Archief in kronkels: Zotisch

De controlfreak en de verrassing –
en hoe dat altijd een beetje wringt

‘Vrijdagavond, de dag na je verjaardag, moet je vrijhouden.’
‘Waarom?’, vraag ik.
‘Dat zeg ik niet, dat is een verrassing.’
‘Oh, spannend’, zeg ik.
(De controlfreak in mij zet zich schrap. Verrassing. Witte vlek. Overgave. Brrr.)

‘Je moet er mooi uitzien, vrijdagavond.’
‘Mooi? Wat is mooi? Mooi is afhankelijk van waar we naartoe gaan.’ Ik kijk hem indringend aan.
‘Maar liefje, jij ziet er altijd mooi uit. Maak je geen zorgen.’
(De controlfreak in mij maakt zich wél zorgen. Daarvoor is het een controlfreak. Mooi is tijdens een etentje anders dan tijdens een dropping. En als mijn controlfreak buitenspel staat, wint comfort het altijd van mooi. Een ijskoud concert van John Zorn in minirok of een flinke avondwandeling met speurtocht op enkellaarsjes van 11 centimeter hoog: dat risico neemt de controlfreak in mij niet meer. In mijn lange onderbroek en op mijn gymschoenen win ik de oorlog.)

‘We worden om negen uur opgehaald vrijdag.’
‘Opgehaald?’, vraag ik.
‘Ja, opgehaald.’
‘Okee’, zeg ik.
(Okee? Okee? Helemaal niet okee, denkt de controlfreak in mij. Opgehaald? Door wie? Zijn het leuke mensen? Moet ik er zenuwachtig van worden? Voor de zekerheid wordt de controlfreak in mij er maar zenuwachtig van. Je weet nooit.)

‘Ga maar wél met de ex-buurvrouw naar het boekfestijn.’
‘Maar wij zouden vrijdag samen mijn verjaardag vieren’, werp ik tegen.
‘Ja, maar ik kan verrassingsgewijs wel wat voorbereidingstijd gebruiken.’
‘O… Okee’, stamel ik.
(De controlfreak in mij voelt nattigheid. Hier klopt iets niet. Voorbereiden voor iets waarvoor we worden opgehaald? Zouden we dan toch niet worden opgehaald? Een feestje misschien? Thuis? Of buiten de deur? Met wie dan?)

‘Moet ik hoge hakken aan?’, vraag ik.
Hij ziet mijn vieze gezicht. ‘Nee, dat hoeft niet. Het mag ook casual mooi zijn.’
Ik probeer zijn blik te doorgronden.
(Dus toch geen feestje, denkt de controlfreak in mij. Als hij mij richting platte schoenen probeert te praten, dan zullen we wel iets heel actiefs gaan doen. In het donker, met kou en regen. De controlfreak in mij huivert.)

‘Yuri heeft een verjaardagsverrassing voor mij’, zeg ik.
‘Wanneer? Gisteren? Op uw verjaardag?’, vraagt ex-buurvrouw.
‘Nee, nee, vanavond.’
‘Da’s keileuk!’
(De controlfreak in mij legt haar reactie onder de loep: authentiek. Dus geen feestje, want ex-buurvrouw weet van niks. Zou het een voorstelling zijn? In Brussel? En dat we daarom door iemand worden opgepikt? Iemand met een auto?)

‘Het is al kwart over negen’, zeg ik.
‘Ik bel wel even.’ Hij loopt naar de gang.
‘En?’, vraag ik als hij terugkomt.
‘Alles komt goed, alles komt goed.’ Hij lacht.
(De controlfreak in mij analyseert: de meeste concerten zijn al begonnen, theatervoorstellingen ook, de film…, ah, de film begint nog laat. De controlfreak in mij neigt naar een triomfantelijke lach.)

‘De bel gaat. Doe jij maar open.’
Ik verwacht een auto met draaiende motor, maar er staan vier mensen.
Vier mensen die ik ken, maar die elkaar niet kennen. Moeten die allemaal in één auto?
(De controlfreak in mij snapt er niets meer van, krijgt geen grip op de situatie. Moet zich verloren gewonnen geven. Moet gewoon maar afwachten wat er gaat gebeuren.)

Ik sta in de deuropening en kijk de straat in. Geen auto te bekennen.
‘Hallo allemaal’, zeg ik, terwijl ik mijn verwarring over het ontbreken van een auto probeer te verbergen.
‘Gelukkige verjaardag’, kraait het viertal, terwijl ze hun fiets vastzetten.
Ik wil net vragen of we ‘gelijk weggaan’ als ik me realiseer dat we misschien wel helemaal niet weggaan. Over mijn schouder kijk ik de donkere gang in, in de hoop dat Yuri me komt redden. Geen Yuri te zien.
De vier maken aanstalten om het huis te naderen en plots besef ik dat ik niet moet wachten op hun initiatief.
‘Uh, zal ik jullie maar binnenvragen dan?’
(De controlfreak in mij draait overuren. What the fuck? Een feestje bij ons thuis? Maar het huis is echt helemáál niet opgeruimd! Is de wc wel schoon? Er staan drie fietsen in de gang! Volgens mij ligt er een string van mij op de trap! We hebben geen cola, alleen maar Duvels! Wah! De controlfreak voelt zich vreselijk gepasseerd.)

Yuri haalt allerlei verstopte versnaperingen uit de tuin, en een bak met zelfgemaakte sangria. Men geeft mij cadeautjes, men snapt mijn onhandige small talk, men wenst mij veel geluk. Men blijft tot drie uur ’s nachts en als ik naar bed ga, geef ik Yuri een dikke kus.
(De controlfreak in mij is gevloerd. Ik zeg onhandige dingen, ik zie er anders uit dan in tijden van volledige controle, het huis heeft mijn grondige feestvoorbereiding niet gehad en toch is alles leuk. Hoeveel meer zou een controlfreak nodig hebben om deemoedig het hoofd te buigen en de aftocht te blazen? Nou?)

De snuitcultuur geduid

Weet je waar je nou nooit iemand over hoort? De snuitcultuur. Niemand die ooit even de snuitcultuur voor mij duidt, de geschiedenis, de verschillen van land tot land, de relatie tussen neus en mens en de wetgeving omtrent decibellen.

Me dunkt dat snuiten een taboe is. Maar daarmee zijn we er nog niet, want was het maar zo eenduidig: men neme een taboe, en hup, klaar. Nee, er zijn nogal wat verschillen in snuittaboe tussen mijn Amsterdamse roots en mijn Leuvense nieuwe wereld.

In vergelijking met de Randstedelingen, waar ik heel mijn leven mee te maken heb gehad, gedraagt men zich hier als een kudde olifanten. In elke bijeenkomst, groot of klein, binnen of buiten, stil of rumoerig, klinkt zeker een paar keer wat trompetgeschal. In het Noord-Westen kon ik dagen lesgeven zonder dat iemand een zakdoek tevoorschijn haalde, maar hier hoor je op elk stil moment wel een keer een ferme pèèèp.

De katoenenzakdoekfabrikanten doen goede zaken, vermoed ik. Waar katoenen zakdoeken in mijn grootstedelijke beleving zijn voorbehouden aan double breasted bestuurders van amateurvoetbalclubs, is hier sprake van wijdverbreid zakdoekbezit. Zelfs de meeste hippe twintiger vist hier een frommeltje uit zijn slim jeans, om daarmee een stille treinwagon wakker te schudden.

Maar wakker schudden: ho maar. Niemand die op- of omkijkt als er tijdens een theatervoorstelling geschetter door de zaal klinkt. Behalve ik dan dus. Ik kijk altijd op. Of om. En daarmee plaats ik mezelf buiten de groep. De laatste keer dat ik een katoenen zakdoek bij me droeg, was toen ik klein was en ik met een kleuterstrijkijzer mijn katoenen kleuterzakdoekjes streek.

Ik heb me al vaak afgevraagd of ik een viespeuk ben. En of wij allen, daar in het noorden, niet een viespeuk zijn. Wij schrapers, neusophalers, stiekeme pielers met de mouw van onze jas. Maar ik kom elke keer tot de conclusie dat dat maar een deel van ons verhaal is.

Eigenlijk is het taboe bij ons nog groter. Wij wachten met snuiten tot we in de eenzaamheid van onze auto verkeren, binnen de veilige bescherming van de wc-muren, in bed. Dan snuiten wij Noorderlingen naar hartelust het Wilhelmus. En natuurlijk doen wij dan ook nog wat dingen die je in de openbaarheid nooit zou doen, met gepulk en een neusgat dichthouden en zo. Maar wij wassen daarna altijd onze handen. Tenminste, ik wel.

En dan heb ik het dus nog niet gehad over het verschil in hygiène tussen de wegwerpzakdoek en een aan-elkaar-geplakt katoenen lapje dat de hele dag in je zak mag opdrogen. Ik bedoel, ik ben helemaal voor milieuvriendelijk en zo, maar mijn broekzak hoort ook bij het milieu, vind ik.

De grote vraag blijft dus wie er viezer is. De Belg, die alle omstanders deelgenoot maakt van zijn inwendige huishouding met een kweekje in zijn broekzak. Of de Noorderling, die soms zelf niet doorheeft dat hij schraapt en ophaalt als een gorgelend gootsteenputje, maar die in momenten van stilte de boel netjes ophoudt. Zoals je dat doet met scheten of boeren.

En ik begrijp dus niet dat niemand het daar ooit over heeft. Maar misschien kleeft dat aan taboes. Dat zou zomaar kunnen.

Lucy en de Marathon Man:
een pasverworven trauma

Lucy heet de lamp van de paradontoloog. Dat staat tussen haar ogen. Ze hangt boven me. We kijken elkaar aan en ik weet dat Lucy me hier niet doorheen gaat slepen.
Ik zoek een ander punt om naar te kijken. De hoek waar het plafond de serremuur raakt. Ik staar.

In een flits zie ik een naald, ik hoor een buisje rinkelen en ik sluit mijn ogen. Nu is het een kwestie van ze dicht te houden.
‘Dit geeft even druk se’, zegt hij.
Ik probeer niet te kijken naar de naald die op ‘n centimeter van mijn ogen schuin in mijn kaak staat.
‘Dit kunt u even voelen, mevrouw.’ Hij kiest een andere hoek voor zijn naald. Mijn wimpers trillen van inspanning.

