Archief in kronkels: Zotisch

Allegaartje (12)

Dingen die ik zoveel weken na het EK nog even kwijt moet
1. dat er een man gecrëeerd is, en wel die aan mijn zijde: na vier avonden hoorcolleges over doeltrap, ingooi, opstelling en buitenspel had ik hem zover: hij was hooked – over wonderen van Bern gesproken
2. dat er iets te weinig gele en rode kaarten waren om de man aan mijn zijde het opperste drama van voetbal te leren
3. dat ik hoop dat de man aan mijn zijde niet zozeer van voetbal gaat houden dat we voortaan op zaterdag naar Oud-Heverlee moeten (ook al ligt het stadion op steenworp slash boogscheut afstand: er zijn grenzen aan mijn wens om met een man te leven)

Dingen die ik in de auto nog niet kan
1. in één beweging achteruit inparkeren (klassiek!)
2. de airco bedienen en tegelijkertijd met mijn andere paar ogen een beetje normaal doorrijden
3. mijn mond houden – ik voorzie alles van commentaar óf ik zing met de radio mee

Dingen die ik niet won
1. een conflict met Telenet – maar het kan nog
2. de voetbalpoule – ik bungelde zielig onderaan, dankzij mijn motto: op grote toernooien vallen weinig doelpunten
3. de introkwis van de sixties en die van de seventies – die van de eighties won ik godzijdank wel

Dingen die mij angst inboezemen met het oog op het rij-examen-dat-ik-nog-maar-even-uitstel
1. dat ik dan nog stééds niet in één beweging kan inparkeren
2. dat de examinator mij misschien zal vragen om tijdens het rijden op allerlei knopjes te drukken – zodat ik wel op mijn andere paar ogen móét overschakelen
3. dat ik hardop allerlei malle dingen ga zeggen waarmee ik mezelf zo impopulair maak dat ik ondanks mijn ontzettend goede rijstijl tóch zak

Dingen waar ik ineens deel van uitmaak
1. The Ultimate Soup Group op Flickr van Cryptia
2. facebook én linkedin – na hyves, myspace, flickr, twitter, lastfm en… pfff, ik zie door de netwerksites het bos echt alláng niet meer
3. de groep mensen die de Rail Pass wel eens verkeerd hebben ingevuld – dat is volgens mij een grote groep

Dingen die als een bom insloegen bij de beeldbuiskinderen in huize Zezunja
1. The King of Kong: a fistful of quarters – over haat en nijd in de Arcade Games-subcultuur – echt heel fascinerend en uiterst verbazingwekkend
2. Across the Universe – een Beatles-musical die ons vooraf de wenkbrauwen deed fronzen maar die naderhand op staande ovaties en gestamp kon rekenen – prachtige beelden en een listige manier om zoveel liedjes in de film te verwerken – bovendien zit er Blues Brothers-gewijs een sterrencast in de film verstopt
3. The story of Jo Vally – schlagerzanger met bizar wereld- en zelfbeeld slaat een slaatje uit zijn scheiding door die te laten filmen door VijfTV – ultiem tenenkrommend – en dus helemaal te gek

Dingen die dus echt heel goor waren
1. de opgedroogde kattenkots overal in de tuin, die ik pas ontdekte op de eerste zomerdag-geschikt-voor-blote-voeten-in-het-gras
2. het natte suikerbuisjezakje in disguise dat zijn toevlucht had gezocht in mijn tas en dat in mijn beleving een slak was – er zat verdomme een slak in mijn tas (voor slakkentrauma, zie hier)
3. onze zelfgeteelde radijsjes, omdat we weer eens te laat waren met ze uit de grond te trekken – die bloemetjes zijn zo mooi

Dingen waarover ik me verbaasde
1. dat we The Chemical Brothers of 2 Many DJ’s donderdag op Rock Werchter tot in onze achtertuin konden horen
2. dat we Schapenrock, dat letterlijk in onze achtertuin plaatsvond, juist niet konden horen – maar dat blijkt te kloppen: Schapenrock is kómend weekend pas
3. dat ik na mail-spam, msn-spam en gsm-spam nu ook overvallen word door feedreader-spam

Dingen die populair zijn deze zomer
1. tijdens de lunch een potje frisbeeën
2. een combinatie van basketbal en petanque
3. badminton (shuttelen noemen wij dat) met een poes als ‘lummel’

Dingen die me onlangs overvielen
1. huilbuien bij typisch Nederlandse tv – variërend van de dodenherdenking tot Ter land, Ter zee en In de lucht – heimwee?
2. Sjeik die op het verkeerde moment op de verkeerde plaats in het grasveld lag
3. de slappe lach tijdens America’s Funniest Video’s

Dingen die eigenlijk niet thuishoren in een allegaartje
1. dat ze stierf, mijn nieuw-verworven vriendin
2. dat ik Sjeik met een tennisbal een hersenschudding bezorgde
3. dat er een dokter is waar ik niet zonder mijn man naartoe durf, omdat ik ‘m té handtastelijk vind

Dingen die hernieuwde aandacht vragen
1. dit weblog, mijn hemel, daar moet nodig eens op geweblogd worden
2. mijn rookstoppoging
3. het leven in het algemeen en ikzelf in het bijzonder

Voor alle Allegaartjes kunt u hier terecht.

Passiebloem

De belofte…


…ingelost.


Kijk omhoog Sammy

Sammy is blind. Maar Sammy is dan ook al 20. Hij behoort zo’n beetje tot de onsterfelijken.

Sammy is de broer van Zoë en Zoë was mijn eerste eigen poes. Sammy woont bij mijn ouders. Wat er van Zoë is geworden weet niemand, want Zoë liep weg. Laten we hopen dat Zoë een huis vond en net als Sammy de herfst van haar leven tot op het bot heeft uitgebuit.

Want hoewel Sammy blind is, lijkt hij niet ongelukkig. Okee, okee, hij is te oud om zijn eigen nagels te scherpen, dus hij loopt als een hooggehakte travestiet te tikken op het parket. En zijn actieradius is wat kleiner geworden, want voor een blinde poes speelt het leven zich meer en meer af op de begane grond. Je neemt wat minder makkelijk een schuttinkje mee als je in het duister tast, zullen we maar zeggen. Maar verder is Sammy een gezapige kater, die met zijn rafelige oren – Sammy was een vechterbaas – kan terugkijken op een leven met kippen, kikkers en kroelende vingers in zijn vacht.

Sammy’s eerste schreden op het blindenpad waren hartverscheurend. Ooit een blinde poes gezien? Nee? Stel u voor wat er gebeurt in een wereld zonder wit- rode blindenstokken. Een wereld waarin de blinde zijn handen achter zijn rug gebonden krijgt. Een wereld waarin vooruit tasten onmogelijk is. Het is ‘boem of niet’, meer opties bestaan er niet. In die wereld leeft Sammy.

Gevolg is dat Sammy de hele dag botst en weer terugdeinst, botst en weer terugdeinst en botst en weer terugdeinst. Er komt geen einde aan.

In het begin sloeg ik telkens mijn handen voor mijn mond. Niets zieliger dan een poes die tegen een muur/deur/tafelpoot botst en daarna even niet meer verder durft, uit angst voor weer een muur/deur/tafelpoot.

Maar na een tijdje werd het grappig, want zelfs het mensonwaardige bestaan van een poes went namelijk. En Sammy roepen en dan gauw weglopen zodat hij in het verkeerde deel van de kamer tegen een muurtje botste, was toch wel een dijenkletser van jewelste.

