, kreeg je behalve die Bert en Ernie-pleister ook een heleboel aandacht. Mensen keken naar je. Andere, vreemde juffen gaven je een aai over je bol. Zelfs als je dan heel hard geroepen had: ‘Het was wel heel erg mijn eigen schuld, maar er moet nu toch echt iets aan mijn knie gebeuren’, dan wist nog iedereen: het is dan wel zijn eigen schuld, maar hij wil wel dat er iets aan zijn knie gedaan wordt. Dat is reëel. En komt sterk over.
Trouwens, men zou natuurlijk ook denken: goh, wat een diplomatiek kind, daar onder dat klimrek. Want het wordt zo langzamerhand wel een beetje een malle metafoor.
Nog even dan: ik vind echt dat dit kabinet het verdient dat het hele schoolplein stil blijft staan om te beseffen hoeveel pleisters en glaasjes water er wel niet nodig zijn om wat het aanricht weer goed te maken. En als dan en passant de fouten van uw eigen partij ook nog even opgelost worden, is dat alleen maar mooi meegenomen.

Hoe dan ook, ik ga nog even verder, met uw welnemen, meneer Bos.
U zegt dat we het principieel eens zijn over de godslasteringdiscussie, maar tegelijkertijd zegt u dat de discussie nergens over ging. U haalt daarbij aan dat die wet in honderd jaar maar drie keer gebruikt werd. U zegt: het was een discussie over niets en het kon in een oververhitte samenleving wel problemen opleveren die discussie verder te voeren.
Zoals ik al in mijn opzegbrief schreef: ik ben het met u eens dat het geen bijzonder goed moment was. Maar dat is het vervelende aan die verrekte principes: voor principes maakt het niet veel uit of ze goed getimed opgediend worden, of op een beroerd ogenblik. Daar zijn het principes voor. Die staan altíjd als een paal boven water.

U komt daarna met een prachtig, eerlijk stukje. U geeft toe dat u ongelooflijk ingewikkeld klinkt als u zegt dat u geen enkele coalitie uitsluit, maar wel uitsluit dat u het met Wilders op bepaalde punten eens zult worden. Nou, ik kan u vertellen: alleen al het navertellen valt niet mee, dus het bedenken moet een bovenmenselijke krachtsinspanning gevergd hebben. U erkent gelukkig zelf ook direct dat u dat misschien anders had moeten brengen.
Ja, dus.

Verder zegt u dat we van het Fortuyn-tijdperk hebben kunnen leren dat je niet de personen moet bestrijden, maar op inhoudelijke gronden de strijd moet aangaan.
Ja. Uhm. Dat lijkt mij nou precies een reden om een coalitie met Wilders uit te sluiten: inhoudelijke gronden.

U verwijst mij naar uw eigen website waar het gaat om het terrorismedebat en uw duidelijkheid daarover. Omdat ik dat wel zo netjes vind, zal ik mijn lezers daar ook naar verwijzen. (klik)
U zegt er in uw mail aan mij ook iets over. U zegt dat u het gevaar van terrorisme niet onderschat maar niet bij voorbaat allerlei geliefde burgerrechten wilt opofferen. U vindt dat u zich daarin onderscheidt van alle andere partijen omdat die ófwel alle regeringsplannen op voorhand afkeuren, ófwel de regeringspartijen een carte blanche geven bij de aanpak van dat -wat ik dan noem vermeende- terrorismeprobleem. U zegt dat u tegen de stroom in wilt blijven pleiten voor nuchterheid, evenwicht en nuance.
Mijn probleem is dat u ook hier niet hard genoeg roept waar het écht over zou moeten gaan. U moet immers niet alleen de regering kritisch volgen, maar die lui ook op andere gedachten brengen, andere prioriteiten geven. De regering zal hard genoeg over dat terrorisme schreeuwen. Als leider van een linksige oppositiepartij zou u wat harder moeten roepen dat er wel belangrijkere dingen zijn om over na te denken.
U vindt het kennelijk een verdienste dat u zich onderscheidt van de rest van de ertoe doende partijen, maar misschien was het op dit punt logisch geweest als u zich juist vrijwillig wat méér tegen andere partijen had aangeschurkt. Als u zich wat meer aan de zijde van de linkse partijen had geschaard. Want zeg nou eerlijk, dit kabinet geeft toch aanleiding om inderdáád al op voorhand al die onnutte, idiote, onvrije terrorismebestrijdingsplannetjes af te schieten?