‘Dit voelt u tot in het puntje van uw neus’, zegt hij, terwijl hij mijn lip omhoog trekt.
Ik knijp nog steeds mijn ogen dicht. Voor mijn gevoel zit er nu een naald in het midden van mijn hoofd.
‘Deze zit dicht bij een andere zenuw’, zegt hij. Hij duwt de naald richting kin.
Mijn buikspieren kunnen niet meer en mijn ogen doen pijn van het knijpen.
‘Gaat het nog, mevrouw’, vraagt hij. De naald staat haaks onder mijn tong.

Na de zesde prik kijk ik Lucy aan. Ze blijft stoïcijns, geloken ogen op mij gericht. Niets vertelt mij of het nog lang zal duren.
‘Even wat naar mij draaien mevrouw’, zegt de paradontoloog – in één beweging de naald in mijn gehemelte plantend. Mijn handen klauwen en mijn tenen krommen. Bij naald nummer tien raak ik de tel kwijt. En mijn ogen hun kracht.

Onbedoeld kijk ik naar de naalden. Lucy kijkt mee. In mijn mond is de scheidslijn tussen waarheid en bedrog verwaterd. Zijn de naalden die ik voel een gevolg van de tintelende verdoving? Of voel ik nu toch weer een naald in het diepst van mijn gedachten? Mijn ogen nemen het over van mijn tastzin. Ik zie naalden, ik voel naalden. Mijn tranen trekken zwarte strepen loodrecht opzij.

Het zijn er minstens vijftien. Op vrijdag en op dinsdag. Dertig in totaal. Ik vraag aan Lucy of ze Marathon man heeft gezien. Pas als ze met een armzwaai wordt weggeduwd, knikte ze stilletjes ‘ja’. ‘Ik voel mij Dustin Hofman’, fluister ik. ‘Ik heb een idee voor een remake in de omgekeerde wereld.’

Een typisch geval van de weeromstuit

Ik moet meedoen aan een wedstrijd, ik moet naar de tandarts, ik moet een klein lampje met een grote fitting kopen. Ik moet een persbericht schrijven, ik moet een wanbetaler nabellen, ik moet de witte was weer eens doen. Ik moet naar de huisarts gaan, de slaapkamer opruimen en blauwe nagellak voor mijn tenen kopen. Ik moet mailtjes beantwoorden, ik moet een pasfoto maken, ik moet een aangetekende brief aan Telenet schrijven. Ik moet opdrachten zoeken, ik moet Fortis en Argenta bellen, ik moet mijn Unzio-lidmaatschap beter benutten. Ik moet contacten leggen met nieuwe werkgevers, ik moet meer stukjes op mijn weblog schrijven, ik moet minder verjaardagen vergeten. Ik moet de logeerkamer opruimen, het tuinmeubilair schilderen, het bureau een likje verf geven en het element van mijn semi-akoestische gitaar laten maken. Ik moet stoppen met roken, ik moet een handgeschreven brief aan een oud-collega schrijven, en Neil uit Nieuw-Zeeland nodig mailen. Ik moet weer eens naar Amsterdam, ik moet dat plekje op mijn wang laten onderzoeken, ik moet meer aan sport gaan doen. Ik moet de website afmaken, een betaalconflict oplossen, het nieuws goed volgen. Ik moet de uitslag van een andere wedstrijd bijwonen, ons autodeelcontract regelen en onthouden wie er allemaal een hart onder de riem nodig hebben. Ik moet een cursus ontwikkelen, mijn prijs verhogen, mijn gebit redden van de ondergang. Ik moet nog goedkoper leven, mijn verjaardag vieren en zorgen dat ik mijn zwarte sjaal terugkrijg. Ik moet een live-interview voor publiek voorbereiden, plannen indienen bij verschillende mensen, en groene zakken kopen. Ik moet mijn rijbewijs halen, helemaal blind leren typen en Tirza van Arnon Grunberg uitlezen. Ik moet vaker zingen, een fietsslot kopen en een fictieverhaal met een deadline verzinnen. Ik moet mijn iTunes ordenen, de inloopkast opruimen en zorgen dat ze bij Wisper mijn zalmsla weggooien. Ik moet iemand een column bezorgen, een afspraak maken met mijn schoonzus en meer De Een en De Ander’s tekenen. Ik moet een foto doorsturen van een Ploesiepoesie, het laatste deel van Harry Potter lezen en zorgen dat mijn cursus in Antwerpen volkomt. Ik moet mijn dreadlocks in goede banen leiden, de film Control nog eens zien en een nieuwe internetprovider kiezen. Ik moet sparen voor mijn sociale bijdrage, voor een nieuwe iMac voor mijn compagnon en voor een broodnodige vakantie. Ik moet nieuwe ideeën voor mijn websites verzinnen, mijn familie niet verwaarlozen en op tijd mijn medicijnen toedienen. Ik moet de uitgelopen aardappelen weggooien, het logeerbed afhalen en het gaatje in het luchtbed dichten. Ik moet bijna al mijn contacten beter onderhouden, mijn verkering vieren en doorgaan met 365 days. Ik moet prioriteiten stellen, mijn dwarsfluit schoonmaken en mijn bureau opruimen. Ik moet Little White T-shirt afmixen, de zwangeren in de gaten houden, mijn portfolio vervolmaken. Ik moet de synthesizer onder de knie krijgen, de ramen lappen, de eerste bollen in de grond doen. Ik moet weblogs volgen, attent blijven en onderhandelen over prijzen en onkosten. Ik moet een pepermolen kopen, en insteekhoezen en een nieuwe fiets.
Van de weeromstuit doe ik vandaag helemaal niets.

Synesthesie is een gelig woord

Er zijn dingen waarvan ik vroeger dacht dat iedereen ze kon. Bijvoorbeeld een gootje in je tong maken, je knieschijf naast je been duwen en cijfers in kleur zien. En omdat ik geen enkele reden had om aan te nemen dat anderen dat niet hadden, kwam het niet bij me op om het te vragen. Van het gootje in je tong leerde ik bij biologie dat het genetisch bepaald is, en dat er dus mensen zijn die dat pertinent niet kunnen. Mijn knieschijf naast mijn been duwen, bleek iets waardoor ik maanden in het gips belandde, dus dat was ook niet alledaags. Maar die cijfers in kleur: niemand die mij ooit vertelde dat slechts een deel van de mensheid dat heeft.

Het was een jaar of tien geleden dat ik het woord synesthesie voor het eerst hoorde (klik op de link voor uitleg). Waar of hoe ik ermee in aanraking kwam, weet ik niet meer, maar wat ik me wel herinner, is dat mijn mond openviel van verbazing. Omdat ik vroeger een nogal filosofisch aangelegde kleuter was, verkeerde ik in de veronderstelling dat ik al die ‘zie jij wat ik zie?’-
probleemstellingen wel zo’n beetje had geslecht. Ik was er na lang nadenken achtergekomen dat ik nooit kon weten of een ander de kleur blauw net zo zag als ik en dat beleving van ruimte en afstand danig konden verschillen. Maar geen haar op mijn hoofd die ooit in twijfel trok dat cijfers, klanken, ervaringen, woorden en begrippen een kleur hadden. Ik geloof dat ik me wel ooit heb afgevraagd of het dezelfde kleur was. Zo van: is Portugal voor jou ook oranje met wit? Maar dat zulke dingen per definitie in kleur aan je geestesoog verschijnen, dat was evident.

Eenmaal gewend aan het idee dat ik bij een minderheid hoorde, liet ik het varen. Als ik iets over synesthesie of synestheten tegenkom, denk ik natuurlijk nog wel ‘hee!’, maar verder blijft het een eigenschap als alle anderen. Zoals je ook niet elke dag beseft dat je rechtop staat. – sommige dingen horen nou eenmaal bij ‘de mens’. Dat de klank van de lage G bruin was, bleef een gegeven waarover ik niet nadacht.

Maar soms bots ik op tinternet op een testje om te bepalen of ik synestheet ben en dan besef ik weer dat er talloze mensen zijn voor wie een woord of een klank niet in vorm of kleur voorbij komen. En eigenlijk vind ik dat onbegrijpelijk. Zó onbegrijpelijk dat ik er, als ik er écht diep over nadenk, gek van word. Want als ‘jullie’ een woord niet in kleur zien, wat zien jullie dan wél? En als je niks ziet, wat ‘is’ een woord of een klank dan voor jou? Kennelijk geen ruimtelijke ervaring, maar – in hemelsnaam! -wat dan wél? Ik raak in paniek van al te grote abstracties.

(Omdat ik nu ik erover nadenk al hartkloppingen krijg, buig ik even af naar een ander aspect van mijn late, nog nauwelijks doorgedrongen besef dat niet alle mensen overal een kleur aan geven.)

Dát alles voor mij een kleur heeft (dagen, maanden, jaren, namen en seizoenen) wist ik al, maar ik had tot vorige week geen flauw benul of ik ook consequent was in die kleuren. Ik doe graag mee aan wetenschappelijke onderzoekjes over synesthesie (zie ook het stukje dat ik in 2006 schreef, Het cijfer 4 is appelgroen). Maar meestal zijn die testjes zo ingesteld dat je de vragen (die je binnen korte tijd zo impulsief mogelijk moet beantwoorden) maar één keer krijgt. Dus de vraag ‘welke kleur heeft het cijfer 2′ kreeg je zelden twee keer, zo kon ik er dus nooit achterkomen of elk woord elke keer dezelfde kleur heeft. En die enkele keer dat ik de vragen wel meer dan eens moest beantwoorden, kreeg ik mijn eigen antwoorden niet terug te zien. Soms stond eronder dat ik synestheet was, maar wat ik precies had ingevuld en hoe consequent ik daarin was geweest: geen idee.

Tot ik vorige week een test van een uur (!) deed. Ik kreeg honderd vragen in hoog tempo voorgeschoteld. Ik moest kleuren en vormen van klanken, noten, akkoorden, woorden, cijfers en tijdseenheden aangeven en voor het eerst kreeg ik alle woorden en klanken meer dan eens te zien. Toen ik na afloop een totaaloverzicht van mijn antwoorden onder ogen kreeg, zag ik voor het eerst hoe ongelooflijk consequent ik daarin ben. Okee, okee, bij de noten en akkoorden lijkt het nergens op, maar ik weet hoe dat komt. Niet de noot bepaalt de kleur maar de afstand tussen een noot en de volgende noot die ik hoor, bepaalt welke kleur ik zie. En aangezien de noten drie keer in een andere volgorde langskwamen, viel er ook niet te verwachten dat daar een lijn in zat.

