Archief in kronkels: Zotisch

Allegaartje (13)

Dingen die ik had moeten zeggen toen u allemaal begon over die eindeloze kater van mij
1. die was niet zo eindeloos, alleen rolde ik van de kater in de productie van een tijdschrift dat mij eens in de maand dag en nacht bezighoudt
2. mijn katers zijn nog maar eens per jaar heel heftig, die keer heb ik dit jaar al gehad – het ik-drink-nooit-meer-gevoel leidt nu ik ouder word eindelijk tot het gewenste effect: minder katers van formaat
3. ik ben dit weblog zo ontrouw als de pest, dus uit verontrustende mededelingen gevolgd door een lange stilte hoeft u niets af te leiden – stiltes zijn hier zelden nog veelbetekenend (mama!)

Dingen die het leven absoluut veronaangenamen
1. een spiraaltje: o hell, het perfecte voorbehoedsmiddel blijkt een regelrechte marteling
2. verstopping – ik zal niet in details treden, maar in al mijn wanhoop at ik gisteren vijf potjes Activia, hompen brood met hele zaden en granen en speciale darmdingeskoekjes, intussen mijn teleurstelling verbijtend dat de supermarktpruimen zo verschrompeld waren dat ik ze niet wilde aanschaffen
3. joepie, ik kan geen derde punt bedenken bij dit onderwerp – ‘n goed teken!

Dingen die Sjeik tegenwoordig doet
1. miauwen om te checken of we op hem letten – als we niet reageren op zijn gemiauw, gaat hij iets doen wat niet mag (op het aanrecht springen, de vuilnisbak onderzoeken of op tafel zitten) – heel vermoeiend, want je moet dus altijd óf reageren op zijn aandachtvragerij óf hem bestraffen
2. piesen tegen de pasgeschilderde muur, wegens voortdurende machtsstrijd met Choco, de vrouw in huis
3. je hand zoeken en zijn hoofd erin stoppen, zodat je hem wel móét aaien

Dingen die webloggen óók moeilijker maken
1. dat het fototoestel stuk is – alle andere apparaten hebben een shitty resolutie
2. dat alle Nederlandse pulpzenders (Net5, SBS, RTL) tegenwoordig een ‘uitzending gemist’ hebben, waardoor hersenloos ontspannen altijd binnen handbereik is
3. dat je met MarioKart tegen de rest van de wereld kunt racen – erg tijdrovend

Dingen die deze maand speciaal maken
1. mijn vriendje is weer even oud als ik
2. we gaan een derde iMac kopen (klinkt leuker dan het is, eentje rammelt aan alle kanten)
3. het huis is elke dag opnieuw gezellig – voor twee sloddervossen is dat uniek

Dingen die me onlangs van mijn stuk brachten
1. verschillende mensen die hun hoofd tijdelijk of voorgoed kwijt zijn – wegens aandoeningen
2. conflicten met opdrachtgevers
3. hoe klote de wereld in elkaar zit, een terugkerend fenomeen

Dingen die ik onlangs leerde
1. dat in België lange reportages en andere interviews dan vraag/antwoord-interviews nauwelijks in de geschreven pers verschijnen
2. dat stoofvlees met te veel bier naar kots gaat smaken (maar misschien is dat ook de associatie alcohol/kots)
3. hoe je je onderhandelingspositie verbetert – (klinkt vaag, maar hee, de onderhandeling is nog niet eens begonnen, dus ik geef niks prijs) – (zo doe je dat dus)

Dingen waarover ik nog een stukje moet schrijven
1. die awards (haha, hoe lang kun je iets uitstellen)
2. ons bezoek aan De Zevende Dag
3. ons Windows-avontuur

Dingen die ik mis in België
1. gewone ’slasaus’, van die flessen zure mayonaise
2. drogisterijen
3. openheid over problemen – ik heb van veel mensen de indruk dat ze probleemloos door het leven fietsen, en ik vermoed dat ik me daarin vergis

Dingen die ik onlangs ontdekte op tinternet
1. http://www.levenoppluto.nl/ – twee Nederlandse journalisten in het Belgische
2. http://engrishfunny.com/ – een site vol misplaatst/misused Engels
3. http://www.flickr.com/photos/nationaalarchief/ en http://www.flickr.com/photos/library_of_congress/ – prachtige foto’s en een schat aan materiaal, want veel is vrij van auteursrechten

Dingen waar ik zonder een fototoestel een foto van moet zien te maken
1. ons bureau – daar zit ongelooflijk veel werk in, maar het was de moeite waard
2. de met jaren-veertig-covers beplakte nachtkastjes die nog steeds niet helemaal af zijn
3. de passievruchten – wij hebben namelijk een mannetje en een vrouwtje in de tuin die nu – begin november – nog volop bloeien en bevruchten – joechei

Dingen die ik onlangs schreef
1. twintig tips voor een beetje meer welvaart – in het kader van de kredietcrisis
2. muziekgames zijn je-van-het – sportgames zijn uit (en toch heb ik nog geen muziekgames – note to self: karaokegame kopen)
3. dat ik een kater had – maar daar weet u alles van

Dingen die ik kreeg
1. een heel groot compliment van mijn schoonmoeder
2. een nieuwe fiets
3. een heleboel uitnodigingen voor dingen waar ik niet bij kan zijn, omdat ik zoveel moet werken

Dingen die ik een jaar geleden nog deed
1. schrijven voor nietlief.com – ik mis het
2. hopen dat het nu zo zou gaan als het gaat
3. mijn lief geblinddoekt meenemen naar Parijs

Dingen die ik graag van u wil weten
1. hoe gaat het eigenlijk met u?
2. wat deed u een jaar geleden?
3. wilde u nog iets van mij weten?

Alle eerdere Allegaartjes vindt u hier.

Slim

Vandaag is mijn agenda leeg wegens voorziene kater.

Mijn leven heeft mij nodig
en daarom heb ik weblogstress

Ik denk dat bijna alle webloggers het wel kennen: weblogstress.
Weblogstress is de stress die je hebt als je geen stukjes schrijft, als om wat voor reden dan ook je bezoekersaantal daalt, of als je ’s nachts in bed bezig bent met wat er aan je weblog moet veranderen.