Ik ben zo vrij om uw laatste zin wél letterlijk te citeren, omdat ik die waanzinnig ontroerend vind. Bijna machteloos. In weerwil van alles, tegen de bierkaai en de wind frontaal.
“Dat is af en toe verdomd moeilijk uit te leggen, zoals ook uit deze mailwisseling blijkt. Maar ik wilde het toch nog maar even volhouden.Vriendelijke groet, Wouter Bos Fractievoorzitter Partij van de Arbeid .”
Zucht.

Tot slot: u bent een charmante meneer, meneer Bos. En dan heb ik het niet over uw kontje, want daar heb ik me eerlijk gezegd nooit in verdiept.
U heeft mij best ingepakt met die brief en de snelheid waarmee die naar mij toekwam. De chemie deugt. Maar toch word ik niet opnieuw lid.
U moet, wat mij betreft, eerst maar eens wat harder gaan schreeuwen.

Met vriendelijke groet,
Zezunja

28 februari 2005

Penvriendjes

We lijken wel penvriendjes, Wouter Bos en ik. Ik ben echt verbaasd.
Ook mijn weerwoord op zijn weerwoord werd beantwoord.
En hoe. Nergens haalt hij politieke geintjes uit, hij kletst niet om de hete brij heen, hij pakt mij niet op punten waarop hij dat vast makkelijk had kunnen doen. (Ik heb namelijk nauwelijks gedegen research gedaan alvorens mijn brieven te schrijven en ik sla vast wel ergens de plank mis. Maar een lidmaatschap opzeggen moet geen werk worden, dus ik dacht: uit het blote hoofd, de dikke duim en hup: dat toetsenbord in.)
Maar hij houdt zich in. Hij geeft me zelfs niet het mailadres van de weer-aanmeld-administratie.

Nee, hij bedankt mij (‘Beste Zezunja’) voor mijn uitgebreide brieven en belooft nog eens hard na te denken over het harde schreeuwen. Daarmee heb ik voor even de gedachten van een belangrijk politicus bepaald. Dat doet me deugd.
Verder haakt-ie in op mijn zin: ‘Ja. Uhm. Dat lijkt mij nou precies een reden om een coalitie met Wilders uit te sluiten: inhoudelijke gronden.’
In hetzelfde interview als waarin hij zei dat hij die coalitie niet uitsloot, zei hij ook dat een coalitie met Wilders wel ‘onwaarschijnlijk’ leek op inhoudelijke gronden. ‘Maar’, zegt hij, ‘ik had uiteraard moeten beseffen dat het eerste deel van mijn bewering de aandacht voor het tweede deel zou overschaduwen. ”
Vervolgens groet hij mij vriendelijk .

Je zou er toch bijna optimistisch van worden.

Kan iemand me even bijpraten over het algemeen belang?

Het is 1994, School voor Journalistiek, Ravellaan, Utrecht. Ik sta in een lokaal en moet iemand bellen voor een interview.
‘Goedemiddag, ik ben Maartje Luif, mag ik u wat vragen stellen over dit en dat en zus en zo’
Dat mag.
Ik vraag veel, noteer ijverig, ik bedank en ik hang op.
Achter mij staat een docent.
‘Heb je helemaal niet gezegd dat je journalist was?’
‘Nee, het was niet nodig, die man wilde zo ook wel praten.’
‘Één ding’, zegt hij, ‘we strijden altijd met open vizier. Dus we vertellen altijd dat we journalist zijn en voor welk medium we werken.’
Okee’, zeg ik.

Het is 1997, ik zit in het derde jaar van de School voor Journalistiek. Ik wil een verhaal schrijven over relatiebureaus, en een over het misbruik van stichtingen als rechtspersoon, en een verhaal over de toevoer van hasj naar coffeeshops. ‘Ga undercover! Bij allemaal. Als je dat niet doet ben je geen knip voor je neus waard.’ Een andere docent, een andere visie. Ik deed het niet.

Het is 1998. De hoofdredacteur van het vakblad zegt: ‘We doen het undercover.’
‘Kan dat wel?’ vraag ik.
‘Als je het niet kunt uitdiepen zonder undercover te gaan en het dient een algemeen belang, dan valt het te verdedigen.’
En dat is zo, dus we doen het.
De artikelenreeks is een succes en niemand valt ons erop aan, behalve de organisaties waarover we undercover berichten.