Mijn verbazing over de consequentheid van mijn antwoorden valt nog het best te vergelijken met de verbazing die je hebt als je in een computeranimatie ziet hoe een mens zijn nek rechthoudt. De verbazing wordt dan niet veroorzaakt door het feit dát je je spieren aanspant, maar het feit dat het er zoveel zijn en dat die spieren relatief veel moeite moeten doen. Kortom: ik ben verbaasd over het hoe.

En weet je wat ik nu heel erg hoop? Dat er meer eigenschappen zijn waarvan ik dénk dat iedereen ze heeft, maar die mij op een dag brengen tot malle testjes die mij laten zien ‘hoe’ ik dat doe. En dat ik dan weer zo verbaasd zal zijn over iets dat tot dan toe zó vanzelfsprekend was.

Rijlesproza

Gisteren slaagde ik voor mijn theorie-examen. Ik had twee fouten, waarvan ik er eentje zelf al wist toen ik ‘volgende vraag’ aanklikte. Niet slecht, al zeg ik het zelf.

Dat betekent dat ik nooit meer met mijn neus in het theorieboek hoef, wat enerzijds een plezierig vooruitzicht is, maar anderzijds een groot gemis. Want het rijlesproza in Wees Wegwijs is niet te versmaden en ik betwijfel of ik snel weer één wenkbrauw zal optrekken terwijl ik een boek lees. En daar hou ik van. Eén wenkbrauw optrekken terwijl ik een boek lees.

Zo trok ik een wenkbrauw op toen ik dit las:
“Een dronken bestuurder is een moordenaar op vrije voeten.” Ik vond dat een boude bewering die volgens mij in het rijtje ‘kun je alles omdraaien?’ valt. De kans is aanwezig dat je als dronken bestuurder iemand vermoordt, en je bent inderdaad op vrije voeten, maar is elke dronken bestuurder daarmee een moordenaar op vrije voeten? Het was natuurlijk de bedoeling dat ik me preventief schuldig zou voelen, zo van ‘een moordenaar op vrije voeten, dat wil je niet zijn’, maar dat pakte niet zo uit. Ik begon slechts een denkexercitie in het ‘omdraaipatroon’ en kwam tot de conclusie dat ik – als het zo makkelijk was – ook een moordenaar op vrije voeten ben als ik niet gedronken heb. Want kennelijk mag je ‘als de kans aanwezig is’ afronden tot 100 procent. Ik prees mezelf gelukkig dat ik nog op vrije voeten was.

En al die tijd had ik mijn wenkbrauw opgetrokken.

Mijn wenkbrauw was net weer aan het zakken, toen-ie – zwiep – weer omhoog ging. “Let extra goed op als je gehaast bent. Probeer nooit verloren tijd tijdens een rit in te halen. Vertrek op tijd, dan kom je nooit te laat.” Aha. Dat laatste. Dat zou gemakkelijk zijn. Dat we voortaan alle toeval en incidenten gewoon afschaffen en ervan uitgaan dat we, als we op tijd vertrekken, nooit te laat komen. Whatever ‘op tijd’ may be… Ik begon er lol in te krijgen.

“Nader een overweg voorzichtig. Zorg dat je vooraf weet of het spoor vrij is. Een tweede kans krijg je misschien niet meer.” Prachtig toch? Dat ik zonder dit boek al die overwegen in mijn leven heb overleefd, ‘t is een wonder. De grote vraag is trouwens welke tweede kans je dan precies niet krijgt. In deze zin kan tweede kans verwijzen naar de handeling ‘naderen van een overweg’ of ‘weten dat het spoor vrij is’, en daar krijg je dan dus geen kans meer voor. Nooit meer een overweg naderen, je er nooit meer van vergewissen dat het spoor vrij is, denk je dát eens in. Maar het kan ook zijn dat je een tweede kans in the bigger scheme of things verspeelt. Brrr. Gek eigenlijk dat niet het hele boek volstaat met die mededeling, autorijden is immers een gevaarlijk spelletje. Voor je het weet is die tweede kans in rook vervlogen.

Ik werd er poëtisch van. En dat doe ik doorgaans met ‘n wenkbrauw naar beneden. Poëtisch zijn. Het woord ‘fietssuggestiestrook’ bijvoorbeeld. Dat vind ik een heel poëtisch woord. Mooi ritme. ‘Fietssuggestiestrook’.

Maar dan: “Op autosnelwegen is het verboden om het even welk voorwerp te verkopen of te koop aan te bieden, behoudens toelating van de Minister of zijn gemachtigde.” Kortom: je mag geen gejatte dvd-spelers uit de achterbak verkopen op de snelweg, maar als je een vergunning hebt, mag je je hotdogkraam op de pechstrook stallen. Mijn wenkbrauwen ontaarden in zo’n geval in een ware wave.

Totdat ik doorhad dat ik het allemaal niet zo serieus moest nemen.
“Bestuurders die bij het naderen van vee-, trek-, last- of rijdieren zien dat deze dieren tekenen van angst vertonen, moeten
a. vertragen en aanhoudend claxonneren
b. stoppen
c. vertragen, maar mogen altijd doorrijden”

Toen pas besefte ik dat niet alleen antwoord A vergezeld ging van een Beavis en Buttheadachtig ge-huhuh. Alle quasi filosofische stellingnames over tweede kansen en ‘alle dronken bestuurders zijn moordenaars’ kwamen uit de koker van een lolbroek. Go wenkbrauw, go! En als zo’n lolbroek ervoor zorgt dat mijn wenkbrauw en ik glansrijk ons theorie-examen halen, dan is het dus een fokking goed boek.

En zo ging jolijt (geslaagd!) gepaard met spijt (dag boek!) en leefden we nog lang en gelukkig. Dat wil zeggen: mijn theorie-examenpapiertje is drie jaar geldig. In die tijd moet ik praktijkexamen doen, dan ben ik pas écht op vrije voeten.

Dag boek!

Hoe mijn lief geen middel schuwt om mij een seventiesinterieur aan te praten

‘Nou ja, en toen bleef die man daar maar staan…’
‘…’
‘ … wat ik heel brutaal vond, maar dat is natuurlijk heel normaal voor insluipers, dat ze brutaal zijn.’
‘…’
‘Anyway, ik werd wakker, dacht ik, en toen stond-ie daar nog stééds.’
‘…’
‘Dus ik stak mijn hand uit om hem te slaan…’
‘…’
‘…wat natuurlijk een heel suffe manier is om een insluiper weg te jagen. Ik bedoel: ik ben er niet eens bij gaan staan.’
‘…’
‘En toen hoorde ik heel hard ‘kadeng!’. Dat was mijn hand tegen het nachtkastje.’
‘…’
‘Waardoor ik besefte dat die man niet op die plek kon hebben gestaan. Want je hand tegen een insluiper doet ‘plof’ en geen ‘kadeng’.’
‘…’
‘Toen voelde ik me heel stom, omdat ik al die tijd al dacht dat ik wakker was. En dat er dus écht een insluiper was.’
‘…’
‘Maar hij stond bij een wit barretje, dat had me te denken moeten geven…’
‘Een wit barretje?! Dus je droomt van een wit barretje? Dus toch? Yes!!!’

In plaats van dat hij mij gelukzalig vastklemt, omdat ik zojuist aan een insluiper ben ontkomen, pint hij me vast op dat witte barretje. En mijn liefs ’smaak’ in ogenschouw nemend, moet ik oppassen dat ik niet binnenkort word verrast met een zitkuil, grove muurstuc en, o hell, een wit barretje.

Naïef en boeklezend (4)

Lees eerst: Naïef en boeklezend, dat was het devies
Dan: Naïef en boeklezend (2)

En ook nog: Naïef en boeklezend (3) 

Toen ik weer op het perron stond, duurde het even voor ik mijn gedachten had geordend. Goed, ik was nog steeds in Maastricht, de trein naar Luik stond aan ditzelfde perron voor me klaar en ik was bestolen van mijn hasj. Kortom: de missie was niet geslaagd. Ambitieus als ik ben, overwoog ik de missie alsnog tot een goed einde te brengen. Dat zou betekenen: op een drafje naar de eerste de beste coffeeshop, wederom vijf gram stuff aanschaffen en vervolgens op hoop van zegen weer zo’n trein naar Luik betreden.

Terwijl ik dat dacht, kwam de rechercheur met de hasjhond over het perron aanlopen, met in zijn kielzog wederom een stel Waalse jongetjes met een beteuterd gezicht. Juist ja. Dus de hasjhond was nog steeds de almachtige op dit station. Mijn ambities ten aanzien van een geslaagde missie werden – godzijdank – in de kiem gesmoord. Ik legde me erbij neer, met moeite. En toen pas begon ik te beven als een riet. Damn! Deze trip was verdomme helemaal voor niets geweest. En als ik over twee uur eindelijk thuis zou zijn, zou ik geen jointje kunnen roken om van het gedoe bij te komen. Zucht.

Ik belde Yuri en vertelde hem van mijn avonturen met de joviale agent en de dame die mij naakt zag. Hij troostte en suste, en – zoals die dingen gaan – plotseling barstte ik in tranen uit. Aboe, aboe, snottersnif, hele dag kwijt, stuff kwijt, geen resultaat, uitkleden, billen van elkaar, huil ende ween.

Eenmaal uitgesnift, stuurde ik een kus door de telefoon en hing ik op. Ik stapte in de juiste trein, koos een plekje en pakte mijn boek er weer bij. Om mij heen zaten talloze bekende koppen. Allemaal Waalse jongetjes die ik kort daarvoor schaapachtig had aangestaard, allemaal Waalse jongetjes die mijn glimlach zo irritant hadden gevonden, allemaal Waalse jongetjes die zojuist ook beroofd waren van hun duurbetaalde waar. Lezen lukte niet.

Op het moment dat de trein eigenlijk moest vertrekken, hoorde ik de deur van de wagon opengaan. In de deuropening stond de rechercheur met de hasjhond en zijn kompaan. Er ging een benauwd geroezemoes door het treinstel, ik tuurde over mijn boek naar mijn medepassagiers. Toen de hasjhond nonchalant langs mij liep, voelde ik me de beste leerling van de klas. Ik was glansrijk geslaagd voor deze test en een zelfingenomen glimlach was onvermijdelijk. Terwijl ik ze eigenlijk haatte. In de ererij der triomfen zijn dat de ergste. De glorie die je beleeft, wanneer je eigenlijk met geheven vuist zou willen opstaan. Wanneer je braaf bevelen opvolgt en vervolgens geprezen wordt voor dát waar je met heel je hart tegen bent. Heel fout.

