De Inwijkeling: hoe ik Nederlander werd

Sinds ik niet meer in Nederland woon, ben ik een Nederlander.
De 32 jaar daarvoor was ik bij tijd en wijle een Nederlander. Als ik een hotel in het buitenland reserveerde, als ik een ultra-officieel document moest invullen of als ik me identificeerde met de koppen in de krant (‘Nederlander wil meer vakantie’). Zoals ik ook bij tijd en wijle een Amsterdammer, een roker of een wispeltuur was. Mijn land was niet meer of minder mij dan de rest van mijn onhebbelijkheden.

De eerste mail naar mijn Vlaamse man maakte me op slag een Nederlandse vrouw. Ik was al veel geweest: een ongeduldige vrouw, een getrouwde vrouw, een gescheiden vrouw, een leuke vrouw, maar ik kon mij niet herinneren ooit een Nederlandse vrouw te zijn geweest. In elk geval niet zo uitdrukkelijk. Edoch, ik had nog geen argwaan.

Het betitelen begon pas echt toen ik besloot mijn dozen met rotzooi over de grens te zetten. Was ik de weken voor mijn vertrek nog een emigrant, nadat ik twee keer met mijn ogen knipperde, was ik ineens een immigrant, een inwijkeling. Inmiddels ben ik ‘onze dochter die in België woont’, ik heb een aandeel in ‘15% buitenlanders in Leuven’, ik hoor bij de ‘tsunami van nieuwkomers’ en ik schaar mezelf onder de ‘immigranten binnen de EU’. Mijn hart maakt een sprongetje als ik mezelf weer eens in een nieuwe statistiek kan vinden. Zelden had ik zoveel keuze.

Maar een ding heb ik niet te kiezen: in de ogen van de Belg ben ik altijd allereerst een Nederlander. De leuke vrouw, de journalist en de wispeltuur mogen nog zo hard met hun handen wapperen, de Nederlander in mij ontneemt elke Belg het zicht op de rest. En wat blijkt: betitelen is alleen leuk als de connotatie oké is. Het heeft met een beetje goede wil wel iets stoers om emigrant, wispeltuur of een gescheiden vrouw te zijn. En ook journalist, schrijver, zangeres en pulpkijkster klinken nog best te doen. Maar zoals je in Nederland geen Marokkaan wil zijn, wil je in België geen Nederlander zijn. Ik had niet verwacht mij ooit een Marokkaan te voelen, maar ik ben er verdomd dichtbij.

Ik doe voortdurend pogingen om de Nederlander die tussen mij en de Belg in staat onzichtbaar te maken. Ik praat inmiddels redelijk zacht, met een niet eens zo harde g, ik stel vragen niét die ik wel zou willen stellen, ik reageer gelaten op de gelatenheid van een ander en ik praat nauwelijks over de eerste 32 jaar van mijn leven. Maar het mag niet baten. De Belg heeft het gewoon niet zo op mij.
‘Zou je je in Nederland meer thuis voelen?’ vroeg mijn moeder gisteren.
‘Nee’, zei ik. ‘Ik vind Nederlanders en hun maatschappij meedogenloos, gehaast, luidruchtig en arrogant.’
Ik voelde me op slag Belg, maar ik wist dat het niks op zou lossen.

De Inwijkeling: afdalen
in de cultuurkloof

Omdat ik precies vijf jaar, twee maanden en 25 dagen in België woon een nieuwe serie: De Inwijkeling.

Het woord woordenboekrelatie nam ik op in mijn actieve woordenschat toen ik in 1992 verkering had met een Engelsman. Dat het woord dertien jaar later nog veel meer van toepassing zou zijn op mijn relatie met iemand die theoretisch dezelfde taal spreekt, zag ik niet aankomen. De eerste maanden gingen zo.
Hij: ‘Mag ik uw tas?’
‘Ik vind het zo raar dat je u tegen me zegt.’ Ik geef mijn tas.
‘Nee, niet uw sakosj, uw tas.’
‘Zeggen jullie geen tas tegen een tas?’
Hij pakt mijn koffiekopje. ‘Dit ís een tas.’
En dat om de drie zinnen. Ik geef grif toe: dat schept geen band.