Het is 2003 en als docent krijg ik tijdens redactievergaderingen op de School voor Journalistiek regelmatig te maken met studenten die undercover willen gaan. Bij relatiebureaus, bij studentenverenigingen, bij overheidsorganisaties, noem maar op. Steeds opnieuw moet ik beoordelen: is het algemeen belang hiermee gediend? Is het de smet op het blazoen van de transparante journalistiek waard? Wat zijn de grenzen van het algemeen belang? Als een groep studenten een te kleine groep is om het algemeen belang te definiëren, welke groep moet ik dan wel voor ogen houden? Vaak zeg ik nee. Soms zeg ik ja.

Het is 2010 en op Villamedia lees ik dat de commentaarschrijver van NRC van mening is dat in het geval van de undercoveractie van HP/De Tijd bij de PVV ‘van een dergelijk belang geen sprake is’. Jan Dijkgraaf van HP/De Tijd is het daar niet mee eens en roept iets over journalistieke plicht die boven burgerplicht gaat.
Maatschappelijk belang, journalistieke plicht. Het gaat over tafel alsof het niks is. En aan elk argument hangt de schijn van gelijk.

Het is 2065 en wetenschappers zoeken nog steeds met onderzeeërs naar de grenzen van het algemeen belang. Er zijn veel doden gevallen. De journalistieke plicht is afgeschaft. Alleen vrijwilligers kunnen zich nog melden. Dat zijn mensen die er zelf voor kiezen en die zich dus niet kunnen beroepen op ‘dwang van het algemeen belang’.
Ik ben 91 en ik kan me met moeite herinneren dat ik ooit terechtgewezen werd omdat ik iemand opbelde zonder te vertellen dat ik journalist was.

Het verhaal van mijn rijexamen en de zonnebril op het dak

Voor wat er aan vooraf ging: lees mijn aankondiging van gisteren.

De dag van mijn rijbewijs was het zonnig, veel meer dan dat weet ik niet – ik heb alles verdrongen. Dat er zon geweest moet zijn, weet ik vanwege de titel van dit stukje.

Het examencentrum in Alken (Hasselt) is gevestigd op een industrieterrein en mijn instructrice (die met een andere pet op de moeder van Wannes is) was paraat. Ik was er helemaal klaar voor: 20 uur les en daarnaast nog meer dan 1000 kilometer ‘vrij’ gereden. Ik twijfelde niet.

Voordat we de weg op gingen, liet de examinator mij de motorkap openen, waarna ik moest zeggen welke tank voor de koelvloeistof was. Omdat het donker was onder de motorkap legde ik mijn zonnebril op het dak van de auto. Daarna wees ik feilloos het reservoir van de koelvloeistof aan.

Vervolgens mocht ik instappen. Ik zette alles nog eens goed: stoel, stuur (ik heb last van lange benen) en binnen- en buitenspiegels. Toen draaide ik de sleutel om en reed ik weg, de rust zelve.

Iets buiten het examencentrum hoorde ik wat getik op het dak. Rikketik, rikketik, rikketik. De moeder van Wannes zat naast me en de examinator zat achterin gezellig tegen haar te keuvelen. Ze hoorden niks.

Ik reed gestaag door en twijfelde of ik het geluid zou melden. Het was geen bekend geluid en hoewel het niet uit de vitale onderdelen van de auto leek te komen, verontrustte het me toch.

En ineens waren ze daar: DE ZENUWEN.

Al die tijd had ik kalmpjes gewacht tot het examen was begonnen, ik was heel Zen van het examenterrein afgereden en ik was er vol zelfvertrouwen aan begonnen. Maar nu verkeerde ik in het volle besef dat ik rijexamen aan het doen was en dat het wel eens HELEMAAL FOUT KON GAAN.

Plots veranderde het stuur in een zompig zwembadaccesoire, mijn voeten zweefden aarzelend boven de pedalen en ik had moeite me te concentreren door het gekeuvel in de auto en bovenal: het gerikketik op het dak.

Ik reed nog maar een stukje door in opperste vertwijfeling. Gelukkig was er weinig verkeer op het industrieterrein. Ik kneep wat in het stuur, omdat ik door het zweet de grip leek kwijt te raken en ik keek als een bezetene in mijn spiegels in de hoop mijn concentratie weer terug te krijgen. Rikketik rikketik rikketik.

We reden de hoek om. De zon stond laag. Rikketik. Tijd voor een zonnebril.