Maar toen ik zag hoe dezelfde mensen als een uurtje daarvoor nu opnieuw uit de trein werden geplukt, kon ik een gevoel van ‘Pfoei, dat heb ik goed gedaan’ wederom niet onderdrukken. Een stuk of negen jongetjes in mijn treinstel hadden, kennelijk, net als ik, niet kunnen verkroppen dat hun missie mislukt was. Met als gevolg dat ze nu voor de tweede keer de sessie met het wegen en de latex handschoentjes moesten ondergaan. You don’t fool een hasjhond, dat moge duidelijk zijn.

Toen de deuren tien minuten later eindelijk dicht gingen en de trein het perron afreed, zag ik nog net dat er een nieuw meisje met meisjeshaar bij de douane naar binnen werd geleid. Het was tijd voor mijn boek.

Naïef en boeklezend (3)

Lees eerst: Naïef en boeklezend, dat was het devies
En: Naïef en boeklezend (2)

Het moment dat ik naar het hokje mocht, was aangebroken. De agente trok een stel schone latex handschoentjes aan en wenkte mij. Schoorvoetend kwam ik het bruin betegelde hokje binnen. Tot mijn grote opluchting trof ik geen werkbank met beugels en een eendebek. Er was slechts een wasbakje en een verloren stoel, waarop de agente plaatsnam. Ik stond een beetje om mij heen te kijken, toen ze zei: ‘Nou begin maar.’ Ze wreef daarbij nog net niet in haar latex handschoentjes.

Het was duidelijk wat ze bedoelde. ‘Kleed je maar uit.’ In deze wereld van lichaamsopeningen had ik vermoedelijk niet voor niets op een vrouwelijke agent moeten wachten. Ik plofte mijn sjaal op de grond, zag nergens een stoel of iets anders waar ik mijn kleren overheen kon hangen en ik constateerde blauw tl-licht, dus een flatteuze sessie zou het zeker niet worden.

Sjaal, jas, schoenen, trui – tot zover ging het daadkrachtig. Daarna aarzelde ik. Moest ze niet in al mijn zakken voelen? De agente bleef zitten op haar stoel, ze keek naar haar nagels onder het latex, intussen mompelend over ’stelt niks voor’ en ‘gauw voorbij’. Buiten ons hokje ging het geroep verder. ‘Die jongen die 2 gram had, had nog 4 gram in zijn sok en 8 gram in zijn bilspleet.’ ‘De jongen die we vanochtend ook al hadden, bleek 14 gram in zijn onderbroek te hebben’. Ik stond inmiddels in mijn bh.

Toen ik ook die op het hoopje kleren had gegooid, voelde ik me ondanks mijn onderbroek en sokken naakt. De agente vroeg of ik me wilde omdraaien.
‘O nee, je gaat toch niet iets met die latex handschoentjes doen hè?’, hyperventileerde ik. Een ding was duidelijk: in geval van angst tutoyeer ik.
De agente lachte. ‘Welnee, die draag ik gewoon, omdat er ook andere mensen dan jij binnenkomen, die iets minder aandacht voor hygiène hebben.’
‘Moet m’n onderbroek uit?’, piepte ik nog.
‘Ja, die moet naar beneden, ik moet kunnen zien of er iets inzit. En je moet je billen wat uit elkaar doen.’

Slik. De opluchting die ik voelde toen ik hoorde dat de latex handjes nergens naar binnen hoefden, was gelijk weer verdwenen. Wat?! Mijn billen uit elkaar?!
Ik deed mijn roze onderbroekje een stukje naar beneden – jawél, naïef en boeklezend – en kreeg x-benen van angst, toen ik vervolgens op aanwijzing van de agente een trage pirouette draaide. Eenmaal met mijn rug naar haar toe, aaide ik twee keer langs mijn billen in de hoop dat het genoeg was. En – o lord! – het was genoeg!
‘Prima’, zei ze.

‘Moet ik mijn sokken nog uitdoen?’, vroeg ik, overmoedig door zoveel meevallers.
‘Omdat je het zelf aanbiedt, hoeft het niet. Als je er niet over begonnen was, had je die ook uit moeten doen.’
Dat leek mij een wankele denktrant in een opsporingsproces, maar allez, ik vond het allang best. ‘Mag ik me dan…’ ‘Ja. Kleed je maar aan, en meld je daarna nog even bij ons.’ Ze stond op en liet mij alleen achter in het hokje.

Ik voelde me als na een slechte vrijpartij met een onenightstand, die als-ie is klaargekomen gelijk zijn kleren aantrekt en de benen neemt: schuldig, verward, misbruikt. En stoned als ik was, vond ik het ook filmisch. Daar stond ik, blauwbeà¤derd in tl-licht, met meisjeshaar en een roze onderbroekje tussen mijn knieën, verwikkeld in een onderzoek naar verdovende middelen op het station van Maastricht.

Eenmaal aangekleed, dook ik weer in de meute Waalse jongetjes buiten het hokje. Het was nóg drukker geworden, de chaos was niet te overzien. Talloze Waalse jongetjes en nu ook één ander meisje, stuk voor stuk met samengeknepen billen van paniek – en van wat ertussen zat. En in verte mijn joviale douanier, in gesprek met de agente die mij zojuist naakt had gezien. Ik begon ze aardig te vinden.

Dat duurde niet lang. Staand aan een vensterbank vulde ik samen met de joviale douanier nog een aantal formulieren in. Er was vastgesteld dat ik 4,76 gram stuff bij me had gehad en dat ik dat in de coffeeshop met de naar buiten openslaande deur had aangeschaft. ‘Maar’ zei de douanier’, ‘u krijgt er geen proces verbaal voor als u het nu vrijwillig afstaat’. Klingeldeklingel, let the snowbells ring! Ik kan het dus ook nà­ét afstaan! Dat was het eerste wat ik dacht.
Een feestelijke gedachte!

‘En wat gebeurt er als ik het niet afsta?’, vroeg ik zó naïef en boeklezend mogelijk.
‘Dat kan ook’, zei hij. Ik dacht: Ha!
‘Dan nemen we het in beslag’. Ik dacht: Hmz.
‘En dan moet je minimaal tweehonderd euro boete betalen.’
Hmz, goed, ja, dat was duidelijk. Maar het stak. Op het formulier stond dat ik het vrijwillig afstond. Het voelde anders. Ruim dertig euro stuff door de plee. Kut.
Ik tekende, kreeg een klopje op mijn schouder van de joviale douanier. ‘Ga maar gauw , je kunt deze trein nog halen.’
Ik glimlachte naïef en boeklezend en stapte door de deur naar mijn vrijheid.

Hold that thought tot ‘Naïef en boeklezend (4)’, want het verhaal kent nog een paar leuke eindscènes.

Allegaartje (10)

Dingen die mij de afgelopen week het bloed onder de nagels vandaan haalden.
1. een mevrouw bij Telenet die zegt: “Het spijt me, maar wij maken de regels niet.”
2. een meneer op het fietsendepot die zegt: “U kunt een brief schrijven aan het gemeentebestuur, maar ik denk niet dat ze u gaan terugbetalen.”
3. een mededeling bij de geldautomaat dat mijn pas verlopen is

Dingen die ik sinds november deed om mijn zelfgebakken dreads vorm te geven.
1. elastiekjes aan de uiteinden binden
2. diezelfde elastiekjes van de uiteinden naar mijn hoofdhuid verplaatsen
3. opnieuw elastiekjes aan de uiteinden binden, om daarna de elastiekjes op mijn hoofdhuid weer weg te knippen (x90)

Dingen die mij verbaasden.
1. dat je ‘ge-e-maild’ zó schrijft, en dat men daarom aanraadt het niet te schrijven
2. dat ‘ge-msnd’ niet in het Groene Boekje staat (laatste uitgave: 2005)
3. dat ze bij de flikken zeggen dat een fietsenrek niet bedoeld is om je fiets een week in te zetten

Dingen die feestelijk waren de afgelopen week.
1. dat Sjeik nu één jaar bij ons is (klik)
2. veel ‘ja’s’ van opdrachtgevers
3. het optreden van Yuri in de kleine zaal van de Arenberg Schouwburg

Dingen waar ik ronduit kwaad om werd.
1. Telenet, dat eenzijdig het in juni afgesloten contract met UPC wijzigt, waardoor de contractvoorwaarden de helft minder gunstig zijn
2. de flikken die gewoon twéé sloten doorknippen, terwijl wij niet konden weten dat onze fietsen daar niet mochten staan
3. Argenta, dat niet even meldt dat je bankkaart op het punt staat te verlopen (x2)

Dingen die ik in getallen kan uitdrukken.
1. over 3 weken heb ik JC overleefd, (34)
2. over 3 weken ben ik weer tijdelijk 1 jaar ouder dan mijn lief (33)
3. over 4 weken heb ik 3 jaar verkering en dan speelt hij voor het eerst in Amsterdam (14-2)

Dingen die ik e-mailde.
1. “Het is brutaal, maar ook rechtvaardig dat ik u op deze manier mijn offerte toestuur.”
2. “Heeft hij het groene beestje op wieltjes nog een blik waardig gekeurd?”
3. “Bovendien gaat in België alles langzamer dan in Nederland.”