Maar gelukkig hadden we onze leeftijd mee. Geboortejaar 1974. Hij was ooit ook een jojoër, hij neuriede soms per ongeluk The Final Countdown en hij wist exact hoe snel de DeLorean moest gaan op het moment dat de kerktoren geraakt werd (88 miles per hour). Dat schiep een band. Na een huwelijk met iemand die twintig jaar ouder was, wist ik dat op waarde te schatten.

En zo lieten we ons met onze klimgear zakken in het cultuurkloofje. ‘Wat zeg je, een sjabrang?’ En het dan weer goed maken door samen luchtgitaar te spelen op The Last Splash van de Breeders. ‘Jullie zeggen soms wel drie keer ‘gaan’ in een zin!’ En dan zand erover door samen uit te rekenen in welk jaar we onze eerste ET-action man kregen. ‘Da ga nie me mij. Jullie hebben de t gewoon afgeschaft!’ En dan toenadering zoeken door te schetsen hoe we ooit rondliepen met hetzelfde haar (lang bruin), dezelfde bril (rond, groot) en de zelfde trui (zwart, slobber).

De taal moest van mij worden, dus ik moest de kloof aftasten. Het leek me onmogelijk om met mijn talige hoofd en werk te integreren zonder elke maffe verbuiging even vast te houden, om te draaien en te beoordelen; wil ik dit overnemen of niet? Met als gevolg dat ik mijn nieuwe vriendje op dagelijkse basis uitlachte en voortdurend zijn verhalen onderbrak. Ik verdwaalde in de vertaling.

Maar taal went; ik betrap mezelf soms al op drie keer ‘gaan’ in een zin. Wat overblijft is samen Op een onbewoond eiland zingen alsof er nooit 31 jaar en 220 kilometer tussen zaten.

Ik durf dus gewoon al
een foto te plaatsen

Cheese

Cheese

Twee zelfs.
(Zie ook: Het afscheid van mijn tanden)

Lieve Johan en Karen,

Ik zou jullie een brief schrijven, maar mijn vulpen is zoek en ik geloof niet dat ik al ooit een brief zonder vulpen schreef. Maar zelfs als ik mijn vulpen in de aanslag zou hebben, was het een beroerd plan. Ooit schreef ik: ‘De strategie van mijn innerlijke contactgestoorde is er meestal een in de categorie, ‘als de intentie maar goed is’. De uitvoering: een boomerangkaartje schrijven, te lui zijn om postzegels te kopen, de kaart zó lang op de schoorsteen laten staan dat het gênant wordt om ‘m nog te versturen, weggooien. In de tussentijd doe ik dan leuke dingen.’ Et voilà: echte, tastbare, fysieke brieven zijn een slecht plan. Ziehier het alternatief, geen postzegels involved: aankomst gegarandeerd.

Ik zou jullie een brief schrijven. Waarom weet ik al niet meer. Hadden we het over handschriften? Hier kun je mijn handschrift zien. Of hadden we het over brieven, gedachten, mijmeringen, contact? Welnu, daar komt-ie.

Ik hou niet van niet-reflectieve brieven. Voor koetjes en kalfjes heb je op zijn minst een naambordje, een glas champagne en schaal bitterballen nodig. Voor reflectieve brieven heb je vrienden nodig. Of in elk geval het gevoel vrienden te willen worden. Ik heb dat niet vaak.
Vroeger had ik dat alleen maar. Ik wilde vriendin genoemd worden, het liefst ‘beste vriendin’. Ik wilde een uitnodiging voor elk partijtje en ik wilde bij de mensen horen die veel vrienden hadden. In de tijd van de telefoon met draaischijf wist ik met gemak honderd telefoonnummers uit mijn hoofd en toen ik mijn eerste eigen eettafel kreeg, organiseerde ik elke avond een etentje of een Risk-toernooi. Nu vraag ik me soms af waar de vriendin in mij gebleven is.

De vriendin in mij schreef brieven. De vriendin in mij deelde zich suf. De vriendin in mij gaf zich over en nam op sleeptouw. De vriendin in mij zat op een dag thuis, aan tafel, en stelde vast dat de schaal bitterballen niet veraf was. Vol overgave stortten mijn vrienden zich op mijn eettafel, ze lieten zich bellen en noemden me hun vriendin. Onderwijl had ik het idee dat ik niet verder kwam dan een poging The Queen of the Small Talk te worden.