En het moet gezegd: de conditionering van zo’n poes is ook niet mis. Niet lang nadat hij volledig blind was, wist hij de belangrijkste routes zonder brokken af te leggen. Het kattenvoer, het luikje en mijn moeders knieën kon Sammy nog steeds zonder veel problemen bereiken.

Maar daar ging het fout. Als je zonder ogen – met als enige hoop je conditionering – op de tast door het leven moet, dan is een verbouwing funest. En zo gebeurde het dat blinde Sammy, totaal gedesoriënteerd door het leeghalen der huiskamer, op trot ging door woelig Amsterdam. Luister en huiver: de avonturen van bejaarde Sammy in het Amsterdamse verkeer volgen spoedig in ‘Kijk omhoog Sammy 2′.

De obese teckel en mijn
verantwoordelijkheidsgevoel

We wisten al dat hij Pruts heet. Op zwoele zomeravonden als wij onszelf net gelukkig prezen met onze mooie en rustige buurt, werden we regelmatig geconfronteerd met die ene minder rustige factor in de buurt: het hondengejank.

Ik dacht toen al dat het een klein hondje moest zijn, het klonk namelijk scharminkelig en hoog. En machteloos – bouviers huilen niet machteloos, me dunkt.

Het gejank duurde meestal lang. Ik stelde me voor dat deze scharminkelige hond doelbewust werd buitengehouden. Dat zijn eigenaar zijn macht botvierde op de hond. Als je dubbel glas hebt, kun je scharminkelig gejank best in de tuin laten. En buren die zich op zwoele zomeravonden gelukkig prijzen met hun rustige buurt kun je een middelvinger geven. In mijn hoofd zei ik tegen de baas van de hond: zoek iemand van je eigen leeftijd!

Soms hoorden we de baas. Dan brulde hij ‘PRUTS!’, PRUTS!’ En dan zeiden wij weer tegen alkaar: ‘Arme Pruts!’ Waarna Pruts weer hevig begon te janken en wij onze woorden heroverwogen. Arme wij.

Op een dag hoorde we Pruts blaffen en janken. Het was een zonnige dag en we zaten wat te vegeteren in de tuin. Het geblaf en gejank vierde hoogtij, maar gewenning doet ook bij ongemak zijn intrede, dus wij hoorden het maar half.

En ineens stond-ie daar. Naast me. Pruts. In onze tuin. De tuin waar het onmogelijk is om als niet-poes en niet-vogel achterin binnen te raken. De tuin die zeker twee tuinen van Pruts vandaan ligt. De tuin die bevolkt wordt door hondenhatende poezen. Daar stond ineens een groezelige, obese teckel.

‘Hee hond’, zei ik ietwat verbouwereerd. Ik liep op ‘m af, het beest scheet bagger. Ik aaide ‘m wat en vroeg ‘m waar-ie vandaan kwam. Vervolgens pakte ik het beest op, om met ‘m de deuren langs te gaan. Pruts zeikte in zijn broek van angst. Zijn vacht zat vol met korstjes en hij was drie keer zo zwaar dan zijn gejank deed vermoeden. Langs mijn been liep pipi van Pruts.

Met de obese hond onder mijn arm en pipi op mijn knie belde ik samen met Yuri aan bij allerlei buren. Niemand was thuis. What the fuck? Van wie is deze hond? We liepen tot het einde van de straat en constateerden dat men Pruts niet echt miste. Wie ‘men’ ook was.

Tot ons oog viel op een dichtgetimmerd pand een paar huizen naast ons. Zou hij…? Zou daar iemand…? In dát pand…? Nee, dat kán niet. We liepen erheen en zochten een deurbel. Die was er niet. Ik klopte op de afgebladderde deur. Pruts plaste inmiddels niet meer en hij berustte in zijn lot: in mijn armen langs de deuren sjokken.

De deur ging open en daar stond Ma Flodder in hoogst eigen persoon, inclusief wratten met daaruit priemende lange witte haren. Yuri en ik waren totaal uit het veld geslagen. Dit pand, dat aan de voor- én aan de achterkant is dichtgeplakt, dichgetimmerd en verduisterd, wordt bewoond door mensen! Mijn God!

Ik wilde rechtsomkeert maken. Mét Pruts. In zo’n huis kon ik zelfs een schurftige hond met een zwakke blaas niet achterlaten. Maar toen doemde er achter Ma Flodder een jonge vrouw op, met een bleekgelig gezicht, enórme wallen en een piepklein baby’tje in haar armen. Mijn verbijstering maakte plaats voor verwarring. Geen hond, maar wel een zuigeling? Ik bedacht koortsachtig wat ik ervan moest vinden.

‘Is dit uw  hond?’, vroeg ik aan Ma Flodder.
Ma Flodder gromde wat terug. Het klonk bevestigend. Ik hoorde iets van ‘katten’, ‘over het dakje’ en ’stommenond’.
Ik gaf haar de hond terug. ‘Hij is bang’, zei ik.
Ma Flodder bromde, lachte haar ene tand bloot en sloot de deur.
‘Er kon nog geen bedankje af’, zei ik tegen Yuri.
‘…’, zei Yuri, nog immer met stomheid geslagen.

Thuisgekomen liepen we naar boven om vanuit het raam de situatie te analyseren. Pruts zit slechts twee tuinen verderop, waar het schroot en het vuilnis is opgetast tot bovenaan de haag. Onze katten zitten Pruts vermoedelijk regelmatig op afstand uit te dagen. Deze keer hebben ze Pruts tot bovenaan het puin getart, waardoor Pruts met zijn miezerige teckelpootjes ineens op de daken van de tuinhuisjes kon komen. En dan is het een kwestie van met je domme hondenkop vooruittrippelen tot je in onze tuin van het dak valt. En zo geschiedde.

Maar daarmee is de analyse niet gedaan. Want de belangrijkste vraag is: wanneer moet je als buren iets gaan ’signaleren’? Wanneer moet je je zorgen maken? Moeten die mensen niet geholpen worden? Zo bleek als ze waren, met nooit een streep daglicht in huis. Maar misschien hebben ze wel een lichtallergie. Of misschien zijn ze heel arm, waardoor ze geen gordijnen kunnen kopen en hun ramen verduisteren met schroothout en zwart plastic. Mag je je daarmee bemoeien? Moet je dat willen? Of is dat zelfs je plicht? Want wat gebeurt er als we allemaal vinden dat niemand zich met elkaar moet bemoeien? Misschien wil die mevrouw wel liever gordijntjes dan schroothout voor de ramen. En misschien zou ze dolblij zijn met een uitgemeste tuin. In dat geval is ze misschien heel opgelucht als ik haar mijn hulp aanbied. Maar misschien denkt ze wel: waar bemoei je je mee, wicht! Ik bedoel maar: ik weet het niet.

Wat ik wel weet, is dat het gejank van Pruts nu is ingekleurd: daar staat een teckel met korstjes en worstenpootjes die misschien wel gered moet worden. En zodoende buig ik me vrijwel dagelijks over de verantwoordelijkheid van de omgeving bij sociale misstanden.

Maar intussen doe ik niets.

Een allochtoon-allochtoon
(zoals het meisje-meisje)

Het duurt al twee dagen. Al 48 uur komt er nauwelijks daglicht in het bureel. Ik zit al ruim vier dagdelen tegen het glimmende blik van de camionette te kijken. Nog één dag zonder daglicht en ik zit in een winterdepressie, mark my words.