Vroeger had ik heel overzichtelijke weblogstress. Het was de stress van een kleuter: geen verantwoordelijkheden, alleen maar lol. Je moeder ruimt de rotzooi wel op. Als beginnend weblogger heeft namelijk niemand nog verwachtingen: jijzelf niet, je lezers niet en het internet als opdrachtgever is ook al geen baas die veel van je verwacht.

In de begintijd was eigenlijk alles gemakkelijk. Ik weblogde nog bij punt.nl en omdat ik daar een van de dinosauriërs was, had ik gelijk een handjevol bezoekers. Die bezoekers waren de schrijvers van de andere paar oerweblogs op punt.nl en door een beetje heen en weer te linken, stuurden we onze familieleden over en weer.

Na verloop van tijd bloeide punt.nl op en bood het platform me een enorm voordeel: ik verscheen bij elk stukje in de categoriëen ‘laatste berichten’ en als iemand reageerde in ‘laatste reacties’. Daardoor genereerde ik sowieso bezoekers, zonder dat ik daar zelf iets voor hoefde te doen. Toegegeven: ik heb zelf ook inspanningen geleverd, zoals daar zijn: beter gaan schrijven, virtuele vriendjes maken en bij anderen reageren.

Punt.nl had nog een ander voordeel en dat was hun toptien van best bezochte blogs. Wegens dinosauriërstatus stond ik in het begin zelfs met maar honderd bezoekers per dag hoog in die toptien en wegens iets beter gaan schrijven, bleef ik daar nog lang in. Misschien was dat nog wel een groter voordeel dan de categoriëen met laatste berichten en laatste reacties, want elke doler op punt.nl wilde natuurlijk weten welke weblogs zoveel bezocht werden. En dan zit je dus in een fijne opwaartse spiraal, want hoe meer mensen willen weten wie je bent, hoe hoger je in dat lijstje komt, hoe meer mensen willen weten wie je bent.

Eén nadeel: de weblogstress werd groter naarmate ik hoger in dat lijstje kwam. Woorden als ‘best bezocht’ gaven mij plots rode vlekken zodra de cursor begon te knipperen. Want, woei, de mensen hadden misschien nog niet eens zulke hoge verwachtingen van mij, maar à­k… ik had huizenhoge verwachtingen van mijzelf.

Gelukkig was er een meevaller: ik zat grotendeels in de ziektewet en ik had voldoende tijd om me te ontdoen van de rode vlekken en om de knipperende cursor te geven wat hij verwachtte. Ik tikte erop los, netwerkte virtueel een eind in de rondte, deed gekke wervingsactietjes en had een hoop lol, óndanks de weblogstress.

We teletijdmasjienen even naar nu.

Alles is anders, maar één ding is hetzelfde: de weblogstress. Die bestaat nog steeds, al zeg ik ‘m al bijna met een zachte g.
Twee jaar geleden verhuisde ik van punt.nl naar een eigen domeintje. Dat was spannend, want plots had ik geen automatische aanwas van bezoekers meer. De bussen met Japanners die via de lijstjes van het platform bij mij uitgeladen werden, zouden voorgoed verleden tijd zijn en voortaan moest ik op eigen houtje zorgen dat de boel niet stilviel.

Wie schetste mijn verbazing toen dat behoorlijk goed bleek uit te pakken. Natuurlijk duikelden mijn bezoekersaantallen een beetje; er zijn altijd slordige rrs-lezers die niet meeverhuizen, of mensen die geen zin hebben in alweer een nieuwe bladwijzer. Bovendien waren wapenfeiten als Dutch Bloggies en een Volkskrant-publicatie al niet meer van invloed op mijn ‘unique visitors’. Maar al met al bleef alles enigszins op peil.

En toch had ik grote weblogstress en dat had één belangrijke oorzaak: mijn leven heeft mij tegenwoordig nodig. Mijn vroegere leven kabbelde ook wel voort als ik achter het computerscherm zat te kauwen op een stukje. Mijn werk, de muziek, mijn vrienden: alles kabbelde wel verder terwijl ik me bezighield met webloggen. En als het stukje goed uitgekauwd op jullie bordje lag, was het vrijwel altijd gedaan met mijn weblogstress. Maar tegenwoordig kauw ik de hele dag door. Op het leven. Op betaalde stukjes. Op lesopzetjes. Soms gebeurt dat eveneens achter het computerscherm, andere keren ben ik op toernee naar Brussel, Antwerpen of Gent. En ’s avonds ben ik uitgekauwd.

En nu komt het ergste: ik vind een weblog dat niet een paar keer per week wordt ververst geen weblog. En dat is precies wat ik in 2008, mijn jubileumjaar heb gedaan: ik heb mijn weblog ontdaan van het predicaat weblog door soms weken niet te schrijven. Tot 2008 flipte ik al de pan uit als ik zonder aankondiging drie dagen niets liet horen. Dan vreesde ik al voor een crash van mijn bezoekersgrafiekje, dan putte ik me uit in duizend excuses en dan deed ik daarna extra mijn best. Dit jaar lapte ik al mijn principes aan mijn laars en zweeg ik soms wel drie weken.

Je zou zeggen dat weblogstress went, na vijf jaar. Maar neen, want de enige remedie tegen weblogstress is ‘het goed doen’. Dus: je weblogt of je weblogt niet, maar niet iets ertussenin. En als weblogstress iets teweeg brengt, dan is het wel ambivalentie. Ik wil het wel, maar ik kan het even niet. Of ik kan het wel, maar ik wil het even niet. En dat leidt tot een halfbakken weblog.

Goed, en dan nu to the point: ik worstel hiermee. Ik heb al van alles geprobeerd. Mezelf beperkingen opleggen met hooguit driehonderd woorden per stukje of de hele maand een thema. Dat hielp eventjes, maar was niet afdoende. Mezelf nergens toe dwingen en alleen schrijven als het vanzelf gaat. Dat leidde tot enorme writersblocks. Mezelf uithuwelijken aan collectieve weblogs, maar dan schreef ik niet méér voor zezunja.nl. Mezelf uitdagen door andere weblogs te beginnen: die waren hetzelfde lot beschoren. Kortom: een worsteling.

Dus mocht u af en toe denken: wat veel stukjes met een Droste-effect (bloggen over bloggen), dan weet u waar het aan ligt. Morgen wilde ik eindelijk eens de mensen bedanken die me een award of iets anders liefs toestopten de afgelopen maanden, maar ik voorzie nu al dat dat weer gaat over hoe ik het weblog heb verwaarloosd en dat ik het niet waard ben.

