Archief in kronkels: Zuiderzonherinneringen

Als je sparringpartner een afwijkende anatomie in de aanbieding heeft

“Ik kan iets wat bijna niemand kan: rechtdoor zoenen. Omdat mijn neus in zijn geheel bestaat uit kraakbeen, kan ik ‘m indrukken als een plastic bekertje met een kreukelzone. Ik hoef dus nooit een kwartslag te draaien alvorens iemand binnen te doen, ik ga gewoon immer gerade aus. En daarmee ben ik de trotse bezitter van De Andere Zoen.”

Lees het hele stukje op VPRO’s Café De Liefde.

[wijvenweek] De mannen in mijn leven

Dit was eigenlijk het onderwerp van woensdag. Vergeef mij mijn dwarsliggen, het leven liep wat vertraging op. Ik buig mij alsnog over het fenomeen man aan de hand van de mannen in mijn leven.

Mijn vader
Het was begin jaren tachtig en op de tv-reclame zag ik bruingebrande Hemabreiboekmannen die wild dollend met een fotogenieke hond een of ander product aanprezen Dat waren mannen, dat waren vaders.
Mijn vader was een bedachtzame, ietwat stijve man, voor de oorlog geboren en zeker tien jaar ouder dan de vaders van vriendinnetjes. In niets een Hemabreiboekman.
Het is nu 2008 en in al die jaren kwam ik maar zelden iemand tegen die net als ik een rots als vader heeft. Een rots waarvan je exact weet wat je er aan hebt, een jonge geest in een lichaam dat evenmin verraadt hoe oud hij is. Een bedachtzaam, uiterst intelligent baken in de nacht. Iemand die niet zuipt, niet buiten de deur vrijt, niet knettergek is, niet moeilijk in de omgang, maar iemand die er is. Verstandig, grappig en: altijd. Dat zijn mannen, dat zijn vaders.

Mijn eerste vriendje
Ik was zes en hij ook. Op de speelplaats vroeg ik verkering. Hij zei ja en toen was het beklonken. Hij had de mooiste ogen die ik ooit had gezien en hij duwde me bijna nooit. Samen speelden we in de zandbak en ik leerde hem koppeltje duikelen. Als er nog maar één paar stelten was, dan gaf hij dat aan mij. Ik weet niet meer zeker of we het uitmaakten of dat het doodbloedde, maar zijn Hyves-profiel is alleen zichtbaar voor vrienden en kennelijk hoor ik daar dertig jaar later niet meer bij.

Mijn eerste samenwoonman
Het was 1989, want ik was vijftien. We hadden geklaverjast met een fles wijn en hij bracht me naar beneden. Hij wilde me zoenen, maar zo had ík het helaas nog nooit bekeken. Uit alle macht probeerde ik zijn getuite lippen te ontwijken, wat in dat krappe trappenhuis op de Albert Cuyp onbegonnen werk was. Hij zoende raak en een half jaar later woonden we samen.
We waren dikke vriendjes, en we kalverden dat het een lieve lust was. Dat hielden we vol tot ik bijna achttien was. Toen vertrok ik van de ene op de andere dag met 27 plastic tasjes en geen spijt. Hij woont nu in Finland, ik in België, en na twintig jaar hebben we nog steeds elkaars e-mailadres.

Mijn eerste echtgenoot
Met hem reisde ik, werkte ik, zocht ik het goede leven en leefde ik erop los. Hij was genereus, charmant, grappig en emotioneel. Hij was, zoals alle mannen in mijn omgeving, geen macho. De man met wie ik trouwde leerde mij te leven en ik leerde dat aan hem. En hoewel weer eens werd bewezen dat niets voor de eeuwigheid is, leerde ik ook dat scheiden van een mooi mens niet synoniem is aan een mislukt huwelijk. De man was gelukt, het huwelijk ook. Nu is het voorbij.

Mijn eerste baas
Dat was de eerste bullebak die dicht bij mij kwam. Qua man was het er eentje van het afstotelijkste soort: een hummer, geen humor en het empathisch vermogen van een eencellige. Ik was hulpkok, hij was kok, samen stonden we uren te zweten in een hete keuken, zwijgend. Hij was bang voor bijdehante vrouwen, ik voor pitbulls in disguise, (lees: in koksbuis en geruite broek).
We hadden elk ons eigen belang. Ik wilde werken, leren en mezelf zijn, hij wilde dat ik werkte, leerde en was wie hij wilde dat ik was. En omdat zijn wereldbeeld meer overeenstemde met dat van Al Bundy dan dat van mij, was vier jaar samenwerken een beproeving. Uiteindelijk won hij de derby tussen Venus en Mars door mij te ontslaan. Ik was opgelucht, van sommige mannen wil je niet afhankelijk zijn.