Dingen die mij verbaasden op tv.
1. dat een blonde vrouw een glas water in het gezicht van Joran van der Sloot gooide, nádat hij zijn glas wijn in het gezicht van Peter R. had gegooid, maar dat niemand dat gezien lijkt te hebben – let op de vrouw die op 30 seconden links het beeld in komt lopen
2. de Aussies are coming- hier in Belgie zie ik voortdurend Australische programma’s voorbij komen, heel wonderlijk
3. een gigantische gorilla in beeld – en Sjeik die contact wil maken – ik zei nog: ‘Niet in z’n ogen kijken!’ (foto volgt)

Dingen die de afgelopen week oerstom waren.
1. dat ik er vanuit ging dat het rode lampje betekende dat de camera draaide, maar dat er blijkbaar een rood lampje én een rood puntje nodig zijn
2. dat ik ‘opslaan’ klikte toen ik LWT zat af te mixen, terwijl ik een van de zangsporen een effect had gegeven, waardoor het spoor nu niet meer zónder effect bestaat
3. dat ik hieronder PricewaterhouseCoopers verkeerd schreef, terwijl er mogelijk iemand meelas die mij als corrector wilde

Dingen die enorm tegenvielen.
1. vrijdag tot diep in de nacht werken zonder resultaat
2. het besturingsgemak van de Simpsongame voor de Wii – het lijkt een heel lollig spel, maar na een half uur ben je geen haar verder, omdat het eindeloos duurt voor je de bewegingen doorhebt
3. dat je pas mag meedoen aan autodelen als je twee jaar je rijbewijs hebt

Dingen die wél fijn waren.
1. dat we die spelletjes gelukkig alleen maar huren, en dat we er dus geen veertig of vijftig euro voor hebben neergeteld
2. dat ik in het postkantoor champignons vond – yummie – en dat dat een klein feestje met mezelf was, omdat ik zeker drie jaar geen champignons heb klaargemaakt, wegens champignonshatende wederhelft
3. het telefoongesprek met mijn nichtje: ‘Hoe ist ermee?’ ‘Leuk, mijn tand staat nog losser’ en meer van die alledaagse, vrolijkmakende dialogen

Dingen die u zeker moet gaan zien.
1. Dexter, een waanzinnige serie, met suspense, esthetiek, David uit Six Feet Under en een pakkende verhaallijn
2. Bloedsporen in feestzaal de gefopte falafel – bij voorkeur in een theaterzaal
3. geen idee, tips zijn welkom

Lees ook de rest van de allegaartjes.

Pissen als een vent in pí­zjama
met Krezip op de achtergrond

D’n Toxin vroeg om geheimpjes. Maar geheimpjes zijn niet voor niets geheimpjes. Daar ben ik principieel in. Als alternatief beloofde ik hem drie freakeigenschappen. Wat er nu uitkomt is een soort mengeling van beide, geheimpjes en maffe eigenschappen.

- Ik pis als een vent in de wasbak.
Wij hebben alleen een plee beneden, maar wij slapen boven. Soms, vooral als het koud is, moet ik elke vijf minuten plassen. Met mijn luie inslag is om de vijf minuten naar beneden lopen geen optie, dus staat er een stoel voor de wasbak in de slaapkamer waarop ik plaatsneem in skistand, zodat mijn lief via de spiegel goed uitzicht heeft op mijn billen. Details over wat ik dan precies doe in skistand, mag u zelf invullen. Anders dan de gemiddelde man sta ik na afloop overigens flink de wasbak te schrobben.

- Ik loop regelmatig de hele dag in mijn pà­zjama, zoals ze dat hier noemen.
Heb ik u ooit telefonisch geïnterviewd, heb ik ooit met u ge-msnd, heb ik ooit langdurig met u gemaild? Welnu, grote kans dat ik achter mijn bureautje zat in een pà­zjama. Mijn pà­zjama bestaat meestal uit een joggingbroek met een afgekeurd t-shirt met lange mouwen (afgekeurd wegens stom model, verkeerde kleur of te veel vlekken). Denk daarbij nog een brilletje en dreads alsof ik net mijn vingers in het stopcontact heb gestoken en voilà : u heeft een beeld. Ik moet altijd een beetje gniffelen als ik, pak ‘m beet, de bestuursvoorzitter van PricewaterhouseCoopers interview met een gat in mijn kruis en make-up tot op m’n kin.

- Ik kan de eerste cd van Krezip helemaal meezingen.
Volgens mij is dat heel erg not done in mijn wereld van muziekliefhebbers die alleen over Mike Patton slash Mr. Bungle en zulks praten. Daarom zeg ik het nooit, zoals ik ook nooit zeg dat ik stiekem dol ben op Sade en dat ik vroeger naar Scritti Politti luisterde. Ik vind de eerste cd van Krezip leuk. Van de tweede cd weet ik het niet, want mijn politiek correcte inborst voorkomt dat ik de weg van meisjesmuziek erg openlijk bewandel, dus om mijn imago te beschermen staat er van zulke artiesten telkens maar één cd in mijn platenkast. Maar die eerste cd, inclusief het slechte Engels en duizend keer de uitroep ‘yeah’ kan mij bekoren. Nog erger: ik ga steevast huilen bij het nummer ‘Won’t cry’. Ik bedoel maar.

Hoe zou het dán zijn?

Een stukje als antwoord op de vraag van Esther.

I

Het leven is een chaos, een puinhoop. Je bent halsoverkop vertrokken uit een relatie van zeven jaar en je probeert te settelen in je nieuwe leven op een waas van adrenaline, gebrek aan calorieën en een strakgespannen toekomstverwachting.

In dat grote gevoel, waarin ik met een grimas de woorden ‘ik-wil-een-nieuw-leven’ droomde, hoorde ik altijd één grondtoon. ‘Het komt wel goed met mij.’ Hoe hard ik ook huilde, hoe wanhopig ik ook nieuwe liefjes uitkoos, hoe donker het ook was in mijn veel te dure huurhuis: met mij zou het goedkomen.

Vanuit dat gevoel lukte het me soms om in het windstille oog van de orkaan vooruit te denken. Niet een uur vooruit, maar soms een vol jaar vooruit. En als ik echt heel dapper was, dacht ik twee jaar vooruit. Met de meest kinderlijke formulering denkbaar bezweerde ik de toekomst. ‘Hoe zou het dán zijn?’.

In mij ontbrandde een vurige hoop. Dat ik over een jaar misschien wel gelukkig zou zijn. Écht gelukkig. Soms was dat in het Spanje van mijn geestesoog, soms met een yup in de Pijp. Soms waren dat momenten van verlangen naar avontuur, soms was dat een kwestie van een huisje, een boompje en een beestje. Maar altijd sijpelde erdoorheen: het komt wel goed met mij.

II

‘Hoe zou het dán zijn?’
Nu is dan.

Het Spanje van mijn geestesoog lijkt op Leuven. Ik droomde mij in een ver vreemd land en ik belandde in een dichtbij vreemd land, met een huisje, een boompje en maar liefst drie beestjes. Mijn wereld is overgeschilderd op een manier die ik toen niet durfde te dromen.

Ik tart al mijn verwachtingen en dat geeft vleugels. De vibratie van het freelancen, de hartstocht waarmee ik me overgeef aan mijn verkering en de flipperkastachtige creativiteit die mijn kluizenaarsbestaan in dit provinciestadje oplevert: wie had dat ooit gedacht.

De vraag hoe ik omga met heimwee en het gemis van vrienden is daarmee beantwoord: ik tel mijn zegeningen. En gek genoeg zijn heimwee en gemis een turfje op mijn zegeningenlijst. Huilen is niet erg, missen is mooi en verder dat verhaal van kwaliteit en kwantiteit. Alle contacten – met vrienden, familie, de stad Amsterdam – concentreren zich in weldadige weekendjes en dat voelt doelgerichter dan een vriendschap tussen de soep en de pattaten. Een vleugje afgedwongen doelgerichtheid is nooit weg voor een grenzeloze veelvraat als ik.

‘Hoe zou het dán zijn?’
Het is goed. Mijn planeet draait in de juiste baan om de zon en zo had ik het drie jaar geleden in het oog van de orkaan stiekempjes gehoopt. En in weerwil van mijn wispelturige aard, blijf ik maar even zitten waar ik zit. Afhankelijk van aardse zaken als financiën, werk en de daarbij behorende vooruitgang, kan het zijn dat ik met mijn lief onder mijn arm nog eens mijn biezen pak. Maar er is geen haast geboden, want ik weet nu wat ik me toen zo hartstochtelijk afvroeg: amaai, wat is het goed.

Ik was dertien in ‘87,
dus de wansmaak vierde hoogtij

In november bedachten we dat we op de laatste dag van het jaar een eightiesquiz wilden organiseren. Liefst met ‘Ollanders én Vlamingen, liefst met een man of twaalf, liefst bij ons thuis en liefst met een avondvullend programma.

Afgelopen maandag was het zover, de quiz klopte helemaal: er waren ‘Ollanders én Vlamingen, het was bij ons thuis, de quiz duurde zes volle uren en we waren met zestien man waarvan de meesten elkaar niet kenden.

Ik giet het verslag van de quiz in hoofdstukjes, om te beginnen met de voorbereiding.

Stock Aitken & Waterman
Vergeef me, maar als à­k terugdenk aan de jaren tachtig, denk ik aan Stock, Aitken en Waterman. Ik was dertien in ‘87, dus de wansmaak vierde hoogtij. Mijn lief is even oud als ik en aangezien wij beiden een even grote vinger in de pap hadden, regeerde in onze quiz de wansmaak.

De moeilijkste vragen in de wansmaakcategorie waren 1. die waar je Modern Talking alleen aan hun haar moest herkennen, want ze zagen er hetzelfde uit als alle andere mannenbands in de eighties, alleen dan met een iets grovere permanentkrul. En 2., een medley waarin tien intro’s van Stock Aitken & Waterman achter elkaar stonden. En dan is Bananarama dus niet te onderscheiden van Rick Astley en Kylie en Jason.

Wist u trouwens dat S, A, & W ook Band Aid produceerden en You Spin Me Round Round van Dead or Alive? Ik vond dat wel voor ze pleiten. En wisten jullie hoe ze eruitzagen?

Schoudervulling
De meeste jaren tachtigoutfits gingen in één van mijn negen verhuizingen verloren. Alleen de Converse All Stars gaan in veertien verschillende kleuren nu al twintig jaar mee. Maar aangezien we onze genodigden hadden opgezadeld met de dresscode ’strictly eighties’, moesten we er zelf toch ook aan geloven. Gelukkig kocht ik laatst in een noodgreep witte sportsokken (noodgreep, heusch), dus een deel van Yuri’s outfit was al klaar. Een ander voordeel is dat de eighties weer heel erg hot zijn. Daar zit ook een nadeel aan, want beenwarmers kosten ineens veel geld, terwijl je die drie jaar geleden aan de straatstenen niet kwijt kon, maar toch: er waren dunne riempjes te over, vleermuismouwen, grote oorbellen en fluorkleuren, dus er was een kans dat iedereen wel een eightiesoutfit kon vinden.

In de weken voorafgaand aan de quiz scharrelde ik overal spulletjes vandaan om mijn outfit te vervolmaken. Mijn moeder bleek nog losse schoudervullingen paraat te hebben. Luna stuurde mij onlangs een stel buttons. Verder vond ik nog een trui tot op mijn knieën, en met een smal riempje eromheen was dat heel erg Doris D and the Pins. Diep in een la diepte ik een doos met alle kleuren oogschaduw van de regenboog op die ik aanschafte in, jawel, de jaren tachtig…

Nog een weetje voor de liefhebbers: in Vlaanderen heten schoudervullingen epoletten (of epauletten).