Nu is het nog weblogstress, maar als ik niet oppas, wordt het een weblog-burn-out. Mijn nieuwste maatregelen zijn: geen statistieken checken, ook kutstukjes plaatsen, want als mijn perfectionistische zelf de overhand neemt, verschijnt er nooit meer iets. En zelfs als een stukje veel te lang is: gewoon plaatsen.

Vraag voor Brusselaars

Deze vraag heeft een kleine aanloop nodig, anders krijg ik niet uitgelegd welke situatie ik niet snap.

Het gaat om opstaan in de tram voor een ouder persoon. Tot nu toe ging dat in mijn leven zo: ik zie een mevrouw of meneer met meer rimpels/grijzer haar/krommer lijf dan gemiddeld de tram instappen en ik bied hem of haar aan om op mijn plaats te gaan zitten. Diegene zegt ‘ja’ ‘of, ‘nee joh, ik moet er toch zo uit’ en dan sta ik al dan niet op. En voilà : een keurig en begrijpelijk sociaal een-tweetje is het gevolg.

In Brussel heb ik het een paar keer als volgt zien gaan: ik zit op een plaatsje aan het gangpad. Er komt iemand binnen waarvan ik nog niet doorheb dat die meer rimpels/grijzer haar/krommer lijf dan gemiddeld heeft. Plots schiet er iemand voor mij langs naar de plaats aan het raam WAAR AL IEMAND ZIT! Zonder dat er gesproken wordt, verwisselen de twee à  la minute van positie en de oorsponkelijke zitter wurmt zich voor mijn knieën langs en gaat gedwee ergens anders staan. En de nieuwkomer is dan vaak helemaal niet zo oud!

Nu mijn vraag: hoe weet de raamzitter naast mij in HEMELSNAAM dat de man in kwestie op zijn plek wil zitten? Hebben jullie oogbewegingen? Geven jullie hints met je hand? Gebeurt er í­ets wat ik niet kan zien, waardoor deze situatie zwijgzaam en toch soepeltjes verloopt?

En is het normaal om deze wisseltruc niet in het gangpad te doen maar tussen de bankjes? Om je naar die plaats te slingeren in de hoop dat de ander op tijd is opgestaan?

En tot slot: er wordt niet alleen geen woord gewisseld. Ook is er voor zover ik kan zien geen oogcontact. Dus mensen wisselen van plaats als worden ze door hogerhand georkestreerd. Wat leert een Brusselaar van zijn moeder? Dat er als je in de tram zit best eens iemand met zijn grote kont op je kan zeilen, en dat je dan stoïcijns moet opstaan en moet doen alsof dat de normaalste zaak van de wereld is?

Ik kom er in mijn eentje niet uit. Please, leer mij de Brusselse mores.

In de ideale wereld

We zaten met een jointje en een kopje thee de wereld te verbeteren. Inmiddels waren we er al uit dat een verlicht despoot en een reële ruilhandel de enige oplossing is, want met bloedige revoluties de armen een plek geven in de huidige maatschappij leek ons niet echt haalbaar. We hebben dus wereldwijde indoctrinatie door een leuk, goed, slim mens nodig. We wisten alleen nog niet wie van ons drieën dat moest zijn.

Toen we naar huis fietsten, stond er een verfomfaaide man op de brug bij het Tropenmuseum. Hij wees op een papiertje en vroeg of-ie could ask us something.
‘Yes’, zei ik en ik stapte af.
‘I am looking for a place to sleep, I’ve been to HVO, to the Stoelenproject, to the Salvation Army and I’ve been all the way to the Bijlmer, but it’s all full, or it costs eight euro’s, or I’m too old, or I’ve been there already three times this week… Where should I go?’

Als je net hebt bedacht hoe de ideale wereld er moet uitzien, is dit een heuse strikvraag. Mijn het-is-koud-en-ik-moet-over-vijf-uur-alweer-opstaan-instinct raakte verstrikt in mijn in-de-ideale-wereld-is-men-solidair-instinct.
En dan sla ik dus door. Want het eerste wat ik tegen hem zei, was dat ik zelf niet meer in Amsterdam woon, dus dat-ie niet bij mij kon logeren. En omdat-ie daar uiteraard helemaal niets aan had, was dat een volkomen overbodige opmerking en moest ik dus koortsachtig nadenken hoe ik hem alsnog mijn hulp kon bieden.

Ik had nog muntjes.
‘Don’t you have some coins for me?’, zei hij, al gedachtenlezend.
We leegden onze portemonnee en kwamen tot een euro of zes.
‘Thank you very much’, zei hij, waarna hij ons nog zo lang aan de praat hield dat mijn het-is-koud-en-ik-moet-over-vijf-uur-alweer-opstaan-instinct zo getergd raakte dat ik ineens botweg zei: ‘We gotta go.’

Nog geen honderd meter verder kwam een pafferig uitziende dertiger het fietspad oplopen met een mini-jerrycan in de hand. ‘Mag ik u iets vragen’, zei hij.
‘Je kunt ons alleen nog de weg vragen, want ik heb al mijn geld honderd meter eerder aan iemand anders gegeven’, zei ik.
Hij deed alsof hij zowat moest huilen en hij vertelde een verhaal over benzine, snelweg, kilometers lopen en nog wat van die klassiekers.
‘Maar luister’, zei ik, ‘wij hebben echt – helemaal – geen – geld – meer.’
Op zijn gezicht verscheen een vervaarlijke grimas, wat voor mij aanleiding was mijn in-de-ideale-wereld-is-men-solidair-instinct voorlopig uit te schakelen.

Terwijl we wegfietsten, voelde ik me schuldig. Tegelijkertijd wist ik niet of ik hem wel wat gegeven zou hebben als ik nog wel geld had gehad.
Een verlicht despoot zou dat geweten hebben.

Maak mij een lucky bastard

‘Papa, zegt dat hij ff zal bidden tot de heilige Antonius.’
‘Maar Antonius is toch voor als je iets kwijt bent?’
(geroep beyond telefoon) ‘Ze zegt dat Antonius toch is voor als je iets kwijt bent… Ah, hij zegt dat hij dan de heilige Christoffel wel zal nemen.’
‘Maar ik betwijfel of het werkt, als je maar een beetje lukraak wat heiligen gaat aanroepen.’
‘Ja, en misschien werkt het ook niet als je niet gelovig bent.’
‘Ook dat nog.’