Mijn beste vriend
Tot mijn dertiende deed ik niet aan beste vrienden, ik deed aan dinnetjes in veelvoud. Elke week verkondigde ik op het schoolplein wie het nu weer had geschopt tot beste vriendin. Maar na mijn veertiende draaide dat om: ‘Beste’ werd het domein van de heren. Ik heb een hoop beste gehad, maar de laatste veertien jaar is het één en dezelfde. Dwarzand en ik zijn alle handen die we hebben op één buik. We doen in songwriting, relatietherapie, spelletjes en debat op hoog niveau. We tarten en tergen elkaar en we steunen en sterken elkaar. Sing halleluja daterzulkemannenbestaan.

Mijn man om bij te blijven
Dat is de man die prachtige liefdesbriefjes schrijft aan vrouwen die ik niet ken. De man die het voor mij opneemt als er een exhibitionist in mijn territorium opduikt. De man die zegt wel eens te moeten wenen als ik lekker eten voor hem klaarmaak. De man die het bestaan van alle mannen in één klap zinvol maakt. De man die het fanclubboek van Laura Lynn van zijn vader voor kerst krijgt. De man die mijn dreads draait. De man die geen krimp geeft als ik een deuk in de vuilnisbak trap. De man met wie ik al eens vadertje en moedertje speelde in een houten huisje. De man met wie ik blijf drijven.

Vier jaar geleden


De Zezoentjes van Dagmar.

Oker zei: de volgende keer dat ik deze datum boven een log kan zetten, is pas over vier jaar. En ze heeft gelijk. Oker zei: ga eens na hoe je vorige schrikkeldag er uitzag? En ik ging eens na.

Vier jaar geleden was het 2004. Ik leefde op het randje van een afgrond, zowel geestelijk als lichamelijk. Die afgrond ligt in het dal achter me. In dat dal ligt een trouwring, er liggen twee huisjes en er heerst een moderne ziekte.

Vier jaar geleden stond ik op de berg aan de andere kant van het dal. Er stond een getrouwde vrouw, docent journalistiek en stresskip die binnen twee weken die afgrond in zou donderen – maar dat wist ik toen nog niet.

Vier jaar geleden had ik dolgraag het maatje 34 willen hebben dat ik een half jaar later had. Maar het dieet van hartenzeer, ziekteverlof en de-weg-kwijt-zijn zag ik absoluut niet aankomen.

Vier jaar geleden schreef ik dertien (!) stukjes op schrikkeldag – waarvan 99 procent grote stront. Maar waar rozen domweg verwelken en schepen stomweg vergaan, blijft het stukje met Dagmars Zezoentjes altijd bestaan.

Voor alle Zezoentjes, kijk hier.

50 op 45 toeren

Dwarzand begon erover naar aanleiding van de aankondiging van het verdwijnen van de cd-single volgend jaar. Hij zei: ik heb mijn vijftig beste singles opgeschreven en nu moeten jullie die branden op een ceedeetje (Dwarzand weet dat wij thuis – dankzij Yuri – in het bezit zijn van zo’n dertigduizend mp3’s en bijna duizend cd’s – met overlap, dat wel).

Ik zei gelijk: o vijftig, da’s veel te weinig, dat zou ik nooit kunnen. Maar toch begon ik er zondag aan. En wat bleek: vijftig is nog best veel als vrijwel ál je lievelingsliedjes NOOIT op single zijn uitgebracht.

Toch kwam ik tot een lijst. Het is nog maar een tijdelijke, bovendien staan er nog illegale nummers op (nummers die niet in die uitvoering op single zijn verschenen). Maar we hebben nog even tot de single verdwijnt, dus mijn lijst mag ook nog wat tijd vreten.

Bizarre ontwikkelingen genoeg trouwens, want The Beatles staan er helemaal niet in, omdat mijn lievelingsliedje For No One nooit een single was en Don’t Let Me Down een B-kant. Ook staan Joan Armatrading en Throwing Muses er niet in, omdat mijn lievelingsliedjes van hullie ook geen singles waren.

De volgorde is alfabetisch op nummer, om zo te zorgen dat je op het ceedeetje de ceedeetjes niet twee keer achter elkaar dezelfde band krijgt (hoewel dat bij Muse en Prince niet helemaal goed uitkwam).

Waarom ik de lijst hier plaats? Geen idee. Er is niet echt discussie mogelijk, want sommige nummers koos ik op sentiment en de rest is echt goed. Maar commentaar is altijd leuk. En suggesties ook.