Ik besluit naar buiten te gaan. Onze stoep is de enige plek in dit deel van de straat waar je kunt parkeren, en als dat is om te laden of te lossen, of om een half uurtje stil te staan, vind ik het niet zo erg. Dat doe ik zelf ook. Maar twee dagen lang mijn bioklok ontregelen door met de lak tegen ons raam aan te schurken… ik dacht het niet.

Het is vijf uur, de man komt net bij het busje om weg te gaan.
‘Meneer’
‘Ja?’
‘Zou u uw camionette morgen ergens anders willen zetten?’
‘Huh, hedde gij der last van dan?’
‘Ja, want u staat zo dicht tegen mijn raam, dat ik al twee dagen geen daglicht binnenkrijg.’
‘Luister madam, der is hier geen parkeerplaats en als ik achter den hoek moet gaan staan, moet ik veel te veel voorrijkosten rekenen. Dat is rap honderd euro extra, zulle. Gadegij da betalen?’
‘Ja, dat is vervelend meneer, maar als u gewoon een eindje verderop gaat staan, is er geen verschil. Ik heb er nu al twee dagen last van en u mag hier gewoon niet staan.’
‘O, dus gij vindt dat ik mijn klanten dan maar te veel moet aanrekenen?’
‘Hoe u dat verder oplost, met u zelf weten. Dat is mijn probleem niet.’
‘Jommeja wicht, als het uw probleem niet is, dan kom ik hier morgen toch weer opnieuw staan, zeker?’
‘Nou, liever niet dus. Ik dacht, ik vraag het u gewoon, maar als dat geen zin heeft dan bel ik wel iemand die u kan wegslepen.’
‘Gade gij dreigen, madammeke?’
‘Nee, het liefst zou ik hebben dat u uw auto gewoon morgen een eindje verder zet, dan hoef ik niet te dreigen.’
‘Oeioeioei, gij-jet verder gestudeerd zeker?’
‘Ik heb hier geen zin in, meneer. Ik vraag u iets en het is poepsimpel om gehoor te geven aan mijn verzoek. Meer heb ik niet zeggen.’
‘Maar ge hebt zjust gezegd dat het uw probleem niet is, begot.’
‘Ja, u maakt uw probleem van de parkeerplaats en de voorrijkosten mijn probleem, door mijn daglicht weg te nemen. Dat is onredelijk.’
‘Joengejoengejoenge, kus toch mijn kloten, wicht. Ga terug naar Holland. GA TERUG NAAR UW EIGEN LAND.’
‘….’

Met stomheid geslagen sluit ik de de deur. De volgende dag is het camionetteke in geen velden of wegen te bekennen.

Nawoord: In al mijn verwondering moest ik een beetje lachen toen ik het ga-terug-naar-je-eigen-land-cliché in het wild hoorde. Als Nederlander in Vlaanderen heb je te maken met veel negatieve vooroordelen, maar tegelijkertijd is onze positie duizend keer beter dan die van pak ‘m beet de Marokkanen of de Congolezen. Onze kansen om mee te doen zijn onvoorstelbaar veel groter. Ik denk dat ik er niet om had kunnen lachen als ik tot een van die groepen had behoord.
Interesting, zo’n cliché dat je alleen maar kent van horen zeggen, waardoor je geen flauw benul hebt wat je moet antwoorden als je ermee geconfronteerd wordt.

Het verrassende seksleven
van een lieveheersbeestje


Wat ik zoal meemaak als ik zit te wachten in de zon, terwijl mijn cursisten leuke stukjes schrijven.
Let op: filmpje helemaal uitkijken, je wil dit niet missen.

Stukje slinger

We liggen op de bank. Ik op mijn plekje, blik richting keuken, hij op zijn plekje, blik richting bureel.
‘Ik heb zó’n mooi uitzicht vanaf hier’, kweel ik. ‘Wat zielig eigenlijk dat jij een ander uitzicht hebt.’
‘Maar wel een beetje jammer dat ge mijn zoen nog steeds niet hebt gezien’, bromt Yuri.
‘Zoen?’ Ik kijk om me heen en mijn oog valt op het stukje slinger dat aan de muur in mijn gezichtsveld hangt. Over dat stukje slinger dacht ik al zeker drie keer: damn, wat heeft Yuri dat stukje slinger er haastig en slordig afgetrokken!


(klik voor groter)

‘Ja, die zoen… Die hangt er al wéken.’ Yuri pruilt.
Ik kijk nog eens goed naar het stukje slinger en zie dat het wel erg recht afgescheurd is. Het is geknipt. Het is een rechthoekje. Met iets erop. Ik knijp mijn ogen samen.


(klik voor groter)

‘Maar liefje, het is hier altijd heel donker…’
‘Al wéken!’
‘…en ik dacht steeds dat je de slingers er gewoon nogal rücksichtslos had afgetrokken…’
‘Ge hebt er nà­éts van gezegd!’
‘…en mijn bril is niet sterk genoeg en en en…’

Arme Yuri, het valt niet mee om romantisch te zijn met een blinde onnozelaar in huis.

Wat heb ik nou aan jou

Zezunja: ‘Ik noem dat een Prodent-hond, omdat er ooit zo’n reclame was voor Prodent-tandpasta waarbij zo’n hond op het bed sprong en vrolijk deed en zo.’
Yuri: ‘Een bouvier?’
Zezunja: ‘Nee, nee, zo’n Samson-hond.’
Yuri: ‘Maar ik weet helemaal niet wat een Samson-hond is.’
Zezunja: ‘Dan ben je een slechte Belg.’

Provinciaals

We staan op het punt om weg te gaan. Yuri staat bij de tuindeur.
‘Zullen we die op slot doen?’, vraag ik
‘Waarom?’, zegt Yuri met verbijstering in zijn stem.
‘Nou… uhm… voor inbrekers…’, zeg ik, op mijn beurt verbijsterd door die vraag.
‘Inbrekers???’ Yuri kijkt me glazig aan.
‘Uh… ja… inbrekers.’ Ik peil of hij me in de maling neemt.
‘Daar heb ik in Leuven nog NOOIT van gehoord’, zegt hij hoofdschuddend.

Als ik even later een rondje Leuven fiets, zie ik op élke buitendeur maar één slot.
Ik vind het heerlijk.

(Aan de inbrekers die dit lezen: ik kom uit Amsterdam en ik doe elke deur en elk raam op slot, ook al woon ik in Leuven. En ik ben een vechtersbaas. U hoeft dus niet langs te komen.)

Mijn vijf en hun toppers

Ik zag een stokje geboren worden en dankzij Lilimoen sta ik er nu mee in mij handen. Als vanouds geef ik ‘m niet door. Stelen mag.

Toelichting op de titel:
In Vlaanderen kan dat nog, spreken over toppers. Er zit geen vieze bijsmaak aan van Geer, Goor en mensen uit programma’s als De Bus die elkaar te pas en te onpas een toppertje noemen. Brrr. Dat is fijn voor de Vlamingen, maar ik ben te Nederlands om dat woord zonder gène te gebruiken. Vandaar.

Elke rijtje is in willekeurige volgorde, dus 1 is niet beter dan 3. Een kwestie van appels en peren.