Bent u wel gelovig of heeft u wel een feilloos gevoel voor welke heilige op welk moment aangeroepen dient te worden? Over iets minder dan drie uurtjes (9:15) heb ik dat hard nodig, want ik ga rij-examen doen. Bijgeloof met duimen en konijnenbotten mag ook.

Update: Helaas! Eerst even verwerken, dan een weekend naar Amsterdam en dan misschien een relaas. Wel bedankt voor al uw scherven en andere dingen die geluk brengen. Ik ben maar nét gezakt, dus het heeft vast een beetje geholpen. Volgende keer weer?

Doe mij maar Viagra

Ik zal geen namen noemen, want daar hebben ze alleen maar belang bij, maar ik krijg dus elke dag spam van een begraafplaatsenaanbieder. Mijn doorgaans zeer moeilijk om de tuin te leiden spamfilter heeft er de handen aan vol. En ik vind het uitermate ongezellig.

Om iets te voelen aankomen,
heb je klompen nodig



In de reacties op dit stukje schreef Miss Puntkomma:
“Loop jij nu nog steeds op klompen? Je woont toch al een tijdje in België?”

De foto nam ik eergisteren.

Surrealisme ten top

I
‘Goedemiddag, u spreekt met die en die van dat en dat bedrijf, heeft u tijd voor wat uitleg over een aanbieding?’
‘Dat hangt er heel erg vanaf wat voor een aanbieding dat is.’
‘U bent geselecteerd als een van de tien ondernemers die in aanmerking komen voor onze unieke totaaloplossing. Wij bieden u gratis een advies over een totaaloplossing, omdat u bij onze selectie hoort.’
‘Ha, u weet het wel te brengen. ‘Bij de selectie.’ Woei! Maarrem, een totaaloplossing, wat is dat in hemelsnaam?’
‘Wij zijn van bedrijf dat en dat en zouden u graag een individueel advies geven. Omdat u een van de tien ondernemers bent uit onze selectie, mogen wij met u een afspraak maken om eens bij u langs te komen voor een volledige analyse en een totaaladvies.’
‘Maar een totaaladvies…. een totaaloplossing… wat is dat??’
‘Wij kijken waar u behoefte aan heeft en bieden u vervolgens een totaaloplossing.’
‘Maar meneer! Een totaaloplossing is niks. Waar gaat het over?’
‘Wij zijn van bedrijf dat en dat en zouden u graag een individueel advies geven. Omdat u een van de tien ondernemers bent uit onze selectie, mogen wij met u een afspraak maken om eens bij u langs te komen voor een volledige analyse en een totaaladvies.’
‘Maar. Wat. Is. Een. TOTAALOPLOSSING??’
Een volledige analyse en een totaaladvies.’
‘Maar een analyse waarvan!?!’
‘Het gaat over uw toepassingen op het gebied van websites en…’
‘Maar meneer, wij maken zelf websites, als bedrijf…’
‘O’

II
‘Goedemorgen, met het ziekenfonds.’
‘Goedemorgen, u spreekt met Zezunja, ik heb een vraag over mijn polis. Sinds enige tijd ben ik als zelfstandige verplicht ook voor kleine ingrepen verzekerd, maar ik heb eigenlijk geen idee waarvoor ik dan precies verzekerd ben.’
‘Ja, alle zelfstandigen zijn sinds enige tijd verplicht verzekerd voor kleine ingrepen.’
‘Heeft u iets waarop staat welke kosten ik kan declareren en welke niet?’
‘Maar dat is heel gemakkelijk. U bent voor vrijwel alle artsconsulten verzekerd.’
‘Maar dat was ik al, dus ik wil graag weten wat het verschil is.’
‘Hoeveel betaalt u nu?’
‘Ik moet verplicht 160 euro per kwartaal aan extra sociale lasten overmaken.’
‘Dat klopt, dat zijn die kleine ingrepen.’
‘Maar mijn huisartsconsulten kreeg ik eerst ook al vergoed.’
‘Hoeveel betaalde u toen?’
‘Zestig euro per jaar.’
‘Dan kreeg u toen geen huisartsconsulten vergoed.’
‘Jawel, die heb ik altijd vergoed gekregen.’
‘Dat kan niet.’
‘Maar dat is zo!’
‘…’
‘Heeft u niet een folder waarop staat: met die polis bent u voor dat en dat verzekerd en met die polis bent u voor dat en dat verzekerd?
‘Nee… dat bestaat niet.’
‘Pardon? Er staat toch wel ergens waarvoor ik mijn premie betaal?’
‘Ja voor kleine ingrepen.’
‘Maar ik betaal 580 euro per jaar extra, terwijl ik mijn huisartsen allang vergoed kreeg!’
‘Dat kan niet.’
‘Maar meneer, als ik iets aan u betaal, moet er toch ergens beschreven staan wat ik daarvoor terugkrijg? Welke specialisten, welke hulpmiddelen.’
‘Mmm, nee, niet dat ik weet.’
‘Kan ik daarover naar de sociale verzekeringsbank bellen dan?’
‘Die zullen zoiets zeker niet hebben.’
‘En u heeft nergens een formulier waarop staat wat kleine ingrepen en grote ingrepen zijn?’
‘Nee.’

Wat te doen in geval van groot
verlies en Sammy die omhoog kijkt

En toen zat ik dus met ‘een clou van niks x 2′. Want zowel het verhaal van de hypnotiseur, als het verhaal van Sammy die omhoog kijkt, was een typisch geval van ‘En toen, en toen?’, ‘Nou, toen niks.’

Om te beginnen het verhaal van de hypnotiseur. Ik belde mijn vriendinnetje.
‘En? En? Hoe was het? Je bent toch wel geweest?’
‘Ja, ik ben geweest en het was…uhm… nou… ja, apart.’
‘En heb je je inschrijvingsbewijs?’
‘Nee.’
‘O, da’s shit.’
‘Ja.’

Kijk, dat is een clou van niks. Een open einde, een verhaal dat je laat zitten met een leeg McDonalds-gevoel, zoals bij films als Halloween 7.