A Forest – The Cure
A Little Less Conversation – Junkie XL
Baby’s Got Sauce – G. Love And Special Sauce
Before My Head Explodes – Caesar
Believe – K’s Choice
Bright Side of the Road – Van Morrison
Can’t Get You Out Of My Head – Kylie Minogue
Cannonball – The Breeders
Chop Suey – System Of A Down
Come On – The Rolling Stones
Dirty Mind – Prince
Girls And Boys – Prince
Glory Box – Portishead
Go With The Flow – Queens Of The Stone Age
Gold Lion – The Yeah Yeah Yeahs
Golden Brown – Stranglers
Hey Joe – Jimi Hendrix
Hollywood – Madonna
I Could Never Take The Place Of Your Man – Prince
Killing In The Name – Rage Against The Machine
Kiss – Prince
La Tribut De Dana – Manau
Little Sister – Queens Of The Stone Age
Lose Yourself – Eminem
Love Rears It’s Ugly Head – Living Colour
Me Gustas Tu – Manu Chao
Ne Me Quitte Pas – Jacques Brel
No One Knows – Queens Of The Stone Age
Nothing Really Ends – dEUS
One – Metallica
Purple Rain – Prince
Push It – Salt ‘n Peppa
Smells Like Teen Spirit – Nirvana
Song 2 – Blur
Stan – Eminem (ft. Dido)
Street Spirit (Fade Out) – Radiohead
Sunburn – Muse
Super Massive Black Hole – Muse
Sweet Dreams – Eurythmics
Tainted Love – Soft Cell
Time Is Running Out – Muse
Troy – Sinead O’Connor
Via – dEUS
Violet – Hole
Waking Up – Elastica
Wanna Make it Witchu – Mark Lanegan
Where Is My Mind – Pixies
Won’t Cry – Krezip
You Are My Sister – Antony And The Johnsons (ft. Boy George)

Het zou leuk zijn als jullie ook vijftig singles kiezen. Enige eis is dat het nummer ooit op single uitkwam. B-kanten mogen niet. Hulpmiddel als je er te veel hebt: sentiment. Nummers die ooit enorme indruk maakten. Zo vermijd je ook dat je alleen de nummers van de laatste tien jaar erin krijgt.

Hoe Lucas schreef

Onbedoeld dacht ik door het stukje hieronder aan Lucas. Lucas heette anders, maar omwille van privacydingen heet Lucas nu Lucas.

Lucas schreef stukjes en ik was docent stukjes schrijven. Lucas was goed. Hij schreef helder en gestructureerd. Hij raadpleegde altijd meerdere bronnen en hij kwam met doordachte ideeën. Kortom: ik verwachtte veel van Lucas.

Maar Lucas maakte het niet waar. Elke week schreef hij meer stukjes dan nodig, elke week groef hij dieper dan de rest, elke week schreef hij vlug en to the point, maar elke week was er iets helemaal mis met zijn verhalen.

De ene keer was dat het ontbreken van hoor en wederhoor, de andere keer waren het tal van gedachtensprongen die misten, en vaak ging hij te kort door de bocht.

Het gekke aan Lucas was dat hij altijd wist wat er fout ging. Als je met hem sprak, biechtte hij gelijk op dat er wederhoor ontbrak, dat hij iets niet goed had uitgelegd of dat hij het verhaal iets langer had moeten maken. Maar als je vroeg: ‘Lucas, waarom schrijf je niet in een keer het goede verhaal?’, dan volgde er een onduidelijk antwoord of een vrijblijvend ‘ja ja ja’.

Ik piekerde me suf over Lucas. Op welk punt moest ik hem oppoken om verbetering te krijgen? Want Lucas snapte alles al. Hij wist wat hem te doen stond, maar hij deed het gewoon niet. En het was duidelijk geen kwestie van onwelwillendheid, maar van wat dan wel?

Er brak een maandagochtend aan en we gingen, zoals de routine ons dat voorschreef, een krantje maken. Lucas bracht mij zijn kopij en ik ging lezen. Kopje koffie, tl-licht, rode pen. En plotseling zag ik het. De bladspiegel. De regelmaat. De orde.

Lucas maakte alinea’s van vier regels. Niet langer en niet korter. Geen halve regels. Exact vier regels, tot de punt. Elke alinea, elke pagina.
Ik zocht het werk van de vorige weken erbij, en inderdaad: alleen maar alinea’s van precies vier regels. Het zag er maf uit. Neurotisch.

Ik riep hem erbij.
‘Lucas’, zei ik, ‘je maakt alleen maar alinea’s van vier regels.’
‘Ja’, zei hij, zonder een spier te vertrekken.
‘Dat is niet normaal’, zei ik.
‘Nee.’ Hij staarde naar de grond.
‘En het heeft ook geen zin’, zei ik.
‘Nee’, zei hij.
‘Je gaat er slechte verhalen door schrijven’, zei ik.
‘Ja’, zei Lucas.
‘Maar waarom doe je het dan?’, vroeg ik.
‘Ik weet het niet.’
‘Heb je dat bij meer dingen?’, vroeg ik. ‘Dat tellen?’
‘Nee’, zei hij.
‘Denk je dat je het kunt proberen los te laten?’, vroeg ik.
‘Ja’, zei hij.
‘Okee’, zei ik. ‘Laten we afspreken dat je volgende week alleen maar verhalen inlevert met alinea’s van verschillende lengte.’
‘Okee’, zei hij.