Juist ja, de zonnebril die ik op het dak had gelegd, omdat het zo donker was onder de motorkap. En die ik daarna dus niet weer van het dak had gehaald. De zonnebril die ik nu hard nodig had, lag op het dak van rikketik te doen.

Ik zat nog even in dubio: het was een zonnebril van hooguit 15 euro, die mocht wel te pletter vallen. Maar het gerikketik leidde me te veel af, bovendien stond de zon echt akelig laag.

‘Ik heb mijn zonnebril op het dak laten liggen’, zei ik tegen de examinator. Het werd stil in de auto. Via de binnenspiegel zag ik dat de examinator met stomheid geslagen was. En de moeder van Wannes ook.
‘Mag ik even stoppen om ‘m eraf te halen?’, vroeg ik
‘Uh… wat ligt er juist op het dak?’, vroeg de examinator terwijl hij me via de spiegel aankeek.
‘Mijn zonnebril. Die heb ik afgezet om de watertank aan te kunnen wijzen. Maar die ligt nu nog op het dak.’

Dit was het moment waarop mijn zenuwen het helemaal overnamen. Het duurde even voor de examinator antwoordde, die moest vermoedelijk ook even verwerken wat ik zojuist had gezegd. Dat gaf mij de tijd om te verkrampen, om bijna sterretjes te zien van de adrenaline.

‘Ja, probeer de auto maar ergens aan de kant zetten’, zei de examinator uiteindelijk. Ik keek rond. Het was een industrieterrein zonder stoepen en met ontelbaar veel inhammetjes, uitritten, plots opduikende parkeerplaatsjes en mega-trucks die her en der langs de weg waren gezet. Ik vroeg mij koortsachtig af of er in deze straat überhaupt een plek was waar je reglementair mocht staan.

Op goed geluk koos ik een plek.
Verkeerd.
‘Hier sta je voor een uitrit’, zei de examinator streng.
Hij had gelijk, het was een goed verstopte uitrit.
Ik reed iets naar voren en vroeg: ‘Mag het hier?’
Wannes’ moeder en de examinator keken om zich heen en humden in koor: ‘Mja, hier mag het wel, lijkt het.’

Toen de auto stilstond, wilde ik mijn gordel los doen en uitstappen, maar de examinator zei: ‘Nee, laat de instructrice maar even gaan kijken.’
O, okay. Ik liet de gordel los en keek naar de instructrice c.q. de moeder van Wannes. Die stapte uit en liep de weg af.

De weg af. Dat was nergens voor nodig. De zonnebril lag gewoon aan mijn kant óp het dak van de auto. Ik keek om, langs de examinator en zag de moeder van Wannes op een drafje tientallen meters teruglopen, naar de grond kijkend in de hoop de zonnebril te vinden. Ik wilde naar haar roepen. ‘Hee, joehoe, hij ligt op het dahak.’ Maar ik durfde niet, ze was al best ver weg en ik mocht van de examinator niet uit de auto.

‘Hij ligt gewoon op de auto’, piepte ik tegen de examinator.
‘Ja, ik geloof dat ze dat niet begrepen heeft’, zei de examinator, terwijl hij door de achterruit de moeder van Wannes nakeek.

Het was doodstil in de auto en het leek eeuwen te duren voordat de moeder van Wannes besloot weer om te keren. En toen duurde de terugweg ook nog eeuwen. De examinator en ik keken zwijgend door de achterruit. Toen ze dichtbij genoeg was om ons te zien, wees ik naar het dak. Ze keek en knikte: aha!

Toen de moeder van Wannes weer in de auto zat, probeerde ik me weer te concentreren: ik was rij-examen aan het doen, elke beweging, elke handeling deed ertoe. Maar het was een chaos in mijn hoofd, ik zat me alleen maar af te vragen of ik op het moment dat ik die zonnebril op het dak legde al gezakt was.

De veertig minuten die volgden, beleefde ik in een roes. Voor m’n gevoel reed ik vlug en vaardig, maar mijn gedachten schoten alle kanten uit. Ik zag telkens het beeld voor me van de moeder van Wannes, op een drafje in de achterruit. Toen we bij het examencentrum kwamen, was het hoge woord er snel uit. Ik was gezakt, niet door de zonnebril, maar door een moment waarop ik bij het linksafslaan zonder te pinken van de linker naar de rechter rijbaan was gegaan.