Bij Sammy was het van hetzelfde laken een pak. Resumé: lieve, stekeblinde Sammy, een kater van twintig, gaat plots op trot in Amsterdam. Niemand weet of hij ooit nog zal terugkeren. Een spannend gegeven, zo’n oude, terugdeinzende kater tusssen auto’s, uitlaatgassen, belletjes van de tram en grote Duitse herders. Maar van Sammy’s belevenissen op straat weten we nagenoeg niets. We weten alleen dat hij na acht dagen naar het asiel is gebracht, waar mijn ouders hem helemaal verzwakt aantroffen.

Het is heus wel een mooi verhaal hoor, dat van Sammy. Een kat met een onwaarschijnlijke leeftijd trotseert zonder blindenstok tal van obstakels en keert na een week heelhuids terug. Maar als clou is het niks. Het is een clou als in Danielle Steel’s Real Story’s, of als in de ergste films van Meryl Streep.

En toen zat ik dus met twee clou’s van niks. Het spijt me.

We hadden het over het grote verlies

Dit is een vervolg op dit.

‘Wat? Een hypnotiseur? Echt?’ Ik verslik me in mijn koffie.
‘Ja, echt’, zegt ze.
‘Wat heb je dan gezegd? Ik ben m’n inschrijvingsbewijs kwijt, kunt u effe helpen?’ Met moeite houd ik mijn lach in.
‘Niet helemaal’. Ze moet gelukkig zelf ook lachen. ‘Ik heb gezegd: ‘Ik wil me iets herinneren”.
‘Haha’, zeg ik.
‘Haha’, zegt zij.
‘Dus die denkt dat jij langskomt om je te herinneren dat je vroeger bent misbruikt?’ Ik beland in een giechel.
‘Hihi’, zegt ze.
‘Hihi’, hik ik.
‘Maar ik hoop eigenlijk dat ik me voor die tijd nog herinner waar ik het heb gelaten’ zegt ze, en ze houdt op met giechelen. ‘Want zo’n afspraak kost zeventig euro.’

Ik giechel nog even door.

Wordt vervolgd…

Wat te doen in geval van groot verlies

‘Maar de garagehouder’, zegt ze, ‘had mij dus verzekerd dat ik dat inschrijvingsbewijs nóóit kwijt mocht raken, want dan zou mijn auto niéts meer waard zijn. En dan zou ik nooit meer kunnen bewijzen dat het mà­jn auto is…’
‘Aha’, zeg ik, en ik voel ‘m op mijn klompen aankomen, ‘en nu ben je het…’
‘…kwijt, ja!’ In haar stem hoor ik een mengeling van hilariteit en machteloosheid.
‘Oei’, zeg ik en ik begin zonder tijdverlies de reeks met de kun-je-je nog-herinneren-waar-vragen.
‘Kun je je nog herinneren wanneer je het voor het laatst hebt gezien’, vraag ik.
‘Ja, uhm, nou, uhm, nee dus. Ik weet dat ik het goed wilde verbergen, voordat we op vakantie gingen. En dat ik het onder de vloer van mijn klerenkast wilde verstoppen, maar dat ik bang was dat ik me dat niet meer zou herinneren. En dan stopt mijn herinnering.’
‘Dus je weet niet wat je er daarna mee gedaan hebt?’, vraag ik nog maar even voor de zekerheid.
‘Nee, daarna is het helemaal blanco.’ Ze zucht.
Ik weet even niet meer wat ik moet zeggen en denk na over mensen wier huis afbrandt, mensen die waterschade hebben, mensen met inbrekers over de vloer.
‘Maar er moet toch een mogelijkheid zijn om een duplicaat van dat papiertje te krijgen’, begin ik.
‘Nou’, zegt ze, ‘ik heb nog één optie.’
‘En dat is?’, vraag ik.
‘Morgen heb ik een afspraak met een hypnotiseur.’

Wordt vervolgd…

Tsjoeketsjoek

Ik schreef ergens: ‘deze zomer wordt er geweblogd’, maar dat was toen ik dacht dat de zomer als zomer zou voelen. Dat duurde even, en toen schreef ik ook daadwerkelijk iets meer stukjes. Maar somewhere along the way ging er een trein rijden en op de een of andere manier ben ik nog geen station tegen gekomen. Ik moet plassen, roken, weg uit die trein, maar ik zie geen kans om even aan te meren. Alles doet van tsjoeketsjoek.

Mijn enige redding is als ik thuiskom mijn hart te luchten, mijn maag te vullen en hoofd neer te vlijen. Webloggen lijkt een andere wereld. Rustig zitten en freewheelen: ik kan me niet herinneren wanneer ik het voor het laatst deed.

Misschien was het stom om deze zomer ons huis te vergezelligen. Misschien hadden we niet moeten bijschilderen, afkrabben, ophangen en uitmesten. Misschien hadden we moeten freewheelen. En rustig zitten. Maar ik kan me niet herinneren wanneer ik dat voor het laatst deed.

Nu moet ik werken, leuk werken, veel werken, hard werken. Met jongeren. En kranten. En radio. En websites (1, 2). En werkdruk. En reistijd. En deadlines. En dan door, met lesgeven, leuren, met stukken, mezelf. Veel problemen. Van anderen. ‘t Is alles ineens en alles of niets.

Ik ben blij met werk, en een gezellig huis. Met al mijn bakens in de vorm van poezenhaar en superman. Ik ben blij dat het leven werkt, dat ik werk, dat wij werken. Maar ik heb nood aan een station. Een perron. Even uitpuffen. Rustig zitten. Plassen. Roken. Webloggen.

MDF zuigt

En toen moesten we vijf lagen schilderen. In plaats van één.
Ik bedacht meer dan duizend stukjes. Maar ik kon ze niet opschrijven.
Omdat ik stond te schilderen. Of te timmeren. Of te boren.
De poezen werden er grumpy van. Ik ook.
Het weer ook. Trouwens.
En toen had ik nog de afdruk van die plank in mijn hoofd.
Een winkelhaak.
Midden op mijn voorhoofd.
Dat ziet er zielig uit.

En daarom kwam er niet zoveel van.
Dat webloggen.

Maar na het weekend is de comeback van mijn comeback.

MDF zuigt.
In alle opzichten.