De week erna kwam hij niet opdagen. Ik heb hem nooit meer gezien.

Genetica

Is het normaal dat het pantoffeldiertje, de Andalusische kip en mensen met het Downsyndroom sinds mijn biologie-examen een speciaal plekje in mijn hart hebben?

Wat weblogwaardig was
achter de coulissen

Voor de vakantie schreef ik weinig, maar ook veel. Hier schreef ik bijna niets, achter gesloten deuren juist pagina’s vol. Mijn vader werd zeventig en ik schreef een kinderboek op rijm dat hij aan de kinderen van mijn zus kon voorlezen. Ik zal daar deze week wat stukjes van laten zien, want in combinatie met de vormgeving van Yuri en de tekeningen van mijn zwager is het erg goed gelukt.

Denkend aan dat boekje en al die momenten dat ik het afgelopen jaar zwijgzaam was op zezunja.nl dacht ik: ik kan best wat tipjes van de sluier oplichten. Want hoewel ik hier soms dagenlang geen tekstjes achterliet, gebeurde er achter de coulissen allerlei vriendschappelijks dat in grote stilte vervaardigd werd en achteraf werd vergeten, want ja, voorbij is voorbij. Maar het materiaal is op zich best weblogwaardig.

Laat ik dan maar bij het begin beginnen. Een jaar geleden, een paar dagen voor ik hier naartoe verhuisde, vierde mijn moeder haar zestigste verjaardag. Ze deed dat met een vrouwendiner, waar ik vorig jaar al eens over schreef.

Om te beginnen moet ik even melden dat mijn ouders uit zo’n liber amicorumcircuit komen. Dat wil zeggen dat ze, omdat ze dol zijn op het concept ’schrijf een a4′tje over jezelf en/of de jubilaris’, inmiddels een boekenkast kunnen volstouwen met zelfvervaardigde dan wel ontvangen liberi amicorum.

Niettemin voegden we daar voor mijn moeder gewoon nog een liber amicorum aan toe. Namelijk dat van het vrouwendiner. In het stukje dat ik vorig jaar schreef over dat diner plakte ik ook het enorm toepasselijke gedicht dat ik voor haar citeerde. Wat ik destijds niet toonde, waren de pagina’s die ik daarnaast nog voor mijn moeder maakte. Die zet ik hieronder. Klik daarvoor op de foto’s.

Waar ik zeker niet aan voorbij mag gaan in dit verband is de kaft die mijn crea-zus ontwierp waarin van alle aanwezige vrouwen een object werd verwerkt. De opdracht was om iets aan te leveren dat niet groter dan 1 x 1 x 1 cm was en dat iets met mijn moeder te maken had. Zodoende vond mijn zus bij de post alllerlei dinsigheidjes: het treinkaartje van mijn moeders allereerste buitenlandse reis verkleind tot miniatuurformaat, een megaklein doosje met mijn moeders geboortegrond, een melktand, hangertjes, steentjes en andere bling-bling, fotootjes van één vierkante centimeter, enzovoort. Mijn zus verwerkte alle kleinoden in een ietwat dikke kaft en hop: een kunstwerk was geboren. Helaas heb ik daar (nog) geen foto van.

Maar goed, waar was ik gebleven, o ja, mijn pagina’s à­n de kaft. Ik heb mijn moeders naam weggehaald, omdat ik dat wel zo netjes vind.

pagina 1

pagina 2

pagina 3

Zoals de dingen zijn gegaan

Vandaag woon ik een jaar in België. Het was een veelbewogen jaar, waarin ik alles op zijn kop heb gezet en alles (maar dan ook echt álles) met hernieuwde levenslust heb beleefd. En hoewel ik de laatste tijd een beetje moe klink, ben ik uiterst content met het leven dat ik leid. Mijn lief en ik zijn in staat samen dagen te maken. Het Eiland Neus blijkt vulkanisch en vruchtbaar. Ons huis heeft twee iMacs, een hemelbed en een woonkeuken. In de tuin groeien broccoliplanten, trostomaten en zonnebloemen. Onze laatste aanwinst, Sjeik, is van het kaliber kletskous en knuffelkont. Ik maak schoorvoetend vrienden en vriendinnen. Mijn schoonfamilie behandelt me als een van hen. Mijn webleven wordt steeds interessanter door collectieven en zijpaden. Men koopt spulletjes, men vertrouwt mij een cursus toe, men huurt mij in voor teksten en journalistiek. Garageband en ik worden steeds betere vriendjes. Ik ging het afgelopen jaar naar Genk, Gent, Brugge, Hasselt, Brussel, Antwerpen, Luik, de Oost-Kantons, Vilvoorde en Mechelen alsof het niets was. Mijn hekel aan bergop fietsen wordt steeds minder. Dankzij Skype spreek ik mijn moeder nu vaker dan toen ik nog in de buurt woonde. Zaterdag zong ik met een zachte g. Mijn leven verzuidelijkt stukje bij beetje. En zoals die dingen gaan: ik drink er een pintje op.