De top 3 van mijn neus.
1. zoet deeg dat wordt gebakken
2. eender welke vanillegeur
3. een kerstboom… uh… dennenbos – mijn lief als ik hem gemist heb – playmobilstiften – kip aan het spit in tijden van honger – koffie om zeven uur ’s ochtends - verse basilicum

De top 3 van mijn smaakpapillen.
1. zuurwaren (zure bommen, uien, etc.) van De Leeuw aan de Vrijheidslaan in Amsterdam
2. een bord rucola met dressing en een bord frietjes met zelfgemaakte mayonaise in een fijn restaurant
3. vanillemilkshake – pecannotentaart – basilicumdressing – mierikswortel met crème fraà®che en zalm – een glas ijskoude cola op een warme dag – hazelnootschuimtaart – verse korianderblaadjes – ongebakken zoet deeg

De top 3 van mijn oren.
1. het Vlaams van een actrice in de theatergroep van mijn lief
2. de intro’s met distortion van Dwarzand zoals ik die hoor ervaar vlak voordat ik inval met de zang
3. Mark Lanegan… uh… mijn lief die iets in mijn oor fluistert op een zwoele zomerochtendMiserere Mei van Allegri door goede uitvoerders

De top 3 van mijn ogen.
1. het uitzicht vanaf een berg in een dal met alleen maar bomen waar je de stam niet van ziet, waardoor het dal een donzen dekbed lijkt waar je in kunt duiken
2. Les Triplettes de Belleville (klik)
3. hoekige mensen als Maarten van Roozendaal en Jacques Brel – de schilderijen van Pyke KochYuri op het podium – alle kleurtjes op en rond mijn bureau – de poezen, kijk maar

De top 3 van mijn huid.
1. bloot in een wollige winterjas
2. een warm bad waar ik nood aan had
3. de zon op een windstille dag – een zachte bries op diezelfde windstille zomerdag - een opkomende xtc-pil – een Turks bad – een vrouwenzoen – net geschoren benen - Yuri

Zeg niet dat ik u niet
gewaarschuwd heb



Mijn voorlopig rijbewijs is al enige weken een feit, maar aangezien wij een autoloos gezin vormen, was er nog geen aanleiding tot waarschuwen. Nu de dokter en zijn vrouw bereid zijn met ons een auto te delen (dank daarvoor!) kan ik u met trots melden: hou uw kinderen binnen, sluit ramen en deuren en hou het radionieuws in de gaten, want ondergetekende gaat vanmiddag voor het eerst de weg op zonder dat er iemand anders op de rem kan trappen dan ikzelve.

Einde van dit politiebericht.

Het leven van een flapuit
gaat helegaar niet over rozen

Geen idee wat mij bezielde.

Misschien dat ik haar te mooi vind en daarom te bedreigend. Misschien dat het elastiekje van het Panosbroodje de raders van mijn iq had laten vastlopen. Misschien heb ik net als Sjeik de lentekolder in mijn kop. Misschien had ik een moment van kortstondige dementie, waardoor ik alle geleerde lessen uit mijn leven onbedoeld negeerde.

Maar hoe het ook kwam: ik vroeg haar of ze zwanger was.

Neeeee, dat vroeg ik toch niet écht? Jawel, dat vroeg ik echt.
Maar wist ik dan niet dat het risico van die vraag levensgroot is? Jawel, dat wist ik wel.
Maar vragen of iemand zwanger is op basis van een bol buikje, is toch iets dat je je voorneemt nooit te doen? Jawel, check, voorgenomen!
En ik deed het dus toch?
Ja.

En hoe liep dat af?
Zij zei, met een rood hoofd: “Ik ben al vijftig.”
Ik zei, met een rood hoofd: “O! Nee! Sorry!” (x 50)

Verder heb ik nog geprobeerd uit te leggen dat het een compliment is, omdat zwangere buikjes altijd heel pront bol zijn. Veel mooier dan niet-zwanger-dik.

Of het compliment ook als zodanig overkwam, durfde ik dan weer niet te vragen.

Wij maken nooit wat mee

Zezunja: ‘Weet je wat leuk was?’
Yuri: ‘Nee.’
Zezunja: ‘Dat de gft-zak niet lekte.’

Het gaat over spuug
en het is niet zo kort als ik wilde

De eenzaamheid kan enorm toeslaan als iemand op mijn wang spuugt. En dan bedoel ik niet spugen als in klodders en zo, maar zo’n minispatje op je wang of in je mondhoek. Zelden voel ik me meer aan mijn lot overgelaten als op het moment dat ik in de vuurlinie sta van iemand die met consumptie praat.

Ik ben zelf ook een met-consumptieprater, wegens beugelverleden en balk in mijn mond (waarover later meer), dus als er iemand is die weet dat zoiets kan gebeuren, ben ik het wel. Ik trek mij dan ook niet terug in mijn hoofd met een stapeltje verwijten, zo van ‘hee, jij spuugt op mijn wang’, nee, ik trek mij terug in mijn hoofd met empathie, schuldgevoel (!) en de overtuiging dat ik de redder van de situatie moet zijn.

De redder van de situatie, dat is een belangrijke job in een jong en dynamisch bedrijf. Aan mij de taak om iedereen met een big smile de situatie uit te loodsen. De eerste vraag die ik dan moet beantwoorden is: ga ik mijn instinct volgen en met mijn hand dat korte, koude spetje wegvegen?

Dat is gelijk een moeilijke vraag, want soms weet de spuger in kwestie niet dat-ie in je gezicht spuugde en dan is doen alsof er niets is gebeurd ook nog een mogelijkheid. Een zeer plausibele mogelijkheid zelfs, als je bedenkt dat het enige doel is: de situatie redden. Ik bedoel: zijn wij niet allen in wezen conservatief en willen we niet het liefst altijd doen alsof er niks is gebeurd?

Kortom: met die ene veeg zeg je tegen die ander: ‘Je spuugde in mijn gezicht en dat ga ik NU wegvegen.’ Probeer dan nog maar eens te doen alsof er niets is gebeurd.

Het probleem is echter dat je niet altijd weet of de ander het gezien heeft, waardoor de merkwaardige situatie kan ontstaan dat jij angstvallig probeert te doen alsof er niets is gebeurd, terwijl de ander zijn ogen gericht houdt op zijn eigen spatje. Hij zag het gebeuren, hij ziet hem nog zitten, maar er is een schijnsituatie ontstaan van mantels der liefde en goede vrede. En intussen zit jij met iets kouds op je wang.

Als je geluk hebt, droogt de spetter op, bij wat pech kan je de veegneiging niet bedwingen. In het ergste geval is hij verrast en beschaamd, omdat hij door die veeg fijntjes wordt gewezen op zijn orale tekortkomingen. Waarna je samen met de bal van je voet in de grond zit te poeren, terwijl je met gebogen hoofd allerlei sorry’s en tisnietergs stamelt.

En mijn god, hoe eenzaam is dat?

[wijvenweek] Kinderkolder

Ik zou best een kindje willen, maar als ik kleine ijsbeertjes zie, wil ik ook altijd een klein ijsbeertje. En als ik bruine kindjes zie, wil ik graag een bruin kindje. Op National Geographic zag ik onlangs een Vietnamees kindje, dat wilde ik ook wel. En als ik heel kleine Gremlins zie, dan wil ik die ook.

Mijn kindje zou Vlaams moeten spreken. Die afgeplatte klinkers zijn schattig in een brabbeltaaltje. Hoewel ik tweetalig ook heel schattig vind. En handig. Engelssprekende kindjes vind ik ook leuk. Drietalig dus. En mijn kindje moet zich natuurlijk ook kunnen redden in het Noord-Nederlands. Viertalig. Maar het liefst heb ik dat het kindje op gezette tijden zijn mond houdt.

Als het kindje iets zegt, moet het schattig zijn. Filosofisch ook. En een beetje brutaal. Zoals Nina die op de vraag ‘hoe gaat het?’ altijd zei: ‘Leuk!’ En Luca die vermoedde dat hij pas over duizend jaar dood zou gaan. Dat meisje dat tegen Dr. Phil zei: ‘Hee, u heeft geen haar!’ mag ook komen. Ik eis de godganse dag het programma Praatjesmakers, maar dan – alstublieftdankuwel – zonder Jochem van Gelder.