Mijn eigen provider probeert mij op slinkse wijze binnen te halen als klant

‘Met Zezunja.’
‘Met die-en-die van Base, ik heb een mooie aanbieding voor u, heeft u tijd voor wat vragen?’
‘Ik heb al Base, dus ik vrees dat er aan mij weinig te winnen valt.’
‘Maar ik heb een mooie aanbieding.’
(NB Base is een telefoonprovider in België – hij spreekt met Nederlandse tongval, ik ook, maar we doen beiden alsof het heel normaal is dat wij een Belgisch toneelstukje opvoeren met zijn tweeën)
‘Nou, vooruit dan maar, vertel eens…’
‘Als u nu het Base bladieblamooienaamabonnement neemt, kunt u voor 24 euro per maand zus en zus en zo doen.’
‘Maar ik heb nu een abonnement van zes euro! Haha! Heb je niks beters?’
‘Nou, uhm, hoeveel betaalt u nu aan gesprekskosten?’
‘Iets van zestig euro per maand, maar dat is omdat ik veel naar Nederland bel…’
‘Ah, dan heb ik het dit-en-dit-en-dat-turbo-abonnement en dan betaalt u maar 21 cent voor bellen naar Nederland.’
‘Maar volgens mij is dat bij mijn huidige abonnement minder…’
‘Ik kan u een folder opsturen.’
‘Is dat wel vrijblijvend?’
‘Ja, het kan alleen goedkoper worden, niet duurder.’
‘Maar ik bedoel vrijblijvend in de zin van: dat ik nergens aan vast zit als ik nu iets laat opsturen..’
‘…’ (stilte)
‘Is die folder gewoon informatie of ben ik dan ook gelijk ergens toe verplicht?’
‘Nou, uhm, u krijgt er ook een contract bij.’
‘Maar als ik dat niet teken, is er niets veranderd, toch?’
‘Ja, als ik het opstuur, is er een contractuele verplichting van twee jaar.’
‘Dus als u het ópstuurt, hebben we eigenlijk al een contract?’
‘Ja, precies.’
‘Het is dus geen folder?’
‘Nou ja, een folder mét een contract.’
‘Haha. Wat brutaal zeg.’
‘…’ (stilte)
‘Met andere woorden: dan wil ik geen folder.’

Zijdelings

  • “Koeienstront is ook natuur.”
  • “Het is lastig om niet bij jou te bijven, als jij wel bij mij blijft.”
  • ”Wil je praten? Of wil je gewoon even nagelbijten met publiek?”
  • “Ik vind jou zo piesvol.”
  • “Een stukje champignon doet er in zijn eentje net zo lang over als met zijn tweetjes.”
  • “Maar het zijn geen belletjetrekkers.”
  • “Toch jammer dat ik geen punnikpaddestoel meer heb.”
  • “Ik kan dat broodje zalm nog opeten, maar ik ben al een beetje overbevist.”
  • “Onze poes lijkt op een bh.”
  • “Lieve god, laat alsjeblieft een clou uit de hemel vallen! Amen.”
  • “Al jouw huisgenoten kwijlen.”
  • “Ik deed mijn best om Michael J. Fox te lijken, compleet met All Stars en basebaljekkie.”
  • “Ik ben vergeten hoe Memento ging…”
  • “Mijn hart liep als een schoothondje.”
  • “Je moet even geen vieze woorden roepen, ik moet even telefonisch interviewen.”
  • “Zijn accent past helemaal niet bij zijn espressomachine.”
  • “Als ik verkouden ben, heb jij een piebel.”
  • “Ik voel dat ik al stuiterbal.”
  • “Wat is het internet toch kut georganiseerd.”
  • “ik vind Al Gore en Bill Gates beiden een beetje amfibisch.”
  • “Lief, het leven is mooi en dat moet je ook laten zien in je wenkbrauwen.”
  • “De wereld zou er heel anders uitzien als asfalt lichtblauw was, of roze.”
  • “Ik voorzie dat Mike weer de hele dag bijna van de bank gaat vallen.”
  • “De Belgen moeten ons niet, maar ze willen wel met ons trouwen.”
  • “Ik vind dat huisdieren geen scheten zouden mogen laten.”
  • “Ik vind wel dat jij het woord smegma opmerkelijk vaak gebruikt.”
  • “Mijn leven en ik overstijgen elkaar.”
  • “De spleet is niet bevattelijk.”
  • “We moeten de dagen van de week kwijt zijn.”
  • “Zie je, jongens zijn soms ook maar gewoon meisjes!”

Voor wat ik eerder zijdelings zei, zie hier en hier.

O ja

* Als de mensen die een neuscorrectie zoeken, leren dat er geen spatie moet tussen ‘neus’ en ‘correctie’, hoeven ze niet via Google door te klikken naar Het Eiland Neus alwaar wij veel corrigeren, maar geen neuzen.

* Is het normaal in België om ontdopte rauwe eieren eerst in een kommetje te gooien, alvorens ze te bakken?

* Ik ben soms stiekem blij dat ik slechts schulden heb bij Fortis en geen spaargeld of aandelen.

* Mijn lief is de kalmheid zelve, maar toen hij dacht dat ik langs die stilstaande auto ragde, deed hij ineens heel Belgisch hysterisch (Belgisch hysterisch is eigenlijk nog best kalm). Het was slechts de spiegel, en dat vond ik stiekem jammer, want die hummer was zo breed, dat-ie het verdiende dat er een kneus langs zou raggen.

* Dat kastje (zie het schimmige woord ‘productie’ onderaan) is nog niet af. Foto laat dus op zich wachten.

* Ik schaamde me toen ik per ongeluk had opgeschreven dat ik onlangs ‘de Britse versie van The Office’ had gezien en dat-ie tegenviel. ‘Nu denkt iedereen dat ik zo’n halvegare ben die dweept met de Amerikaanse versie’, piepte ik tegen mijn lief. Ik heb het in het stukje gewijzigd, maar de meeste bezoekers waren al geweest, het kwaad was al geschied. Dus even voor de goede orde: in 2005 zag ik de Britse versie en die vond ik fantastisch. Twee weken geleden zag ik een stukje van de Amerikaanse versie en daarover schreef ik dus: ‘…en hoewel die tegenviel, viel-ie toch mee.’ Goed, dan is dat rechtgezet.

* Michael Boogerd zei tijdens een van zijn commentaren bij de rit op de Alpe d’Heuz dat ‘dinge tegen dinge aangereden was’. Daar werd ik heel jolig van.