Sonny Crocket
Het bezoek was mindblowing eighties. Kraagjes rechtop, veel, heel veel gel en zowel de mannen als de vrouwen hadden big hair waar mogelijk. Er was een Tracy Ullman-look-a-like met een pettycoat en een zachtpaarse bloes waarvan de punten ter hoogte van haar taille geknoopt waren. Sonny Crocket himself kwam ons met een bezoek vereren, zonder sokken en met roze colbert met opgestroopte mouwen. Woei, zo fout! Mijn lief was een Jimmy Somerville-figuur met een dun stropdasje over een lichtblauw poloshirt, een heel hoog opgerolde broek en zo’n Danny de Munkpet. Er kwam een Curiosity Killed The Cattype met een hoedje en een giletje, En A. was de onbetwistbare schoudervullingkampioen, bovendien had ze van die broches in de vorm van gekleurde zonnebrillen en een stel grote ronde hangoorbellen. Er waren zeker tien beenwarmers aanwezig en ik telde drie jeansjasjes en -bloesjes. Alle vrouwen zagen er mishandeld uit met blauwe oogschaduw en vieze paarse lippen en er was iemand met een heusch Dolly Dotkapsel. Ik ben nog immer ontroerd door de details. De sjaaltjes met twee van die punten over je borst hangend, veel letters op kleren, opgerolde mouwen en een vleugje New Wave.

Pia Zadora
Een groot deel van de quiz bestond uit muziekvragen (iets meer dan een derde denk ik). We hadden vragen over muzikanten en hun uiterlijk. We hadden vragen over vervormde muziekjes, we hadden medleys waaronder eentje met een resem gelikte saxofoonsolo’s uit de jaren tachtig, eentje met synthesizers, en een met duetten (Aretha & George, Aretha & Annie, Tina & Mick, Mick & David, etc.). We hadden een boel koptelefoonvragen, waarbij iemand uit het publiek met een koptelefoon een liedje moest meeneurieën en dan moest de rest raden wat het was.

De voorbereidingen waren utterly fantastisch, veel bands bedenk je meteen als je aan de eighties denkt (Michael Jackson, Madonna), maar wie denkt er nog wel eens aan Wee rule van de Wee papa Girl Rappers of aan Go see the doctor, die rap over een soa. Daarbij is het fantastisch om de echt goede New Wave terug te horen.

Maar het opvallendste aan de voorbereidingen was dat ik de eerste weken niet kon ophouden met dansen. Kennelijk raakt jaren tachtigmuziek mijn oerdansinstinct. Dat geeft te denken.

Edoch, na ongeveer een maand kwam het mijn oren uit. Nog één keer Pet Shop Boys en nog één keer de overgeproduceerde ellende van Whitesnake en ik zou mijzelf van kant maken. De quiz moest toen nog beginnen.

Overigens: een gotspe is wel dat de winnaar van de quiz (en dat was hij met straatlengte) Pia Zadora en Jermaine Jackson niet herkende in de duettenmedley. Hoe eighties ben je dan?

De wijnvlek van Gorbatjsov
De vragen die niet over muziek gingen waren vragen over gadgets, over nieuws, fotovragen, film, tv en persoonlijke vragen. Qua nieuws domineerden de val van de muur, het Heizeldrama, aids, de Herald of Free Enterprise, Reagan en Tsjernobyl. Qua gadgets waren het – onder veel meer – teletekst, jojo’s, Donkey Kong en de lolobal waar de aandacht naar uitging.
De fotovragen waren ook mooi, met natuurlijk een bijzondere plaats voor de man met de boodschappentas op het Plein van de Hemelse Vrede, maar ook foto’s van Boris Becker, FloJo, de Challenger en de kaart van Europa in 1980.

De quizers werden massaal vertederd door de film- en tv-vragen. Tranen vloeiden bij de scène waarin het paard Artax verdrinkt in het moeras van The Neverending Story. En dan te bedenken dat we er niet eens beeld bij lieten zien. De vraag bestond slechts uit het geluid van de scène. Later zei iedereen ‘Aaaah’ bij de begintune van Familie Ties en een scène met Tony en Angela uit Who’s the Boss.

In alle hectiek van de voorbereidingen bedachten we veel meer vragen dan er in een quiz van zes uur passen. Helaas, want zo kwam een van de leukere vragen er niet. We zouden de wijnvlek van Gorbatsjov zo close-up laten zien dat die net een landkaart zou lijken. De vraag zou zijn: waar ligt dit?

Rob Lowe
Tot slot de persoonlijke vragen. Alle quizers kregen vooraf een paar vragen over hun favoriete muziek, film, tv-serie, kledingstuk en woord uit de jaren tachtig, en over hun grootste idool en het nieuwsfeit dat ze het meeste was bijgebleven.

De antwoorden van de deelnemers waren wonderbaarlijk overlappend, want hoewel de leeftijd varieerde van 27 tot 40 en de herkomst van Wuustwezel tot Amsterdam bleken de jaren tachtig toch grotendeels dezelfde highlights te kennen. Er waren zowel Nederlanders als Belgen fan van Merlina en Ciske de Rat. Er hadden zowel Nederlanders als Belgen herinneringen aan de Herald of Free Enterprise, het Heizelstadion en de lolobal. En er waren zowel Nederlanders als Belgen dol op Back to the future.

Mijn persoonlijke lijstje moest ook geraden worden.
Wat vond je – in de eighties – de beste tv-serie? Dallas
Wat vond je – in de eighties – het leukste gadget of speelgoed? Monchichi
Wat vond je – in de eighties – de allerleukste film? About last Night
Wat was – in de eighties – je favoriete kledingstuk? (nauwgezet beschrijven!) All Stars met rastaveters
Wie was – in de eighties – je allergrootste idool? Rob Lowe
Welk nieuwsfeit – uit de eighties – herinner je je het best of heeft het meest indruk op je gemaakt? Herald Of Free Enterprise
Wat is voor jou het ultieme woord van de eigthies? Wrede bok.

Er was nog iemand met als eightieswoord wrede bok. Dat was ook een Amsterdamse, geloof ik. Dat moet wel.

Het synthesizersyndroom
Ik kan geen Ad Visser meer zien, ik gooi mijn zweetbandjes weer in een verre uithoek van mijn huis, als ET belt, neem ik niet meer op, en als Yuri nog een keer het woord Vangelis op zijn Nederlands uitspreekt (Van Geeeeelis, met een zachte g – ^$&*#$), dan sta ik niet meer voor mezelf in.

De kleutermonologen – 10 dingen die ik over deze week wil opschrijven (2)

10. Wij zijn deadlinewerkers. Het was 24 december, de dag van kerstavond. De dag dat er een stuk of wat quizvragen, een stuk of wat moppen en een stuk of wat surprises/cadeautjes klaar moesten zijn. Ik had nog drie uur om het kabouterlied te oefenen, om cadeautjes in te pakken, een feestoutfit bij elkaar te scharrelen en de laatste hand aan mijn surprise te leggen. Drie uur is heel veel voor deadlinewerkers. Plots trof ik op internet een bericht dat er al om 14.00 uur gestaakt zou worden bij de treindconducteurs en dat betekende dat we al om 13.00 wegmoesten en dat we dus nog maar drie kwartier in plaats van drie uur zouden hebben. En dat is heel weinig voor deadlinewerkers.

9. Ik gaf een geschenkbon van de kringloopwinkel cadeau. Een bon die ik zelf graag had willen hebben.

8. De visite was hartverwarmend. Ze vonden het fijn bij ons. En ze zeiden dat. Veelvuldig. Dat het zo fijn was. Dat ze zo’n echte kamer hadden, met een echt bed, en dat ik zo lekker kon koken. Dat we op vakantie wonen. In een fantastische buurt, waar je eigenlijk elke avond een avondwandeling moet maken. En dat ze vaker komen. Mijn vrienden. Ze vonden het fijn bij ons.

Oei, bijna weer punt 8 en punt 10 te lang gemaakt. Maar deze keer ga ik stug door.

7. We hebben het laatste seizoen van Heroes uit en ik weet het niet met die serie. Ik wil het volgende seizoen zeker zien, maar hij haalt het toch niet bij de bankhangers van de afgelopen jaren Six Feet Under, Lost en The Soprano’s.

6. Golfen op de Wii is helemaal de max. Dankzij Dwarzand kregen we eindelijk door welke belangrijke info het scherm ons geeft en hoe spannend het spel kan zijn. Dwarzand mag vaker komen logeren.

5. Wij hebben iets nieuws. Maar voor mensen die in de jaren zeventig hun inboedel aanschaften is het iets heel ouds. Wij hebben sinds vorige week een fonduestel. Heel retro, donkerblauw emaille, met een knalrood plastic draaischijf eromheen. En ook nog een Creuset-kaasfondueschaal. Dus vrienden: maak uw borst maar nat, we’re going seventies.

4. Ik heb de afgelopen week vier keer een toeristische wandeling door Leuven gemaakt teneinde mijn bezoek te vermaken en het gekke is: het gaat niet vervelen.

3. Het mooiste vuurwerk in Leuven was toevallig door onze buren aangeschaft. daarom hadden wij in deze vuurwerkarme regio toch eersteklas uitzicht. Met zestien man op tuintafel, met ons hoofd in de vuurspetters. Het was mooi.

2. Het goede voornemen voor 2008 is: uitvinden hoe je zonder ligbad een geniepig klein gaatje in een tweepersoonsluchtbed vindt.

1. Ons hoogtepunt in 2007: ook zonder dat luchtbed zes mensen een fijne slaapplaats kunnen geven.

Zie ook de mislukte poging hieronder

De kleutermonologen – 10 dingen die ik over deze week wil opschrijven

10. Ik deed voor het eerst de bananentruc in gezelschap en de monden vielen open van verbazing. De truc is als volgt:
Voorbereiding: je neemt een dichte banaan en laat ‘m ongepeld. Met een speld of naald maakje vervolgens op drie plaatsen een gaatje. Door dat gaatje snijd je de banaan van binnen door op die drie plaatsen, door de speld/naald naar links en rechts te bewegen. Je hebt dan een ongepelde banaan die van binnen in drie stukken is gesneden.
De eigenlijke truc: je laat de banaan aan iedereen zien, om te tonen dat-ie ongepeld is. Let op dat je de kant met de gaatjes minder uitgebreid toont, want de gaatjes worden na verloop van tijd bruin, dus die kunnen opvallen. Leg de banaan dan op tafel met de gaatjes naar beneden (wederom zodat niemand ze ziet). Begin daarna met een jolige karate-act met veel handbewegingen en tsjakkaa’s. Doe alsof je de banaan op drie plaatsen doormidden slaat. Pel vervolgens de banaan en laat het publiek zien dat het je gelukt is om de banaan dóór de schil in drieën te slaan.