‘Ik kom nog elke maand terug hoor’, drukte ik mijn vrienden op het hart. ‘Zo ver is het niet.’ Ik was zelfs van plan mijn bandje voort te zetten toen ik in 2006 naar België verhuisde. Dit jaar was ik twee keer in Amsterdam, ik bezocht één vriend. Als je afstand neemt, begint het herijken. Onherroepelijk. Voor wie wil ik drie uur reizen? Wie mag een heel weekend komen slapen? Aan welke ‘we houden contact’-belofte zal ik nog voldoen? Ik heb alle bitterbalvrienden geschrapt en dat ruimt op.

Ik zou jullie een brief schrijven. Maanden stond het in mijn agenda. Maanden vroeg ik me af waarom ik een brief zou schrijven aan twee wildvreemden als ik nog niet eens een brief aan een bitterbalvriend schreef. Maar toen wist ik het: van bitterbalvrienden verwacht je dat ze de bitterbal op een dag ontstijgen. En dat het moment van wederkerigheid dan aanbreekt. Van vreemden niet.
Misschien is dat wel de zuiverste vorm van overgave, als je er vanuit gaat dat je er niets voor terugkrijgt. Dat zou betekenen dat contact niet van twee kanten hoeft te komen en dat is BREAKING, zou ik zeggen.

Maartje

Als de controlfreak moet gaan slapen

‘Wat wil je doen?’ vroeg hij.
‘De logeerkamer schilderen’, zei ik.
Hij fronste, en terecht. Het was tien uur ’s avonds, een schilderbeurt zou uren voorbereiding kosten en we moesten weer vroeg op. Bovendien hadden we geen verf.
‘Ik weet het niet’, zei ik. ‘Ik weet niet wat ik wil doen. Iets nuttigs of zo.’ Misschien kon ik die zwarte kast in de veranda onder handen nemen, of de overige tweeduizend cd’s uitpakken, de keukenkast herindelen. Ik was bekaf, ik had die dag een plan waar ik drie dagen over mocht doen in één dag afgemaakt; qua nuttigheid had ik mezelf al meer dan bewezen. ‘Laten we een wandelingetje maken.’
‘Goed’, zei hij en hij kuste me op mijn hoofd.
We liepen langs de school, de flat, het fonduehuisje. Het stormde. Door het verlaten winkelcentrum. Daar was het stil. ‘Ik krijg mezelf niet rustig.’ De zwarte kast spookte door mijn hoofd, rekeningen die betaald moesten worden, opdrachtgevers die antwoord wilden. De avond ervoor was ik in die stemming aan mijn tweede boek verdergegaan. ‘Anders word ik niet rustig’, was mijn verklaring. Nu liep ik op straat met van die wind die alles optilt, meesleurt en weer neerknalt. Ik wilde het vastpakken, alles. Zorgen dat het rustig ging liggen. Liefst op een rijtje, in het gelid. ‘Laten we naar huis gaan.’
Binnen ging ik zitten.
‘Zal ik je anders masseren?’ vroeg hij.
‘Mijn moeder zei dat mijn rugpijn pas weg zal gaan als ik een reactie heb.’
Hij knikte. Dat ik me moest ontspannen, dat ik moest loslaten, dat het wel goed zou komen: dat zei hij allemaal niet. En dat was misschien nog wel het allerliefste.

Wat de eenzaamheid verdreef

Dit is het vervolg op Hoe de eenzaamheid begon.
Toen Wannes mij in 2005 op basis van een paar mails uitnodigde om naar Leuven te komen, schreef hij: ‘Kom asjeblief, dan doen we enkel leuke dingen.’ Zelfs de eenzaamheid zette geen streep door dat motto.



Klik voor meer dan een fragment.
Ik ben een kijker, een loerder, een tuurder. Geef mij een mooi uitzicht op een ander en ik vermaak me wel. Maar omdat we levende zielen probeerden te mijden, kwam die hobby wat in het gedrang deze vakantie. Daarom richtte ik mij op de campingdecoratie. Zij zijn groot en ik is klein. Pardon? Wat is groot? En wat is er met de witte poes gebeurd?



Klik voor meer dan een fragment.
Ook de raamdecoratie van stokbroden in klederdracht was om over naar huis te schrijven. De mevrouw naast me wilde ook graag op de foto. (Irún, Spaans-Baskenland)



Klik voor meer dan een fragment.
Ik kijk graag, maar ik maak ook graag vriendjes. Gelukkig kon ik zo nu en dan mijn stemgeluid testen op een van de Hitlerkatten die ons pad kruisten. Deze ontmoette ik in Hondarribia, Spaans-Baskenland. De scheiding mag nog iets meer naar links, maar voor het overige…



Klik voor meer dan een fragment.
Hitlerkat 2, Saint Cirq, Frankrijk. Hoeveel Hitlerkatten is normaal, per vakantie?