Het kindje moet op mij lijken. Niet helemaal natuurlijk, want al mijn mislukkingen moet het kindje goed maken. Zo moet het kindje een goed gebit krijgen, het zal op zijn of haar vijftiende keurig een typdiploma halen en het zal beter opletten bij Duits. Bovendien zal het geen verkering nemen met die jongen die langspeelplaten stal.

Uiteindelijk zal het kindje geld opbrengen. Hoe, dat weet ik nog niet, maar het zal verdomme betalen voor negen maanden inkomstenderving, en al die luierdoekjes en snoetenpoetsers. Voor niets gaat de zon op en dat zal het weten ook.

Kortom: hier ten huize Zezunja wordt met smart gewacht op de dag dat er een bruin kindje met een Vlaamse tongval en een zak geld voor de deur staat.

(dit is het laatste stukje in het kader van de wijvenweek)

[wijvenweek] De bevrijding

Ze hadden weer een thema vandaag: shoppen.

Ik loop door Amsterdam en zie een mooie sjaal voor maar zes euro, een super coole bulletvuilnisbak met panterstrepen en een bijzondere uitgave van een dichtbundel van Kopland. Verderop verkopen ze acht rijpe avocado’s voor een euro, er is een tweedehandswinkel met graaibakken en de schemerlamp van mijn dromen is afgeprijsd.

Ik loop door Antwerpen. Er is een Gamemania, een Mediamarkt, en duizend H&M’s met uitverkoop. Ik zie een prachtige stapel oude ansichtkaarten, een winkel waar ze de New Yorker verkopen, een bureaulamp met veermechanisme en een bak Kaapse viooltjes die me lieflijk toelachen.

Ik loop door Gent en ik tref de lekkerste oriëntaalse boemboes in veelvoud en een winkel vol kerstlampjes. Ik zie notitieboekjes in de uitverkoop – pennen, mapjes, mooie bakjes in roze en geel. Op de hoek van de straat verkopen ze staafmixers, kleine poesjes en mijn lievelingsbroeken.

Ik loop door Leuven en de prikkels blijven uit. In geen maanden deed ik een miskoop, geen mooie, goedkope broek die een maatje te klein blijkt te zijn. Geen té goedkope dunschiller, die na twee keer schrapen kaduuk is; geen zinloos spul, geen prullaria, geen kleine dinsigheidjes.

Sinds ik in Leuven woon ben ik voor 99 procent vrij van impulsaankopen en ik moet zeggen: het is een opluchting van jewelste. Zodra ik in Amsterdam, Antwerpen of Gent vertoef, voel ik een hand om mijn keel die mij dwingt te consumeren. Een stem die al mijn koopdrift aanspreekt: veel voor weinig geld, alles wat ik al jaren wilde en een kwestie van nu of nooit. Sinds ik in Leuven woon, besef ik pas hoe ongelooflijk vaak – om niet te zeggen voortdurend – een mens in een grote stad wordt aangesproken op zijn consumeerdrang.

Ik ben bevrijd.

[wijvenweek]
Over lijven, want dat moest

Ik ben complex en heb een complex complex dat ik ook nog eens alleen maar op een heel complexe manier kan uitleggen. Kortom: we hebben een c, we hebben een o, we hebben een m, we hebben een p en we hebben de rest van die riedel.

De c is van comfortabel
Er is iets schrikbarends gebeurd, in dit stukje schreef ik er al eens over. Ik ben van een meisje dat buiktruitjes en pofmouwtjes kocht/stal/leende, verworden tot een wombat met twee favoriete slobberbroeken, duizend pseudo-pyjama’s en een knelfobie. Aan mijn lijf geen knellingen, kneuzingen of kou, en geen fijngedrukte tenen, ingehouden buiken en strikt bijeengehouden billen meer.
Dus de foto’s van mezelf op wandeltocht in de Provence met suède hakjes van zeven centimeter en een decolleté van vergelijkbare omvang is definitief verleden tijd. Waar mogelijk bestaat mijn wereld uit verende zolen, behaaglijke warmte en ruimte rond elk mals deel van mijn lichaam. Dat mag misschien saai en weinig sexy klinken, maar wees gerust: ik werd doorgaans ook niet echt sexy van het smachten naar een stoel om mijn hooggehakte voeten te sparen, van snijdende strings tot diep in mijn rug en van tocht van mijn tietspleet tot aan m’n suivez moi. Ik word sexy van comfort.

De o is van ontevreden
Ik ken de theorie hoor. Wij vrouwen hebben een onrealistisch ideaalbeeld, een onrealistisch zelfbeeld, een onrealistisch streefdoel, dus die o moest eigenlijk de o van onrealistisch zijn. En toch, en toch, en toch: ik heb écht recht van spreken. Een goed voorbeeld: ik heb blonde wimpers. Jawel, ik geef talloze euro’s uit aan het zorgen dat niemand aan mijn benen kan zien dat ik een brunette ben, maar ondertussen moet ik de mensen ook laten geloven dat mijn beige wimpers zwart zijn. Pikzwart. De o had dus ook van oneerlijk geweest kunnen zijn.

De m is van mooi
Soms ben ik mooi. Ik moet er wel bepaalde poses voor oefenen en ik mag certain kledingstukken nooit uittrekken. Maar als ik dat eenmaal voor elkaar heb, ben ik best mooi. Zo heb ik amandelvormige ogen, heel rechte schouders en goeie turnkuiten. Over alle mislukte dingen probeer ik het nu even heel hard niet te hebben. En dat is gelukt.

De p is van pragmatisch
Natuurlijk wil ik graag mooi zijn. Liefst altijd. Maar met het basismateriaal dat ik heb gekregen, kost mooi zijn veel geld en veel tijd. Beide heb ik niet tot mijn beschikking en daar wordt een mens pragmatisch van. Zo heb ik een jas met capuchon voor badhairdays, verder heb ik mijn lief getraind mij ook mooi te vinden als ik mijn capuchon af heb. En als ik in de spiegel kijk, zeg ik zoemmmm, als teken van overgave. Heel pragmatisch.

De l is van lelijk
Mezelf lelijk vinden is geen enkel probleem. Dagelijkse kost. In wezen ben ik een optimistisch mens, maar de o van ontevreden zit ook in zoemmmm. Dus de blik in de spiegel leidt regelmatig tot de o van ongelukkig. Edoch, ik ben een optimistisch mens, met een makeuptasje, een ferme garderobe en een lief dat spiegelt dat ik mooi ben. Met wat kunst- en vliegwerk en de juiste dosis indoctrinatie komt het altijd weer goed.

De e is van extravagant
Met de c van comfortabel heeft ook de i van iets-minder-extravagant zijn intrede gedaan. Ik vind lange stelten met een superstrakke kont en weinig verhullends van boven prachtig. Maar na vijftien jaar overal overdressed zijn, behalve in wijlen mijn stamkroeg de Roxy, heb ik de neiging een beetje onder te duiken. Als een halve skater verstop ik me in baggy trousers, hoody’s en vans. Daar valt geen vrouw meer in te ontdekken. En toch: met mijn stoney oogopslag, mijn dreadlocks en mijn voorkeur voor felle contrasten vrees ik dat ik (zeker in België) nooit echt onder zal kunnen duiken.