En hoe hard ze me ook probeerden uit te leggen op welk kruispunt dat was gebeurd, ik kon het me niet herinneren.
Ik zag alleen maar de moeder van Wannes. Op een drafje in de achterruit.

In de loop van de week: Het verhaal van de auto en hoe Paris Hilton niet te vertrouwen is.

Het verhaal van de meesterplanner en de rijbewijsrampspoed

Net als het Choco-verhaal heeft ook dit verhaal een aanloop nodig. Het verhaal van de auto is namelijk nauw verbonden met het verhaal van mijn rijbewijs. En het verhaal van rijbewijs, tsjongejonge-nounou, dat is me een verhaal.

Mocht u willen weten hoe de zaken ervoor stonden toen ik besloot mijn rijbewijs te gaan halen, lees dan eerst o-kut-o-kut-o-kut-o-shit-o-shit-o-shit en Ik ben een chauffeur. Ik las het zelf ook terug en in het eerste stukje staat: “Als alles volgens planning verloopt, heb ik in 2008 een rijbewijs.”
Au!

En dan te bedenken dat ik een meesterplanner ben. Echt een actieve agendaschrijver met doelen, middelen en resultaten. Maar dat mag niet altijd baten. Blijkt.

Want het is bijna 2010 en ik heb mijn rijbewijs nog steeds niet.

Bij het verhaal van de auto hoort dus het verhaal van mijn rijbewijs. Het combinatieverhaal bestaat uit drie delen:
Het verhaal van mijn rijexamen en de zonnebril op het dak.
Het verhaal van de auto en hoe Paris Hilton niet te vertrouwen is
Het verhaal van het gehaalde theorie-examen dat niet meer geldig is

Morgen: het verhaal van mijn rijexamen en de zonnebril op het dak.

Het verhaal van de herfst en de naar binnen groeiende druivelaar

Dit huis is om een druivelaar heen gebouwd (of om een wijnrank, zoals ze Nederland zeggen). Dat klinkt vreemd, en dat is het ook. De veranda (serre voor Nederlanders) die aan ons bureel vastzit heeft een naar binnen groeiende druif.

Kijk maar op de foto: de stam en de wortels staan buiten, de druiven hangen binnen. De huiseigenaar heeft bij de bouw van de serre de stam keurig in een uitsparing bij de dakbalken gemanoeuvreerd. De druiven die eraan groeien zijn heel zoet en sappig, omdat het in de serre natuurlijk altijd luw en zonnig is.



Klik voor de hele foto.

Een trosje druiven kunnen plukken als je hard aan het werk bent, is tof. De bladeren horen vallen als je hard aan het werk bent, is ook tof.
Maar als het echt herfst wordt, is het toch iets minder tof. Kijk maar op de foto.



Klik voor de hele foto.

Maar het valt op te lossen, kijk maar op de foto.



Klik voor de hele foto.

We zouden ‘m ook niet kwijt willen. Zicht op de tuin terwijl je stukjes tikt, is één ding, maar een beetje natuur in huis is de kers op de taart. Dus we zullen keihard dealen met het gebladerte. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de condens die zo’n boom produceert in de zomer. Een goed onderwerp voor ooit: Het verhaal van de druppelende muren. Maar dat is niet de volgende stukje, want er moeten eerst nog heel wat perikelen afgehandeld worden.

Het verhaal van het onverwachte bureel

We wilden ons werk achter ons laten als we klaar waren, we wilden niet per ongeluk de bliepjes van de mail horen, we wilden dat Het Eiland Neus een eiland werd en niet langer verlengstuk was van onze woonkamer. We wilden verhuizen.

Toen we dit huis zagen, waren we op slag verkocht. Al het hout, al die kamers, al die mogelijkheden. Maar er was één probleem: geen van de kamers was groot genoeg voor een bureel met twee driftig knutselende mensen. De woonkamer was dik in orde als woonkamer, de logeerkamer was dik in orde als logeerkamer, de badkamer als badkamer, de inloopkast, de slaapkamer, en nog ‘n ongebruikte kamer: allemaal dik in orde. Drie etages met een keur aan toffe kamers… maar geen bureel.

Tot ons oog viel op de kelder. Aan de straatkant is de kelder een echte kelder, maar aan de tuinkant is de kelder eigenlijk de begane grond, want straat en tuin verschillen enorm in hoogte. In die kelder is een grote kamer, die aansluit bij een serre (voor Vlamingen: veranda) die grotendeel bestaat uit glas. En die kamer was eigenlijk groot genoeg voor Het Eiland Neus.