Herinneringen aan een wit t-shirtje

Een stukje over Little White T-shirt moest dit worden. Of liever gezegd, een stukje over wat er nog over is van Little White T-shirt: mp3’s en bandjes (jaja, good ol’ cassettes) vol met nummers, goedgekeurd en afgekeurd, en een reeks geweldige herinneringen.

Omdat ik de mensen die nog niet zo lang meelezen wilde uitleggen wat Little White T-shirt is (de band die ik in 2005 oprichtte en in 2006 weer de nek omdraaide), zocht ik naar stukjes die ik er ooit over schreef. Maar omdat het de bedoeling was dat ik van een kleine reminder naadloos zou overschakelen naar mijn bezigheden nú omtrent de nummers van Little White T-shirt, plus een ‘nieuw’ nummer, mocht het stukje niet te lang worden.

Maar uitleggen wat Little White T-shirt is en wat de band voor mij betekende, kan niet in een handomdraai. Er is te veel gebeurd, ik was er een jaar lang ongeveer drie dagen per week mee bezig en ik schreef er talloze stukjes over. Tegenwoordig ben ik avond aan avond bezig met het ‘verknippen’ van de nummers (daarover later meer). Om de nieuwe dingen niet te laten ondersneeuwen door een linkje hier en een verwijzinkje daar, heb ik besloten eerst een round-upje te maken.

1. In den beginne was er niets. Alleen mijn beste vriend én gitarist Dwarzand. Ik zocht dus een zwikkie. Muzikanten die net als ik zin hadden om een bandje te beginnen in Amsterdam. En hoewel er op mijn webzijde niemand reageerde, hield ik mij aan de belofte in de eerste zin van het stukje: in januari 2005 had ik weer een band.
Lees: Gezocht: zwikkie M/V

2. We dachten een drummer te hebben. Maar die woonde in Engeland. Op de oproep op mijn webzijde kwam geen reactie. Maar een oproep op een muzikantensite leverde uiteindelijk een drummer op. Wat zeg ik: twee drummers. Eentje die te veel singer/songwriter was. En, iets later, eentje die we koesterden, die ik tot op de dag van vandaag mis.
Lees: Gezocht: drummer M/V

3. De naam van de band had nog heel wat voeten in de aarde. Het eerste half jaar zijn we drie keer geswitcht. Het liefst hadden we de naam van de Zwitserse wielrenner Beat Zberg gebruikt, op z’n Engels uitgesproken, Bietzburk. Maar we waren van plan rijk en beroemd te worden en dan is een bestaande naam wat onhandig. Hoewel Age Granger ook een bestaande naam was, maar dat had niemand door. Tenzij ze het stukje daarover hadden gelezen.
Lees: Age Granger

4. Omdat we het eerste half jaar nog geen voltallige band hadden, én omdat Dwarzand en ik de nummers samen componeerden, maakten we een paar dagen per week muziek bij hem thuis. Damn, wat mis ik dat.
Lees: Dood aan het plectrum (x2)

5. Veel liedjes uit de begintijd werden later afgekeurd. Zo hadden we een liedje dat Sansepheria heette, over, hoe kan het ook anders, Belgen en hun liefde voor Sanseveria’s. En een nummer met de welluidende naam Raincoats in bed, u mag zelf raden waar dat over ging. Ook 15 minutes, Susan Notwet, As if it is, Showers, Ideal Yeah en High Standard werden afgekeurd. Onze enige ballad, Dressing up Marianne, komt ook uit die begintijd. Dat blijft gelukkig een klassieker die ik de komende maanden zeker nog eens zal plaatsen.
Lees: Dressing up Marianne

6. Eind april 2005 was de band (die al geen Age Granger meer heette, maar Lousy Pianist) nog steeds niet compleet. We hadden de softe drummer die ik bij nummer 2 noem vaarwel gezegd en een cokesnuivend ex-vriendje dat bas speelde en overal metal van maakte, was eveneens uit de gratie. Zodoende waren Dwarzand en ik weer met zijn tweeën. Hoog tijd dus om opnieuw een oproep de plaatsen.
Lees: Bent u de rest van de band?

7. In juni (de band heette inmddels ook al geen Lousy Pianist meer, maar Little White-T-shirt) konden we de band aanvullen met een heel fijne drummer en een hyperactieve bassist, die bij Voicst had gespeeld. De eerste kennismaking met beide muzikanten was een repetitie met publiek. En niet zo maar wat publiek, nee, de drummer van de in de sixties befaamde band The Outsiders was erbij. Dat was het moment dat ik erachter kwam dat ik een ruig meisje wilde worden.
Lees: Becoming Rock’n Roll… of hoe Zezunja oog in oog stond met de drummer van The Outsiders