De x is afhankelijk van de stemming van de dag
Vandaag voel ik me lousy, qua lijf. Mijn tanden moeten gepolijst, maar de tandarts had pas over vijf weken tijd, mijn dreadlocks zitten in een peuterpuberteit, met als gevolg dat er geen land mee te bezeilen valt en alle goede broeken zitten in de was. Maar er ligt een muts klaar, voor als ik met de handen in het haar besluit dat deze badhairday niet meer te redden valt. Want stemming of geen stemming: pragmatisch blijf ik altijd. En een muts is comfortabel – van comfortabel word ik sexy – daar zit een x in. En zo is het verhaal helemaal rond.

(PS Er is zelfs een echte wijvenweekwebzijde, zie hier)

Synesthesie is een gelig woord (2)

Op het vorige Synesthesie is een gelig woord (klik) kwamen enorm veel reacties. Zóveel dat het niet te doen was om iedereen in het reactieding antwoord te geven. In dit stukje zal ik de vragen die voorbij kwamen, proberen te beantwoorden. Aan iedereen die toen reageerde (ook die mensen op wie ik hier niet reageer): bedankt voor je bijdrage. Het was een opmerkelijke verzameling verschillende ervaringen. Enne… bedankt is donkerblauw met oranje.

“Ik kan nog makkelijker vertellen hoe kaas voor mij smaakt.”

Octavie zegt: Een wonderlijk verschijnsel. Ik wil wel antwoord geven op de vraag wat ‘wij’ dan zien, wij de niet-synestheten. Ik heb het namelijk niet. Ik zie geen kleur bij een woord, seizoen of dag van de week, cijfers of noten, maar wel iets anders. Ik ‘zie’ een gevoel en een plek in een bepaald systeem, en dat systeem is anders dan in chronologie of jaar-, of urentelling. Het is moeilijk uit te leggen. Alsof het woord of de dag van de week in een bepaald deel van mijn hoofd gelokaliseerd is. En je hem daar ook ziet zitten. Er zit dus geen kleur aan maar het zit in een soort netwerk. Maar het is eigenlijk niet uit te leggen dus. Ik denk dat ik nog makkelijker kan vertellen hoe kaas voor mij smaakt.

Zezunja: Volgens mij is dat ook een vorm van synesthesie. Bovendien las ik ergens dat sommige wetenschappers ervan uitgaan dat iedereen wel een kleine vorm van synesthesie heeft. Ik denk dat die eigenschap in onvoorstelbaar veel soorten en maten verkrijgbaar is.

“Zodat poep dus voor jou roze kan zijn. Of niet?”

Oker zegt: Goh, wat interessant. Ik wist wel dat het bestond en herkende een gedeelte van de wiki. Wat ik alleen zo raar vind, is dat de kleur van het woord niets te maken heeft met de associatie met het woord zelf. Zodat poep dus voor jou roze kan zijn. Of niet?
Maar nu komt het, want ben je behalve een synestheet ook een beelddenker? Dit komt namelijk vaak voor met synesthesie en wijkt ook af van het normale. Dan heb je weer stof voor een boeiend logje.

Zezunja: Ja, poep kan roze zijn, maar voor mij is het een wittig woord door al die ronde vormen. De O is wit en de P is deels wit. Magenta is bijvoorbeeld een blauw met geel woord, door de A, de M en de N. Daar komt geen magenta aan te pas.
En ja, ik heb een fotografisch geheugen. Bij woordjesoverhoringen haalde ik vaak een 9,8, omdat ik de woordjes gewoon voor mijn geestesoog kon aflezen vanaf de pagina waarop ik ze gezien had. En als ik iets kwijt ben, moet ik mijn ogen sluiten en plaatjes van het huis ‘kijken’. Rondlopen heeft namelijk minder zin dan mijn innerlijke fotoalbum doornemen.

“Het houdt me bezig.”

Octavie zegt: Ik heb nog eens zitten denken. In mijn vorige reactie had ik het over ‘wij, de niet-synestheten’. Maar zoals ik het zie, hoeft natuurlijk niet iedereen het te zien. Sterker nog: misschien ziet iedereen het wel anders, woorden, cijfers, dagen, tonen. En is nu net de synesthesie gediagnosticeerd. Dat kan natuurlijk ook nog. Het houdt me bezig. Dus.

Zezunja: Ik denk inderdaad dat jij ook in meer of mindere mate een synestheet bent. Die ruimtelijke ervaring van plekken en gevoel hoort ook bij de symptomen. Ik heb dat ook met plekken en gevoel. Elk land, elk huis, elke straat, elk orgasme, elke huilbui en elke lachkick heeft een eigen kleur.

“Val ik nu ook in een bepaalde maffe categorie?”

Soes zegt: Ik heb het wel met een jaar. Dat is in mijn geestesoog een ovaal en ik sta als het ware aan de zijlijn. En welke tijd van het jaar het is, bepaalt waar ik sta en daar is het lichter dan bij de andere maanden… Maar het is wel in zwart-grijs-wit. En bij het nieuwe jaar is een soort streepje als grens.
Val ik nu ook in een bepaalde maffe categorie??

Zezunja: Ja, ik denk dat ook een symptoompje is. Als dat alles is, is het maar een lichte vorm, maar het is ontegenzeggelijk een synesthetische eigenschap. Mir schreef op haar weblog over een rond jaar. Kijk voor dat stukje hier.

“Dagen zie ik voor me volgens een vast patroon met kleuren.”

Esther zegt: Ik heb het niet met alles, maar zeker wel bij een heleboel dingen. Dagen zie ik voor me volgens een vast patroon met kleuren bijvoorbeeld.

Zezunja: De dagen van de week zie ik verschillend. Soms in golvende linten, soms in halve cirkels, soms als een lijn van links naar rechts. Elke dag heeft, als-ie afgezonderd staat, een vaste kleur, maar in de context van een specifieke week wil die kleur nog wel eens een beetje afwijken – afhankelijk van mijn bezigheden, mijn stemming, het seizoen en de muziek die ik luister.

“Kibbelpartijen over of donderdag blauw of bruin is.”

Aargh zegt: Leuke dingen zijn dat. Over kleuren hoor je dat erg vaak, hier in huis zijn de kibbelpartijen over of donderdag nou blauw of bruin is niet van de lucht. Maar het zou me niet verbazen als veel hiervan cultuur en taalbepaald is, als het voor een belangrijk deel op associaties berust. Ik merk bijvoorbeeld dat lichte kleuren en woorden met een lichte klank (e of i) wel erg vaak gekoppeld zijn maar er is ook vaak overeenkomst tussen klank van het woord en kleurnaam.

Zezunja: Ja, deels valt het vaak wel te verklaren. Mijn woensdagen waren ’s ochtends wit en ’s middags zwart en het hele weekend was donker (bruin en zwart). Vrije dagen waren dus donker, waarschijnlijk omdat wij thuis geen tl-licht hadden en op school wel. Zo kan ik inderdaad best veel associaties verklaren, maar soms zijn ze wel schijnbaar lukraak.

“Dus het is meer iets wat ik me verbeeld, dan dat ik het echt zie. “

Eline zegt: Oh, ik wist niet dat dat zo heette. En dat het eigenlijk bestond. Ik zie letters als ik ze me voorstel ook altijd in kleuren. Zo is de A altijd geel en de D altijd groen enz. Maar als ik dat testje doe, dan zie ik geen kleuren. Dus het is meer iets wat ik me verbeeld, dan dat ik het echt zie, zeg maar.