De studenten die in ons huis hadden gewoond, hadden de kelder ingericht als een thuisbar, met okergeel op de muren en blauw op het plafond. Daardoor moesten we langdurig onze ogen sluiten, want anders was het in al die lelijkheid onmogelijk om je voor stellen dat daar ooit een plezierige werkplek zou kunnen ontstaan.

De kamer zoals die was.


Klik voor de hele foto.

De veranda zoals die was.


Klik voor de hele foto.

Maar een paar uur in in lotushouding was voldoende om het toekomstige bureel aan de binnenkant van onze oogleden te projecteren.
En zo sloegen wij – en enkele lieftallige vrienden en familieleden – aan het schilderen en inrichten. De bar werd een bureau, het oker werd rood en wit, en de veranda werd het perfecte uitzicht voor een creatief bureau.

Zo ziet het er nu uit.

Mijn kant.


Klik voor de hele foto.

De hele ruimte.


Klik voor de hele foto.

Wannes’ kant.


Klik voor de hele foto.

De veranda.


Klik voor de hele foto.

En de laatste foto biedt gelijk een aanknopingspunt voor het volgende stukje: Het verhaal van de herfst en de naar binnen groeiende druivelaar.

Het verhaal van de altijd zichtbare toren

U wilde perikelen (dat bleek hier) maar u wilde ook het verhaal van altijd warme voeten en de daarbij behorende foto’s.
Welaan, bij deze.



Klik voor een grotere foto.
Het verhaal van de… altijd zichtbare toren

Toen ik voor het eerst in Leuven kwam, vond ik het een schattig stadje. Mooi, levendig, maar niet echt serieus te nemen als stad. Een ring waar je maar 50 mag, geen buitenzwembad en in vakanties maar 60.000 inwoners, neuh, dat viel niet serieus te nemen.
Het allerschattigst vond de enige wolkenkrabber die Leuven rijk was: Sint-Maartensdal.
Sint-Maartensdal is in meerdere opzichten schattig. Ten eerste is het een flat met een futuristische barbecuespies op het dak, waarschijnlijk om daadwerkelijk de wolken te krabben. Dat heeft iets over-ambitieus, wat het gebouw in het geheel niet waarmaakt.
Want het is een flatje van niets. Zoals de naam al zegt: hij staat in een dal, waardoor de toren nog niet eens een vliegtuiglichtje nodig heeft. Daar is weinig wolkenkrabben aan, me dunkt.
En dan de kleuren, die zijn wel het allerschattigst. In België hebben ze de neiging om – net als in Frankrijk – de pijn van armoede te verzachten door de getto’s zalmroze te schilderen. Sint Maartensdal is naar Leuvense maatstaven zo’n getto: het handjevol allochtonen dat Leuven rijk is woont daar, aangevuld met wat opgeschoten jeugd en wat laagopgeleide kansarmen. Als getto op zich niet serieus te nemen, en daarom zo geschikt als achterstandswijk voor Leuven. En ook die hebben ze dus zalmroze geschilderd, zodat de armoede er minder rauw uit zou zien.

In ons vorige huis hadden we zicht op de Begijnhofkerk (klik), maar dan moesten we wel in de tuin gaan staan. In dit huis hebben we altijd uitzicht, op elk van de vier etages.
Uitzicht op de zalmroze staf met barbecuespies die ik bij mijn kennsimaking zo schattig vond. Pathetisch zelfs.
Inmiddels ben ik blij dat het geen grauwe grotestadsflat is, maar een Eftelingwolkenkrabbertje – waardoor ik telkens weer besef dat ik in het rustige en gezapige stadje Leuven woon.
Laat dit het eerste verhaal van altijd warme voeten zijn: het uitzicht bevalt me.



Klik voor een grotere foto.

Straks ontploft alles

Ooit schreef ik iets over een gasvergiftiging, die ik opliep door een aardgaslek in de bossen. Jaren later schreef ik eens iets over mijn bizarre geurvermogen en dat dat gelukkig een beetje was ingetoomd.

Welnu, voeg die twee samen en herstel dat stukje over ‘ingetoomd’ – mijn geurvermogen was weer als vanouds.