Damn, dit was pas punt tien.

9. Voor een kerstsurprise schreef ik een liedje in een kaboutertaal die ik zelf had verzonnen. Het liedje onstond in 10 minuten. Conclusie: dat is dus echt wel mijn toekomst hè, liedjes in zelfbedachte kaboutertaal schrijven.

8. Mijn hele leven al ben ik op zoek naar mensen die net als ik een blitzmuseumganger zijn. Mensen die dus wel van musea houden, maar op de een of andere merkwaardige manier altijd binnen twee uur weer buiten staan. Als ik zo iemand tegenkom, begin ik er een relatie mee, ik weet namelijk: die mensen moet je koesteren. Maar wat blijkt: mijn hoogst eigen zus en haar man – met wie ze al vijftien jaar innig verstrengeld is – zijn de perfecte museumgangers. Ik wist dat niet: vroeger waren mijn ouders altijd mee en die zijn niet zo van de blitz. Maar Tweede Kerstdag was een revelatie: toen brachten mijn geliefde (ik zei het al: ik begin er een relatie mee), mijn zus, haar man en ik een perfect bliksembezoek aan Andy Warhol.

Voor een toptien zijn punt 8. en 10. veel te lang. Grmbl.
Ik begin opnieuw.

De kleutermonologen – 10 situaties die mij dit jaar noopten tot Vlaams spreken

10. In de kroeg. Als ik een biertje, cappuccino met geklopte melk of een tosti bestel, dan moet ik dat gegarandeerd herhalen. Een pintje, een cappuccino met melkschuim of een croque monsieur hebben direct het gewenste effect.

9. Tegen de poezen. Waarom weet ik niet, maar de poezen zijn meneerke en mevrouwke, en gij of gelle. Al mijn zinnen tegen de poezen beginnen met hedde gij, zijde gij, waarde gij en dan volgt daarna vaak nog iets Vlaams als buikske of pollekes.

8. Tijdens het klussen. Ik vraag of er nog vijzen in de stellingkast komen, ik zoek de kleine nagelkes, ik ben steeds het blikske en borstelke kwijt en roer met de tournevis wat white spirit door de verf.

7. Tijdens het lesgeven. Ik demp mijn harde g waar mogelijk, ik sis mijn s wat meer. Ik vervang alle BN’ers in mijn voorbeelden door BV’s. De Telegraaf heet plotseling Het Laatste Nieuws en de grote interviewers hier zijn…, uh… ja, wie zijn dat eigenlijk?

6. In de liefde. Sjoeke klinkt liever dan scheetje of poepje. Ik zie u graag klinkt niet versleten. En voor de gein doe ik ‘m af en toe binnen.

5. Bij de bakker, wanneer ik een boterkoek bestel in plaats van een croissant, wanneer ik heel nonchalant woorden als frangipanneke of mattentaart gebruik, wanneer ik niet probeer te denken aan gevulde koeken en appelflappen.

4. Op feesten en partijen. Het duurde even voor ik doorhad dat niemand gefeliciteerd zegt. Het is proficiat. En het duurde ook even voor ik doorhad dat er op bijzondere dagen wèl drie keer wordt gekust. Maar sinds kort roep ik vol overtuiging tsjing of schol in plaats van proost.

3. In het betalingsverkeer. Bij de kassa begrijpen ze bancontact en proton wel, ‘pinnen’ en ‘chippen’ niet. Ik moet niet reppen van stuivers en tientjes, want dan krijg ik gefronste wenkbrauwen. En vragen om bonnetjes of tasjes schept ook verwarring, dat moeten tickètjes en zakjes zijn.

2. In de auto, tijdens de autorijlessen. Als de instructrice consequent spreekt over autostrade, ambriage, pinker, tarmac en camion, in plaats van snelweg, koppeling, knipperlicht, asfalt en vrachtwagen, dan neem je dat vanzelf over.

1. In mijn hoofd. Het Nederlands verdwijnt langzaam uit mijn hoofd. Ik merk dat ik soms Vlaams denk en droom. Ik moet lang peinzen voor ik in plaats van faar op het woord mistlicht groot licht kom. En soms mijmer ik drie keer het woord ‘gaan’ in één zin. (‘Ik ga maar eens doorgaan gaan.’)

De kleutermonologen – 10 redenen waarom de kleutermonologen niet elke dag verschijnen

10. Omdat ik een veel te optimistisch mensch ben. Ik dacht dat ik er in deze helse tijden wel elke dag één of meer stukjes uit zou persen. Ik zeg: alaaf en no way dus.

9. Omdat ik deez’ week naar Warhol in het Stedelijk ga.

8. Omdat ik uren en uren in de trein zal zitten: Hasselt en A’dam, here I come. (come en Amsterdam rijmen, als je het cheezy uitspreekt – kom ik nu pas achter)

7. Omdat mijn geliefde vrienden een weekendje komen logeren.

6. Omdat ik voor Oud en Nieuw een eightiesquiz aan het maken ben, samen met de Yuri. En ik me dus helemaal onderdompel in Willem Ruis, Five Star en de Iran Contra-affaire.

5. Omdat ik mijn dwarsfluit zojuist heb herontdekt en dat is veel kerstiger dan een weblog.

4. Omdat ik hilarische multiple choicevragen moest bedenken voor wederom een quiz: de traditionele kerstavondquiz op 24 december bij mijn schoonouders.

3. Omdat mijn huis nog schoon moet voordat mijn geliefde vrienden en de eightiesquizers mijn huis weer vies komen maken. Hoe kan ik ooit een huis met zeven kamers gewild hebben? Heer, tell me!

2. Omdat we ook nog lootjes hebben getrokken voor kerstavond en ik me steeds afvraag wanneer dat ook alweer is. Morgen? No way! Ga weg! Dan al?! Fuckerdefuck! Met andere woorden: omdat ik me een spreekwoordelijke slag in de rondte aan het papier-machéën ben.

1. Omdat ik desnoods mijn kleutermonologen het nieuwe jaar in trek. Ik ben immers nog een hele tijd vier jaar oud en ik heb verdomme óók vakantie. Hoor.

De firma Zezunja wenst u wel heel fijne dagen, want zo ben ik ook wel weer. Dat ik me over de kop quiz, daar hoeft u geen last van te hebben. Dus.

De kleutermonologen –
Men vraagt wat ik doe

In het kader van de kleutermonologen mag iedereen verzoekpraatjes aanvragen.
Octavie schreef: “Ik ga nog even nadenken over het verzoeknummer. Misschien iets over je werk? Wat je allemaal doet en schrijft voor Het Eiland Neus.”

Wat ik allemaal doe voor Het Eiland Neus kan ik kort samenvatten: alles. Al moet ik de kont van de koning kussen: ik doe het. In februari bestaat Het Eiland Neus één jaar en hoewel mijn inkomen nog niet is om over naar huis te schrijven, heeft dit jaar toch wat vruchten afgeworpen. Ik heb drie organisaties weten te strikken voor mijn cursussen, de laatste was de SchrijversAcademie in Antwerpen. In het voorjaar staat daar een cursus Columns op het programma van vijf bijeenkomsten en daar ben ik blij mee. Verder doen wij hier ook nog wat vormgeven, wat brainstormen en wat t-shirtjes verkopen.

Voor het overige doet Het Eiland Neus veel onbetaald werk, zoals daar zijn: administratie, acquisitie, onze eigen website bouwen, ons kantoor ordenen en de poezen tevreden houden.

En last but not least: Het Eiland Neus schrijft zich een slag in de rondte. Helaas kan ik niet alles hier citeren, omdat nog niet alles gepubliceerd is, en helaas kan ik ook niet alles met naam en toenaam noemen, omdat niet elke opdrachtgever geassocieerd wil worden met een vuilbekkende Zezunja, maar ik kan wel lukraak wat zinnen overnemen uit een paar willekeurige door bloed, zweet en tranen tot stand gekomen teksten.

* “Boeren, bikini’s en beugelbekkies, dat zou een korte samenvatting van het spel kunnen zijn. Er wordt wat afgeboerd. En hoewel de konijnen nooit echt seksueel geladen zijn, dragen ze toch waar mogelijk een leuk broekje onder hun overbeet. Bovendien is het dus zaak veel rommel te maken, veel vieze geluiden te produceren en veel andere konijntjes tot moes te slaan. Als klap op de vuurpijl hullen de rabbids zich in obscure bloemetjesjurken en luiers met een veiliggheidspeld. Meligheid ten top, maar wel op hoog niveau.”

* “Hoe leg je het onderwerp van je scriptie uit aan je kleine zusje?
Ik heb voor een stabilisatiesysteem van een schip een bedieningspaneel ontworpen, ik heb gekeken waar je het systeem in de machinekamer kunt plaatsen en ik heb getest of de generatoren de belasting aankunnen. Het systeem moet voorkomen dat een schip gaat slingeren.”

* “En zo moet het ook zijn. Mevrouw de professor mag hem uiteraard behoeden voor al te grote uitglijders op het gebied van aardse zaken als uiterlijk voorkomen en lichaamsgeur, maar u moet er toch niet aan denken dat onze verstrooide professor ineens met een Porsche de campus op komt rijden. Nee, de verstrooide professor hoort op de fiets te komen, met een slingerend spatbord. Liefst door de regen. Met een walm van pijptabak om zich heen. En hij hoort een tic te hebben; een eigenaardige eigenschap die hij niet kan bedwingen. Het is immers een verstrooide professor.”

* “De btw-kwestie is een voorbeeld daarvan. Het zou logisch zijn als een psycholoog over een consult geen btw hoeft te heffen, omdat – daar zijn ze weer – artsen dat ook niet hoeven. Maar de Administratie, in dit geval minister van Financiën, verschuilt zich achter het feit dat het beroep nog onder de vrije intellectuele beroepen valt, in tegenstelling tot de meeste andere gezondheidsberoepen. Waarmee de bal bij minster van Volksgezondheid en Sociale zaken ligt, die de psycholoog eerst zou moeten erkennen als gezondheidsberoep. En zo komt een wijziging in de wet maar moeizaam tot stand.”