Zezunja: ‘Zien’ is ook bij mij eigenlijk niet aan de orde. Het woord ‘geestesoog’ lijkt wel voor deze eigenschap uitgevonden.
Misschien dat jouw synesthesie niet opspeelt als je leest, alleen als je erover nadenkt. Als ik lees zie ik namelijk in principe ook gewoon zwarte letters. Bovendien hangt het er ook van af of ik over het woord nadenk, of over de betekenis van het woord. Wanneer ik sec de letters naast elkaar zie (het woordbeeld) zie ik een andere kleur dan wanneer ik het woord interpreteer. Het begrip heeft een gevoel en gevoelens hebben ook kleuren, dus die voegen nog iets aan die letters toe.

“Dat snap ik dus niet: hoe je in woorden kunt denken.”

Nova zegt: Bij mij duurde het heel lang om te ontdekken dat niet iedereen in beelden denkt. Dat snap ik dus niet: hoe je in woorden kunt denken.

Zezunja: Ik zie de woorden soms in de beelden langstrekken. Dus de woorden worden dan ook weer beelden. Maar kleur en plaatjes nemen veel ruimte in per gedachte.

“Hoe verschijnen die kleuren dan?”

Nina zegt: Poehee, als het echt zo is dat maar heel weinig mensen dit hebben, dan heb je er eigenlijk wel al best veel in je lezerspubliek, of niet? Ik had er werkelijk nog nooit van gehoord, en kan me er ook heel weinig bij voorstellen. Vind het echt een maf idee, wel heel fascinerend trouwens. Hoe verschijnen die kleuren dan? Als je bijvoorbeeld aan het cijfer ‘4′ denkt, verschijnt er dan een soort van appelgroen scherm voor je geestesoog, of denk je alleen maar aan de kleur appelgroen? Maw: is het iets visueels of meer iets cognitiefs?
Wat ik me dan ook afvraag: krijg je die kleuren alleen als je echt aan een woord denkt of komen ze permanent in al je gedachtenstromen voorbij? Als je dan bijvoorbeeld een soort van interne monoloog hebt van elkaar in hoog tempo opvolgende gedachten en zinnen, zie je daarbij dan ook woord voor woord een soort van kleuren-lichtshow voorbij komen? Hebben voorzetsels enzo ook een kleur? Loopt het kleuren zien synchroon aan het denken of volgt het erop?
Ik geloof dat ik me er echt helemaal niets bij voor kan stellen…

Zezunja: Ik vind ook dat er veel synestheten op mijn weblog rondhangen. ;)
Als ik de tijd krijg om over het cijfer vier na te denken, verschijnt het cijfer vier appelgroen ‘in mijn hoofd’. Als het cijfer vier in een zin gebruikt wordt, is de zin, de omstandigheid en mijn stemming even bepalend voor de kleur waarin ik de zin zie. Als ik de leider ben in ‘Noem een getal onder de tien’ en het getal is twee, dan zal ik de twee in een gele verschijning onthouden. De twee is dan geïsoleerd en belangrijk, dus dan zie ik ‘m heel helder voor me. Ik zie een kleurenlichtshow voorbij komen, maar dat heeft meestal meer met interpretaties van woorden te maken en dan bepaalt mijn gevoel welke kleur er langskomt, Zo zijn ruzies vaak blauw met zwart en zilver en is geluksgevoel en geborgenheid oranje met rood en geel. Heel cliché eigenlijk. Voorzetsels hebben als woord een kleur (uiteraard weer geïsoleerd), en soms mogen ze de zin overschreeuwen, als ze veel nadruk hebben, als ik ze lees en de typografie me daartoe dwingt. Het kleuren zien loopt synchroon met het denken aan een woordbeeld, een getal, een dag of een muzieknoot, maar de kleur van gelijktijdige gevoelens of muziek op de achtergrond of andere sensaties kunnen overstemmen.

Yuri wil ook synesthesie.

Yuri zegt: Ik wil ook synesthesie!

Zezunja: Zo moet-ie, wat mij betreft: Ik wil ook synesthesie!

“Eerst was de woensdag geel, toen blauw en toen groen.”

Marina zegt: Ja dat blijft interessant, die synesthesie. Ik heb het ook. Met een zekere flexibiliteit: in mijn vroege jeugd was de woensdag geel (’s middags vrij op de lagere school’) totdat ik naar de middelbare school ging. Toen werd-ie blauw. In het eindexamenjaar had ik de laatste twee uur op woensdag vrij en toen werd-ie groen.
Dat is-ie nog steeds. Heeft misschien ook met het woord groen te maken dat lijkt op woen(sdag).

Zezunja: Ja, mijn jaar en de seizoenen zijn ingedeeld in drie maal vier maanden onder elkaar. April staat nooit naast mei en augustus nooit naast september. Het jaar begint linksboven bij januari en eindigt rechtsonder bij december. Volgens mij heeft dat iets te maken met de indeling van verjaardagkalender die op de wc hing toen ik heel klein was. Die was zo ingedeeld. De seizoenen staan ook in die verhouding tot elkaar.

“Synaesthetically challenged, dat ben ik dan.”

Kameleon zegt: zezunja, als je zo fascinerend vertelt over je synaesthetische ervaringen, voel ik me behoorlijk blind. letterlijk, als iemand die blind is geboren en tegen wie iemand vertelt over al het visueel moois dat de wereld te bieden heeft.
het meest jalours ben ik op je gave om de afstand tussen tonen te zien. potverdorie, ik moet het telkens uitrekenen of maar stom gissen wat de afstand is.
synaesthetically challenged, dat ben ik dan.

Zezunja: Maar als ik afstanden hoor, weet ik de eerste toon nog niet en dan heb je weinig aan je zicht op afstanden. Pas al ik de beginnoot weet, heb ik iets aan de kleur van de afstand.

“Als de letters de verkeerde kleur hebben, is dat dan heel irritant?”

Madelief zegt: Wat ik dan weer wil weten: hoe is dat dan als je bijvoorbeeld Yuri’s reactie leest, want wat als hij de letters de verkeerde kleur heeft gegeven – is dat dan heel irritant?

Zezunja: Het leest wel veel gemakkelijker in mijn eigen kleuren. Maar die zijn ook écht wat rustiger, dus dat zegt niet zoveel. Als je mij het getal negen in het groen voorhoudt, dan zal ik het wel minder gemakkelijk onthouden dan wanneer je dat getal in rood/oranje voorhoudt.

“Zo zie ik bijvoorbeeld geen verschil tussen 27 en 72.”

Marjanne zegt: Voor wie zich wil voorstellen hoe het werkt met cijfers en letters: kijk naar een tekst – in zwarte letters – op papier en stel je voor dat alle letters in een kleur zijn gedrukt. “tekst” is dan (voor mij): lichtblauwe t, zwarte e, donkerblauwe k, donkergrijze s, lichtblauwe t.
Sommige letters zijn zo dominant dat ze het hele woord overschreeuwen.
Het heeft allerlei voor- en nadelen. Zo zie ik bijvoorbeeld geen verschil tussen 27 en 72, aangezien de kleuren van de cijfers dicht tegen elkaar aanzitten (zacht oranje bruin en okerbruin), dit getal is meer een vlek. Aan de andere kant kan ik makkelijk een naam uit mijn geheugen opdiepen omdat ik gewoon zoek naar de kleur waar het mee begint.