* Ik vind Café De Liefde per ongeluk een heel goed tv-programma. Daar heb ik geluk aan, want als het kut was, had ik mooi wel mijn naam eraan verbonden. Maar het is niet kut, het blijkt zelfs heel interessant. Allemaal kijken dus, die laatste twee afleveringen (woensdag rond kwart voor elf op Nederland 2). Voor al mijn columns over zoenen en onmin kunt u hier klikken. Voor de eerste vier uitzendingen hier.

* De opruiming gaat goed en gestaag. We hebben nu een hippiekamer met geile wijven aan de muur en een studio met piano, vier gitaren, de laptop, garageband en duizendeneen malle, kleine instrumentjes van chickenshake tot mondharp en van neusfluit tot pologo. Wij willen beiden die kamer annexeren.

* Er komt zo iemand in onze hippiekamer met geile wijven logeren. Het is een hetero-vrouw. Dikke pech.

Spijt zonder zere voeten



Klik op de foto voor iets grotere plaatjes

‘Liefje? Lig je op de bank? Half te slapen? Ja, het is al laat. Maarrem, je moet toch je schoenen effe aandoen en hier naartoe komen… Waar ik sta? In de Maria Theresiastraat, vlakbij het station. Er liggen hier stapels tijdschriften over een lengte van zes meter met Libelles uit de jaren zestig. Neem je fiets mee, en het oubommakarretje. En snelbinders of zo. Ja, ik blijf hier wachten. Kom maar gauw.’

Dus daar sta ik, in het lamplicht, half elf op een drukke dinsdagavond, met een buit die ik moet beschermen. Een buit die ik met geen mogelijkheid kan verbergen, een buit die vermoedelijk niet alleen mij interesseert, tenzij ik weet te voorkomen dat iemand anders de stapels ziet.

Ik probeer de tijdschriften zo te leggen dat er zo min mogelijk ultiem coole sixtiesvrouwen recht in de straatlantaarn blikken, maar het probleem is dat alles aan zo’n zestigerjarentijdschrift mooi is: de advertenties op de achterkant met in wicked blauw-oranje geklede, voluptueuze dames die een fonduepan aanprijzen, de gescheurde pagina’s met aanbevelingen voor de opvoeding van brutale kinderen, de getekende advertorials over het gebruik van wasmachines zónder wringer, de kerstnummers die druipen van old-fashioned onschuld en uiteraard de omslagen. Alles is zo ultiem cool dat ik onmogelijk kan voorkomen dat liefhebbers van heinde en verre zullen zien dat daar een gigantische stapel ultiem coole tijdschriften zomaar voor het grijpen ligt.

De enige mogelijkheid die ik kan bedenken, is mijn fiets zó op de stoep zetten dat iedereen moet oversteken om verder te kunnen. Dus ik stal mijn fiets overdwars op de stoep en doe alsof ik druk bezig ben met een spaak of een kogellager. Mijn plannetje werkt en ik voel me als Mike die altijd maar bezig is zijn eten te verbergen.

Na een kwartiertje komt mijn lief met rugzak, bommakar en touwtjes in de aanslag. Hij neemt de stapel in ogenschouw.
‘Amaai’, zegt-ie.

We beginnen de mooiste stapels in het karretje te laden en wat blijkt: onder elke stapel duikt een nieuwe schat op. Dacht ik eerst nog dat het alleen Libelles uit de sixties waren, al inpakkend zie ik Momo’s uit de seventies, talloze exemplaren van Het Rijk der Vrouw uit de jaren vijftig en een paar Waalse modebladen van decennia geleden. Uiteindelijk lopen we naar huis met honderden tijdschriften uit de periode 1948 tot 1990. Met de fiets aan de hand, een boordevol karretje, een rugzak én pijn in ons hart omdat we er nog duizenden moeten achterlaten.

Het is een barre tocht. Onze fietsen bezwijken bijna onder het gewicht van al dat moois en ik strooi her en der nog wat tijdschriften over het Leuvense asfalt, omdat de touwtjes van de bundels aan mijn stuur breken. Noodgedwongen laten we die pareltjes liggen voor de eerlijke vinder.

Thuisgekomen wil ik terug, maar ik ben doodop van de eindeloze sleurtocht en een werkdag van bijna vijftien uur. En dan: als je wel teruggaat, moet je dan álles meenemen? Dan zouden we zeker zes ritten moeten doen, met zere voeten, een vol hoofd en de klok die nu al middernacht aangeeft. Ik zucht.

We besluiten niet terug te gaan, maar ’s nachts word ik nog een paar keer wakker met een zwaar gevoel van spijt op mijn schouders. En de volgende dag als het papier bij mij op de berg wordt opgehaald, krijg ik een wee gevoel in mijn maag. De vuilniswagen zal zojuist in de Maria Theresiastraat geweest zijn. Ik wil er niet aan denken.

Maar gisteren dacht ik er weer aan. Toen ik drie uur lang scans maakte van omslagen van Het Rijk der Vrouw van meer dan vijftig jaar geleden – en niet te vergeten van de binnenkant van de covers, met tientallen waanzinnige advertenties, variërend van mentholpilletjes voor rokende vrouwen tot onontvlambare ontvlekkers. En weer kreeg ik een wee gevoel in mijn maag. En de hoop dat meer mensen loodzware bommakarettjes door de straten hebben gesleurd die nacht. Mensen boordevol energie, zonder zere voeten, die nu net als ik beseffen dat ze goud in handen hebben.

(Morgen een foto van een productie met de covers als materiaal)

Goed

De reisduur was Zuid-Frankrijk-waardig, maar de rolkoffertjes schraapten over natte Twentse bodem. Een kamer met een Auping-bed, Comedy Central en mijn lief. Mijn ouders een verdieping lager, zes dagen op vakantie in wat ooit mijn eigen land was: koeien, kou en buienradar.

Een boerderijtje met zijn vieren, later met zijn achten. Veel fietsen, tussen de druppels door naar Duitsland, dwars door de zadelpijn heen. En in bed liggen, naar de tractors luisteren, kijken of de buurman met de Twenste achternaam zijn netwerkje nog steeds open heeft staan, gokken of het droog zal worden. Maar nee.