Klik voor meer dan een fragment.
Er was maar één kat stoerder dan alle Hitlerkatten bij elkaar. Dat was de dorpspoes van Le Bugue. Die leefde op een klein rondpunt waar gigantische vrachtwagens de hele dag onvoorstelbaar kleine draaicirkels maakten. Ze mocht nergens naar binnen, maar ze had overal een eigen plekje. Bij het café een stoel (zie foto), bij de supermarkt een doos en bij de oude mannetjes een plaatsje op het bankje. Alle honden van het dorp waren bang voor haar.



Klik voor meer dan een fragment.
Qua aanspraak heb je er niet veel aan, maar mooi was het wel, de zwerm roofvogels boven de weg naar Pamplona.



Klik voor meer dan een fragment.
De kans dat je vriendjes maakt wordt groter als je het raam van je hotelkamer open laat. (Pamplona, Spaans-Baskenland)



Klik voor meer dan een fragment.
En de kans dat je vriendjes maakt wordt ook groter als je kookt. (Bidart, Frans-Baskenland)



Klik voor meer dan een fragment.
Dus kookte ik. (Hondarribia, Spaans-Baskenland)



Klik voor meer dan een fragment.
Ik hield niet meer op met koken (Saint Cirq, Frankrijk).



Klik voor meer dan een fragment.
Maar het werkte. Wannes en ik werden dikke maatjes.



Klik voor meer dan een fragment.
Onmiskenbaar dikke mik.



Klik voor meer dan een fragment.
En zo werd het toch nog gezellig.

Hoe de eenzaamheid begon

De eenzaamheid begon met zijn tweeën. In juni verlieten we Het Eiland Neus en reden we met een rotgang naar het zuiden. We streken onder het laatste donkerblauwe wolkje op de weerkaart in de Sud-Ouest neer. We hadden potentiële mede-toeristen achtergelaten in hun werkende bestaan en waanden ons tweeënhalve week in een wereld zonder mensen.



Klik voor meer dan een fragment.
Omdat het de eerste dagen waren en we nog mensen en lelijke landschappen gewend waren, vonden we dit zicht op zee al fantastisch en die caravan-met-gepensioneerde-Brit vonden we nog pretty quiet. We aten eendjes, zagen Bayonne, Biarritz en een paar surf-dudes en we probeerden de vakantieloze jaren die achter ons lagen los te laten in het zand van de Frans-Baskische kust.



Klik voor meer dan een fragment.
Om uit te suizen is de Atlantische kust altijd prijs: de wind waait met gemak acht vakantieloze jaren uit je hoofd. Wannes zag zijn eerste ansichtkaartzonsondergang en ik probeerde met zijn blik te kijken. Samen zagen we hoe de zon een hapje uit de horizon nam.



Klik voor meer dan een fragment.
Die boom lijkt wel gephotoshopt, zei Wannes. Ook als de zon je werk wegsmelt en de wind alle kernel panics heeft meegenomen, is je hoofd niet helemaal vrij. Blijkt.



Klik voor meer dan een fragment.
Eenzame wc’s all over the place. Eigenlijk een voorwaarde voor een fijne vakantie. Hoe kan een mens ooit loskomen van het hectische bestaan, als-ie steeds moet kijken of er geen pis op de bril ligt?



Klik voor meer dan een fragment.
Toen het donkerblauwe wolkje op de weerkaart van de Sud-Ouest steeds dichterbij kwam, zetten we ons barrel schuin tegen de Pyreneeën. We gingen naar de leukste stad van Europa, Pamplona, waar de eenzaamheid ver te zoeken was, maar daarover meer in het volgende stukje. Na twee dagen hotelraamzicht op Pyreneeën-onweer trokken we naar Hondarribia waar we heel hard moesten lachen om het uitzicht van een paar dagen daarvoor. Dit was pas zicht op zee.