Zezunja: Het is voor mij inderdaad bijna zoals jij het zegt. Hoewel ik tekst eerst zwart zie en pas als ik de tekst niet interpreteer en het woordbeeld tot me neem, krijgen de letters kleur. Letters overschreeuwen gauw het woord, zeker als er meer van zijn, daarom is is synesthesie een gelig woord. De E is oranje en de S is zwart met wit. En 27 en 72 zijn bijna hetzelfde, maar voor mij is het verschil zoiets als een omgedraaide vlag, en geel (2) links of rechts maakt toch wel wat verschil. Voor mij is het handig met tikfouten corrigeren. Een woordbeeld heeft een kleurstelling als een soort vlag en het valt op als er ineens verkeerde kleuren in een vlag staan.

Het rimpeleffect van één propje

Soms is alles in mijn hoofd te groot. Dan ruim ik helemaal niets meer op, omdat eigenlijk álles geschilderd moet worden. Ik doe geen kleine boodschappen, omdat we eigenlijk heel veel in één keer nodig hebben. Niemand krijgt nog antwoord op zijn e-mail, omdat er nog 63 e-mails op een reply wachten. En er verschijnt geen stukje op mijn weblog, omdat eigenlijk de hele lay-out, het hele concept, het hele idee op de schop moet.

Het is een genetisch defect, denk ik. Dat ik in theorie dondersgoed weet dat ik niet moet stapelen, maar in de praktijk steevast periodes heb dat ik nog geen kopje afwas, omdat dan in mijn hoofd ook gelijk de hele keuken verbouwd moet worden.

Het erge is dat zo’n stemming alomvattend is, dus het komt niet netjes één voor één – dat ik eerst vind dat het huis een flinke lik verf nodig heeft en daarna vind dat ik nodig een ander kapsel moet – maar het komt allemaal, huppakee, inééns. De keuken moet verbouwd, de tuin moet anders ingedeeld, mijn website moet helemaal omgegooid, mijn levensstijl is aan vernieuwing toe, mijn werkwijze moet rigoureus anders en mijn dagindeling deugt niet. En dan maar afwachten hoe lang het duurt.

Deze keer duurt het lang en dat is bereriskant, want dan krijg je de figuur dat je niet één keer denkt aan het aanmaken van drie nieuwe websites en het verplaatsen van alle meubels in het bureel, maar dagen achtereen, meerdere keren per dag. Zittend op de plee: Zal ik een stukje schrijven? Nee, want dan moet ik de hele lay-out veranderen. Hangend op de bank: Zal ik die kadertjes eindelijk eens ophangen? Nee, want er moet eerst iets met die muur gebeuren. Tandenpoetsend: Zal ik dat keukenkastje eens uitmesten? Nee, want dan moeten ze allemaal opgeruimd worden en ik wil ook nog iets leuks doen met de buitenkant. Ik ben echt in staat om een propje papier te laten liggen, omdat weggooien impliceert dat ik mijn archief eindelijk eens ga ordenen.

Vermoeiend? Waanzinnig. Resultaat? Nul. Oplossing? Geen idee. Elk weldenkend mens zegt nu natuurlijk: gooi dat propje vooral wél weg. Maar mensen van het kaliber Zezunja zullen begrijpen dat het zo gemakkelijk niet gaat. Elke onbeduidende kleinigheid leidt tot een bespiegeling van hoe alles anders moet. Om een voorbeeld te geven: ik haal de lakens niet van het logeerbed, omdat de logeerkamer in zijn geheel danig opgeruimd moet worden. En zo ontbeert dit huishouden een prachtig dekbedovertrek, omdat ik bijzaken niet van hoofdzaken kan onderscheiden.

Ik wist me de afgelopen dagen te beheersen. Alleen de was, die liep wat uit de hand. Één wasje draaien kon niet. Nee, zeg, wat denk je. Het werden er vijftien.

Maar verder gaat het goed met mij. Tijd en financiën laten het niet toe alles anders te doen, mijn obsessie wordt daardoor beperkt. Okee, okee, de propjes worden tijdelijk niet opgeruimd, dat zou te veel gevraagd zijn. Maar ik ben nog niet aangetroffen met stucplaat en verfkwast om het huis onder handen te nemen en ik heb evenmin de CSS van mijn website overhoop gehaald.

En hoe hard ik ook heb geprobeerd geen stukje te schrijven over dat ik geen stukje schrijf: daar komt het wel op neer. Ik zal mijzelf karaktergewijs eens tarten en mijzelf verbieden websites te veranderen, nieuwe websites aan te maken, mijn dreads af te knippen of de keukenmuur te schilderen. Dat zal me leren!

Met als gevolg dat het hier misschien soms wat stiller is, omdat de heliumstemmetjes in mijn hoofd voortaan in een loop raken:
- Zal ik een stukje schrijven?
Nee, want eigenlijk moet mijn hele website anders.
- Daar komt niets van in.
Maar eigenlijk moet mijn hele website anders.
- Daar komt niets van in.
Maar eigenlijk moet mijn hele website anders.
- Daar komt niets van in, etc.

Allegaartje (11)

Dingen waar ik moe van ben.
1. van het moe zijn
2. van mijn verjaardag
3. van alle tandartsbehandelingen

Dingen die ik deze week bakte.
1. een butterscotchtaart
2. een chocoladecake
3. een zogenaamde ‘hoge’ appeltaart

Dingen die anderen schreven waar ik mezelf in herkende.
1. iemand die schreef over vrouwen die meer van hun poezen houden dan van hun vriendje, gelukkig heeft mijn vriendje dat ook, dat-ie meer van de poezen houdt dan van mij (als degene die dat schreef dit leest, please zeg iets, dan link ik, ik heb me rot gezocht, maar weet niet meer wie het was)
2. Tante Annie die schreef dat ze door de lente zin kreeg om een matrasbeschermer te kopen, ik stond ook met zo’n ding in mijn hand vorige week (for the record, zoiets heet een molton, Tante!)
3. Adriaan Jaeggi die Martin Brils bloesjesode miste op bloesjesdag

Dingen waar ik me schuldig over voel.
1. dat ik hier niks zinnigs meer ga schrijven tot zondag – en dat dit een veel te kort allegaartje gaat zijn
2. dat de liefste en zorgzaamste man op aarde wel lief en zorgzaam moet zijn, omdat ik geen flikker uitvoer sinds ik zo moe ben
3. dat ik vandaag welgeteld een half uur heb gewerkt

Dingen die ik voor mijn verjaardag kreeg.
1. een fiets die ik nog moet uitzoeken
2. het eerste seizoen van Deadwood
3. een smoothiereceptenboekje, een dichtbundel van Bart Moeyaert, een etentje in een Portugees restaurant, een boekje over literatuur, een verrassingsfeestje, een fles whiskey, een boek dat we al hadden, twee romantische kaderkes, een boel bloemen, kaarten, smskes, mails, reacties op mijn weblog en telefoontjes

Dingen die ik vorig jaar rond deze tijd schreef.
1. een stukje over een eyeopener in een docu over Jan Vrijman – een goed voornemen
2. een stukje over de Wildebras, de Engelsman en de Goede Vriend – een romantische komedie
3. een stukje over hoe het is ná het nieuwe begin – een hoopgevend stel woorden

Dingen waar ik heel blij om ben.
1. Yuri die de halve finale van een cabaretfestival heeft gehaald
2. Yuri die op onze ‘ontmoetingsdag’ voor het eerst gaat optreden in mijn stad
3. Yuri

Voor Allegaartje 1 t/m 10, kunt u hier terecht, onder het bovenste stukje.
En omdat ik er donderdag niet zal zijn, wil ik u net als vorig jaar graag doorsturen naar een stukje over het belangrijkste mailtje in mijn leven – Vandaag vieren we de dag van de blije bukster

Tot zondag.