Te loom om een boek te lezen. Te donker trouwens ook. Mijn overgrootvader werd erbij gehaald. Als het even droog leek, ‘zou het zo toch wel weer gaan regenen’. Poncho’s mee en fietsen maar. De score was mager: een kikker, een konijntje, een eekhoorn, een boel karpers en een minishetlandmuilezelgeval. En de eenzame dronkaard die al zeventig jaar alleen aan de brug woont. Hij had een oranje oog met een blauw randje. Hij vertelde dat het zandpad weldra weer een fietspad zou worden. Dat gaf hoop.

‘Als je mijn foto-album bekijkt, lijkt het alsof wij met de familie altijd maar zitten te eten’, zei ik. Daar had niemand iets tegenin te brengen en dus deden we van restaurants, verjaardagstaarten, boterhammetjes met radijs en ijsjes tussendoor.

Volgens Gerrit Hiemstra viel de week in het water en een heel vreemde meneer op TV Oost was er ook niet gerust op, maar wij hadden het goed. We zagen de Amerikaanse versie van The Office op Comedy Central en hoewel die tegenviel, viel-ie toch mee. We aten de aller- aller- allerlekkerste chocolademousse ever in Hotel De La Poste in Ootmarsum en we waren apetrots nadat we per ongeluk zestig kilometer hadden gefietst toen we even een ommetje wilden maken.

We begroeven met de kleinste filosofen van het gezelschap een vlinder en een hommel en we plaatsten er een half ei bovenop als grafmonument. Voor het eerst in jaren was ik bij de verjaardag van mijn vader, mijn moeder én mijn zus, ik maakte een olifant van een kiezelsteen en ik wist aan het eind van de week niet meer welke dag het was.

Hoe het met mij gaat

Ik moet nodig ‘ns vertellen hoe het met mij gaat. Dit weblog staat al heel 2008 bol van de aankondigingen en mededelingen, er was niks zotisch meer aan. Het leek wel zo’n wijkkrantje vol met advertenties waartegen zelfs nee-stickers bestaan. Klaar voor een nee-sticker: dan heb je het ver geschopt. *kuch*

Kortom: klaar voor een herstart. En zoals dat gaat bij herstarts, we gaan eerst even een updateje doen.

Werk
Dit hele jaar bestaat uit de bordjes met ‘werk’ in de lucht houden. Zwiep-zwier-zwaai-ende-draai. Het was zwaar, het was lastig, het was veel, het was soms te weinig, het was spannend en het was soms 8 dagen in de week, maar het was de moeite waard. Ik heb donkere dagen moeten doorstaan, maar ervaar nu de superkick van iets tot stand te hebben gebracht. Van nul, nada, niente, tot waar ik nu sta: met een redelijk inkomen, een klein expanderend boomdiagrammetje dat men in de volksmond een netwerk noemt, een stel leuke opdrachtgevers en een prachtig Eiland.
Dat er vraag naar mij is. Naar ons. Het is zoveel beter dan ik durfde te dromen.
Kijk voor meer over de werkbordjes die we in de lucht houden op Het Eiland Neus.

België
Twee jaar en zestien dagen woon ik hier. Volgens mijn moeder gebruik ik al Vlaamse zinsconstructies, en dan ook nog eens die waarvan ik vooraf had gezegd dat ik die nooit zou overnemen, namelijk die met twee keer ‘gaan’ in een zin. Het moet niet gekker worden. Laatst kon ik de woorden aanrecht, wijnrank en koekenpan niet meer bedenken, omdat niemand die ooit nog tegen me zegt. Als ik in Nederland ben, steek ik mijn pinpas in winkels in de bovenkant van het pinapparaat, omdat dat hier bij Bancontact zo werkt. Totaal vergeten hoe dat ook alweer ging met die magneetstrip en dat trekken.
Ik voel me thuis hier, thuiser dan in Nederland. De rust is hier zoveel groter, er is minder wind, er zijn minder hard pratende mensen en er is minder ruimtelijke ordening: allemaal zaken die maken dat ik beter aard.

De Liefde
Mijn meneer en ik zijn een beetje een eng stel. Wij maken weinig ruzie, om niet te zeggen nooit. Wij hebben altijd zin in elkaars aanwezigheid en dat is een geschenk uit de hemel, want we werken op twee meter afstand van elkaar. Mijn meneer en ik zijn een eng stel omdat we 7 dagen per week 24 uur per dag op elkaars lip zitten, waardoor we onbedoeld erg op elkaar gaan lijken. Bovendien hebben we twee eigen talen, de ene is Radar Love, wat in plat Nederlands gewoon Telepathie heet en de andere is een onnavolgbare taal met als belangrijkste element allerlei personages in de derde persoon enkelvoud. Mijn meneer en ik zijn een beetje een eng stel en wij streven ernaar om nog enger te worden.

Vrije tijd
Het probleem met mijn werk is dat ik mensen lesgeef in hun vrije tijd, Met andere woorden: ik werk vaak ’s avonds of in het weekend. Tel daarbij op dat ik geneigd ben van maandag tot vrijdag te werken, omdat een werkweek nou eenmaal van maandag tot vrijdag loopt en je hebt een Zezunja die af en toe verzucht: ‘Ik moet volgende week dinsdag echt weer eens weekend nemen.’
De avonden dat ik geen cursussen geef, probeer ik vrij te houden, maar het grote probleem is dat ik op die avonden vaak maar één ding kan: hangen. Ik zou graag stukjes schrijven, figuurtjes tekenen, liedjes zingen, weblogs updaten, zaadjes planten of fietstochtjes maken, maar ik ben na een hele dag óf sociaal óf creatief zijn (of beide) geneigd tot low life culture: chips eten, bankhangen, tv kijken. Pfff.

Deze Zomer
Deze zomer is tamelijk werkloos, cursussen eindigen in juni en beginnen in september en alle andere afspraken zijn somehow ook buiten de maand juli in mijn agenda beland. Vorige week was ik een weekje met Yuri bij mijn ouders in een mooi oud boerderijtje in Overijssel en de komende drie weken gaan wij van boven naar beneden elke kamer een waardiger bestaan geven. Het klusspul staat klaar, het fototoestel ook, dus dit weblog mag gelijk een bricofeuilleton worden.
Deze zomer is de laatste zomer dat ik te arm ben om naar het buitenland te gaan: mark my words (dit is vooral een poging tot self-fulfilling prophecy). Ik miste het webloggen, dus ik begin er maar weer aan.
Dit was de herstart. Deze zomer wordt er geweblogd.