Klik voor meer dan een fragment.
Aan dit mooi Spaans-Baskische baaitje aten we elke dag asperges, we kochten een paraviento, want Atlantische golven zijn niet zomaar zo hoog en we reden voor de gein af en toe even op en neer naar Frankrijk (3 km). Het tentje dat je rechtsonder ziet, is het onze. Niemand durfde tussen onze tent en onze parasol in te gaan staan. Eenzaamheid moet je soms afdwingen.



Klik voor meer dan een fragment.
Zag je Wannes op de vorige foto? Hij fotografeerde mij.



Klik voor meer dan een fragment.
Ik had dertien boeken in de auto liggen. Ik las er anderhalf. Hier ben ik bezig in De Kleine Keizer van Martin Bril. Een rommelboekje, maar uiterst vermakelijk.



Klik voor meer dan een fragment.
Het uitzicht was idyllisch, de soundtrack minder. We hadden welgeteld één buurtent (zie ook een van de vorige foto’s) bewoond door een Spaanse familie met aan het hoofd een vader met losse handjes. We staarden vanuit onze tent naar de kleuren van de eenzaamheid en we hoorden het ruisen van de zee. Pets!



Klik voor meer dan een fragment.
In een leeg hoofd zijn slaande vaders niet welkom. We vertrokken. Ook omdat de donkerblauwe wolkjes op de weerkaart van El Diario Vasco ons omsingelden. We gooiden het barrel het dal in en karden door tot de Dordogne waar tot onze grote schrik mensen waren. Niet zomaar mensen: Nederlanders! Heel. Veel. Nederlanders. We reden door tot we op een berg alleen nog de echo van de Telegraaflezers hoorden. Daar lag de Vézère.



Klik voor meer dan een fragment.
Een Franse dokter stopte me vol met pijnstillers waar je vrolijk van werd. Ik was zo slap als een vaatdoek, dus hier fake ik met verve een inspanning. Feitelijk werd ik door Wannes van niemand naar nergens gepeddeld. We kwamen die dag één andere boot, een visser en een landbouwaggregaat tegen.



Klik voor meer dan een fragment.
Ik bezocht het huisje waar ik tussen mijn achtste en mijn dertiende vaak kwam en zag dat de eenzaamheid daar ook had toegeslagen.



Klik voor meer dan een fragment.
We hadden een bos voor ons alleen. Soms hoorden we iets. De meeste foto’s van die week zijn momenten dat we de camera gebruikten als verrekijker. ‘Hee, hoorde jij ook iets? Zoom eens in? ‘



Klik voor meer dan een fragment.
Op 1 juli kwam ik tot de schokkende ontdekking dat er iemand op mijn wc was geweest. Omdat ik de enige op de camping was, had ik mijn eigen plee, vond ik, en iemand had het maandverbandbakje opengezet. In de verte hoorde ik een stem. Dat deed de deur dicht. Op 3 juli reden we in één dag terug naar Leuven.

(wordt vervolgd)

Hoe het met mij gaat

Hoe het met mij gaat, vroeg @karenvdslikke.

Dinsdag zag ik voor het laatst iemand anders dan Wannes. Dat was de caissière van de Bioplanet. Ik geloof niet dat ze iets anders tegen me zei dan de prijs van de boodschappen. Ze nam niet de moeite me aan te kijken. Omdat ik al twee dagen lichtschuwe ogen had, droeg ik ook binnen een zonnebril.
Zaterdag zag ik voor het laatst iemand die ik ken. Het was @DeHuisvrouw. Omdat ze trouwde kwam ik uit mijn hol. Er waren mensen. Veel mensen. Meer mensen dan ik sinds half juni had gezien. Na een uur zette ik het op een lopen. Toen ik thuiskwam gaven mijn kegeltjes het op en werd ik lichtschuw.
Twee weken geleden sprak ik voor het laatst met iemand af. Mijn schoonouders kwamen eten. Zonder kiezen en met ontstoken ogen en een kop vol personages schoof ik aan. Ik herinner me er niet veel van.
Vier weken geleden kwam ik terug van een vakantie waarin ik met Wannes ronddoolde door verlaten dorpen, op stille campings en langs uitgestorven kustlijnen. Een vakantie waarin ik dankzij een welwillende dokter en een dosis opiaten voor het eerst sinds een jaar pijnloos door het leven kon. Toen de toeristen kwamen, haakten we af.
Zeven weken geleden stierf mijn poes. Het was een poes die me uit mijn concentratie haalde, zeker toen hij ziek was. Maar dood is ook weer zo wat.
Het is nu vrijdag. Ik schrijf al een maand aan een stuk door en ik moet nog een paar weken, ik vervloek mijn lichaam en de eenzaamheid, maar ik ben tevreden. Het wordt mooi.