Dwaal vervolgens met mij mee door het nieuwe huis: er is een regenput onder de dichte veranda. Dat geurt. Er is overal hout dat stevig ingeboend is, waardoor je je soms in de sauna waant. Er is een nieuwe badkamer met nieuwe geuren van oud sanitair en douchegel. En er is een bedorven geurtje, dat lijkt op de lucht van het stilstaande water in de regenput, maar dat onmiskenbaar iets anders is. Een geurtje dat me bezighoudt.

Kook met me mee, in het nieuwe keukske, zo klein dat je alles vanaf een centraal gepositioneerd been kunt bereiken.
Ruik het gas. Snuif het op. Na jarenlang koken op een elektrisch toestel in een huis zonder gasleiding, eindelijk koken op gas! Wat een genot. En besef: het Belgische gas ruikt to-taal anders dan het Nederlandse gas. Dus alle ooit aangeleerde alarmbellen onder het kopje: ‘hela, dit is gas!’, daar heb je niks meer aan.

Denk aan het bedorven geurtje. Denk aan de nieuwe geur van gas. En tel die twee bij elkaar op.

Tot zover is het gemakkelijk. Maar dan… Ik ben kennelijk de enige die het ruikt, de enige die erover klaagt, de enige die beweert dat het gas is. Ik. De rookie. Degene die pas sinds kort weet hoe Belgisch gas ruikt. Van de bezoekers ruikt slechts 20 procent iets, onder wie een zwangere. Wannes, de belangrijkste getuige, ruikt helemaal niets.

Ga mee in mijn overredingstactiek van snuiven, zeuren, nog eens snuiven en vervolgens de ’straks ontploft alles’-kaart spelen.
Het werkt. Eandis komt, zo’n koepelorganisatie met een alarmcentrale. Het metertje is duidelijk: er is gas. Niet veel. Wel een beetje. Oude leidingen moeten vernieuwd. Goed luchten. De huisbaas bellen.

Beeld je in: “Hoi huisbaas, wij zijn de nieuwe huurders, kunt u even de leidingen vernieuwen?”
Maar hij doet het, ook al ruikt hij niks.

Wacht met me mee. Op de loodgieter die nog weken op zich laat wachten. En rook met me mee. Tot een herfstachtige 12 graden. Met tig open ramen, want je weet nooit wanneer het ontploft.

En zie: als de loodgieter komt, steekt hij wat nieuwe buisjes in de oude, hij meet voor de laatste keer het gas in de ruimte, hij maakt een picobellogebaar en hij vertrekt.

Tel met mij mee – op je vingers:
1. Zezunja: voor al uw geurspeurwerk, tegen elk aannemelijk bod.
2. Je kunt maanden in een huis met een gaslek leven.
3. Je kunt maanden in een huis met een gaslek roken.
4. Nieuwe gasbuizen blijken gewoon in de oude te kunnen. Daarna stinkt het wel, omdat het gas uit de oude buis ergens heen moet.
5. Gas moet gemeen ruiken, zoals Nederlands gas, en niet bedorven, zoals Belgisch gas.

Welk perikel wilt u?

Voor ik ging verhuizen, dacht ik: “Als we maar goed plannen, komt alles goed.” Haha. Haha.
Deze verhuizing bewees eens te meer dat planning een leuk stukje huisvlijt is, maar dat het niet kan voorkomen dat de hoeders van Murphy’s wet hun poot stijf houden.
En zo kwam het dat ik zes weken lang tal van zinderende belevenissen met mooie spanningsbogen en heusche verhaalstructuren niet kon opschrijven, omdat zaken in de soep zien lopen zoveel tijd kost.

Maar sinds gisteren heb ik weer een bureau. Met een grote computer. En zozeer last van verhuizingsdementie dat ik alles wat in de soep liep/loopt alweer bijna vergeten ben. En dat moet niet, want het zijn verhalen.

(1)
Zo is er het verhaal van Choco die op het dak van de buren zat, dagenlang, met haar middelvinger omhoog. Ze wilde niet meeverhuizen. Zou het ons gelukt zijn? Of zouden we een poes zijn kwijtgeraakt tijdens de verhuizing?

(2)
En er is het spannende verhaal van een distributieriem die het midden op de autostrade begaf. De grote vraag is: overleefden we het? En kwam Wannes ooit nog aan bij zijn optreden?

(3)
Verder is er nog het verhaal van het reçuutje uit 2006 dat ons 1800 euro kon opleveren, als we het nog konden vinden. En dat ons 1200 euro zou kosten als we het niet zouden vinden. Ik verklap nog niks.

(4)
En het verhaal van het bloed in de kattenbak. Maar whodunit? Wie van de drie?