8. Hoewel we inmiddels al Little White T-shirt heetten, werd ik in juli 2005 aangesproken door een pianist uit mijn vorige bandje Scrabeus. Hij had onze bandnaam Lousy Pianist gehoord. En he was not amused.
Lees: Lange tenen are surrounding me

9. Inmiddels was de band dus grotendeels compleet, niettemin speelden Dwarzand en ik een paar dagen per week met z’n tweeën, omdat wij samen de nummers maakten. Ik schreef de tekst, Dwarzand bedacht de muziek en samen verzonnen we een zanglijn. Omdat we wel ritme nodig hadden, gebruikten we een drummasjien. Maar omdat al onze apparatuur vooroorlogs was, gaf dat nog wel eens problemen.
Lees: Zezunja, Dwarzand en niets dat nog klopt

10. In september 2005 hadden we ‘n achtergrondzangeres gevonden. Tot dan toe deed ik de backing vocals zelf, op tape, maar bij optredens zou dat lastig zijn, dus we hadden er eentje nodig. Het stukje dat ik over haar schreef, gaf nog wat gedoe, omdat ik haar echte naam gebruikte. Ik heb aangeboden het stukje te verwijderen, maar dat hoefde niet. Gelukkig, want ik vond het een leuk stukje.
Lees: Smetana en Bach

11. We repeteerden veel: een keer per week in de oefenruimte en twee à  drie keer per week thuis. Thuis waren we vaak met zijn vieren, Dwarzand, ik, de achtergrondzangeres en de drummasjien. Dwarzand en ik hadden ons eigen jargon (second first take, final last take, et cetera). Er ging wat tijd overheen voordat iedereen ons jargon begreep.
Lees: Com-mu-ni-ca-tie

12. Het was gezellig met de band. Heel gezellig. Hoewel het op elkaar ingespeeld raken erg moeizaam ging, was ik toch gelukkig met de mensen om me heen. Ze waren grappig, vaardig en enthousiast. En ze konden een hoop kunstjes, waardoor ik regelmatig van mijn à propos raakte.
Lees: Ik moet gewoon wat minder gadeslaan

13. Ik vond de nummers goed. En nog steeds, daarom werk ik er nog immer aan. Mijn ouders dachten daar duidelijk anders over.
Lees: Van nanana, The Kinks en de Domo-vla

Belofte: het volgende stukje bevat een half afgemixt mopje muziek. Te weten: Breeze, een van mijn favoriete Little White-T-shirtnummers.
Verzoek: heeft u dit stukje helemaal uitgelezen én doorgeklikt? Wilt u dat dan laten weten. Ik vraag me af of dit soort stukjes wel gelezen worden. En of men überhaupt ooit doorklikt.

Update: Mocht u in de oude stukjes linkjes naar liedjes tegenkomen: die doen het niet meer. Ik beloof binnenkort wat meer te laten horen.

Vandaag vieren we de dag
van De Blije Bukster

Omdat ik de herinnering koester, plaats ik het verhaal van De Blije Bukster nog een keer.

Vandaag een jaar geleden was ik in staat van ex (let op, dit is een herhaling, het is al twee jaar geleden, u kunt niet meer bellen of sms’en). En als ik ergens geen zin in had, was het wel om in staat van ex zijn. Ik wilde wilde romances, hete hartstocht en bakken vol aandacht. Maar goed, als je nog niet zo lang in staat van ex bent, dien je wat geduld te hebben.

En daarvoor moet je dus niet bij mij zijn. Geduld. Ik weet niet eens hoe je het schrijft. Ik kan bijzonder slecht afwachten. Mijn handen zijn voor het heft gemáákt.
Dus terwijl ik in alle staten van ex was, brak er ineens een Valentijnsdag aan. Doorgaans vergeet ik Valentijnsdag keihard, maar nu was er werk aan de winkel. Ik heb geen Valentijnsdag nodig om verleidelijke briefjes te schrijven, ik kan immers erg slecht afwachten, zodoende neem ik regelmatig zelf het heft in handen. Maar een dag dat je zonder humbug al je poet kunt inzetten op wilde romances en bakken vol aandacht laat ik in staat van ex liever niet voorbij gaan.

Daar zat ik, 14 februari 2005, met werk aan de winkel. Het was al laat in de avond, de tijd drong. En aangezien ik nog nooit eerder een Valentijnsproject ten uitvoer had gebracht, begon ik ‘m toch wel te knijpen; ik had geen routine. Mijn eerste probleem was: wie o wie? Ik was in staat van ex en nog niet verliefd geworden, zelfs niet stiekem. Er was niemand die ik stilletjes minde en ik had along the way geen lekkere dingen gespot die ik op een Valentijnsgeheim wilde trakteren.

Alleen leuke mensen kwamen in aanmerking. Een beetje leuke mensen, half leuke mensen en misschien leuke mensen vielen af, ik moest immers nog geïnspireerd worden. Binnen twee uur een Valentijnstruc in elkaar draaien, kan alleen als leuk ook echt leuk is.