* “Maar niet alleen de zelfverzekerdheid van de speler kan door zijn of haar personage een boost krijgen, ook sociale vaardigheden kunnen erdoor toenemen. “Door het spel en hun personage leren veel spelers het belang van samenwerken en rekening houden met een ander. Als je in je eentje opereert, word je in veel spelletjes binnen 20 seconden neergeknald”, vertelt Malliet.”

* “De bestuursvoorzitter is van mening dat de doelstellingen van transparantie en kwaliteit ook de inschrijvende bedrijven ten goede komen. ‘Het is eigenlijk heel simpel’, zegt Camps, ‘wanneer het circuit van inkopers geen enkele relatie heeft tot de inhoud van het product, is het logisch dat er op de prijs geselecteerd wordt. Maar voor de uitvoerder wordt het dan wel heel moeilijk om het product en de kwaliteit daarvan inhoudelijk over het voetlicht te brengen.’”

* “Droge vlokken worden gebruikt om als compacte isolatie in wanden, plafonds en vloeren te spuiten. Met gebruik van warmtenevel is het ook mogelijk de vlokken al sproeiend tegen wanden aan te plakken en op die manier verwarmings- en electriciteitsleidingen in te kapselen.”

* “6 – TAKE IT EASY Zorg dat je op tijd vertrekt, dat je niet hard hoeft te fietsen, niet hoeft te hollen. En besef: trams en bussen zijn altijd vol als dat niet goed uitkomt.”

* “Liefhebbers van standje 69, pi of de geboortedatum van hun geliefde kunnen per direct een .nl-domeinnaam laten reserveren met daarin alleen getallen. De officiële instantie, Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN), registreert pas in januari 2008 deze zogenaamde numerieke domeinnamen, maar internethost Mijndomein.nl biedt nu al de mogelijkheid om zo’n webadres te reserveren.”

* “Ook Luyendijk zelf werd gemanipuleerd. Bladzijde na bladzijde vertelt hij over de bronnen die hij sprak – terroristen, ministers, woordvoerders, nabestaanden, ooggetuigen, vredesactivisten – en bladzijde na bladzijde neemt de ontgoocheling toe: iedereen wordt betaald. Mensen die worden geïnterviewd als onschuldige slachtoffers blijken ingehuurd, de geheime dienst is alom tegenwoordig en iedereen praat wel een geldschieter naar de mond. Als de camera’s draaien worden we allemaal voor het lapje gehouden, inclusief de journalist.”

De kleutermonologen – Andere webloggers

Ik heb al vaak iets willen schrijven over andere webloggers, maar meestal durfde ik het niet. Ik raak snel geïntimideerd door grote getallen en mijn mening is te scherp om er vriendjes aan over te houden.

Maar nu dan toch: ik ga schrijven over andere webloggers.

Ten eerste de verzuchting dat er ongelooflijk weinig goed geschreven weblogs zijn. En erger: er komen steeds meer weblogs, maar in tegenstelling tot wat ik ooit zei (‘Er zullen steeds meer pareltjes komen’): er komen maar heel weinig echt mooie weblogs bij. Shame on you, jullie webloggers!

Een verklaring voor het feit dat er meer weblogs komen, maar dat het aantal mooi geschreven weblogs niet in verhouding staat tot de toename, is het feit dat sommige mensen er gewoon mee stoppen. Ja, en dat mag dus niet hè! Goddomme, wat moet er van de wereld worden als Bart van der Griendt er gewoon mee ophoudt, als Charlotte nooit meer schrijft, als er op Bijzinnen nooit meer iets verschijnt? Nou?

Verder heb je natuurlijk nog de webloggers die er nog wel zijn, maar die er eigenlijk al niet meer zijn. Zie verder het kijkcijferkanon Merel Roze, of haar collegaschrijver vandenb. Beiden van de harde kern, beiden arrogant in al hun gewoonheid, maar beiden nauwelijks nog iets te bieden op het wereldwijde web. Jammer, maar helaas.

En kijk, dat schiet dus niet op hè. Verhuizen naar België leek de oplossing. Ik vertoef nu in de twilightzone van het virtuele Hazeldonk. Ik mag meeliften op zowel Nederlandse als Belgische webloghypes, ik mag me laven aan mooie dingen uit twee landen. Maar het mag niet baten, want in Nederland is het schrijfniveau dan misschien belabberd, in Vlaanderen is het schrijfniveau op weblogs – in tegenstelling tot wat men tien-voor-taal-en-groot-dictee-gewijs zou verwachten – zo mogelijk nog beroerder. Alleen al de lijst met genomineerden voor de Site van het Jaar van Clickx. Mijn hemel, wat een vreugdeloos zooitje.

In Vlaanderen valt vooral veel eer te behalen met ‘ons kent ons’. Veel toppers in de lijst zijn webloggers die borrel na borrel afstruinen en op wat voor manier dan ook vriendjes maken, de schrijfstijl of onderwerpkeuze is totaal ondergeschikt. Het zou gemakkelijk zijn om nu iets over corruptie te zeggen, maar daar wil ik eigenlijk niet naartoe. Wel kan ik vaststellen dat talent absoluut minder prioriteit krijgt dan vriendjespolitiek. En dat leest niet lekker.

Maar om niet al te somber over te komen: er zijn er wel een paar hoor, Vlaamse webloggers die prachtig schrijven. Neem Good Ol’ Tante Annie, of Lilith van Tales from the crib. Of de schrijfsters van niets.dan.vuur en Flora Fleempaard. Stuk voor stuk dames die ik met liefde een pen laat vasthouden.

Vlaamse mannen zegt u? Kuch ende stotter. Een nedervlaam misschien, m’neer Victoria. En mijn eigenste vriendje natuurlijk. En verder… uh… Eddie From Ohio komt in de buurt. Mag ik misschien vaststellen dat het geen vetpot is?

Goed, nu weer even kakken in mijn eigen nest. De Nederlanders. Ik zal het zo hebben over wat ik wél mooi vind, maar ik wil nog even dalen in de populariteitspoll door te zeggen dat ik het vooral een hoop stront vind, wat ik zoal op weblogs lees. Nederlandse mannen die mooi kunnen schrijven? Pluk de nacht, meneer Jaeggi en Frommel. En dan zijn we er wel zo’n beetje. Waar zijn die gevatte mannen met een zwierig handschrift?

Op wie kunnen we dan nog bouwen hede ten dage? Nou de ludieke dagboekbloggers, zoals ik ze maar noem: I van I+R, Cockie en Eliane. En de dames met een jaloersmakende stijl zoals Het Meisje Dat Op Dinsdag Het Bier Schenkt, Octavie, Nynke en Jacq. En verder prijs ik mijn collectiefgenoten, omdat ze consequent doorschrijven en elke dag beter worden. Maar weet je? Daar vult een mens zijn rss-reader niet mee.

Dus lieve lezers: open mij de ogen en zeg dat het allemaal zo erg niet is. Dat er best mooie weblogs bijkomen en dat niet alle goeien ermee stoppen. En geef mij pliespliesplies de url van die parels. Ik heb ze hard nodig.

En u dacht dat dit een controversieel stukje was? Dan heeft u dit nog niet gelezen. Voor het overige: u mag als altijd meepraten, maar deze keer ga ik voor de gein ook naar u luisteren. Dus grijp uw kans en laat mij schrijven, laat me door het stof gaan of wijs me op mijn onvolkomenheden. (Onvolkomenheden? Wie? Ik?)

De kleutermonologen – Het webloggevoel

Waar moet ik beginnen als ik over vier jaar webloggen wil webloggen. Het weblog? De veranderingen? Het publiek? De weblogwereld? De techniek? Het concept? Webloggen en vriendjes/werk/familie/hobby’s?

Ik ben een vrouw, dus ik begin bij het gevoel.

Eerst is er het gevoel van ‘eng’. Internet is nog een beetje eng, openbaarheid is nog een beetje eng, reacties zijn nog een beetje eng. De toekomst is nog een beetje eng. Schrijven en gelezen worden is al met al doodeng.

Daarna komt de verslaving, de grond onder mijn voeten wordt steviger. Het fundament van ruchtbaarheid, regelmaat en reacties stuwt me op in mijn exhibitionisme. De wereld bestaat uit een doos met een lichtje erin waarop mijn eigen woorden langstrekken.

Plotseling duikt daar voor het eerst de verplichting op. Ik wil behagen en behaagd worden, elke dag opnieuw, nooit een dagje niet. Bang dat mijn statistiekentellers onverbiddelijk zijn, evenals mijn reageurs en mijn blogrollvriendjes.

Tijd voor een moment van contemplatie. Het moet leuk blijven. Voor mij. Het moet leuk blijven. Voor de lezers. Het moet leuker worden. Dan het is. Veel leuker. Plaatjes, muziekjes, een eigen lay-out, een goede foto.

Dan komt de fase van weblogger onder de webloggers. Hoe val ik bij anderen. Wie linkt mij wel, wie linkt mij niet. Hoe ver schop ik het bij de Dutch Bloggies. Waarom lezen ze mij niet. Wie zijn mijn vrienden en waarom.

Ongemerkt maakt de verslaving plaats voor sleur. Een weblogvriendje gezocht, mezelf populair gemaakt, zeshonderd bezoekers per dag, tien reacties per stukje, soms veertig. En alles is gewoontjes. Zo gewoontjes als maar kan.

Volwassenheid is in aantocht. Van een prefab-site naar mijn eigen domeintje. Een tricky stap, want de aanwas van lezers is minder groot op een eilandje in de grote oceaan dan op een schiereiland in de Schelde. Maar ik doe het, want ik ben een krak. Kan mij het bommen…

En dan de status quo. Al vier jaar oud, door de wol geverfd met sleur en verslaving, populair geweest en verguisd op straffe van tweehonderd bezoekers minder, overal vriendjes, overal lezers, maar ook overal niet. Een woordenstroom die nooit op lijkt te houden.

Ik ben heel benieuwd wat de volgende fase zal zijn.

Heeft u nog vragen over mij, over het webloggen of over dit stukje: feel free, het reactiedinges is open. Voor alles over de kleutermonologen kunt u hier kijken.