(5)
En het verhaal van de corrupte keurmeester van onze auto. Waardoor ‘t Poloke misschien toch nog iets duurder wordt dan de habbekrats die hij was. Wie schoof de keurmeester wat toe?

(6)
En er was het verhaal van de eerste minuut in ons nieuwe bad en het watervalgeluid dat uit de keuken kwam. Hadden we daar nog energie voor? U kunt nu inzetten.

(7)
Of het verhaal van de haan en Kapitein Eenoog. Waardoor mijn leven in het ergste geval voortaan elke dag om half vijf begint en waardoor mijn katten binnenkort misschien een ooglapje moeten. Staan we aan het begin van een ware war on terror?

(8)
Of het verhaal van de asbestplaat in de tuin. Benieuwd wat de bureaucraten, die al wekenlang allerlei valstrikken voor ons in petto hebben, daarmee doen. Lijkt me een vervolgverhaal.

(9)
En ik moet natuurlijk het verhaal van het vermeende gaslek – dat de helft van de mensheid slechts ruikt – niet vergeten. Dat is een waar perikel dat nog immer niet is opgelost. Vlieg ik binnenkort met huis en al in de lucht?

(10)
Maar er zijn ook tal van mooie verhalen. Zo is er het verhaal van het fantastische bureau met zicht op rijpe druiven en een tuin met stokrozen, pioenrozen en gewone rozen, en het verhaal van de zon die altijd overal is en het verhaal van de houten vloeren en de altijd-warme-voeten. En de mooie blauwe muur, en de rode. En het verhaal van Wannes die in een kasteel gaat werken. En het verhaal van waanzinnige vrienden en familie die ons door onze zoveelste verhuizing hebben gesleept.

Welk perikel wilt u?
Of wilt u gewoon foto’s?

Wij kochten een auto van Paris Hilton

Ze had een hamster in haar handtas, de mevrouw van wie we de auto kochten. Dat verklaarde een hoop.
Zo verklaarde het onder andere de kleur van de auto’s op het terrein. Wij kochten een appelblauwkermisgroene, maar er stond ook nog een surfboyblauwe en haar hemdje was appelshampoogroen.
In haar knalrode handtas had ze een hamster onder een servetje en meer nog dan het keuringsbewijs en de carpass wilde ze ons het beestje onder het servetje laten zien. Haar fiets was roze met wit.
We hadden de auto op internet gevonden. Eentje die de afgelopen veertien jaar maar tienduizend per jaar had gereden. Ik geloof dat ze dat een boodschappenkarretje noemen. Dit was een echte.
Ik vond haar een Limburgse Paris Hilton met haar hamster in haar tasje. En ze was al veertig of zo.
Er zaten geen nummerplaten op. Klein probleem voor een testrit. ‘Geen probleem’, zei ze. ‘Ge kunt hier over het terrein.’ We keken, en ja… het landgoed had een rondweg.
Dus daar vlogen we. In het hysterische autootje. Langs het landhuis, langs de pony’s, langs de jachthonden en langs de elektronisch bestuurbare Dynasty-poort.
We keurden hem goed, hij reed soepel, en de auto zag er van binnen uit alsof er al jaren lakens over de meubels lagen. Dat de radio niet aangesloten leek, was een minor problem.
Maandag gaan we hem halen, met nummerplaten. Gisteren hadden we haar aan de telefoon: ze had een mannetje laten komen om de radio aan te laten sluiten.
Nooit gedacht dat ik Paris Hilton een betrouwbare autoverkoper zou vinden.

Verkiezinkje spelen



Klik voor een groter exemplaar.

Vandaag kwam mijn stembiljet van de Europese Verkiezingen. Als ik de knaloranje (!) envelop op de bus doe, heb ik gestemd. Maar ik dub nog over mijn keuze. De mooiste naam is die van een dame op de Europese Klokkenluiderspartij, Engel Vrouwe uit Warga. Maar die zit niet bij GroenLinks.

Het is begonnen

Omdat je in deze stad maar één keer in de twee maanden je grof vuil buiten mag zetten, zijn we genoodzaakt om alle spullen die we niet meer willen hebben en die te groot zijn voor een vuilniszak nu al weg te doen. Zes weken vóór de verhuizing.
Er is dus vanaf nu geen sprake meer van languit op de bank. Terwijl ik dat de komende weken hard nodig zal hebben. Met andere woorden: het is begonnen.