Heimweedistributie

‘En ze hebben NRC én de Volkskrant van dezelfde dag. Hier aan het einde van de straat!’ zei ik tegen mijn vader toen ik 2006 in een zijstraat van de Naamsestraat in Leuven (België) kwam wonen. De sigarenwinkel had een grote stinkhond. Als je er binnenkwam moest je het klepje achterin je keel sluiten om niet kokhalkzend je bestelling te plaatsen. Maar ze hadden wel NRC en de Volkskrant van dezelfde dag.

We hadden een abonnement op De Morgen, een verfrissende krant op een prachtig formaat, met veel moderne cultuur, veel goede columnisten en een frisse nieuwskeuze. Maar ik miste voorkennis, ik wilde me slim voelen als ik de krant las, ik wilde het gevoel hebben dat ik de achtergronden kende, de oorzaken, de mensen over wie het ging. Om dat gevoel op te roepen, kocht ik eens per week een Nederlandse krant, meestal op zaterdag.

‘U heeft zo vaak geen Volkskrant’ klaagde ik in 2008 tegen de meneer van de stinkhond. ‘Nee, ze gaan met de distributie niet meer verder dan het station’, was zijn antwoord. Omdat mijn redenen om Nederlandse kranten te lezen een fietstocht van een kwartier nooit zouden overleven, las ik vanaf dat moment alleen Nederlandse kranten als ik toevallig op het station moest zijn.

Toen De Morgen er op een dag een potje van maakte, zei ik tegen Wannes: ‘We gaan ons abonnement opzeggen.’ And so we did, waarna we dus en geen Nederlandse kranten en geen Vlaamse kranten meer lazen. Wij lazen het internet.

‘Dan zitten we om de hoek bij het station’ juichte ik toen we in 2009 gingen verhuizen. ‘En dan kan ik elke zaterdag te voet een verse krant gaan halen. Een Nederlandse!’ Wannes was blij voor me, die twee keer dat het lukte.

‘U heeft zo vaak geen Volkskrant’ klaagde ik twee maanden later tegen de meneer op het station. ‘Ze gaan met de distributie niet verder dan de grote steden’, was zijn antwoord. Hij wees op de Telegraaf. ‘Neem die.’ Ik trok mijn neus op.

In 2010 haalde ik vijf weken lang mijn hart op in Gent, vijf dikke zaterdagkranten lang leek het allemaal weer even als vanouds.

‘Ik moet binnenkort een paar zaterdagen in Gent zijn. Dan kan ik weer eens een Volkskrant kopen!’ Er was sprake van serieuze voorpret begin 2011. ‘Heeft u geen Volkskrant?’ vroeg ik verbijsterd aan de meneer op station Gent Sint-Pieters. ‘Nee die gaan maar tot de grote steden.’

Over twee weken is het vijf jaar geleden dat ik in België kwam wonen, drie maanden geleden dat Gent geen grote stad meer was, en een kwestie van tijd voor ik losgezongen ben.

Hoop

Ik pak mijn All Stars en pleur ze midden in de kamer naast de poef. Nog half slapend laat ik me door mijn knieën zakken. Voet in de schoen, neus tussen mijn knieën, veters strikken. Een bobbel. Onder mijn zool. Ik trek mijn voet omhoog. Een bruine muis op de bruine vloer. Dood. Plat. Het All Star-motiefje in zijn zij gekerfd.

Een dag later trippel ik zonder bril (-12) op blote voeten naar de badkamer. Trap af, gang door, deur open, deur dicht en vice versa. Als ik weer in bed lig, staat Wannes op. ‘Djiez!’ zegt hij.
‘Wat?’
‘Dat spoor van kots in de gang!’
Ik pak mijn bril en tuur over de trapleuning naar beneden. Er ligt een okergeel spoor in de gang dat er niet uitziet alsof je er blind langs zou kunnen lopen. Toch is me dat kennelijk gelukt.

Al tien dagen hangt het leven van mijn jongste poes aan een zijden draadje. Omdat het thema van deze week ‘poezen en onwaarschijnlijke dingen’ is, heb ik nog immer hoop.