En toen belandde ik bij Yuri (klik). Ik ben een fervent aanhanger van het toeval, dus ik zal niet bij u aankomen met ‘voorbestemd’ en ‘hoger hand’, maar ik weet toeval wel op waarde te schatten. Bij deze. Dit was mooi toeval.

Ik kwam niet vaak bij Yuri, eens in de paar weken, maar áls ik er kwam was ik altijd gecharmeerd. Door zijn twisted mind, door de lay-out van zijn website – met de toen nog handgeschreven linkjes – en door zijn waanzinnig romantische inborst.

Hij moest het zijn, besloot ik. Naarstig begon ik zijn laatste stukjes te lezen. Ik zocht een aanknopingspunt, een Valentijns-cue, iets waarop ik mijn kunstje kon baseren. Mijn ogen bleven hangen bij het zinnetje ‘Blij bukken maakt mensen blij. Mij in elk geval.’ (klik). En toen nam ik een merkwaardig besluit.

Ik besloot als Blije Bukster actie te ondernemen. Op zich nog niet zo raar, het is immers des Valentijns om je niet uit te geven voor wie je werkelijk bent. Maar ten eerste is zijn stukje een ode aan het driehoekje van een andere vrouw; het is maar wat je een Valentijns-cue noemt. En ten tweede: als u het stukje van Yuri heeft gelezen, zult u begrijpen dat er toch minimaal een decolleté aan te pas moet komen, alvorens er gesleed kan worden. En daarover kan ik in het geheel niet meepraten. Ik stond niet vooraan toen de driehoekjes werden uitgedeeld, zullen we maar zeggen.

Maar ik ben een lefgozer en dacht kennelijk niet aan de verwachtingen die ik bij mijn Valentijn zou kunnen wekken. Verwachtingen die ik geenszins zou kunnen inlossen – in mijn decolleté kun je hoogstens langlaufen. En en passant negeerde ik die vrouw over wie het stukje gà­ng ook nog even.

Kortom: in weerwil van alles zette ik mij aan het briefje van de Blije Bukster. Ik maakte een e-mailadres aan, deblijebuksteretdjziemeeldotkom, knipte mijn hoofd van een bukfoto en stuurde de onthoofde bukfoto naar meneer Maanzand. ‘Omdat blij bukken mensen blij maakt’, schreef ik eronder.

Het duurde een week en tientallen e-mails voor Yuri erachter kwam wie de Blije Bukster was (klik). Dat had niet zozeer met beroerd detectiveschap te maken, als wel met het feit dat hij het stiekem wel leuk vond om in het ongewisse te verkeren. Toen ik hem na een paar dagen op de man af vroeg of hij eigenlijk wel wilde weten met wie hij te maken had, erkende hij dat hij daar niet echt haast mee had.
Tsja, kijk, en dát was natuurlijk niet de bedoeling. Een beetje Valentijn hoort als een gek te gaan gissen, graven en vragen, want dan heb je pas eer van je werk. Deze Valentijn ging doodleuk op zijn lauweren zitten rusten, de buit was immers binnen.

En wat wás die buit binnen zeg. Het e-mailverkeer zinderde dat het een lieve lust was. Een dag of vijf na mijn ontmaskering schreef hij:
kom morgen
asjeblief
ik wacht je op
en we doen enkel fijne dingen

Ik kocht een retourtje Leuven en ik kwam (zie klik en klik).
En nu, een jaar later, weet ik niet hoe ik dit stukje moet eindigen.
Omdat het niet eindigt.
Omdat het gewoon
echt
niet
eindigt.

Kijk ook bij mijn favourite work of art: KLIK

De Wildebras, de Engelsman
en de Goede Vriend

Toen ik achttien was, had ik al twee jaar samengewoond. Lief en naïef rijmden al niet meer. Het woord relatie had haar ware aard al getoond: een ingewikkeld logistiek schema, waarop met veel pijlen en accolades de wederzijdse verlangens, belangen en dromen aan elkaar gekoppeld worden.

Op dat moment, zomer 1992, was één zo’n schema reeds in elkaar gedonderd en in al mijn post-puberale opportunisme had ik besloten dat ik geen relatie meer hoefde. Seen it, been there. Achttien jaar oud.

Dus toen ik de Woeste Wildebras tegenkwam, zei ik het maar gelijk: ‘Ik vind je wel leuk, maar ik wil geen relatie.’ Nou, dat was goed. Dat hoefde hij ook niet.

Met als gevolg dat we wekenlang samen, dronken, van onze fiets vielen. We werkten ’s avonds, feestten ’s nachts, sliepen ’s ochtends en deden ’s middags alsof de wereld aan onze voeten lag. Maar we hadden geen relatie.

De zomervakantie brak aan en omdat we geen relatie hadden, gingen we iedere zijns weegs. Hij ging een zeilboot naar Portugal brengen en ik zou met een clubje een maand vertoeven op het theaterfestival in Avignon.

In de dagen voor vertrek raakten we aan het kibbelen, vermoedelijk omdat we beiden niet gerust waren op de goede afloop. Deze relatie die geen relatie was, had geen schijn van kans de zinderende zomer te overleven en dat gaf ons een onbehaaglijk gevoel.

Op de heenreis naar Zuid-Frankrijk piekerde ik nog wat, maar eenmaal aangekomen sur le pont d’Avignon trok ik mijn conclusies. Als ik beweerde geen relatie te willen, moest ik ook niet lopen miepen.

Dus vanaf dat moment flirtte ik me een ongeluk. Leve het vrijgezellenbestaan, weg met de Woeste Wildebras. En zodra iemand toehapte, brieste ik weer: ‘Als je maar weet dat ik geen relatie wil!’.

Dat lot trof ook de Engelsman die ik tegenkwam bij een cursus vuurspuwen op de camping. Een maand lang deelden we een tentje, een maand lang verklaarde hij me de liefde, maar een maand lang stond ik hem enkel toe hand in hand te liggen in de slaapzak. Ik stelde alles in het werk om erger te voorkomen.

Gek genoeg hielden we van elkaar. Zul je altijd zien: besluit je geen relatie meer te willen, kom je iemand tegen van wie je houdt. Maar ik hield voet bij stuk. No sex. No relationship. It’s nothing but trouble. I’m sorry. Hij accepteerde dat.

We namen afscheid en spraken af elkaar eens te bezoeken. Dat was oprecht, gemeend, we waren goede vrienden geworden. Dat gold overigens voor veel festivalgangers. Die zomer ontmoette ik een hoop mensen die ik later nog eens heb teruggezien. Bijzonder.

Toen ik thuiskwam lag er een briefje van de Woeste Wildebras. ‘Ik ben gevallen met jouw fiets. Volgens de fietsenmaker is-ie niet meer te repareren. Sorry. Ik zie je na de vakantie.’ Geen liefs, geen kusjes. Geen fiets.

De schrik sloeg me om het hart. Ik was helemaal in mijn uppie. Geen Engelsman, geen Woeste Wildebras, niemand die van me hield mocht houden.

Ik zocht mijn heil bij een Goede Vriend en we belandden tussen de lakens. Onbedoeld en niet voor herhaling vatbaar. Maar toch: ik had mijn zin. Aandacht.

Kort daarna trad De Dijk op in het Vondelpark. Een nazomerzondag die ik doorbracht met de Goede Vriend in kwestie. We hadden het voorval niet uitgebreid besproken, dus er hing nog wat in de lucht, maar er was niets meer gebeurd.

Voor het verhaal zou het leuk zijn als ik nu kon zeggen dat Huub van der Lubbe ‘Ik heb een groot hart‘ zong, maar de kans is groot dat dat gelogen is. Edoch, het was toepasselijk geweest, want tijdens het concert stond ineens de Woeste Wildebras voor mijn neus. ‘Sorry voor je fiets.’ Hij groette mijn Goede Vriend, zonder dat hij wist dat er iets onbedoelds had plaatsgevonden en hij kuste mij als vanouds.

Ik was nog nauwelijks bekomen van het ongemak dat deze ontmoeting teweeg bracht, toen ik ineens hard opzij werd gedrukt door iemand die zich met een enorme rugzak door het publiek probeerde te wurmen. De Engelsman.

‘I’ve come to stay’, zei hij. Na Avignon was hij doorgereisd naar Spanje en onderweg had hij besloten dat hij bij mij wilde zijn. Dan maar geen relatie, als hij maar bij mij in de buurt was. En via via was hij erachter gekomen dat ik op dat moment in het Vondelpark uithing.

Na zijn relaas viel er een stilte. De Wildebras en de Goede Vriend fronsten hun wenkbrauwen en ik mompelde iets van ‘bier’ en kneep er tussenuit.

Het was bij Dora’s Blikkenbar dat ik me realiseerde dat ik, die geen relatie had, verzeild was geraakt in drie relaties. En dat alledrie de schema’s gedoemd waren om, zoals het een goed Exceldocument betaamt, volkomen vast te lopen.

Waarop ik nog maar een bier bestelde.
En nog maar een.
En nog maar een.

Dinklump

* Een – hoewel lelijk vormgegeven – mooi kunstproject over angst bij de Volkskrant. Vul jouw gedachten over angst of bang zijn in en maak zodoende deel uit van het project. Vergeet niet de Nederlandse geruststelling aan te klikken. Brabant rules, voor één keertje dan.

Angst (via Marina)

* Een nobel streven van een aantal webloggers van mijn voormalige thuisbasis punt.nl: lopen voor palliatieve zorg voor kankerpatiënten. Van Parijs naar Rotterdam. Steun ze, namens mij, want ik heb geen nagel om aan hun kont te krabben.

Loggers lopen voor leven

* Echt te gekke foto’s, via Wenz.

Chema Madoz